Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU6581

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
371374 - HA ZA 10-2523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagden zijn leden van een Vereniging van Opdrachtgevers die een aannemingsovereenkomst heeft gesloten met eiseres. Gedaagden hebben zich hoofdelijk verbonden hun deel van de aanneemsom te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat gedaagden aanspraak kunnen maken op korting (§ 42.1 UAV 1989) wegens te late oplevering van het werk. Verrekening met stagnatieschade. In het bijzonder gelet op de verplichting van gedaagden tot gecoördineerde indiening van de tekeningen bij de aannemer moet - in verband met aannemer’s aanspraak op stagnatieschade - de in artikel 3.4 van de aannemingsovereen­komst opgenomen verplichting om de benodigde stukken tijdig en gecoördineerd in te leveren, aldus worden uitgelegd dat ieder van de kaveleigenaren verantwoordelijk is voor de gecoördineerde aanlevering van tekeningen, wat ook past bij het gegeven dat het hier volgens de aannemingsovereenkomst gaat om één werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 371374 / HA ZA 10-2523

Vonnis van 16 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN EGMOND BOUW- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Rijnsburg,

eiseres,

advocaat mr. D.G. Lasschuit te Noordwijk,

tegen

1.[gedaagde 1],

2.[gedaagde 2],

3.[gedaagde 3],

allen wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. F. Dijkslag te Amersfoort.

Partijen zullen hierna enerzijds "Van Egmond" en anderzijds "[gedaagde 1]", "[gedaagde 2]" en "[gedaagde 3]" genoemd worden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als "[gedaagden 1 en 2 c.s.]", en [gedaagden] gezamenlijk als "gedaagden".

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 juli 2010, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 13 oktober 2010, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

- het proces-verbaal van comparitie van 27 januari 2011 en de daarin genoemde stukken, waaronder een akte voorwaardelijke vermeerdering van eis, die vervolgens onvoorwaardelijk is geworden,

- de conclusie van repliek, met producties,

- de conclusie van dupliek, met producties,

- de akte uitlating producties van de zijde van Van Egmond.

2.De feiten

2.1Op 11 juni 2008 heeft de Vereniging van Opdrachtgevers [A-straat] (hierna: "de VvO") met Van Egmond een overeenkomst van aanneming van werk gesloten (hierna: "de aannemingsovereenkomst"). Aan Van Egmond werd opdracht verleend om tegen een prijs van € 968.170,54 de nieuwbouw te realiseren van een parkeerbak en het casco van acht daarboven gelegen woningen op [A-straat] van nieuwbouwproject "[A-straat te plaats A] (hierna: "het werk"). De individuele leden van de VvO hebben de aannemingsovereenkomst mede ondertekend. [gedaagden] zijn leden van de VvO. Ten tijde van de ondertekening van de aanneemingsovereenkomst was wel bekend wie de installatiewerkzaamheden zou gaan verrichten (Van Leeuwen), maar had de VvO nog geen overeenkomst met Van Leeuwen gesloten.

2.2In de aannemingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

"Artikel 2 Prijs en betaling

(...)

4. De facturering en betaling van de in lid 1 genoemde bedragen voor de woningen en de parkeerbak geschiedt individueel en gesplitst per kavel en in termijnen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 00.04.01 en 01.02.40 van het algemene deel van het bestek. Het termijnschema zal door aannemer worden opgesteld en in werking treden nadat het door [de VvO] is geaccordeerd.

(...)

Artikel 3 Planning

(...)

2. De aanvang van de bouw wordt in afwijking van artikel 01.02.07 van het algemene deel van het bestek gesteld op dinsdag 20 mei 2008.

3. Het werk zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 01.02.08 van het algemene deel van het bestek binnen 100 werkbare werkdagen na de aanvang van de bouw worden opgeleverd.

4. De aannemer zal, zoals aangegeven in het bestek, een planning opstellen en deze ter goedkeuring voorleggen aan [de VvO]. Deze planning zal vervolgens gezamenlijk worden vastgesteld. De geaccordeerde planning wordt uiterlijk verlangd op de eerste bouwvergadering. [De VvO] en haar individuele leden verklaren zich aan de aldus overeengekomen planning te committeren en er zorg voor te dragen dat de door hen ingeschakelde architecten en adviseurs de door [Van Egmond] benodigde stukken tijdig indienen."

2.3In de aannemingsovereenkomst is onder meer opgenomen dat van die overeenkomst deel uitmaken het "Bouwkundig bestek algemene voorwaarden van 21 juli 2007, zoals gewijzigd op 2 september 2007, versie IV" met de daarbij behorende bijlagen (hierna: "het bestek AV"), alsook het "Bouwkundig bestek deel A, casco, van 31 juli 2007, zoals gewijzigd op 2 oktober 2007, versie IV" met de daarbij behorende bijlagen.

2.4In het bestek AV zijn de UAV 1989 van toepassing verklaard. Voorts is in het bestek AV onder meer het volgende opgenomen:

"01.02.08 UITVOERINGSDUUR, UITSTEL VAN OPLEVERING

02. DATUM VAN OPLEVERING

Het werk moet uiterlijk worden opgeleverd op:

CASCO

- Alle kavels gelijktijdig binnen 100 werkbare werkdagen

(...)

01.02.10

49. TERMIJN RESTPUNTEN

De termijn waarbinnen de restpunten, die staan vermeld in het proces-verbaal van oplevering, dienen te worden verholpen bedraagt voor:

- casco: maximaal 4 weken na oplevering

(...)

Tenzij het later verhelpen van een restpunt tijdens oplevering is besproken en door opdrachtgever specifiek akkoord is gegeven.

(...)

01.02.42 KORTINGEN

01. KORTINGSBEDRAG

De korting, bedoeld in paragraaf 42 van de U.A.V., bedraagt per dag:

Euro 50,-- per woning per kalenderdag (excl. BTW).

Korting geldt tot het moment van oplevering (met inachtneming par. 01.02.08 lid 02).

Indien het verhelpen van de restpunten langer duurt dan de in par. 01.02.10 lid 49 beschreven maximale tijdsduur dan heeft de opdrachtgever recht op doorzetting van de korting over de overschrijdende periode.

