Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5791

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
AWB 10-32882
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde is of de beschieting van een Liberiaanse olietanker, gecharterd door Iran, tijdens de Iran-Iraakse oorlog een misdrijf als bedoeld in artikel 1F vormt. De rechtbank merkt de olietanker aan als een militair doelwit waarmee een militair voordeel viel te behalen. Verweerders standpunt dat sprake is van schending van Rules 17 tot en met 20, artikel 57 en artikel 147 van de Geneva Convention en 85 van het Protocol Additional to the Geneva Conventions of 12 August 1949, en artikel 8, tweede lid, onder b, van het Statuut van Rome, is daarom onvoldoende gemotiveerd. Het betrof een gerichte aanval en daarom kan niet worden gezegd dat sprake is van een niet-discriminatoire aanval als bedoeld in artikel 85 van Protocol I. Ofschoon sprake is van een aanval zonder voorafgaande waarschuwing op een schip met een burgerbemanning, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid niet leidt tot het oordeel dat sprake is van een schending van Rule 16 (het treffen van voorzorgsmaatregelen om burgerslachtoffers te voorkomen). De burgerbemanning nam weliswaar niet rechtstreeks deel aan de gevechten, zij voer wel op een schip in exclusieve dienst van de overheid van één van de partijen in een internationaal gewapend conflict, dat tevens onderdeel uitmaakte van het Iraanse olie-exportsysteem. De burgerbemanning was in het verleden geconfronteerd met aanvallen op het schip. Bovendien kan niet uit het oog worden verloren dat door Irak een Exclusion Zone was afgekondigd. Dat deze Exclusion Zone en wijze van oorlogvoering als zodanig volgens alle deskundigen zonder meer in strijd is met het internationale oorlogsrecht wordt door de rechtbank weliswaar gevolgd, doch kan er niet aan afdoen dat door Irak enige vorm van waarschuwing is gegeven. Nu de aanval geen oorlogsmisdrijf is, kan eiser artikel 1F niet worden tegengeworpen. In het midden kan blijven of eiser heeft deelgenomen aan de aanval en of sprake is van knowing and personal participation.

Verweerder heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom de omstandigheden dat de zoon van eiser zwakbegaafd is en tevens zoon is van een parlementslid niet leiden tot toelating op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/63

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/32882

Uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1953,

nationaliteit Iraakse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

mede namens zijn minderjarige kind [kind],

gemachtigde mr. E.L. Garnett,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen: de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M.W. Jans.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 21 september 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 19 september 2011, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of de weigering om eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen in rechte stand kan houden.

<u>Feiten en omstandigheden</u>

2. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

3. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Eiser is van 1977 tot zijn pensionering in 1999 werkzaam geweest voor het Iraakse ministerie van Defensie. In de zomer van 2005 heeft hij vernomen dat zijn naam op een liquidatielijst stond van officieren die gezocht werden door het Badr-korps en het Mehdi-leger in verband met hun activiteiten tijdens de Iran-Irak-oorlog. Eiser is hierop uit zijn woonplaats gevlucht en heeft zich vervolgens op verschillende adressen schuilgehouden. Omdat hij nergens veilig was en vreesde dat zijn zwakbegaafde zoon hem - onbedoeld - zou verraden heeft hij uiteindelijk in november 2008 Irak verlaten. De ex-echtgenote van eiser en tevens de moeder van de zoon van eiser is parlementariër in Irak.

4. Eiser heeft tijdens zijn asielprocedure een brief overgelegd van 6 augustus 1986, waaruit volgt dat bij presidentieel decreet nummer 602 van 28 juli 1986 een dapperheidsmedaille is verleend “Aan de hieronder genoemde officieren en hun eenheden vanwege hun dappere en moedige rol (…) welke gespeeld is in de verdediging van de eer, soevereiniteit en trots tegen de Iraanse vijand de verliezer en het vernietigen van een ‘Groot Maritiem Doel’ (een olievrachtschip) ten zuiden van het eiland Gerich, op 10 juni 1986.” Eiser heeft hierover verklaard dat hij op 10 juni 1986 als navigatieofficier met een Super Frelon-helikopter is uitgevlogen en dat vanuit deze helikopter een Exocetraket is afgeschoten, en dat eiser en de twee andere bemanningsleden van de helikopter in verband met deze missie de genoemde dapperheidsmedaille hebben ontvangen.

