Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5810

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/35510 en 11/35511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het beroep kan niet al gegrond worden verklaard vanwege de omstandigheid dat verzoeker geen medisch onderzoek heeft gehad alvorens hij is gehoord. De bestuursrechter komt eerst toe aan toetsing van het bestreden besluit, waaronder begrepen een beoordeling van de wijze waarop het tot stand is gekomen, als de vreemdeling gewijzigde feiten en omstandigheden aanvoert, dan wel uit het aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan. Nu verzoeker tijdens het gehoor naar aanleiding van zijn opvolgende asielaanvraag heeft verklaard dat er geen medische redenen zijn waarom het gehoor niet kan plaatsvinden en ook overigens niet gesteld of gebleken is dat verzoeker tijdens dit gehoor vanwege medische omstandigheden niet in staat was om (alle) nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren te brengen, zal de voorzieningenrechter eerst ambtshalve beoordelen of zich ten aanzien van verzoeker een relevante wijziging van recht heeft voor gedaan, dan wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Eerst als die vraag voor verzoeker positief wordt beantwoord, komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de vraag of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/35510 (beroep)

AWB 11/35511 (voorlopige voorziening)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2011

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1993,

van Afghaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. H.E. Visscher,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. drs. J.R. Toussaint.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 3 november 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in de algemene asielprocedure afgewezen.

Verzoeker heeft op 3 november 2011 tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroepschrift is geregistreerd onder zaaknummer AWB 11/35510. Tevens heeft verzoeker op dezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verweerder wordt verboden hem uit te zetten totdat op het beroep is beslist. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder zaaknummer AWB 11/35511.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 16 november 2011, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Walls, zaakwaarnemer voor verzoekers gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van deze rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

3. De voorzieningenechter is van oordeel dat bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak (het beroep).

4. De voorzieningenrechter stelt ambtshalve vast dat verzoeker eerder, te weten op 4 november 2009, een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoeker, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij afkomstig is uit de Afghaanse provincie Kandahar en dat hij tot de bevolkingsgroep van de Tadzjieken behoort. Vanaf april 2009 is hij koranlessen gaan volgen. De geestelijken wilden dat de leerlingen zelfmoordacties zouden ondernemen tegen de Amerikanen. Een broer van verzoeker is voorts bij een zelfmoordaanslag om het leven gekomen. Verzoeker is na de begrafenis niet meer naar de koranlessen gegaan. Zijn vader informeerde na een tijdje waarom hij niet meer ging. Verzoeker heeft toen alles verteld. Zijn vader besloot toen dat hij niet meer naar de lessen mocht. Later zijn de mullahs bij verzoeker aan de deur geweest. Na afloop van de ramadan zei verzoekers vader dat hij weer naar de lessen mocht gaan, omdat de mensen van school hem hadden verzekerd dat verzoeker met rust zou worden gelaten. Ongeveer een week na het suikerfeest werd verzoeker desondanks verteld dat hij de dag daarna aan de beurt zou zijn om een zelfmoordaanslag te plegen. Verzoeker weigerde, waarop de mullah zei dat als hij niet aanwezig zou zijn, hij en zijn familie vermoord zouden worden. Verzoeker moest vervolgens een vest met explosieven aanpassen. Verzoeker is naar huis gegaan en heeft het verteld aan zijn vader. Later die dag kwam een mullah nog langs om te vertellen dat verzoeker de volgende dag werd verwacht en dat zijn vader zou worden vermoord als hij niet zou komen opdagen. Verzoekers vader heeft toen zijn zwager (een oom van verzoeker van moeders kant) gebeld, die verzoeker die avond is komen ophalen, waarna verzoeker naar Pakistan is vertrokken. Op 3 november 2009 is verzoeker met het vliegtuig in Nederland aangekomen.

5. Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Hiertoe heeft verweerder onder meer opgemerkt dat verzoeker toerekenbaar zijn taskera niet heeft overgelegd. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gestel dat het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist, nu verzoeker heeft verklaard dat de gebeurtenissen die tot zijn vertrek hebben geleid in september 2009 hebben plaatsgevonden, terwijl uit Eurodac-onderzoeken blijkt dat verzoeker op 4 augustus 2009 in Griekenland is aangetroffen. Verweerder heeft tevens ambtshalve besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv), aangezien verzoeker ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd en daarmee het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst heeft gefrustreerd.

6. Tegen het besluit van 10 augustus 2010 heeft verzoeker beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 18 mei 2011 (AWB 10/30522) ongegrond verklaard. In deze uitspraak is – voor zover thans van belang – overwogen dat verzoeker ter zitting zijn relaas heeft gewijzigd. Hij heeft verklaard dat hij een eerdere poging heeft ondernomen om uit Afghanistan te vluchten. Dat was in de vierde maand van de Afghaanse kalender, van 22 juni tot 22 juli, in 2009. Hij is toen naar Turkije gereisd en heeft uiteindelijk een eiland bereikt. Daar zijn zijn vingerafdrukken genomen en vervolgens is hij teruggestuurd naar Turkije, waar hij is opgepakt door de politie en teruggestuurd naar Afghanistan. Later, na het suikerfeest, heeft hij zijn tweede reis ondernomen. Over deze reis heeft hij in het eerste gehoor verklaard. Omdat zijn vader hem op het hart had gedrukt aan niemand over de eerste reis te vertellen, heeft hij dit niet eerder naar voren gebracht. Voorts heeft verzoeker ter zitting naar voren gebracht dat na zijn tweede reis het huis van zijn ouders in brand is gestoken, waarbij zijn taskera verloren is gegaan. Daarnaast heeft verzoeker ter zitting betoogd dat in Kandahar sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn, hierna: de Dri).

7. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 18 mei 2011 overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft stellen dat het aan verzoeker is toe te rekenen dat hij ter staving van zijn reis of identiteit geen documenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Zo heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn taskera, die bij een brand verloren zou zijn gegaan, niet eerder heeft kunnen meenemen. Verder heeft verzoeker zijn tweede paspoort afgegeven aan de reisagent op een moment dat hij zich al in Nederland bevond, zodat van hem verlangd kon en mocht worden direct de bescherming van de Nederlandse autoriteiten in te roepen, onder overlegging van alle beschikbare documenten. Voorts heeft de rechtbank het gewijzigde relaas van verzoeker met toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 bij de oordeelsvorming betrokken. Het leidt de rechtbank evenwel niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist. Volgens de rechtbank heeft verzoeker immers zowel in het eerste als het nader gehoor onjuist verklaard over zijn aanwezigheid in Griekenland en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij vanuit Griekenland weer terug naar Afghanistan is gereisd. Daarnaast is de rechtbank in haar uitspraak van 18 mei 2011 van oordeel dat, hoewel uit het ambtsbericht van 21 juli 2010 naar voren komt dat de veiligheidssituatie in delen van Afghanistan in de afgelopen verslagperiode is verslechterd, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit in Afghanistan in het algemeen en in Kandahar in het bijzonder, geen sprake was van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Dri. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verzoeker geen belang meer heeft bij de beoordeling van de vraag of hij in aanmerking behoorde te komen voor een amv-vergunning, nu hij sinds [datum] 2010 meerderjarig is. De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande het beroep ongegrond verklaard.

