Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5867

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/3388
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is in 2007 voltijds werkzaam in dienstbetrekking en daarnaast exploiteert hij een groentekwekerij. Omdat eiser geen aangifte doet legt verweerder hem voor 2007 een primitieve aanslag op naar ambtshalve vastgesteld inkomen uit box 1 van € 75.000 en tevens een verzuimboete van € 1.134. Nadat eiser alsnog aangifte heeft gedaan heeft verweerder bij hem een boekenonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek concludeert verweerder dat eiser een aantal verkooprekening niet heeft geboekt, ten onrechte een bedrag aan advocaatkosten als bedrijfskosten in aftrek heeft gebracht en niet voldoet aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek. Verweerder legt eiser een navorderingsaanslag op naar een inkomen uit box 1 van € 80.603. Eiser komt in beroep tegen de primitieve aanslag. Eiser stelt dat de omzetcorrectie niet terecht is omdat hij het kasstelsel toepast en het om oninbare vorderingen gaat, dat de advocaatkosten zijn gemaakt om een in het buitenland wonen familielid naar Nederland te halen om bij hem te komen werken en dat hij wel aan het urencriterium voldoet.

De rechtbank oordeelt dat het kasstelsel in strijd is met goed koopmansgebruik en de rekeningen ultimo 2007 hadden moeten verantwoord als vorderingen en als omzet voor het onderhavige jaar. De rechtbank oordeelt verder dat eiser niet aannemelijk maakt dat de vorderingen ultimo 2007 al geheel of gedeeltelijk oninbaar waren, dat eiser het zakelijke karakter van de advocaatkosten niet aannemelijk maakt en evenmin aannemelijk maakt dat hij voldoet aan het urencriterium. Omdat de navorderingsaanslag is vastgesteld naar een inkomen uit box 1 van € 80.603 is de primitieve aanslag niet te hoog. Het beroep is wel gegrond, omdat verweerder zich nader op het standpunt stelt dat de verzuimboete moet worden verminderd tot € 226 en de rechtbank dit volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 229
FutD 2011-2973
V-N Vandaag 2011/2948
V-N 2012/6.22.17

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3388

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2011 ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000 (hierna de aanslag). Bij de aanslag heeft verweerder eiser een verzuimboete opgelegd van € 1.134.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 februari 2011 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 6 april 2011, ontvangen bij de rechtbank op 7 april 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Vóór de zitting heeft eiser nadere stukken ingediend die op 22 juli 2011 bij de rechtbank zijn binnengekomen en in afschrift zijn verzonden aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2011 te Den Haag.

Eiser is daar in persoon verschenen met zijn gemachtigde. Namens verweerder is [B] verschenen.

Omdat ter zitting bleek dat verweerder de door eiser ingediende nadere stukken niet had ontvangen heeft de rechtbank de zaak aangehouden en verweerder de gelegenheid gegeven alsnog op die stukken te reageren. Per brief van 8 augustus 2011, bij de rechtbank ontvangen op 17 augustus 2011, heeft verweerder schriftelijk gereageerd. Per brief van 31 augustus 2011, bij de rechtbank ontvangen op 2 september 2011, heeft eiser schriftelijk gereageerd op de reactie van verweerder. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1. In 2007 was eiser werkzaam in dienstbetrekking en dreef hij een onderneming. De ondernemingsactiviteiten bestonden uit het uitoefenen van een groentenkwekerij en vonden plaats in een gehuurde tuinbouwkas op het adres [adres].

2. Eiser heeft voor het jaar 2007 geen aangifte gedaan. Met dagtekening 20 mei 2010 heeft verweerder hem de aanslag opgelegd. De aanslag is berekend naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000. Bij het opleggen van de aanslag heeft hij bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.134 wegens het niet doen van aangifte.

3. Op 17 mei 2010 heeft eiser alsnog een aangiftebiljet ingeleverd. Verweerder heeft dit aangiftebiljet aangemerkt als een bezwaarschrift.

4. Op 16 februari 2010 is verweerder begonnen aan een boekenonderzoek bij eiser waarvan hij op 5 januari 2011 het controlerapport heeft uitgebracht. Volgens het controlerapport, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, dient het belastbare inkomen uit werk en woning te worden vastgesteld op € 80.603. Daarbij worden de volgende correcties voorgesteld:

Niet aftrekbare kosten €5.020

Omzetcorrectie -18.601

Correctie advocaatkosten -1.015

5. Op basis van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder eiser een navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.603. Tegen deze navorderingsaanslag is geen bezwaar gemaakt.

6. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de aanslag, gelet op de hoogte van de navorderingsaanslag, eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

Geschil

7. In geschil zijn een gedeelte van de in 4 vermelde omzetcorrectie, alsmede de correctie advocaatkosten. Voorts is in geschil of eiser recht heeft op een zelfstandigenaftrek van € 9.028 en een MKB-aftrek van € 134. De in 4 vermelde correctie niet aftrekbare kosten is niet in geschil.

Ten slotte is in geschil of de verzuimboete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

8. Eiser gaat akkoord met een omzetbijtelling van € 4.861 maar betwist de omzetcorrectie voor het resterende bedrag van € 13.740. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat er tot dat bedrag oninbare vorderingen zijn op afnemers waarvan er enkelen inmiddels failliet zijn gegaan. Aangaande de advocaatkosten stelt eiser dat die in het kader van de uitoefening van het bedrijf zijn gemaakt omdat deze kosten zijn gemaakt om een buiten Nederland wonend familielid dat bij eiser zou komen werken naar Nederland te halen. Verder heeft eiser zich in de loop van het geding op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op een zelfstandigenaftrek van € 9.028 en een MKB-aftrek van € 134 omdat hij aan het urencriterium voldoet.

9. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.686.

10. Verweerder handhaaft zijn in 6 weergegeven standpunt en heeft daarvoor verwezen naar het controlerapport. Aangaande de verzuimboete heeft verweerder zich in de loop van het geding op het standpunt gesteld dat sprake is van een tweede verzuim in plaats van een derde verzuim en dat de verzuimboete daarom moet worden verminderd tot € 226.

11. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vermindering van de verzuimboete tot € 226.

Beoordeling van het geschil

12. Uit het controlerapport komt naar voren dat het bij de omzetcorrectie gaat om aan afnemers uitgereikte facturen die niet in de administratie zijn verantwoord. Eiser heeft aangevoerd dat het bij het deel van de omzetcorrectie dat nog in geschil is gaat om oninbare vorderingen. Omdat de desbetreffende bedragen niet zijn geïncasseerd en eiser het kasstelsel heeft toegepast zijn deze niet als opbrengsten geboekt. Naar het oordeel van de rechtbank is het kasstelsel in dit geval in strijd met goed koopmansgebruik. De desbetreffende bedragen behoorden daarom te worden verantwoord als vorderingen en als omzet voor het onderhavige jaar. Vervolgens kunnen de vorderingen worden afgewaardeerd ten laste van het resultaat over het jaar waarin feiten en omstandigheden bekend worden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de vorderingen geheel of gedeeltelijk niet inbaar zullen zijn.

13. Met inachtneming van wat is overwogen in 12 ligt het op de weg van eiser om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die afwaardering van de vorderingen ten laste van het resultaat over 2007 rechtvaardigt. Eiser heeft bij zijn brief van 21 juli 2011 een aantal stukken overgelegd waaruit naar voren komt dat een afnemer in 2007 driemaal is aangemaand een openstaand bedrag van € 7.618 te voldoen en dat het faillissement van een andere afnemer in 2010 is opgeheven wegens de toestand van de boedel. Verder heeft eiser gesteld dat hij na overleg met advocatenkantoren en incassobureaus van invorderingsmaatregelen heeft afgezien omdat de kosten daarvan te hoog zouden oplopen.

Verweerder heeft in zijn brief van 8 augustus 20011 gemotiveerd bestreden dat uit de door eiser overgelegde bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat sprake is van enige mate van oninbaarheid. Hij heeft daarbij onder meer opgemerkt dat de bewijsmiddelen tijdens het boekenonderzoek niet voorhanden waren, dat hij de indruk heeft dat de betalingsherinneringen achteraf zijn opgemaakt en dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om omzetbelasting terug te vorderen op grond van artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Eiser heeft hierop bij brief van 31 augustus 2011 gereageerd door er op te wijzen dat een voorziening wegens dubieuze debiteuren kan worden gevormd op basis van ouderdomsanalyse en risico-inschatting en dat definitieve afboeking pas plaatsvindt op basis van harde argumenten en dat pas dan omzetbelasting kan worden teruggevorderd.

De rechtbank overweegt als volgt. Als er ultimo 2007 al debiteuren in gebreke waren wil dat nog niet zeggen dat zij insolvabel waren. Verder zegt de opheffing van een faillissement in 2010 niets over de kredietwaardigheid van het desbetreffende bedrijf ultimo 2007. Eiser heeft zijn stelling over het overleg met advocatenkantoren en incassobureaus niet met bescheiden gestaafd en ook verder niet aannemelijk gemaakt. Met eisers reactie van 2 september 2011 is niet te rijmen dat de vorderingen voor 100% worden afgewaardeerd. Eiser heeft ook niet gereageerd op verweerders stellingen dat de betalingsherinneringen tijdens het boekenonderzoek niet voorhanden waren en dat deze mogelijk pas achteraf zijn opgemaakt. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser, met wat hij daarvoor heeft aangevoerd en overgelegd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de desbetreffende vorderingen ultimo 2007 waardeloos waren.

Een gedeeltelijke afwaardering heeft eiser niet expliciet bepleit en hij heeft de door hem genoemde ouderdomsanalyse en risico-inschatting niet in geding gebracht. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat een afwaardering dubieuze debiteuren slechts zou kunnen leiden tot vermindering van de aanslag als daardoor het belastbare inkomen uit werk en woning dat bij de navorderingsaanslag is vastgesteld op € 80.603 zou verminderen tot een bedrag dat lager is dan het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van € 75.000.

14. Aangaande de advocaatkosten heeft eiser aangevoerd dat deze kosten zijn gemaakt om een buiten Nederland wonend familielid dat bij eiser zou komen werken naar Nederland te halen. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat bij het boekenonderzoek geen bescheiden zijn aangetroffen waaruit had kunnen blijken dat eiser voornemens was het desbetreffende familielid in dienst te nemen en dat de immigratie uiteindelijk niet is doorgegaan. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij alleen beschikt over de nota van de advocaat en geen ander bewijs kan bijbrengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, tegenover de gemotiveerde weerspreking van verweerder, het zakelijke karakter van deze kosten niet aannemelijk gemaakt.

15. Een belastingplichtige heeft recht op zelfstandigenaftrek en startersaftrek als hij aan het urencriterium voldoet. Eiser heeft een verklaring overgelegd waarin hij stelt dat hij op werkdagen ongeveer tweeënhalf uur voor zijn bedrijf werkzaam is en op zaterdagen en zondagen ongeveer negen uur per dag. Hij komt aldus op een gewerkt aantal uren van 52 x (5 x 2,5 + 2 x 9), dat is 1586 uur per jaar. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat eiser fulltime in dienstbetrekking was en dat hij, zoals vermeld op pagina 8 van het controlerapport, diverse waarnemingen ter plaatse heeft uitgevoerd en eiser daarbij nooit aanwezig was. De vader van eiser nam steeds de honneurs waar en zou hebben verklaard dat eiser eigenlijk alleen administratief bij de zaak betrokken is en enkele financiële zaken regelt. Eiser heeft dit niet weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser met zijn verklaring, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan het in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 opgenomen urencriterium van 1225 uren voldoet. Eiser heeft dus geen recht op zelfstandigen- en startersaftrek.

16. Uit wat hiervoor is overwogen trekt de rechtbank de conclusie dat het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van € 75.000 niet te hoog is.

17. In zijn brief van 21 juli 2011 verzoekt eiser de aanslag te verminderen met € 10.295 negatieve inkomsten uit eigen woning. De rechtbank willigt dit verzoek niet in omdat verweerder al aan dit verzoek heeft voldaan door de navorderingsaanslag op te leggen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning waarbij hij reeds rekening heeft gehouden met de deze negatieve inkomsten.

18. Aangaande de verzuimboete overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat er voor wat betreft het doen van aangifte sprake is van een tweede verzuim. Ingevolge artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 21 van het BBBB (tekst 2007) wordt bij een tweede verzuim een verzuimboete opgelegd van € 340. Niettemin heeft verweerder geconcludeerd dat de boete moet worden verminderd tot € 226. De rechtbank heeft geen aanleiding hiervan af te wijken. Feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot verdere matiging van de boete zijn gesteld noch gebleken.

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard, de aanslag te worden gehandhaafd en de boete te worden verminderd tot € 226.

Proceskosten

20. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de aanslag;

- vermindert de boete tot € 226 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder de proceskosten tot een bedrag van € 874 aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.