<u>Standpunten partijen</u>

5. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000, omdat er volgens hem ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven of handelingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag, Trb. 1967, 76) (Verdrag). Eiser wordt in verband gebracht met de Iraakse aanval op 10 juni 1986 op de onder Liberiaanse vlag varende tanker Medusa, een neutraal burgerdoel, zonder voorafgaande waarschuwing en zonder voorzorgsmaatregelen te treffen voor de veiligheid van de bemanning. Dit is een oorlogsmisdrijf. Eiser had kunnen weten dat dit misdrijf werd gepleegd en heeft niets gedaan om het te voorkomen. Hij heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de aanval en moet als mededader worden beschouwd. Daarom wordt eiser individueel verantwoordelijk gehouden voor het misdrijf. Voorts heeft verweerder geconcludeerd dat eiser, gelet op zijn asielrelaas, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De zoon van eiser komt evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

6. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat artikel 1(F) van het Verdrag hem niet kan worden tegengeworpen om meerdere redenen. Het staat niet vast dat de helikopter waarin eiser vloog de Medusa heeft beschoten of geraakt. De aanval op de Medusa is geen mensenrechtenschending in de zin van artikel 1(F) van het Verdrag. De Medusa was in dienst van Iran en niet neutraal. De Medusa vormde een legitiem oorlogsdoelwit. De aanval was rechtmatig. Voorts heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van een cumulatie van risico's op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM omdat eiser een hoge ex-militair is en getrouwd is geweest met een parlementariër. De zoon van eiser heeft een geestelijke beperking. Diens moeder is een parlementariër. Daarom heeft de zoon bij terugkeer te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

<u>Wettelijk kader</u>

7. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de vreemdeling, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

8. In artikel 1(F) van het Verdrag is bepaald dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten, welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

9. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

10. Ingevolge artikel 3.107, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt, indien artikel 1(F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, als bedoeld in artikel 29 van die wet.

<u>Beoordeling</u>

11. De rechtbank ziet aanleiding eerst het standpunt van verweerder te beoordelen dat de aanval op de Medusa dient te worden gekwalificeerd als een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag.

12. De rechtbank stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast met betrekking tot de aanval op de Medusa op 10 juni 1986. Hierbij betrekt de rechtbank in ieder geval de informatie uit de bijlagen in het voornemen, alsmede de door eiser overgelegde passages uit het boek ‘The Gulf War of 1980-1986’. Ten tijde van het incident verkeerde Irak in een staat van oorlog met Iran. In de tweede fase van de zogenaamde tankeroorlog vonden zowel van Iraakse als van Iraanse zijde aanvallen op neutrale schepen plaats in een door henzelf uitgeroepen oorlogszone, ter ondermijning van elkaars economie. Iran had omstreeks 1984 een aantal olietankers gecharterd waarmee olie van de olieterminal van het eiland Karkh in de noordelijke Perzische Golf werd getransporteerd naar de olie-overslaghavens in het zuiden van de Perzische Golf nabij de Straat van Hormuz. De Medusa was één van deze olietankers. De Medusa is aangevallen op 10 juni 1986 met een antischip-raket, zonder voorafgaande, aan de Medusa zelf gerichte, waarschuwing. De Medusa voer op het moment van de aanval onder Liberiaanse vlag en had een burgerbemanning. De Medusa was voor 10 juni 1986 al twee keer aangevallen.

13. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de Medusa voer onder de vlag van het in de Iraaks-Iraanse oorlog neutrale Liberia, op zichzelf bezien, niet tot de conclusie kan leiden dat reeds hierom sprake is van een oorlogsmisdrijf. Eiser heeft, onder verwijzing naar passages uit het boek ‘The Code of International Armed Conflict, volume 2’ van Howard S. Levie voldoende aannemelijk gemaakt dat onder het internationale oorlogsrecht een neutraal schip als een vijandelijk schip kan worden behandeld als het schip in exclusieve dienst is van de vijandelijke overheid. Ook in de bijlagen bij het voornemen wordt de Medusa aangeduid als onderdeel van de zwaar beschadigde door Iran gecharterde vloot en wordt een onderscheid gemaakt met de commerciële tankers. Verweerder heeft in reactie hierop weliswaar terecht opgemerkt dat het onder een andere vlag laten varen van een schip geen vrijbrief vormt om schepen onder niet-Iraanse vlag aan te vallen, doch dit is onvoldoende om de onderbouwde grond van eiser te weerleggen dat een schip dat in exclusieve dienst van de vijandelijke overheid is zijn neutrale status verliest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Medusa al eerder was aangevallen, hetgeen kennelijk geen reden is geweest de charter te beëindigen.

14. Naar aanleiding van de vraag of de Medusa een militair doelwit dan wel een burgerdoelwit was, overweegt de rechtbank verder het volgende. In de zienswijzen en in beroep is aangevoerd dat de Medusa, als onderdeel van het Iraanse olie-exportsysteem als zodanig een legitiem militair doelwit vormde. Dit is onderbouwd met een verwijzing naar een bijdrage van F.V. Russo jr. (Russo), die aangeeft dat het Iraanse olie-exportsysteem effectief en substantieel bijdroeg aan de algehele oorlogvoerende capaciteit van Iran, doordat Iran met de olie-export inkomsten genereerde om de oorlog met Irak te financieren. In de visie van Russo was het gehele olie-exportsysteem van Iran, alsmede de ondersteunende derde-wereld-olietankers, een legitiem militair doelwit. De rechtbank verstaat de visie van Russo aldus dat tankers als de Medusa wel onderdeel uitmaakten van het exportsysteem, omdat deze tankers specifiek waren gecharterd om olie van het eiland Karkh naar de veiligere havens in de Straat van Hormuz te transporteren, en dat de internationale olietankers die vervolgens de olie afnamen in deze veiligere havens géén onderdeel uitmaakten van het exportsysteem. De rechtbank volgt de visie van Russo. In het bestreden besluit volstaat verweerder met de enkele vaststelling dat de Medusa geen militair doel is en in het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat de visie van Russo vanwege zijn ongenuanceerdheid niet kan worden gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank is de beroepsgrond van eiser hiermee onvoldoende weerlegd en is het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.

15. Verweerder heeft zich in het (voornemen tot het) bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanval op de Medusa zonder voorafgaande waarschuwing en zonder veiligheidsmaatregelen te treffen voor de veiligheid van de (burger)bemanningsleden in strijd was met een aantal geldende normen. Volgens verweerder is in ieder geval sprake geweest van schending van een tweetal beginselen van het Humanitair Oorlogsrecht, namelijk het beginsel van distinctie (dat inhoudt dat partijen in een gewapend conflict te allen tijde onderscheid moeten maken tussen aan de ene kant burgers en civiele objecten, en aan de andere kant combattanten en militaire objecten) en het beginsel van het nemen van voorzorgsmaatregelen (om burgers en hun goederen te sparen en burgerslachtoffers te voorkomen of te minimaliseren). Daarnaast was volgens verweerder sprake van schending van Rules 17 en 18 (volgens welke alle mogelijke maatregelen dienen te worden genomen om te beoordelen of van een aanval verwacht kan worden dat daarbij burgerslachtoffers vallen of schade ontstaat die excessief is in relatie tot het concrete en direct te verwachten militaire voordeel) en Rule 20 (welke inhoudt dat indien een keuze mogelijk is tussen meerdere militaire objecten om hetzelfde militaire doel te bereiken die militaire doelen geselecteerd moeten worden waarvan verwacht wordt dat zij het minste gevaar opleveren voor burgers en civiele objecten) van het gewoonterecht binnen het Humanitair Oorlogsrecht, alsmede van een schending van Rule 16 (het treffen van voorzorgsmaatregelen om burgerslachtoffers te voorkomen) en Rule 19 (welke verplicht tot het tijdig afbreken van een aanval op burgerdoelen). Tevens houdt de aanval op de Medusa een ernstige schending in van het bepaalde in artikel 147 van de Vierde Geneva Convention van 1949 (Conventie) waarin als ernstige schending wordt genoemd onder meer ‘the extensive destruction and appropriation of property, not justified by military necessity and carried out unlawfully and wantonly’. Nu volgens verweerder sprake is van een aanval op goederen van burgerlijke aard en personen die niet rechtstreeks deelnamen aan de gevechten, is volgens verweerder tevens sprake van schending van de artikelen 57 en 85 van het Protocol Additional to the Geneva Conventions of 12 August 1949, and relating to the Protection of Victims of International Armed Conflicts (Protocol I) en artikel 8, tweede lid, onder b, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Statuut van Rome) dat het opzettelijk aanvallen van burgerdoelen, de burgerbevolking of individuele burgers die niet rechtstreeks aan de gevechten deelnemen, als oorlogsmisdrijf kwalificeert.

16. Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen moet het ervoor worden gehouden dat met de aanval op de Medusa wel een militair voordeel viel te behalen, in de vorm van een beschadiging van het Iraanse olie-exportsysteem. Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van verweerder dat sprake is van schending van Rules 17 tot en met 20, artikel 57 en 85 van Protocol I en artikel 8, tweede lid, onder b van het Statuut van Rome, alsmede dat het beginsel van distinctie en het beginsel van het nemen van voorzorgsmaatregelen is geschonden, onvoldoende gemotiveerd omdat het standpunt is gebaseerd op het uitgangspunt dat de Medusa géén militair doelwit vormde.

17. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts sprake van een onvoldoende onderbouwing dat sprake is van schending van artikel 147 van de Geneefse Conventie. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet het ervoor worden gehouden dat er wel een militaire noodzaak voor de aanval aanwezig was, in de vorm van het beschadigen van het Iraanse olie-exportsysteem welke de aanval op de Medusa kan rechtvaardigen.

18. Gelet op hetgeen is vastgesteld in rechtsoverweging 12 moet het ervoor worden gehouden dat de aanval op de Medusa een gerichte aanval is geweest. Daarom kan niet worden gezegd dat sprake is van een niet-discriminatoire aanval als bedoeld in artikel 85 van Protocol I.

19. Het bovenstaande neemt echter niet weg dat een aanval is uitgevoerd op een schip met een burgerbemanning zonder een voorafgaande, aan het schip gerichte waarschuwing dan wel het treffen van andere voorzorgsmaatregelen, hetgeen een schending kan opleveren van Rule 16 en artikel 57 van Protocol I. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid niet leidt tot het oordeel dat sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag. Ofschoon de burgerbemanning van de Medusa niet rechtstreeks deelnam aan de gevechten, voer zij wel op een schip in exclusieve dienst van de overheid van één van de partijen in een internationaal gewapend conflict, dat tevens onderdeel uitmaakte van het Iraanse olie-exportsysteem. De burgerbemanning was in het verleden reeds geconfronteerd met aanvallen op het schip. Bovendien kan niet uit het oog worden verloren dat door Irak een Exclusion Zone was afgekondigd. Dat deze Exclusion Zone en wijze van oorlogvoering als zodanig volgens alle deskundigen zonder meer in strijd is met het internationale oorlogsrecht wordt door de rechtbank weliswaar gevolgd, doch kan er niet aan afdoen dat door Irak enige vorm van waarschuwing is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet worden gezegd dat sprake is van een schending van Rule 16. Verweerder heeft weliswaar artikel 57 van Protocol I geciteerd doch niet gemotiveerd dat sprake is van schending van artikel 57, derde en vierde lid, van Protocol I.

20. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aanval op de Medusa moet worden beschouwd als een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag. Derhalve kan in het midden blijven of de keuze voor een Exocetraket al dan niet een proportionele vorm van geweld vormt, alsmede of de helikopter waarin eiser zat de betreffende raket op de Medusa heeft afgevuurd. Tevens kan in het midden blijven of sprake is van ‘personal and knowing’ participation van de zijde van eiser.

21. De in het bestreden besluit gegeven gebrekkige motivering kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat eiser vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Verdrag niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000.

22. Ten aanzien van de zoon van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat hij weliswaar familielid is van een parlementariër, maar dat niet is geconcretiseerd van wie de zoon te vrezen heeft en welke aanwijzingen hiervoor zijn en dat evenmin is gebleken dat er specifieke belangstelling bestaat voor de zoon van eiser. In beroep heeft eiser zijn stellingen nader onderbouwd, onder meer door overlegging van een overlijdensbericht van zijn zwager en door te stellen dat een poging is ondernomen zijn ex-vrouw, de moeder van de zoon van eiser, te ontvoeren. Verweerder heeft hierin geen aanleiding gezien het standpunt in het bestreden besluit te wijzigen, omdat volgens verweerder de enkele omstandigheid dat de zoon van eiser de zoon van een parlementariër is, op zichzelf onvoldoende is om voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking te komen. Voorts is verweerder van oordeel dat (familieleden van) parlementariërs noch gehandicapten in Irak kunnen worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep.

23. De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder om (familieleden van) parlementariërs of gehandicapten in Irak niet aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep niet kennelijk onredelijk is, mede nu eiser dit standpunt niet heeft onderbouwd. Dat neemt niet weg dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de combinatie van factoren onvoldoende is voor het oordeel dat de zoon van eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000.

24. Het bestreden besluit berust derhalve op een ondeugdelijke motivering en komt daarom wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

25. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Weliswaar heeft verweerder in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat eiser bij terugkeer naar Irak geen gegronde vrees heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, doch de rechtbank kan op basis van deze motivering geen oordeel geven over de vraag of eiser voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in aanmerking komt. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, te herstellen of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

26. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

27. Aangezien uit de gedingstukken niet is gebleken dat ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

28. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat de betaling van de proceskosten dient te geschieden aan eiser.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als voorzitter en mr. C.F.E. van Olden-Smit en mr. J. van Berchum als leden in tegenwoordigheid van mr. F.T.H. Langeweg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: