Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU6144

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
11/2885
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende mag bij de rechtbank stukken overleggen die hij ook bij mediation heeft overgelegd. Dat is niet in strijd met de bij mediation overeengekomen geheimhoudingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2975
V-N Vandaag 2011/2990
V-N 2012/8.29.26

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/2885

Uitspraakdatum: 8 november 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Terneuzen,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 13 april 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.029 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.069 (aanslagnummer [nummer]H.76).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.731 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.069;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 13;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.1.Belanghebbende is gepensioneerd. Hij was in 2007, na zijn pensionering, landbouwer. Bij aanvang van het kalenderjaar 2007 was belanghebbende 65 jaar.

2.1.2.Het akkerbouwbedrijf werd uitgeoefend op afgerond 24 hectare (ha) landbouwgrond. Blijkens opgaaf van belanghebbende bestond het ‘bouwplan’ in 2007 uit het verbouwen van de volgende producten:

Kapucijners 3,15 ha

Tarwe 3,43 ha

Bieten 3,61 ha

Vlas 3,47 ha

Aardappelen 3,56 ha

Tarwe 3,43 ha

Graszaad 3,12 ha

Totaal 23,77 ha

2.1.3.Uit de jaarrekening blijkt onder meer dat de opbrengst gewassen in 2007 € 20.338 bedraagt en dat directe kosten in totaal € 26.022 zijn. De directe kosten bestaan onder andere uit een bedrag van € 12.366 aan loonwerk. Per saldo bedraagt het verlies in 2007 € 9.598.

2.1.4.Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van 50% maal € 9.028 of € 4.514 aan zelfstandigenaftrek geclaimd. Daarnaast is een MKB-vrijstelling geclaimd van € 10% maal -/- € 13.902 of -/- € 1.390. Dit bedrag is als een bijtelling in de aangifte verwerkt, omdat de winst in 2007 negatief was.

2.1.5.Bij de aanslagregeling is de zelfstandigenaftrek niet geaccepteerd en is de MKB-vrijstelling gecorrigeerd met € 452 tot -/- € 938. Daarnaast is door de aanslagregelaar minder negatief loon geaccepteerd.

2.2.In geschil is de vraag of belanghebbende recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Niet in geschil is dat belanghebbende ondernemer is de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

2.3.Op grond van artikel 3.76, eerste lid, van de Wet geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Tussen partijen is niet in geschil dat als belanghebbende voldoet aan het urencriterium hij op grond van artikel 3.76, tweede en vierde lid recht heeft op 50% van € 9.028 of € 4.514 aan zelfstandigenaftrek. Om aan het urencriterium te voldoen dient belanghebbende volgens artikel 3.6, eerste lid, van de Wet tenminste 1.225 uren aan zijn onderneming te hebben besteed.

2.4.Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat hij voldoet aan het urencriterium. Belanghebbende heeft hiertoe drie urenregistraties overgelegd. De eerste urenregistratie betreft een zeer globaal overzicht van de werktijden van belanghebbende waaruit blijkt dat belanghebbende wekelijks 30 tot 32,5 uur aan zijn onderneming zou hebben besteed. De tweede urenregistratie betreft een uitgebreider overzicht, gebaseerd op de agenda en het bouwboek en zijn 40-jarige ervaring als landbouwer. Volgens dit overzicht zou belanghebbende in 2007 1.381,50 uur aan zijn onderneming hebben besteed. In de derde urenregistratie heeft belanghebbende per seizoen het aantal gewerkte uren per werkweek benoemd. Het betreft vier overzichten van één maand per seizoen. In deze maandoverzichten wordt per dag het aantal gewerkte uren weergegeven en het soort werkzaamheden per seizoen (winter, voorjaar, zomer en najaar). Iedere maand staat qua soort werkzaamheden model voor de overige maanden in het betreffende seizoen. In totaal zou volgens dit overzicht 1.243 uur aan de onderneming zijn besteed.

2.5.Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende de derde urenregistratie ook heeft overgelegd tijden de mediationprocedure en dat dit in strijd is met de geheimhoudingsverplichting die partijen zijn overeengekomen bij aanvang van de mediationprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van de geheimhoudingsplicht, indien een partij stukken inbrengt die hij ook tijdens de mediationprocedure heeft overgelegd. Wel is sprake van schending van de geheimhoudingsplicht indien de wederpartij stukken van de andere partij in het geding brengt. Nu het stukken betreft van belanghebbende zelf, mogen deze door belanghebbende in het geding worden gebracht.

2.6.De rechtbank stelt voorop dat zij het aannemelijk acht dat het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf arbeids- en tijdsintensief is, dat belanghebbende na zijn pensionering meer tijd had om aan zijn onderneming te besteden en dat het werktempo, zoals belanghebbende zelf heeft gesteld, gelet op de leeftijd van belanghebbende lager was dan bij een jongere landbouwer. Hieraan doet niet af dat de door belanghebbende overgelegde urenregistraties achteraf zijn opgemaakt op basis van zijn agenda en bouwboek. In de overgelegde urenregistraties zijn de bestede uren aan de diverse werkzaamheden afgerond. Belanghebbende heeft verder erkend dat hij niet dagelijks zijn exacte werktijden heeft bijgehouden, maar dat hij slechts de afspraken met adviseurs en makelaars e.d. heeft genoteerd. Ook de wekelijkse of maandelijkse tijd die belanghebbende heeft besteed aan informatievoorziening, zoals het opzoeken op internet van weerberichten, landbouw- en akkerbouwsites en teeltinformatie, de postvoorziening en het bijhouden van vakliteratuur en het verzorgen van de administratie heeft belanghebbende geschat.

2.7.De rechtbank is van oordeel dat de overzichten zo globaal zijn, dat de juistheid daarvan niet zonder meer aannemelijk is. Het gegeven dat de tweede urenregistratie tot een veel hoger aantal uren komt dan de – meer gedetailleerde – derde urenregistratie komt de geloofwaardigheid van beide registraties niet ten goede. Belanghebbendes werkzaamheden betreffen bovendien maar in geringe mate het primaire werk, want dat wordt gedaan door loonwerkers. De door belanghebbende genoteerde uren voor opruimen, en post, informatievoorziening en vakliteratuur acht de rechtbank onaannemelijk hoog. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij tenminste 1.225 uren aan de onderneming heeft besteed. Belanghebbende heeft dan ook geen recht op toepassing van de zelfstandigenaftrek.

2.8.Nu belanghebbende niet heeft voldaan aan het urencriterium, heeft belanghebbende op grond van artikel 3.79a van de Wet ook geen recht op de MKB-winstvrijstelling. De MBK-winstvrijstelling is, zoals de inspecteur terecht heeft gesteld, bij de aanslagregeling ten onrechte niet volledig gecorrigeerd, waardoor het belastbaar inkomen uit werk en woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Daarnaast is bij de aanslagregeling en door de inspecteur in zijn verweerschrift ten onrechte geen rekening gehouden dat de drempel voor de persoonsgebondenaftrek wijzigt als gevolg van het vervallen van de MKB-winstvrijstelling en de correcties negatief loon en zelfstandigenaftrek. Het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden vastgesteld op € 17.029 minus € 938 plus € 640 of € 16.731. Het beroep is daarom gegrond verklaard.

2.9.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten betreffen reis- en verblijfkosten [traject] v.v. De inspecteur wordt, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 13.

Deze uitspraak is gedaan op 8 november 2011 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 9 november 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch behandelt het hoger beroep namens het gerechtshof ’s-Gravenhage.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.