09. OVERSCHRIJDINGSKOSTEN

Behalve die hierboven staande kortingen zullen alle uit de overschrijding voortvloeiende kosten op de aannemer worden verhaald.

01.02.49 BESLECHTING VAN GESCHILLEN

19. (...) Alle geschillen, die naar aanleiding van of in verband met deze overeenkomst tussen partijen mochten ontstaan, ook al worden zij slechts door een partij als zodanig aangemerkt, zullen worden onderworpen aan het oordeel van de in eerste instantie bevoegde rechter van de Rechtbank. Indien de aannemer een geschil betreffende de eindafrekening aanhangig maakt, later dan vier weken nadat de opdrachtgever hem zijn beslissing omtrent de eindafrekening heeft medegedeeld, is de aannemer in hetgeen hij meer of anders vordert dan die eindafrekening inhoudt, niet ontvankelijk."

2.5Op 6 maart 2009 heeft Van Egmond het werk opgeleverd.

2.6In de loop van 2009 hebben Van Egmond en de VvO c.q. [gedaagden 1 en 2 c.s.} c.q. [gedaagde 3] uitgebreid gecorrespondeerd over meerdere geschilpunten ter zake het werk en zijn er over en weer voorstellen gedaan.

2.7Wat betreft de kavel van [gedaagden 1 en 2 c.s.] is een aanneemsom overeengekomen van € 114.053,23 exclusief BTW, oftewel € 135.723,34 inclusief BTW. [gedaagden 1 en 2 c.s.] hebben de eerste zeven termijnen van de vaste aanneemsom voldaan. Op 24 februari 2009 heeft Van Egmond voor de achtste termijn van de overeengekomen aanneemsom € 18.419,59 inclusief BTW aan [gedaagden 1 en 2 c.s.] gefactureerd. Op 31 december 2009 heeft Van Egmond € 3.110,15 inclusief BTW aan [gedaagden 1 en 2 c.s.] gefactureerd onder vermelding van "Afrekening conform brief kenmerk 108100.021 d.d. 08-01-2010". Bij brief van 8 januari 2010 kenmerk 108100.021 heeft Van Egmond aan [gedaagden 1 en 2 c.s.] een voorstel voor een eindafrekening gedaan. [gedaagden 1 en 2 c.s.] hebben daarop € 958,47 aan Van Egmond voldaan, doch hebben overigens niet op die brief gereageerd.

2.8Wat betreft de kavel van [gedaagde 3] is een vaste aanneemsom overeengekomen van € 116.125,47 inclusief BTW, oftewel € 138.189,31 inclusief BTW. [gedaagde 3] heeft de eerste zeven termijnen van de vaste aanneemsom voldaan. Op 24 februari 2009 heeft Van Egmond voor de achtste termijn van de overeengekomen aanneemsom € 18.775,49 inclusief BTW aan [gedaagde 3] gefactureerd; voor de slottermijn van de overeengekomen aanneemsom heeft zij op 24 april 2009 € 6.917,29 inclusief BTW aan [gedaagde 3] gefactureerd. Voor meerwerk heeft Van Egmond op 5 mei 2009 € 687,12 en op 12 mei 2009 € 1.005,55 en € 4.055,59 inclusief BTW aan [gedaagde 3] gefactureerd. Van Egmond heeft bij factuur van 31 december 2009 [gedaagde 3] voor € 435,75 inclusief BTW gecrediteerd inzake meerwerk. In deze factuur heeft Van Egmond (reeds op voorhand) verwezen naar een brief aan haar van (eveneens) 8 januari 2010 kenmerk 108100.017. Naar aanleiding van een vervolgens, op 8 februari 2010 met [gedaagde 3] gevoerd gesprek is een eindafrekening gevolgd bij brief van Van Egmond d.d. 9 februari 2010. [gedaagde 3] heeft daarop gereageerd met een (tegen)voorstel bij e-mail van 7 maart 2010. [gedaagde 3] heeft ter zake van de facturen een bedrag van € 16.489,60 aan Van Egmond betaald; daarvan strekt € 15.680,13 in mindering op de vaste aanneemsom en € 809,47 op de facturen ter zake van meerwerk.

2.9De VvO heeft aan Van Egmond geen kortingen wegens vertraagde oplevering opgelegd, mits Van Egmond harerzijds zou afzien van een vordering tot stagnatieschade, hetgeen zij ten opzichte van de VvO heeft gedaan.

3.De geschillen

Het geschil tussen Van Egmond en [gedaagden 1 en 2 c.s.]

3.1Van Egmond vorderde bij dagvaarding - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagden 1 en 2 c.s.] tot voldoening aan Van Egmond van een bedrag van € 20.571,27, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

Bij voorwaardelijke akte vermeerdering van eis, die inmiddels onvoorwaardelijk is geworden, heeft Van Egmond haar vordering vermeerderd in die zin dat zij uit hoofde van stagnatieschade van [gedaagden 1 en 2 c.s.] tevens vordert € 11.503,75.

Van Egmond brengt daarop kennelijk in mindering - op grond van de partiële vaststellingsovereenkomst, opgemaakt ter comparitie - wegens post:

B022: (€ 742,50 x 1,19) -/- € 20,- = € 863,58;

B028: het gehele bedrag, oftewel (€ 554,18 x 1,19 =) € 659,47;

B037: (€ 1.447,60 x 1,19) -/- € 160,- = € 1.562,64;

B040: (€ 592,98 x 1,19) -/- € 295,- = € 410,65;

B046: het gehele bedrag, oftewel (€ 991,10 x 1,19 =) € 1.179,41;

Gezamenlijk meerwerk: ( € 1.306,91 x 1.19) -/- € 195,- = € 1.360,22;

Minderwerk/opleverpunten: (€ 1.000,- + € 600,- + € 600,- + €2.100,- =) € 4.300,-.

