Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5774

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
Awb 11-6986
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – als overwogen in de uitspraak van 30 november 2009 (zaaknummer 200902411/1/V2) – is de rechtbank van oordeel dat uit het algemeen ambtsbericht voor de DRC van juli 2008 blijkt dat de situatie voor vrouwen in de DRC ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het besluit van 16 juni 2006 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het betreffende besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit kader dan ook sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zodat het bestreden besluit van 4 februari 2011 wat betreft de terugkeer van eiseres als vrouw naar de DRC en verweerders weigering om eiseres een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, reeds daarom kan worden getoetst.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de wijdverbreidheid van het seksuele geweld tegen vrouwen in de DRC dat in de periode van juni 2008 tot en met mei 2009 reeds epidemische vormen had aangenomen en welk geweld blijkens het algemeen ambtsbericht van juli 2011 nog steeds grootschalig is en in alle delen van het land voorkomt, niet zonder meer valt in te zien dat onderscheid gemaakt kan worden tussen de risico’s die verschillende (groepen van) vrouwen lopen. Verweerder heeft dit vermeende onderscheid ook overigens onvoldoende gemotiveerd. Het standpunt van verweerder dat van belang is dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is bevonden en dat geen geloof wordt gehecht aan de stelling van eiseres dat zij geen familieleden in de DRC heeft, volgt de rechtbank niet nu uit verweerders beleid als verwoord in paragraaf C24/8 VC 2000 niet voortvloeit dat de uitkomst van de beoordeling van het asielrelaas van de vreemdeling in dit kader ter zake doet. De rechtbank overweegt dat uit het voornemen van 11 oktober 2010, het bestreden besluit noch het verhandelde ter zitting duidelijk blijkt welke individuele omstandigheden van belang zijn voor de beoordeling of een vrouw de vrees voor seksuele geweldpleging in de DRC aannemelijk heeft gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling welke in strijd zal zijn met artikel 3 EVRM. Daarbij komt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank hierbij onvoldoende acht heeft geslagen op de stelling van eiseres dat niet van haar verlangd mag worden dat zij als alleenstaande moeder en getraumatiseerde vrouw tezamen met haar minderjarige kind terugkeert naar haar land van herkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 11/6986

Uitspraak in het geschil tussen:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum],

van Congolese nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon:

[naam zoon],

geboren op [geboortedatum],

van Congolese nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

gemachtigde: mr. E. Ebes, advocaat te Lemmer,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL, VOORHEEN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C. Bijsterbos, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 26 februari 2009 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 4 maart 2009 afwijzend op de aanvraag beslist. Het hiertegen gerichte beroep van eiseres bij uitspraak van 27 maart 2009 (bekend onder zaaknummers Awb 09/7321 en 09/7322) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats gegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 4 maart 2009 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op de aanvragen van eisers. Bij uitspraak van 30 november 2009 (bekend onder zaaknummer 200902411/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de uitspraak van 4 maart 2009 bevestigd.

1.2. Verweerder heeft bij besluit van 4 februari 2011 opnieuw afwijzend op de aanvraag beslist.

1.3. Op 1 maart 2011 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld. Op 8 april 2011 zijn de gronden van het beroep ingediend. Op 30 mei 2011, 10 augustus 2011 en 12 augustus 2011 heeft eiseres nadere gronden van beroep en nadere stukken ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 4 oktober 2011. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiseres heeft eerder, te weten op 11 juni 2006, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 16 juni 2006 is deze aanvraag door verweerder afgewezen, omdat geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen van eiseres dat zij afkomstig is uit het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) en dat zij behoort tot de Hema bevolkingsgroep. Verweerder heeft overwogen dat aan haar verklaringen over de problemen die zij aldaar, mede vanwege haar etnische afkomst, stelt te hebben ondervonden zodoende evenmin enige waarde kan worden toegekend. Bij uitspraak van 6 juli 2006 (bekend onder zaaknummers Awb 06/29448 en 06/) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Daarmee is de beslissing op de aanvraag van 11 juni 2006 in rechte onaantastbaar.

2.2. Eiseres heeft aan haar, thans aan de orde zijnde, opvolgende aanvraag van 26 februari 2009 ten grondslag gelegd dat de situatie in haar land van herkomst, de DRC, heel erg slecht is en dat zij daar niemand heeft. Verder is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden gelet op de huidige situatie in het oosten van de DRC en het daarmee gepaard gaande geweld, vooral tegen vrouwen. Voorts heeft zij brieven van het RIAGG van 9 oktober 2006 en 28 juli 2008 overgelegd betreffende haar geestelijke gesteldheid (onder meer een posttraumatische stressstoornis (PTSS)).

2.3. Bij besluit van 4 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag, onder verwijzing naar het eerdere besluit van 16 juni 2006, afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft bij uitspraak van 27 maart 2009 het hiertegen gerichte beroep gegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende - voor zover hier van belang - overwogen:

"2.8. (...) Naast de PTSS is echter ook amnesie voor enkele gedeeltes uit haar leven geconstateerd. Op voorhand is niet uitgesloten dat deze amnesie kan afdoen aan het besluit van 16 juni 2006 en de overwegingen waarop dat is gebaseerd. Niet uitgesloten is dat de gedeeltelijke amnesie verklaart waarom verzoekster over bepaalde zaken wel heeft kunnen verklaren en over andere, zoals haar gestelde woonomgeving en etnische afkomst, niet. Dit klemt te meer nu verzoekster in het nader gehoor van 15 juni 2006 heeft verklaard dat zij niet seksueel is misbruikt, terwijl volgens psychotherapeut Dekker wel sprake is van verkrachtingen. Niet uitgesloten is dat verzoekster vanwege de amnesie tijdens het nader gehoor over de verkrachtingen niet heeft kunnen verklaren.

2.9. Daarnaast is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een verslechterde situatie voor vrouwen in de DRC, waarvan op voorhand evenmin kan worden uitgesloten dat het kan afdoen aan het besluit van 16 juni 2006 en de overwegingen waarop dat is gebaseerd, alsmede van een relevante wijziging van het recht.

2.10. (...) Nu door het WBV 2007/35 het beleid voor vrouwen uit Congo is versoepeld, is sprake van een voor verzoekster relevante wijziging van het recht. De rechtbank betrekt daarbij de omstandigheid [dat] niet uitgesloten is dat verzoekster, gelet op de in de onderhavige procedure overgelegde medische informatie, aannemelijk kan maken dat zij persoonlijk heeft te vrezen voor seksuele geweldpleging in de DRC."

2.4. Bij uitspraak van 30 november 2009 heeft de AbRS de uitspraak van 27 maart 2009 - met verbetering van gronden - bevestigd. De AbRS heeft daartoe het volgende - voor zover hier van belang - overwogen:

"2.1.4. De brief van 9 oktober 2006 van de psychotherapeut van de vreemdeling geeft geen uitsluitsel omtrent de gedeeltes van het leven van de vreemdeling waarop de gedeeltelijke amnesie, voor zover hiervan al sprake is, betrekking heeft. Met die brief heeft de vreemdeling dan ook niet aangetoond dat de gedeeltelijke amnesie voor haar een beletsel heeft gevormd om juiste en volledige verklaringen af te leggen over zaken zoals haar woonomgeving en etnische afkomst,(...) De vreemdeling heeft dit met de door haar overgelegde brieven van haar behandelaars van 13 december 2006 en 28 juli 2008 evenmin aangetoond. Reeds daarom is op voorhand uitgesloten dat de gedeeltelijke amnesie in zoverre kan afdoen aan het besluit van 16 juni 2006. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. De in de grief vervatte klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op hetgeen hierna in overweging 2.2.2. wordt overwogen, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

(...)

2.2.2. Uit het ambtsbericht blijkt dat de situatie voor vrouwen in de DRC, ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het eerdere besluit van 16 juni 2006 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Aldus is, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat het besluit van 4 maart 2009 wat betreft de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, reeds daarom kan worden getoetst.

(...)

