Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU6569

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/2464
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Panden van de Technische Universiteit Delft aangewezen als gemeentelijk monument. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2464

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2011 in de zaak tussen

het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft, te Delft, eiser

(gemachtigde: mr. drs. J. van Leeuwen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder

(gemachtigde: W.M. van den Berg)

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft verweerder de volgende zes panden aangewezen als gemeentelijk monument: Mekelweg 4 (gebouw voor Electrotechniek), Mekelweg 5 (Aula), Leeghwaterstraat 36 (Ketelhuis), Pieter Calandweg 3 (laboratorium Stevin III), Stevinweg 3 (Laboratorium Stevin II) en Stevinweg 4 (laboratorium Stevin I).

Bij besluit van 17 februari 2011 (het bestreden besluit), heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften van 20 oktober 2010 (de Adviescommissie), het bezwaar van eiser gegrond verklaard, en onder verbetering van de motivering de aanwijzing van de zes panden als gemeentelijk monument in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van drs. R. Kuil en mr. drs. RA Korving.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van

ir. G. J. van der Harst.

Overwegingen

1. De Technische Universiteit Delft is eigenaar van de genoemde zes panden.

2. Verweerder is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening 2009, vastgesteld op 29 januari 2009 (de Verordening), bevoegd een monument aan te wijzen als gemeentelijk monument. Op grond van artikel 3, vierde lid, vraagt verweerder vóór aanwijzing, advies aan de Commissie voor welstand en monumenten. Onder een monument wordt op grond van artikel 1, aanhef, en onder a.1 verstaan: een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat bij de toepassing van de Verordening rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument.

3. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder, in navolging van de Adviescommissie, heeft overwogen dat aan het aanwijzingsbesluit van 8 juli 2009 gebreken kleven, omdat een afdoende motivering en belangenafweging in dat besluit ontbreken. Bij de heroverweging heeft verweerder de oorspronkelijke redengevende beschrijvingen van de monumenten die aan de aanwijzing ten grondslag liggen aangepast en aan het bestreden besluit toegevoegd. Voorts heeft verweerder een aanvullend advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (de Monumentencommissie) van 2 december 2010 aan het besluit ten grondslag gelegd en heeft verweerder voor de belangenafweging verwezen naar pagina 3 van zijn verweerschrift in bezwaar van 24 maart 2010 (verweerschrift in bezwaar).

4. Verweerders besluit om over te gaan tot aanwijzing berust op een hem toekomende discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat de rechtbank dient te respecteren dat verweerder in beginsel over een zekere vrijheid beschikt om naar eigen inzicht uitvoering te geven aan die bevoegdheid. De rechtbank kan echter wel beoordelen of verweerder bij de uitoefening van de bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

5. Eiser heeft de volgende procedurele gronden aangevoerd. Verweerder is ten onrechte van het advies van de Adviescommissie afgeweken door het aanwijzingsbesluit niet te herroepen. De wijziging in de redengevende beschrijvingen had conform de wijzigingsprocedure in artikel 8 van de Verordening moeten worden afgewikkeld. De in het bestreden besluit opgenomen dicta zijn onduidelijk. Er heeft geen volledige heroverweging plaatsgevonden omdat de Adviescommissie geen beoordeling heeft gegeven van het rapport van I. Bernakiewicz van 15 februari 2011, welk rapport door eiser als contra-expertise in bezwaar is overgelegd (de contra-expertise). Eiser is ten onrechte niet gehoord door de Monumentencommissie voor het opstellen van het gewijzigd advies en in verband met de gewijzigde beschrijvingen.

6. De rechtbank volgt eiser niet in deze gronden. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 13 juli 2011 gemotiveerd betoogd, dat hij bij de heroverweging zorgvuldig en zonder schending van een vormvoorschrift of procedurevoorschrift te werk is gegaan. Verweerder heeft daarbij op elke formele grond van eiser gereageerd. De rechtbank volgt verweerder in diens standpunten, maakt deze tot de hare en voegt daar het volgende aan toe.

7. De in het bestreden besluit opgenomen beslispunten 1 t/m 6 geven naar het oordeel van de rechtbank helder weer welke redengevende beschrijvingen en motiveringen deel uit maken van het bestreden besluit. Er is geen sprake van innerlijke tegenstrijdigheid.

8. Aan eiser kan worden toegegeven dat in het bestreden besluit niet expliciet is ingegaan op de contra-expertise. Ook heeft de Adviescommissie in haar advies niet gereageerd op de contra-expertise. Toch is de rechtbank van oordeel dat de contra-expertise in de heroverweging is betrokken. Verweerder heeft immers in het verweerschrift in bezwaar een uitgebreide reactie gegeven op de contra-expertise, in algemene zin en per gebouw, en naar aanleiding daarvan aanleiding gezien de redengevende beschrijvingen op een aantal punten aan te passen. Ter zitting is vastgesteld dat dit inhoudelijke gedeelte van het verweerschrift en de aanpassingen van de beschrijvingen zijn geschreven door ir. Van der Harst, die werkzaam is als bouwhistoricus bij verweerder en in die hoedanigheid de specifieke deskundigheid bezit. Van dit verweerschrift en de aangepaste beschrijvingen heeft de Adviescommissie nota genomen. De Adviescommissie heeft volstaan om aan te geven dat enkele beschrijvingen nog steeds aanpassing behoeven en daarbij verwezen naar de pleitnota van eiser zoals overgelegd tijdens de hoorzitting in bezwaar. Vervolgens heeft verweerder nog enkele wijzingen doorgevoerd in de beschrijvingen. Deze gang van zaken rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de contra-expertise voldoende in de heroverweging is betrokken.

9. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat eiser nog had moeten worden gehoord op de na de hoorzitting aangebrachte wijzigingen in de beschrijvingen omdat die wijzigingen naar het oordeel van de rechtbank niet substantieel zijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van verlengde besluitvorming. Daarbij is van belang dat eiser al bij de hoorzitting in bezwaar op het hem vooraf toegestuurde verweerschrift in bezwaar en de aangepaste beschrijvingen heeft kunnen reageren, met uitzondering van de aangepaste beschrijving van het Ketelhuis, die verweerder na de hoorzitting aan eiser heeft toegestuurd. De na de hoorzitting door verweerder aangepaste wijzigingen in de beschrijvingen vloeien voort uit hetgeen eiser zelf op de hoorzitting naar voren heeft gebracht. Deze wijzigingen zijn, als gezegd, niet substantieel. Ook het gewijzigde advies van de Monumentencommissie van 2 december 2010 betreft niet een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid op grond waarvan eiser had moeten worden gehoord. Niet gebleken is dat bij de monumentencommissie nog nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht aan de orde zijn gekomen. Overigens heeft eiser ook in beroep niet meer inhoudelijk gereageerd op de aangepaste beschrijvingen van de panden, zodat de rechtbank ook om die reden niet gebleken is dat eiser door de gevolgde procedure in zijn belangen is geschaad.

10. De rechtbank concludeert dat de door eiser aangevoerde procedurele gronden niet slagen.

11. Eiser verwijst voorts naar de contra-expertise en stelt dat daaruit blijkt dat de door hem ingeschakelde deskundige geen enkele reden ziet om de zes panden aan te wijzen als monument. Het aanwijzingsbesluit voldoet daarom niet aan de eisen van de Verordening.

12. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de eerste plaats heeft de eigen deskundige van eiser in de contra-expertise gesteld dat de aanwijzing van het pand Mekelweg 5 (Aula) vanzelfsprekend is. In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat de deskundige van eiser in de contra-expertise voor de overige vijf panden vooral vraagtekens heeft gezet bij de redengevende beschrijvingen van verweerder. De deskundige wijst op onduidelijkheden en onjuistheden. De deskundige heeft zelf niet een onderbouwd standpunt gegeven waarom de panden niet monumentwaardig zijn. De deskundige heeft ook geen eigen waardering van de panden opgesteld. Daar staat tegenover dat verweerder zijn standpunt over de monumentwaardigheid naar het oordeel van de rechtbank inhoudelijk deugdelijk heeft onderbouwd. In het licht van deze onderbouwing leidt de contra-expertise dan ook niet tot twijfel bij de rechtbank over het standpunt van verweerder. Voorts heeft eiser in beroep niet meer inhoudelijk gereageerd op de aangepaste beschrijvingen, die onderdeel uitmaken van het bestreden besluit.

13. Eiser voert voorts aan dat verweerder geen onderscheid heeft gemaakt tussen het exterieur en het interieur van de panden en geen rekening heeft gehouden met het specifieke onderhoudsprogramma van eiser voor de aangewezen panden. Evenmin heeft verweerder rekening gehouden met vastgoedontwikkelingen die maken dat - kort gezegd - de panden op korte termijn moeten worden gerenoveerd. De aanwijzing zal voorts ingrijpende gevolgen hebben voor de nieuwbouwplannen van eiser. Er heeft - kortom - geen belangenafweging plaatsgevonden.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen volstaan met verwijzing naar de redengevende beschrijvingen, omdat daaruit aan de hand van de waardering per pand valt op te maken wat nu de monumentale aspecten van deze panden zijn. Daarbij is op heldere wijze voor elk pand, waar nodig, onderscheid gemaakt tussen exterieur en interieur. De rechtbank betrekt daarbij ook nadrukkelijk de aanvullende toelichting van verweerder in zijn verweerschrift in bezwaar. Voor wat betreft de belangenafweging heeft verweerder in het bestreden besluit uitdrukkelijk verwezen naar bladzijde 3 van het verweerschrift in bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarin toereikend gemotiveerd waarom aan de belangen van eiser geen doorslaggevend gewicht is toegekend. Voorts laat de rechtbank meewegen dat de aanwijzing niet aan onderhoud van de panden in de weg staat. Daarnaast heeft eiser zijn renovatieplannen voor de betreffende panden in bezwaar niet concreet omschreven naar voren gebracht. Daarom hoefden zij geen aanleiding te vormen voor een gedetailleerde belangenafweging door verweerder. Eerst in beroep heeft eiser aangevoerd dat de aanwijzing ingrijpende gevolgen zal hebben voor de nieuwbouwplannen, overigens ook dit zonder nadere concrete onderbouwing. Ook dit aspect kon daarom niet nader in de belangenafweging worden betrokken.

De rechtbank wijst er voorts op dat de Verordening voorschrijft dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het pand, zodat verweerder met toekomstige concrete gebruiksplannen van eiser en daarmee samenhangende financiële belangen rekening zal moeten houden bij de beoordeling van vergunningaanvragen. Voorts maakt de Verordening het mogelijk om op verzoek van belanghebbenden aanwijzingen te wijzigen of in te trekken.

15. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verweerder de belangen van eiser voldoende heeft meegewogen en in redelijkheid de zes panden als gemeentelijk monument kon aanwijzen.

16. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. Kroft, rechter, mr. G.P. Verbeek, rechter, en mr. F.C. Bakker, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.