Van Egmond heeft op de genoemde posten meerwerk al bij dagvaarding een korting van (€ 1.500,- x 1,19 =) € 1.785,- inclusief BTW toegepast en rekening gehouden met een door [gedaagden 1 en 2 c.s.] ter zake betaald bedrag van (€ 1.521,70 x 1,19 =) € 1.810,83. Beide bedragen moeten op de hiervoor genoemde aftrekposten weer in mindering worden gebracht, omdat Van Egmond die bedragen nooit heeft gevorderd.

Aldus vordert Van Egmond betaling door [gedaagden 1 en 2 c.s.] van (€ 20.571,27 + € 11.503,75 -/- € 863,58 -/- € 659,47 -/- € 1.562,64 -/- € 410,65 -/- € 1.179,41 -/- € 1.360,22 -/- € 4.300,- + € 1.785,- + € 1.810,83 =) € 25.334,88 (hoofdsom).

3.2Van Egmond legt aan haar vordering tegen [gedaagden 1 en 2 c.s.] het volgende ten grondslag. [gedaagden 1 en 2 c.s.] hebben niet (volledig) voldaan aan hun betalingsverplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. [gedaagden 1 en 2 c.s.] dienen in dat verband nog € 18.419,59 aan vaste aanneemsom -/- € 958,47 aan betaalde bedragen + (€ 20,- + € 160,- + € 295,- + € 195,- =) € 670,- inclusief BTW aan meerwerk -/- € 4.300,- aan minderwerk c.q. opleverpunten = € 13.831,13 inclusief BTW aan Van Egmond te betalen.

Voorts dienen [gedaagden 1 en 2 c.s.] een evenredig deel te vergoeden van de stagnatieschade die Van Egmond heeft geleden ter zake het uitvoeren van het werk, evenals een evenredig deel van de door Van Egmond gemaakte kosten voor de uitvoering van directievoerende taken. Dienaangaande dienen [gedaagden 1 en 2 c.s.] nog eens € 11.503,75 aan Van Egmond te betalen, aldus nog steeds Van Egmond.

3.3De stagnatie vloeit volgens Van Egmond voort uit door de VvO veroorzaakte vertraging, doordat de VvO:

a) de voor de bouw benodigde informatie niet tijdig heeft aangeleverd,

b) het tekenwerk niet heeft gecontroleerd en

c) dit evenmin heeft gecoördineerd noch heeft gestroomlijnd.

In verband met onderdeel c) heeft Van Egmond aangevoerd dat de VvO de in een bijlage bij het bestek genoemde coördinerend architect heeft wegbezuinigd en dat degene die namens de VvO directie voerde dan wel toezicht uitoefende, stelselmatig heeft geweigerd om de in het - bij het bestek behorende - stroomschema (productie 17 van Van Egmond) omschreven taken uit te voeren. Daarin is vermeld dat opmerkingen van de architecten met betrekking tot de uitvoeringsstukken van de aannemer door de directie worden verzameld en gecoördineerd aan de aannemer worden verstrekt. Een en ander komt naar voren in de brief van Van Egmond d.d. 23 juni 2008 (productie 30 van Van Egmond) en het verslag van de op 25 juni 2008 gehouden bespreking (productie 20A van Van Egmond).

De stagnatieschade beloopt volgens Van Egmond € 92.030,-. Zij bestaat enerzijds uit extra kosten in verband met het ontbreken van directievoering aan de zijde van de VvO - wat van Van Egmond extra inspanningen vergde en haar noodzaakte om derden in te schakelen - begroot op € 24.640,- (post B044) - en anderzijds uit extra bouwplaatskosten. Deze zijn berekend over 14 weken (inclusief 2 weken Kerstvakantie en 3 weken vorstverlet) à € 4.376,- per week ("10% van € 87.520,- voor 20 weken"): (14 x 4.376 =) € 61.264,- plus 10% aannemersprovisie à € 6.126,40 is in totaal € 67.390,40 (post B043). Beide posten dienen te worden omgeslagen over de 8 kavels, wat neerkomt op € 11.503,75 per kavel.

[gedaagden 1 en 2 c.s.] kunnen geen aanspraak maken op kortingen wegens vertraagde oplevering. Hun vordering ter zake is niet eenvoudig vast te stellen (artikel 6:136 BW). Voorts zijn niet zij doch is op grond van § 42.1 UAV 1989 enkel de VvO als opdrachtgeefster daartoe eventueel bevoegd, doch deze heeft daarvan afgezien. De vertraging is overigens aan de VvO te wijten; voorts kunnen [gedaagden 1 en 2 c.s.] boven een eventuele korting geen recht op schadevergoeding doen gelden.

3.4[gedaagden 1 en 2 c.s.] hebben het gevorderde gemotiveerd betwist. Gelet op de partiële vaststellingsovereenkomst, opgemaakt ter zitting, voeren zij daartoe thans nog het volgende aan.

Ingevolge § 6 lid 15 UAV 1989 had Van Egmond haar vordering inzake stagnatieschade tegen de VvO moeten instellen. Voorts had zij op grond van § 01.02.49 sub 19 van het bestek AV het geschil over de eindafrekening aanhangig moeten maken binnen vier weken nadat [gedaagden 1 en 2 c.s.] aan Van Egmond hun eindbeslissing omtrent de eindafrekening hadden meegedeeld. Derhalve dient de vordering ter zake van stagnatieschade te worden afgewezen en is Van Egmond niet ontvankelijk in hetgeen meer of anders is gevorderd dan de beslissing van [gedaagden 1 en 2 c.s.] op de eindafrekening.

[gedaagden 1 en 2 c.s.] hebben voorts betwist dat de vertraging aan de VvO is te wijten.

Daarnaast betwisten zij de berekening van de vertraging en van de door Van Egmond gehanteerde bouwplaatskosten: 10% van € 87.520,- gedeeld door 20 weken is € 437,60 per week.

Het werk had 100 werkbare werkdagen na 20 mei 2008 moeten worden opgeleverd. Uitgaande van § 1.1 en § 8.2 UAV 1989 en van de opgave van niet werkbare dagen van meetstation Schiphol was de overeengekomen bouwtijd op 24 november 2008 verstreken. Nu de werkelijke oplevering op 6 maart 2009 heeft plaatsgevonden, is dat 114 dagen te laat. Daarnaast is ook nog de hersteltermijn van 4 weken met betrekking tot de stalen kolommen in de voorgevel met 9 dagen overschreden. In totaal is er derhalve een vertraging van 123 dagen. De vertraging is aan Van Egmond is te wijten. Op basis daarvan stellen [gedaagden 1 en 2 c.s.] dat zij recht hebben op een korting van € 50,- per dag over die 123 dagen, wat volgens hen inclusief BTW uitkomt op € 7.318,50, welk bedrag zij met de vordering van Van Egmond hebben verrekend.

Daarnaast wensen zij tevens een bedrag van € 1.630,- te verrekenen: schadevergoeding wegens dubbele woonlasten, wat op grond van § 1.02.42.09 van het bestek AV mogelijk is.

Uit de bouwverslagen blijkt niet dat een vertraagde aanlevering van tekeningen tot vertraging heeft geleid en evenmin dat er vertraging is ontstaan doordat er te laat opdracht is verstrekt aan de installateur. Deze was blijkens het eerste bouwverslag van de aanvang af bij de bouw betrokken. Onjuist is dat de installateur niet tijdig kon meedraaien en daardoor installatietekeningen ontbraken. Voor zover de bouwverslagen redenen voor vertraging vermelden - slecht weer, moeilijk leidingverloop op kavel 8-9, vorst, geen goedkeuring voor stort - zijn dit geen factoren die qua aard of feitelijke betekenis leiden tot voor vergoeding in aanmerking komende stagnatieschade.

De VvO heeft veel tijd gestoken in het bouwproces. Echter, door het ontbreken van een planning konden de adviseurs van de VvO niet worden ingepland. Het overleg van 25 juni 2008 is door de VvO georganiseerd, waarin alsnog is gevraagd om een goede planning inclusief tekeningenbehoefteschema. Op 27 februari 2009 waren er nog op te lossen opleverpunten, waardoor de afbouwaannemers niet goed verder konden. Voorts hoefde de VvO geen genoegen te nemen met een oplevering met stempels, wat door diverse afbouwaannemers niet werd geaccepteerd. De rol van de coördinerend architect was beperkt tot de fase van de stallingsgarage, wat in de aanbestedingsfase kenbaar is gemaakt. In de bestektekeningen waren de overzichtstekeningen als toelichting opgenomen, deze bevatten echter geen details en op elke tekening is vermeld dat de tekeningen van de individuele architecten leidend zijn.

Voor zover Van Egmond taken van de coördinerend architect op zich heeft genomen, heeft zij dat onverplicht gedaan. Overigens had Van Egmond op grond van het bestek (01.02.06 lid 52 j° 01.02.26 en 01.02.01) een coördinerende taak.

Ten slotte is ook het door Van Egmond voor directietaken en dergelijke genoemde bedrag ad € 24.640,- onvoldoende onderbouwd.

Het geschil tussen Van Egmond en [gedaagde 3]

3.5Van Egmond vorderde bij dagvaarding - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 3] tot voldoening aan Van Egmond van een bedrag van € 14.515,73, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

Bij voorwaardelijke akte vermeerdering van eis, die inmiddels onvoorwaardelijk is geworden, heeft Van Egmond haar vordering vermeerderd in die zin dat zij uit hoofde van stagnatieschade van [gedaagde 3] tevens vordert € 11.503,75.

Van Egmond brengt daarop kennelijk in mindering - op grond van de partiële vaststellingsovereenkomst, opgemaakt ter comparitie - wegens post:

B030: (€ 1.005,55 inclusief BTW) -/- € 160,- = € 845,55;

B038: (€ 4.055,59 inclusief BTW) -/- € 2.500,- = € 1.555,59;

Gezamenlijk meerwerk: het gehele bedrag = € 687,12;

Minderwerk/opleverpunten: (€ 542,- + € 380,- + € 1.100,- + € 400,- =) € 2.422,-.

Van Egmond heeft bij dagvaarding van de genoemde posten meerwerk reeds € 435,71 gecrediteerd en rekening heeft gehouden een door [gedaagde 3] reeds betaald bedrag van € 809,47. Beide bedragen moeten op de hiervoor genoemde aftrekposten weer in mindering worden gebracht, omdat Van Egmond die bedragen nooit heeft gevorderd.

Aldus vordert Van Egmond betaling door [gedaagde 3] van (€ 14.515,73 + € 11.503,75 -/- € 845,55 -/- € 1.555,59 -/- € 687,12 -/- € 2.422,- + € 435,71,- + € 809,47 =) € 21.754,40 (hoofdsom).

3.6Van Egmond legt aan haar vordering tegen [gedaagde 3] het volgende ten grondslag. [gedaagde 3] heeft niet (volledig) voldaan aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. [gedaagde 3] dient in dat verband nog (€ 18.775,49 + € 6.917,29 =) € 25.692,78 aan vaste aanneemsom -/- € 15.680,13 aan ter zake betaalde bedragen + (€ 160,- + € 2.500,- =) € 2.660,- inclusief BTW aan meerwerk -/- € 2.422,- aan minderwerk/opleverpunten = € 10.250,65 te voldoen.

Voorts dient [gedaagde 3] een evenredig deel te vergoeden van de stagnatieschade die Van Egmond heeft geleden ter zake het uitvoeren van het werk, evenals een evenredig deel van de door Van Egmond gemaakte kosten voor de uitvoering van directievoerende taken. Dienaangaande dient [gedaagde 3] nog eens € 11.503,75 aan Van Egmond te betalen, aldus nog steeds Van Egmond.

3.7Voor de standpunten van Van Egmond over de oorzaken van de stagnatie en de eventuele aanspraak van de leden van de VvO op korting, wordt kortheidshalve verwezen naar rechtsoverweging 3.3.

3.8[gedaagde 3] heeft het gevorderde eveneens gemotiveerd betwist. Zij heeft daartoe dezelfde verweren gevoerd als [gedaagden 1 en 2 c.s.], met dien verstande dat zij haar kavel op 10 februari 2009 in gebruik heeft genomen en gelet daarop aanspraak maakt op korting van € 50,- over 70 dagen, hetgeen volgens haar uitkomt op € 4.165,- inclusief btw. Bovendien heeft zij nog aangevoerd dat op de vordering van Van Egmond jegens haar een bedrag van € 2.000,- in mindering strekt, omdat Van Egmond de elektra installatie niet in de prefab wanden van haar appartement heeft aangebracht.

4.De beoordeling

4.1Blijkens de onder 2.7 en 2.8 vastgestelde feiten hebben [gedaagden 1 en 2 c.s.] en [gedaagde 3] voorafgaand aan de op 12 juli 2010 uitgebrachte dagvaarding geen beslissing omtrent de eindafrekening aan Van Egmond medegedeeld. Ten aanzien van [gedaagden 1 en 2 c.s.] was er nog slechts een voorstel tot een eindafrekening van Van Egmond, waarop [gedaagden 1 en 2 c.s.] behoudens een enkele betaling niet hebben gereageerd. [gedaagde 3] had voordien wel een eindafrekening van Van Egmond ontvangen, maar had dienaangaande slechts een tegenvoorstel gedaan (d.d. 7 maart 2010), dus nog geen beslissing genomen. Bijgevolg is aan de voorwaarden van § 01.02.49 sub 19 van het bestek AV niet voldaan, zodat het ontvankelijkheidsverweer van gedaagden faalt.

4.2Zowel in het kader van Van Egmond's vordering tot vergoeding van stagnatieschade als in het kader van de door gedaagden gemaakte aanspraak op kortingen rijst de vraag of de aannemingsovereenkomst daarvoor een basis biedt; anders gezegd of daaruit voor gedaagden een - ten opzichte van die vordering relevante - verbintenis voorvloeit ten aanzien waarvan zij tekort zijn geschoten en bijgevolg schadeplichtig zijn, respectievelijk of het recht op een korting bij te late oplevering (ook) aan hen toekomt. Aanleiding voor die vraag is het gegeven dat gedaagden de aannemingsovereenkomst weliswaar hebben ondertekend, maar dat de VvO blijkens de aannemingsovereenkomst als opdrachtgever is aangemerkt.

4.3De rechtbank is van oordeel dat die vraag in beide kaders bevestigend dient te worden beantwoord.

4.4Tussen de VvO en Van Egmond is overeengekomen dat Van Egmond afziet van vergoeding van stagnatieschade (enerzijds vergoeding van harerzijds verrichte coördinatiewerkzaamheden die de directievoerder of de coördinerend architect van de VvO had moeten verrichten en anderzijds vergoeding van extra weken bouwplaatskosten die het gevolg zijn geweest van de vertraging welke op haar beurt weer voortvloeit uit de gebrekkige coördinatie aan VvO-zijde). Daartegenover heeft de VvO harerzijds afgezien van aanspraak op kortingen. Volgens de toepasselijke § 42.1 UAV 1989 kan de opdrachtgever kortingen op de aanneemsom jegens de aannemer opleggen wegens te late oplevering van het werk. Gegeven dat de aannemingsovereenkomst de verplichting om (hun deel van) de aanneemsom te betalen uitsluitend op de kaveleigenaren legt, moeten de kaveleigenaren in het kader van die § 42.1 als opdrachtgever worden aangemerkt. Anders zou de daarin neergelegde bevoegdheid om kortingen op te leggen, in het kader van de onderhavige aannemingsovereenkomst zonder betekenis zijn, wat - gezien de betekenis van die bevoegdheid in de bouwpraktijk - niet goed voorstelbaar is.

4.5De rechtbank gaat er niet van uit dat de VvO met het aangaan van bedoelde overeenkomst van afstand (met Van Egmond) ook de individuele kaveleigenaars heeft gebonden: dezen kunnen individueel aanspraak maken op kortingen. Echter, nu gedaagden in dit geval die overeenkomst van afstand naast zich neerleggen, dienen zij te aanvaarden dat een eventuele aanspraak van Van Egmond op stagnatieschade in het kader van het werk naar rato op hen kan worden verhaald, ongeacht de vraag met betrekking tot welk(e) kavel(s) er vertraging is opgetreden. In artikel 3.4 van de aannemingsovereenkomst is namelijk bepaald - onder meer - dat de individuele leden van de VvO er zorg voor dragen dat de door hen ingeschakelde architecten en adviseurs de door de aannemer benodigde stukken tijdig indienen. Hoe die indiening dient te geschieden - verzamelen van de opmerkingen van de architecten en de coördinatie ter zake door de directie - is vastgelegd in het Stroomschema uitvoeringsstukken van de aannemer, dat onderdeel uitmaakt van het bestek en daarmee van de aannemingsovereenkomst. In het bijzonder gelet op die verplichting tot gecoördineerde indiening van de tekeningen bij de aannemer moet de in artikel 3.4 van de aannemingsovereenkomst opgenomen verplichting om de benodigde stukken tijdig en gecoördineerd in te leveren, aldus worden uitgelegd dat ieder van de kaveleigenaren verantwoordelijk is voor de gecoördineerde aanlevering van tekeningen, wat ook past bij het gegeven dat het hier volgens de aannemingsovereenkomst gaat om één werk. Van Egmond stelt dat (ook) gedaagden ten aanzien van die verplichting tekort zijn geschoten. Daarmee berust ook Van Egmond's vordering op de aannemingsovereenkomst.

4.6Zowel in verband met eventuele kortingen als met Van Egmond's aanspraak op vergoeding van extra bouwplaatskosten is van belang in hoeverre het werk vertraagd is opgeleverd. Op die laatste aanspraak zal nu eerst worden ingegaan.

4.7[gedaagden 1 en 2 c.s.] hebben aangevoerd dat de door Van Egmond in verband met de bouwplaatskosten opgevoerde weken vertraging niet zijn onderbouwd, doch - zoals uit het navolgende blijkt - ten onrechte. Ook hun betoog dat de bouwplaatskosten niet € 4.376,- per week doch slechts 10% daarvan (€ 437,60) zouden belopen faalt. De in productie 30 van Van Egmond gegeven passage "Bouwplaatskosten zijn 10% van € 87.520,- voor 20 weken per week is dat € 4.376,-" roept vragen op omdat bouwplaatskosten in een percentage van de bouwsom plegen te worden uitgedrukt. De bouwsom was echter geen € 87.520,- doch € 968.170,54. In ieder geval is volstrekt onaannemelijk dat de bouwplaatskosten minder dan 1% van de bouwsom zouden hebben bedragen, zoals [gedaagden 1 en 2 c.s.] voorstaan. De rechtbank gaat dan ook uit van het in productie 30 van Van Egmond genoemde bedrag van € 4.376,- per week.

4.8De door Van Egmond gestelde daadwerkelijke vertraging, voor zover aan de VvO te wijten, houdt - blijkens de conclusie van repliek onder 30 e.v. en haar productie 30 - in de eerste plaats verband met een inconsistentie tussen het installatie- en constructieve ontwerp in die zin dat leidingen stalen liggers kruisten (post B16) en het feit dat de constructeur van de VvO geen opdracht kreeg om het installatieontwerp aan te passen (leidingen door de ligger zoals door Van Egmond was voorgesteld). Door dat voorstel te doen voldeed Van Egmond wel aan de op haar rustende coördinatieverplichting, maar het niet volgen daarvan door de VvO leidde onder meer tot een, volgens de gemeente, te grote concentratie van leidingen die door de gemeente dan ook werd afgekeurd. Volgens Van Egmond's productie 30 heeft een en ander ten aanzien van de eerste en tweede verdiepingsvloer van kavel 8/9 uiteindelijk geleid tot de volgende vertragingen:

- 1e verdieping: 3 weken als gevolg van het goedkeuringstraject en 2 weken in

verband met de staalconstructies (2-10-08) en

- 2e verdieping nogmaals 1 week (13-10-08).

In haar conclusie van repliek onder 30 noemt Van Egmond - verwijzend naar het verslag van de 5e bouwvergadering op 30 september 2008 - een vertraging van twee weken als gevolg van de afkeuring, wat kennelijk ziet op de 1e verdieping. De rechtbank zal daarvan uitgaan en houdt het ervoor dat er volgens Van Egmond ten aanzien van de 1e verdieping van kavel 8/9 sprake is geweest van 2 weken vertraging in verband met de afkeuring. In genoemd verslag wordt ook de vertraging in verband met de staalconstructie genoemd. Aldus is er volgens Van Egmond op grond van genoemde inconsistentie in totaal 4 weken vertraging plus 1 week ten aanzien van de tweede verdieping van kavel 8/9, derhalve in totaal 5 weken.

4.9[gedaagden 1 en 2 c.s.] verwijzen in dit verband naar het bouwverslag van 30 september 2008 waarin wordt gesproken van "wat stagnatie" en concluderen dat de vertraging kennelijk niet zoveel heeft betekend en dat deze ook niet is vermeld in Van Egmond's overzicht. Dit laatste is onjuist, zoals uit het voorgaande blijkt. Verder gaat dat overzicht (productie 30 van Van Egmond) uit van latere data dan 30 september 2008, zodat die opmerking uit het verslag van de bouwvergadering van 30 september 2008 niet doorslaggevend voorkomt.

4.10Gelet op een en ander acht de rechtbank een substantiële vertraging als gevolg van genoemde inconsistentie onvoldoende weersproken, zodat zij daarvan uitgaat. [gedaagden 1 en 2 c.s.] hebben echter ook de duur van de vertraging aan de orde gesteld. In dat verband is het de rechtbank opgevallen dat Van Egmond in het kader van de gestelde vertragingen steeds een volle week als "rekeneenheid" neemt en zichzelf daarbij soms ook tegenspreekt, zie rechtsoverweging 4.8. Vanuit de berekening van extra bouwplaatskosten, die zij per week heeft berekend, moge de week als rekeneenheid begrijpelijk zijn, maar naar het oordeel van de rechtbank komt het voorgaande erop neer dat Van Egmond de duur van de verschillende vertragingen niet nauwkeurig heeft geregistreerd doch geschat. Ook de rechtbank zal dat moeten doen en komt voor wat betreft de hier aan de orde zijnde inconsistentie uit op vier weken, dat wil zeggen 20 werkdagen.

4.11Van Egmond's overzicht (productie 30 van Van Egmond) maakt voorts per 14 oktober 2008 melding van 1 week vertraging in verband met stort 2e verdieping kavel 1, "inst. niet uitgevoerd conform uitgangspunten, stort uitgesteld". Op basis van de stukken is duidelijk dat deze vertraging verband houdt met meerwerkpost B030 ("Boren sparingen 2e verdieping kavel 1, zie mail Van Leeuwen 24-11-08", productie 21 bij conclusie van antwoord, een door Van Egmond opgestelde verrekening van meerwerk met als omschrijving onder meer "sparingen op verzoek van Van Leeuwen, kavel 1 vergeten op te geven sparingen ten behoeve van MV, riolering enz."). [gedaagde 3] is bereid gebleken een deel van de meerwerkfactuur B030 te betalen. Het moge zo zijn dat de stukken op dit punt meer helderheid hadden kunnen verschaffen, doch nu gedaagden op deze post in het geheel niet zijn ingegaan, acht de rechtbank gelet op bovenstaande gegevens een vertraging plausibel. De rechtbank schat deze vertraging op 21/2 werkdag.

4.12De vervolgens in Van Egmond's overzicht (productie 30 van Van Egmond) nog zonder datum genoemde vertraging ("vertraging stort Kavel 6 koppeling 3e verd. Vloer met prefabwand, stort 1 week uitgesteld") betreft de koppeling die ook aan de orde is in meerwerkpost B037. [gedaagden 1 en 2 c.s.] zijn daarop ingegaan en hebben - onder overlegging van een e-mail d.d. 19 januari 2009 van [A] namens Van Egmond aan medewerkers van de gemeente (productie 7 van gedaagden). Daarin reageert [A] op aangetekende brieven van de gemeente inzake uitstel van de stort van kavel 1 en 6. Voor wat betreft kavel 6 merkt hij op dat de ontbrekende beugels inmiddels zijn aangebracht, nadat eerder de gewijzigde informatie d.d. 14-01-09 niet juist (door Van Egmond) was verwerkt. Bij afwezigheid van nadere informatie die tot een ander oordeel zou kunnen leiden, gaat de rechtbank er van uit dat deze vertraging aan Van Egmond is te wijten.