8. Verzoeker heeft bij brief van 16 juni 2011 tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 oktober 2011, met zaaknummer 201106635/1/V1 (www.raadvanstate.nl), geoordeeld dat de uitspraak van de rechtbank, voor zover die betrekking heeft op de weigering om verzoeker een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, in stand kan blijven. De uitspraak van de rechtbank is evenwel vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op de weigering om verzoeker ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, omdat verzoeker, ondanks zijn meerderjarige leeftijd, met het oog op voortgezet verblijf wel belang heeft bij een beoordeling van de vraag of hij in aanmerking kwam voor een amv-vergunning. De Afdeling heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien en geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst heeft gefrustreerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder terecht op die grond geweigerd de vreemdeling een amv-vergunning te verlenen. De Afdeling verklaart het ingestelde beroep van verzoeker in zoverre ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

9. Op 26 oktober 2011 heeft verzoeker andermaal een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Die aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 3 november 2011. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn laatstgenoemd besluit en het besluit van 10 augustus 2010 van gelijke strekking. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen (zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45).

10. Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat het beroep al gegrond is, omdat het bestreden besluit van 3 november 2011 onzorgvuldig tot stand is gekomen vanwege het feit dat hem ten onrechte geen medisch onderzoek is aangeboden alvorens hij is gehoord. Daarbij heeft verzoeker verwezen naar het bepaalde in artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) en uitspraken van verschillende rechtbanken, onder meer de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 11 augustus 2011 (AWB 11/23386 en AWB 11/23382).

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het beroep niet al gegrond worden verklaard vanwege de omstandigheid dat verzoeker geen medisch onderzoek heeft gehad alvorens hij is gehoord. Zoals hiervoor is overwogen komt de bestuursrechter eerst toe aan toetsing van het bestreden besluit, waaronder begrepen een beoordeling van de wijze waarop het tot stand is gekomen, als de vreemdeling gewijzigde feiten en omstandigheden aanvoert, dan wel uit het aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan. Nu verzoeker tijdens het gehoor naar aanleiding van zijn opvolgende asielaanvraag heeft verklaard dat er geen medische redenen zijn waarom het gehoor niet kan plaatsvinden en ook overigens niet gesteld of gebleken is dat verzoeker tijdens dit gehoor vanwege medische omstandigheden niet in staat was om (alle) nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren te brengen, zal de voorzieningenrechter eerst ambtshalve beoordelen of zich ten aanzien van verzoeker een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, dan wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Eerst als die vraag voor verzoeker positief wordt beantwoord, komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de vraag of het besluit van 3 november 2011 zorgvuldig tot stand is gekomen.

12. Verzoeker stelt zich subsidiair op het standpunt dat hij aan zijn onderhavige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij inmiddels zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen met een verklaring van de ambassade van de Islamitische Republiek Afghanistan te Den Haag van 8 juni 2011. Verder voert verzoeker aan dat hij aanvankelijk in zijn eerdere asielprocedure niet heeft verklaard over zijn eerste reis en verblijf in Griekenland en Turkije vanwege angst voor zijn oom van moederskant. Verzoeker voert verder aan dat de mullahs na zijn vertrek naar zijn ouderlijke woning zijn gegaan om te weten te komen waar hij verbleef. Zijn vader heeft toen gezegd dat hij bij zijn oom verbleef, een broer van de moeder van verzoeker. De mullahs zijn vervolgens nerveus geworden en hebben de ouderlijke woning van verzoeker in brand gestoken. Zijn ouders en zijn twee jongere broers zijn toen eerst ergens in Kandahar ondergedoken en vervolgens naar Iran zijn gevlucht, waar zij illegaal verblijven. De oom van moederskant is door de mullahs meegenomen en uitgeleverd aan de Taliban. Na een paar maanden hebben zij deze oom van verzoeker, Gholam Hazrat genaamd, gedood en zijn lijk op de bij de sji’itische moskee Emam Bara achtergelaten. De Islamitische beweging van de Taliban heeft ook een brief bij het stoffelijk overschot gelegd, waarin de familie van verzoeker wordt opgedragen om verzoeker uit te leveren, omdat zij anders ook zullen worden gedood. Verzoeker heeft die brief, gedateerd op 31 mei 2010, met vertaling ingebracht. Hij heeft verder naar voren gebracht dat hij van zijn vader heeft vernomen dat de hele stam van zijn oom, waaronder de drie neven van verzoeker, naar hem op zoek zijn om wraak te nemen vanwege de dood van Gholam Hazrat. Verzoeker is een tijd geleden door zijn vader opgebeld vanuit Iran. Zijn vader vertelde dat zij naar een andere woning in Iran zijn gegaan omdat een zoon van verzoekers oom naar Iran was gekomen. Deze neef van verzoeker is boos op de familie van verzoeker en heeft de brief van de Islamitische beweging van de Taliban laten zien. Via een list heeft de vader van verzoeker de dreigbrief weten te bemachtigen en naar verzoeker opgestuurd.

13. Verzoeker heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat in Afghanistan in het algemeen en in Kandahar in het bijzonder sprake is van de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde uitzonderlijke situatie. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker verwezen naar het beleid van België zoals gewijzigd in september 2010, waardoor in dat land de mogelijkheid bestaat tot toekenning van subsidiaire bescherming aan asielzoekers afkomstig uit de gehele provincie Kandahar. In dat verband heeft verzoeker tevens gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 30 augustus 2011 (AWB 11/26434). Verder verwijst verzoeker naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 oktober 2011 en de daarin genoemde landeninformatie met betrekking tot zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Dri. Voorts heeft verzoeker in beroep een bericht van de BBC van 9 mei 2011 over de situatie in Kandahar overgelegd. Verzoeker is daarnaast van mening dat hij tot een risicogroep behoort. In dat verband wijst hij op het langdurige verblijf in Iran en het feit dat hij tot de bevolkingsgroep van de Tadzjieken behoort. Verder heeft verzoeker gewezen op een brief van de ambassadeur van Afghanistan in Nederland van 9 augustus 2011 waaraan verweerder refereert in zijn antwoord aan de Tweede Kamer op 28 september 2011.

14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker aan zijn aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Daartoe wordt als volgt overwogen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de verklaring van de Afghaanse ambassade niet eerder heeft kunnen inbrengen. Bovendien werpt deze verklaring geen ander licht op hetgeen in de vorige procedure rechtens vast is komen te staan. In de eerste plaats is in de vorige procedure niet getwijfeld aan de door verzoeker opgegeven identiteit en nationaliteit. In de tweede plaats blijft, ondanks het overleggen van deze verklaring, staan dat verzoeker toerekenbaar zijn taskera niet heeft meegenomen en zijn tweede paspoort hier te lande heeft afgestaan aan de reisagent. De verklaring van de ambassade is daarom niet te beschouwen als een nieuw feit of veranderde omstandigheid.

15. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de verklaringen van verzoeker over wat zich na zijn vertrek uit Afghanistan heeft afgespeeld met betrekking tot zijn familieleden, evenmin zijn te beschouwen als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Deze verklaringen borduren immers voort op zijn eerdere asielrelaas waarvan in rechte vaststaat dat het ongeloofwaardig is. De overgelegde dreigbrief van de Islamitische beweging van de Taliban van 31 mei 2010, maakt dit niet anders. Aan die brief kan dan ook niet die waarde worden gehecht die verzoeker daaraan gehecht wenst te zien. Daar komt nog bij dat de juistheid van de inhoud van die brief niet kan worden geverifieerd en de datering van deze brief, gelet op de aankomst van verzoeker in november 2009 in Nederland, vraagtekens oproept. Immers, niet valt in te zien dat de Taliban eerst na ruim een half jaar na verzoekers vertrek uit Afghanistan een dreigbrief aan hem en zijn familie zou richten als zij serieus naar hem op zoek zijn. Bovendien is onduidelijk hoe de neef van verzoeker, die deze brief aan de vader van verzoeker zou hebben gegeven, de gezinsleden van verzoeker in Iran heeft weten te traceren. Voorts heeft verzoeker vage verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij of zijn voormalige gemachtigde uiteindelijk bedoelde brief in handen hebben gekregen.

16. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoeker geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat het asielrelaas thans wel geloofwaardig moet worden geacht. Dit betekent tevens dat verzoeker ook niet met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep die voor toelating in aanmerking komt. Voorts heeft de open brief van de Afghaanse ambassadeur van 11 augustus 2011 niet geleid tot een beleidswijziging, waardoor evenmin sprake is van een relevante wijziging van recht.

17. Ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Dri overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoeker heeft in de eerste plaats verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 oktober 2011 (AWB 11/28642 en AWB 11/28643) en de landeninformatie die daarin is vermeld. Verzoeker heeft deze informatie evenwel niet in de onderhavige procedure overgelegd, terwijl dat op zijn weg had gelegen. De voorzieningenrechter zal de in die uitspraak genoemde stukken dan ook niet bij de beoordeling betrekken. Voor zover in de uitspraak is geciteerd uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 24 augustus 2011 en deze informatie hierdoor in de onderhavige procedure is binnengehaald, komt daaruit op voorhand niet naar voren dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen en in Kandahar in het bijzonder, sinds het in de vorige procedure genomen besluit van 10 augustus 2010 zodanig is verslechterd dat daar wel sprake is van de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Dri bedoelde uitzonderlijke situatie. Weliswaar komt uit het ambtsbericht naar voren dat de veiligheidssituatie in Afghanistan de eerste helft van 2011 is verslechterd ten opzichte van het jaar daarvoor en dat ook in Kandahar het aantal incidenten in 2010 is toegenomen ten opzichte van het jaar 2009, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Dri bedoelde ernstige schade. Dat het aantal burgerslachtoffers in 2010 is gestegen en deze trend zich heeft voortgezet in de eerste helft van 2011 (1.462 doden), maakt niet dat sprake is van bedoelde uitzonderlijke situatie, nu dit niet volgt uit het aantal slachtoffers afgezet tegen het totale inwonertal van Afghanistan (naar schatting 29,8 miljoen inwoners) en de grootte van dit land. Daar komt bij dat een deel van het geweld niet willekeurig is maar gericht is tot specifieke personen zoals stamoudsten en hooggeplaatste Afghaanse ambtenaren. Voorts kan uit rechtsoverweging 84 uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 oktober 2011 in de zaak Husseini tegen Zweden (Application no. 10611/09) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 20111, LJN: BR2021, en 28 oktober 2011, met zaaknummer 201109161/1/V2, worden opgemaakt dat thans geen sprake is van bedoelde uitzonderlijke situatie in Afghanistan, dan wel de provincie Kandahar. Dat de veiligheidssituatie omstreeks april/mei 2011 in Kandahar tijdelijk is verslechterd omdat, zoals blijkt uit het bericht van de BBC van 9 mei 2011, aanhangers van de Taliban uit de gevangenis zijn ontsnapt en de gewapende strijd weer zijn aangegaan, maakt het vorenstaande niet anders. De omstandigheid dat België thans meent dat asielzoekers uit Kandahar voor subsidiaire bescherming in aanmerking kunnen komen, is evenmin te beschouwen als een nieuw feit of veranderde omstandigheid die voor deze zaak rechtens relevante betekenis heeft, nu in artikel 3 van de Dri is bepaald dat lidstaten gunstiger normen kunnen vaststellen of handhaven. Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, voldoet verweerder aan de minimumnormen die de Dri in artikel 15 stelt en is hij niet gehouden om in navolging van België gunstiger normen te stellen.

18. Nu evenmin is gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, gaat de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar het besluit van 10 augustus 2010, niet over tot een inhoudelijke beoordeling van het thans voorliggende besluit van 3 november 2011. Daarmee komt de voorzieningenrechter evenmin toe aan een beantwoording van de vraag of laatstgenoemd besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen vanwege het feit dat verzoeker geen medische onderzoek heeft gehad alvorens hij is gehoord.

19. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard. Hierdoor zal tevens het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

20. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover hierbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: