Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU6579

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/2230 en AWB 11/2232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 23 juli 2010 doet eiseres elektronisch aangifte en geeft daarbij een inkomen uit box 1 aan van € 19.396. Op 1 september 2010 legt verweerder haar een primitieve aanslag op naar een ambtshalve vastgesteld inkomen uit box 1 van € 5.000. Op 16 oktober 2010 legt verweerder eiseres een navorderingsaanslagen op naar een inkomen uit box 1 van € 19.396. In geschil is of dit terecht is.

De rechtbank overweegt dat onder fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onder c, van de Awr moet worden verstaan elke administratieve handeling die nodig is voor het vaststellen en opleggen van een aanslag en waarvan het nalaten of foutief uitvoeren daarvan tot gevolg heeft dat de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens niet of op onjuiste wijze worden verwerkt, met als gevolg dat een aanslag tot een te laag bedrag wordt vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake zodat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2968
V-N Vandaag 2011/3040
V-N 2012/7.26.5

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/2230 en AWB 11/2232

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2011 ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 16 oktober 2010 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2007 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) en premie zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: inkomen box 1) en een bijdrage-inkomen van € 19.396.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 februari 2011 de navorderingsaanslag ZVW gehandhaafd en de navorderingsaanslag IB verminderd in verband met wijziging van de heffingskorting.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 7 maart 2011, ontvangen bij de rechtbank op 10 maart 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Feiten

1. Op 23 juli 2010 heeft eiseres elektronisch aangifte gedaan voor het jaar 2007. Daarbij heeft zij een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 19.396.

2. Met dagtekening 1 september 2010 heeft verweerder eiseres de aanslagen voor het jaar 2007 (hierna: de primitieve aanslagen) opgelegd. De primitieve aanslagen zijn berekend naar een ambtshalve vastgesteld inkomen box 1 en een bijdrage-inkomen van € 5.000.

3. Met dagtekening 16 oktober 2010 heeft verweerder eiseres de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn, conform de aangifte, berekend naar een inkomen box 1 en een bijdrage-inkomen van € 19.396. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB is rekening gehouden met € 3.435 aan heffingskortingen. Eiseres heeft tegen de navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de heffingskortingen verhoogd met een combinatiekorting van € 149 en een aanvullende combinatiekorting van € 700 tot in totaal € 4.784 en daarom de navorderingsaanslag IB verminderd.

4. Bij (separate) brief van 27 januari 2011 heeft verweerder eiseres een kostenvergoeding toegekend van € 54,50. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) heeft verweerder deze vergoeding berekend naar één punt van € 218 voor het indienen van het bezwaarschrift en een wegingsfactor van 0,25.

Geschil

5. Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd, waarbij meer specifiek in geschil is of het tot een te laag bedrag vaststellen van de primitieve aanslagen het gevolg is van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onder c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

Verder is in geschil of de in 4 vermelde kostenvergoeding naar een te laag bedrag is toegekend en of eiseres recht heeft op schadevergoeding.

6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd omdat het tot een te laag bedrag vaststellen van de primitieve aanslagen niet het gevolg was van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onder c, van de Awr. Eiseres heeft daarvoor aangevoerd dat de aangifte van haar echtgenoot tegelijk met die van haar is ingediend en aan haar echtgenoot wel een primitieve aanslag conform de aangifte is opgelegd. Eiseres concludeert daaruit dat verweerder kennelijk bewust van haar aangifte is afgeweken en van een fout dus geen sprake is.

Aangaande de kostenvergoeding stelt eiseres dat het niet om een eenvoudig bezwaar ging en dat verweerder daarom een te lage wegingsfactor heeft toegepast.

7. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, toekenning van een hogere vergoeding van de kosten van het bezwaar en toekenning van een schadevergoeding.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Verweerder heeft daarvoor aangevoerd dat de inkomens waarnaar de primitieve aanslagen zijn berekend al in maart 2010 zijn vastgesteld en ingevoerd in het geautomatiseerde systeem van de aanslagregeling. Bij het opleggen van de primitieve aanslagen is ten onrechte geen rekening gehouden met de inmiddels ingediende aangifte. Dit is, aldus verweerder, een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onder c, van de Awr. Dit feit moet eiseres redelijkerwijs kenbaar zijn geweest.

Aangaande de kostenvergoeding stelt verweerder dat het bezwaar alleen gegrond is verklaard op het punt van de heffingskortingen en het bezwaar op dit punt als zeer licht kan worden gekwalificeerd.

9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

10. Ingevolge artikel 16, tweede lid, onder c, van de Awr kan navordering plaatsvinden in alle gevallen waarin ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld en dit de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent bedraagt van de wettelijk verschuldigde belasting.

11. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 16, tweede lid, onder c, van de Awr blijkt dat onderdeel c onder meer betrekking heeft op fouten van de inspecteur, waartoe in elk geval behoren schrijf-, reken-, intoets- en overnamefouten en fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften. Uit het vorenstaande en gelet op doel en strekking van de wettelijke bepaling zoals die uiteindelijk tot stand is gekomen, leidt de rechtbank af dat onder fout moet worden verstaan elke administratieve handeling die nodig is voor het vaststellen en opleggen van een aanslag en waarvan het nalaten of foutief uitvoeren daarvan tot gevolg heeft dat de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens niet of op onjuiste wijze worden verwerkt, met als gevolg dat een aanslag tot een te laag bedrag wordt vastgesteld. De bepaling is niet bedoeld om een fout te herstellen die het gevolg is van een onjuist inzicht in de feiten of het recht.

12. Aangaande de vraag of sprake is van een fout als hiervoor bedoeld overweegt de rechtbank als volgt. Met het aangiftebiljet heeft eiseres een bepaald inkomen aangegeven en heeft zij de gegevens verstrekt die nodig waren voor het vaststellen van het juiste bedrag aan heffingskortingen. Verweerder heeft aangevoerd dat er geen zinnige reden is te bedenken waarom hij de inkomens waarnaar de primitieve aanslagen zijn berekend veel lager had willen vaststellen dan het door eiseres zelf aangegeven inkomen en er evenmin een goede reden is te bedenken waarom hij, in afwijking van de aangifte, geen rekening had willen houden met de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting. De rechtbank acht dit aannemelijk. Uit wat partijen over en weer hebben aangevoerd valt niet af te leiden dat verweerder ten gevolge van een onjuist inzicht in de feiten of het toepasselijke recht van de aangifte is afgeweken. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat verweerder zonder goede reden de bij de aangifte verstrekte gegevens aanvankelijk niet heeft opgenomen in de aanslaggegevens van eiseres en dat dit tot gevolg heeft gehad dat de primitieve aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Met inachtneming van wat is overwogen in 11 is de rechtbank van oordeel dat deze nalatigheid van verweerder is aan te merken als een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onder c, van de Awr.

13. De stelling van eiseres dat zij mocht menen dat de primitieve aanslagen zorgvuldig en bewust zijn vastgesteld, vat de rechtbank zo op dat eiseres van mening is dat, zo al sprake is van een fout, haar dit redelijkerwijs niet kenbaar kon zijn. Uit de in 10 aangehaalde wettelijke bepaling volgt dat die kenbaarheid in elk geval aanwezig wordt geacht als de nagevorderde belasting minimaal dertig procent is van de wettelijk verschuldigde belasting. Dat in dit geval aan deze eis is voldaan, is tussen partijen niet in geschil. Gelet hierop en op hetgeen is overwogen in 12 is de rechtbank van oordeel dat in dit geval navordering van de aanvankelijk te weinig geheven belasting en premie mogelijk is op grond van artikel 16, tweede lid, onder c, van de Awr.

14. Aangaande de vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar stelt de rechtbank voorop dat het gewicht van een zaak wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid daarvan. In de bestreden uitspraak op bezwaar is de navorderingsaanslag IB verminderd als gevolg van het alsnog in aanmerking nemen van de (aanvullende) combinatiekorting. Nu de gegrondverklaring van het bezwaar alleen betrekking had op dit onderdeel, terwijl partijen daarover feitelijk geen verschil van mening hadden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan dit onderdeel een zeer licht gewicht toe heeft kunnen kennen, oftewel een wegingsfactor van 0,25.

15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

16. De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en evenmin voor een schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, mr. I. Obbink-Reijngoud en mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechters, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.