4.13Tenslotte noemt Van Egmond's overzicht (productie 30 van Van Egmond) zonder datum: "vertraging stort kavel 1, 3e verd. 2x uitgesteld, inst. niet uitgevoerd conform uitgangspunten, 2 weken vertraging". Hierop ziet meerwerkpost B038. Tevens komt deze aangelegenheid naar voren in de zojuist genoemde e-mail van de heer [A] d.d. 19 januari 2009. Hij schrijft daarin aan de medewerkers van de gemeente:

"De afwijkingen zoals geconstateerd bij kavel 1 hebben wij afgelopen vrijdag voor gelegd aan de constructeur van onze vloerenleverancier. Wij hopen vandaag uitsluitsel te krijgen of het leidingverloop aldaar aangepast moet worden of dat dit opgelost kan worden door het bijleggen van extra wapening. Wij zullen u per direct informeren zodra wij uitsluitsel hebben."

Door gedaagden is bij antwoord sub 46 opgemerkt dat Van Egmond in dit opzicht niet aan haar coördinatieverplichting heeft voldaan, doch die stelling is niet concreet toegelicht. Voorts zou volgens gedaagden uit het overzicht van Van Egmond (productie 30 van Van Egmond) niet blijken hoe veel vertraging er zou zijn opgetreden, wat onjuist is, zie boven, en niet zou zijn vermeld welk kavel het betreft, wat eveneens onjuist is. Daartegenover heeft Van Egmond bij conclusie van repliek onder 34 gesteld dat het leidingwerk niet op de juiste plaats lag en dat zij dit door het ontbreken van tekenwerk niet had kunnen controleren. Bij conclusie van dupliek onder 24 gaan gedaagden hierop feitelijk niet meer in. De rechtbank wijst ook op de door gedaagden bij conclusie van dupliek overgelegde schriftelijke verklaring d.d. 3 februari 2011 van de heer [B], werkzaam bij Van Leeuwen Installatietechniek, welk bedrijf ten aanzien van het onderhavige werk was belast met het installatiewerk. In die verklaring vermeldt de heer [B] onder meer dat het niet slim was om te gaan bouwen voordat de tekeningen definitief waren. Een soortgelijke opmerking wordt gemaakt in de e-mail van de heer [A] aan de heer [C] d.d. 9 januari 2009 (productie 11 Van Egmond). Gegeven dat aan Van Egmond enkel het bouwen van de parkeerbak en van het casco van de woningen was opgedragen, valt dit "niet slimme" opereren (enkel) de opdrachtgever toe te rekenen. In die e-mail, waarvan de inhoud niet is bestreden, is ook vermeld dat Van Egmond op dat moment (9 januari 2009) nog steeds geen definitieve, reproduceerbare (installatie)tekeningen had ontvangen. Gelet op een en ander volgt de rechtbank in dezen Van Egmond. Met betrekking tot deze vertraging, waarbij opnieuw de gemeente betrokken is geweest, komt een duur van 2 weken plausibel voor, ergo 10 werkdagen.

4.14Aldus kan Van Egmond ten opzichte van de opdrachtgevers aanspraak maken op een aanvullende vergoeding van bouwplaatskosten over een periode van 61/2 week, dat wil zeggen op een bedrag van (61/2 x € 4.376,- =) € 28.444,-. Het betreft hier een schadevergoeding, geen levering of dienst, zodat BTW niet aan de orde is. Er bestaat geen aanspraak op schadevergoeding voor Van Egmond over de vertraging die niet in de risicosfeer van de VvO ligt, te weten de vertraging als gevolg van vorst (volgens Van Egmond 3 weken) en de 2 weken vertraging wegens Kerstvakantie. Van genoemd bedrag drukt 1/8 deel (€ 3.555,50) op [gedaagden 1 en 2 c.s.] en 1/8e deel op [gedaagde 3] (eveneens € 3.555,50).

4.15Naast vergoeding van vertragingsschade vordert Van Egmond een vergoeding (€ 24.640,- inclusief € 2.240,- BTW) voor het coördinerend werk dat door haar werknemer [A] gedurende 40 weken, 8 uur per dag à € 70,- per uur, is verricht. Dit werk had volgens haar op grond van de aannemingsovereenkomst door de coördinerend architect en de directievoerder van de VvO moeten worden verricht. Gedaagden hebben erop gewezen dat zij daartoe geen opdracht hebben gegeven en dat de aannemingsovereenkomst via de paragrafen 01.02.06 lid 52 jo. 01.02.26 en 01.02.01 een coördinerende taak oplegt. De rechtbank acht het aannemelijk en op zich te waarderen dat [A] meer coördinerend werk heeft gedaan dan uit de aannemingsovereenkomst voortvloeide (zij het dat 8 uur per dag gedurende 40 weken volstrekt onaannemelijk is), doch is van oordeel dat een vergoeding daarvoor tijdens het werk dient te worden overeengekomen (in welk geval wel BTW verschuldigd zal zijn) en niet achteraf eenzijdig als meerwerk kan worden gepresenteerd. De vergoeding die Van Egmond ter zake vordert, zal dan ook niet worden toegewezen.

4.16Vervolgens is aan de orde in hoeverre gedaagden recht hebben op korting ingevolge vertraagde oplevering à € 50,- per kalenderdag. Dit is een contractuele boete, waarbij BTW niet aan de orde is. Gedaagden hebben een berekening overgelegd welke ertoe leidt dat - dagen van onwerkbaar weer op basis van weerstation Schiphol mede in aanmerking genomen - op 24 november 2008 had moeten worden opgeleverd. Van Egmond heeft dat onvoldoende bestreden door er (enkel) op te wijzen dat het weerstation te Katwijk dichterbij is gelegen, zonder daarbij te vermelden hoeveel niet-werkbare dagen op basis van de gegevens van dat weerstation in aanmerking zouden komen, respectievelijk door enkel aan te voeren dat het aantal werkbare dagen tijdens het bouwproces in overleg met de directievoerder dient te worden bepaald. Anders dan [gedaagden 1 en 2 c.s.] stellen, liggen er tussen 24 november 2008 en 6 maart 2009 - de datum van oplevering - geen 114 maar 101 kalenderdagen. Voor [gedaagde 3], die haar woning reeds op 10 februari 2009 in gebruik nam, zijn dat 24 kalenderdagen minder, derhalve 77. [gedaagden 1 en 2 c.s.] maken aanspraak op nog 9 dagen extra in verband met te laat herstel, wat door Van Egmond niet adequaat is weersproken, wat voor hen leidt tot 110 kalenderdagen.

4.17Van Egmond's verweer dat niet gedaagden als individuele kaveleigenaars, doch slechts de VvO als opdrachtgeefster op kortingen aanspraak zou kunnen maken werd hierboven reeds verworpen. Van Egmond stelt voorts dat er geen grond is voor kortingen, nu de vertraging enkel aan de VvO is te wijten. Uit het voorgaande volgt dat dit slechts het geval is voor 32,5 werkdagen, hetgeen correspondeert met circa 45,5 kalenderdagen.

4.18Zoals hierboven werd overwogen kan de collectieve Kerstvakantie bij Van Egmond en de vorstperiode niet als een aan de VvO toe te rekenen vertraging worden aangemerkt; de rechtbank wil evenwel Van Egmond's beroep daarop zien als een beroep op termijnverlenging, zij het dat dit niet opgaat voor de twee weken Kerstvakantie. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat deze Kerstvakantie voor Van Egmond verplicht was. Uit de door gedaagden overgelegde Registratie onwerkbaar weer blijkt dat daarvan wegens vorst sprake was op: 10, 16, 29, 30 en 31 december 2008 voorts op 5, 6, 7, 8, 9, 27, 28, 29 en 30 januari alsmede op 2, 4, 5, 12, 18 en 19 februari 2009, in totaal 20 vorstdagen, die eveneens op de overschrijding met 110 respectievelijk 77 kalenderdagen in mindering komen.

4.19Gelet op het voorgaande faalt het op artikel 6:136 BW steunend verweer van Van Egmond als zou de aanspraak van gedaagden op kortingen niet op eenvoudige wijze zijn vast te stellen. Overigens is de rechter bevoegd, maar niet gehouden een beroep op verrekening van een zgn. niet-liquide tegenvordering af te wijzen.

4.20Ten opzichte van [gedaagden 1 en 2 c.s.] leidt een en ander tot een aanspraak op korting van (110 - <45,5 + 20 afgerond tot> 66 =) 44 x € 50,- derhalve op € 2.200,-. Voor [gedaagde 3] komt dit uit op (77 - 66 =) 11 x € 50,- = € 550,-.

4.21[gedaagden 1 en 2 c.s.] wensen ook dubbele woonlasten te verrekenen over 3,5 maanden, de periode dat volgens hen te laat werd opgeleverd. Niet alleen is een deel van die vertraging niet aan Van Egmond te wijten, tevens is gebleken dat ten tijde van de comparitie (27 januari 2011) [gedaagden 1 en 2 c.s.] nog niet in hun woning op [A-straat] woonden en doende waren om deze woning af te bouwen. Tegen die achtergrond is hun stelling dat zij bedoelde schade in 2008/2009 hebben geleden als gevolg van - aan Van Egmond toe te rekenen - overschrijding van de bouwtijd, onvoldoende onderbouwd.

4.22Al het voorgaande leidt ten aanzien van Van Egmond enerzijds en [gedaagden 1 en 2 c.s.] anderzijds tot de slotsom dat [gedaagden 1 en 2 c.s.] nog (€ 13.831,13 + € 3.555,50 -/- € 2.200,- =) € 15.186,63 aan Van Egmond dienen te voldoen, te vermeerderen met rente.

4.23[gedaagde 3] wenst naast de korting nog € 2.000,- te verrekenen omdat zij voor dat bedrag alsnog sleuven voor leidingen in de prefab muren heeft moeten laten frezen. Van Egmond heeft in dit verband aangevoerd geen tekening te hebben ontvangen waarin voor de prefabwanden leidingwerk was opgenomen.

4.24[gedaagde 3] heeft in dit verband een beroep gedaan op de reeds vermelde schriftelijke verklaring d.d. 3 februari 2011 van de heer [B], werkzaam bij Van Leeuwen Installatietechniek. In die verklaring vermeldt hij onder meer dat naar hem bijstaat de wanden in productie zijn gegaan zonder hun toestemming. Daarbij wordt kennelijk gedoeld op van die zijde te maken installatietekeningen. Deze zijn - onder meer ten aanzien van installatievoorzieningen in prefab wanden, zij het ten aanzien van een ander kavel - ook aan de orde in de eveneens eerder genoemde e-mail van de heer [A] aan de heer [C] d.d. 9 januari 2009. Daarin wordt (eveneens) vermeld dat Van Egmond op dat moment (9 januari 2009) nog steeds geen definitieve, reproduceerbare (installatie)tekeningen had ontvangen. Gelet op een en ander volgt de rechtbank het standpunt van Van Egmond en zal zij de onderhavige verrekening voor een bedrag van € 2.000,- niet honoreren.

4.25Aldus is de slotsom voor wat betreft de verhouding tussen Van Egmond en [gedaagde 3] dat [gedaagde 3] nog (€ 10.250,65 + € 3.555,50 -/- € 550,- =) € 13.256,15 aan Van Egmond moet voldoen, te vermeerderen met rente.

4.26 Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1veroordeelt [gedaagden 1 en 2 c.s.] tot voldoening aan Van Egmond van een bedrag van € 15.186,63, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 25 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2veroordeelt [gedaagde 3] tot voldoening aan Van Egmond van een bedrag van € 13.256,15, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 23 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Punt en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.