De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 4 maart 2009 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat zij te vrezen heeft voor seksuele geweldpleging in de DRC en dat, nu haar asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden, geen sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De staatssecretaris heeft aldus niet onderkend dat met voormelde verslechterde situatie voor vrouwen in de DRC sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat hij had moeten beoordelen of deze hem noopten tot het heroverwegen van het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000."

2.5. Op 13 april 2010 heeft een nader gehoor met eiseres plaatsgevonden over haar opvolgende aanvraag. Eiseres heeft in dit gehoor naar voren gebracht - samengevat weergegeven - dat zij door de problemen in haar land ook psychische klachten heeft gekregen en dat zij daarvoor al lang onder behandeling is bij een psycholoog. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een brief van de GGZ Drenthe, gedateerd 25 januari 2010, overgelegd.

2.6. Verweerder heeft de aanvraag van 26 februari 2009 afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000. Verweerder heeft overwogen dat bij besluit van 16 juni 2006 is vastgesteld dat het eiseres is toe te rekenen dat zij zich niet onverwijld heeft gemeld bij de Nederlandse autoriteiten en dat dit bij uitspraak van 5 juli 2006 in rechte is vastgesteld.

Voorts heeft verweerder overwogen dat bij besluit van 16 juni 2006 geen geloof is gehecht aan de verklaringen van eiseres dat zij afkomstig is uit het oosten van de DRC en dat zij van Hema afkomst is. Aan de verklaringen van eiseres over de problemen die zij aldaar, mede vanwege haar etnische afkomst, stelt te hebben ondervonden is dientengevolge evenmin enige waarde toegekend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres tijdens de opvolgende asielprocedure evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij afkomstig is uit het oosten van de DRC en dat zij van Hema afkomst is. Aan de verklaringen van eiseres over de problemen die zij in het oosten van de DRC, mede vanwege haar etnische afkomst, stelt te hebben ondervonden wordt zodoende geen waarde toegekend. Hierbij heeft verweerder opgemerkt dat in rechte vaststaat dat eiseres niet wordt gevolgd in haar stelling dat zij vanwege de posttraumatische stressstoornis (PTSS) niet in staat is geweest om haar asielrelaas adequaat naar voren te brengen. Tevens staat in rechte vast dat niet is aangetoond dat eiseres vanwege gedeeltelijke amnesie, voor zover hier al sprake van is, geen juiste en volledige verklaringen heeft kunnen afleggen over zaken als woonomgeving en etnische afkomst, aldus verweerder

Verweerder heeft overwogen dat eiseres verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Gelet op het ongeloofwaardig geachte relaas heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij te vrezen heeft voor (seksuele) geweldpleging in de DRC, aldus verweerder. Onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht voor de DRC van januari 2010 en WBV 2009/27 heeft verweerder overwogen dat vrouwen niet worden aangeduid als kwetsbare minderheidsgroep en dat de feitelijke omstandigheid dat eiseres vrouw is, niet leidt tot een verblijfsvergunning asiel. Voorts blijkt volgens verweerder uit het medisch advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 5 augustus 2010 dat eiseres zich niet bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte. Evenmin is gebleken dat het vertrek van eiseres uit het land van herkomst verband hield met bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, die maken dat van haar in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst, aldus verweerder.

2.7. Eiseres heeft in de gronden van beroep van 8 april 2011 naar voren gebracht dat zij verweerder niet volgt in het oordeel dat het asielrelaas ongeloofwaardig zou zijn. Subsidiair ziet eiseres geen verband tussen een vermeend ongeloofwaardig asielrelaas en de risico's op seksueel geweld die zij in het licht van de informatie uit het algemene ambtsbericht voor de DRC als jonge vrouw loopt bij een gedwongen terugkeer naar haar land van herkomst. Eiseres is van mening dat verweerder hier niet gemotiveerd op is ingegaan. Daardoor blijft onduidelijk op basis waarvan verweerder kennelijk meent dat er een onderscheid gemaakt kan worden tussen de risico's die verschillende (groepen van) vrouwen lopen. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder het verder ongeloofwaardig acht dat zij eerder het slachtoffer is geweest van seksueel geweld. Eiseres is van mening dat het echter niet duidelijk is dat vrouwen die in het verleden slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld, meer risico's zouden lopen dan vrouwen bij wie dit niet aannemelijk is gemaakt. Eiseres heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 december 2010 (zaaknummer Awb 09/41831).

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat er redenen bestaan om aan haar een verblijfsvergunning te verlenen vanwege bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder heeft bij de beoordeling verzuimd om alle aangedragen persoonlijke feiten en omstandigheden sinds de eerste asielaanvraag tot op heden in samenhang met elkaar te beoordelen. Eiseres is van mening dat zij evident getraumatiseerd is, zoals ook volgt uit het medisch advies van 5 augustus 2010. Zij staat voor verdere behandeling op een wachtlijst. Haar gemoedstoestand heeft er toe geleid dat zij niet in staat was om volledige en consistente verklaringen af te leggen, aldus eiseres. Volgens eiseres is zij een jonge vrouw (met een klein kind) en derhalve kwetsbaar bij een gedwongen terugkeer.

2.8. Bij brief van 10 augustus 2011 heeft eiseres aangevoerd dat zij enkele documenten vanuit de DRC heeft ontvangen van de directeur/docent van de voormalige school/internaat in Kisangani, te weten het [naam school]. Eiseres heeft afschriften van de volgende documenten overgelegd:

- een getuigschrift van de school, gedateerd 29 maart 2011;

- een schoolrapport, gedateerd 2 juli 2003; en

- een schooldiploma, gedateerd 2 juli 2003.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij middels deze documenten haar identiteit aannemelijk heeft gemaakt en heeft aangetoond dat zij als leerling ingeschreven heeft gestaan bij de betreffende school. De betreffende documenten konden niet in de eerste asielprocedure worden ingebracht omdat haar gemoedstoestand bij vertrek zodanig was dat in redelijkheid niet van haar verwacht kon worden dat zij, mede gezien haar jonge leeftijd, voorafgaand aan haar vertrek de tegenwoordigheid van geest had moeten hebben om eerst nog langs haar oude school te gaan om de documenten op te halen die daar waren achtergebleven, aldus eiseres. Voorts heeft eiseres onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht voor de DRC van juli 2011 aangevoerd dat in het hele land seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voorkomt.

2.9. Ter zitting heeft eiseres onder meer aangevoerd dat in de DRC voor vrouwen sprake is van een epidemische situatie met betrekking tot seksueel geweld. Eiseres is van mening dat verweerder in dit kader niet motiveert van welke bijzondere feiten en omstandigheden sprake moet zijn om wegens mogelijke schending van artikel 3 EVRM in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel. Eiseres heeft onder verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 14 mei 2009 (zaaknummer Awb 09/15261), de eerdergenoemde uitspraak van 20 december 2010 en de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 9 juni 2011 (zaaknummer Awb 11/16068) een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.

2.10. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangevoerd dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het asielrelaas geloofwaardig moet zijn eer een vrouw afkomstig uit de DRC in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel wegens mogelijke schending van artikel 3 EVRM. Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 5 januari 2011 (zaaknummer 201007954/1/V1) heeft verweerder aangevoerd dat, hoewel in die zaak sprake was van een vreemdeling afkomstig uit Burundi, de AbRS in de betreffende uitspraak heeft overwogen dat het zijn van een alleenstaande vrouw geen onderscheidend kenmerk is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval sprake is van een vergelijkbare problematiek en dat de uitspraak van 5 januari 2011 om die reden ook in het onderhavige geval van toepassing is. Met betrekking tot de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 december 2010 heeft verweerder aangevoerd dat hiertegen per abuis geen hoger beroep door verweerder is ingesteld en dat het geen uitgemaakte zaak is dat het onderhavige geval te vergelijken is met het geval genoemd in de betreffende uitspraak. De door eiseres in de onderhavige procedure overgelegde (school)documenten zijn geen identiteitsdocumenten nu de documenten geen pasfoto van eiseres bevatten, aldus verweerder.

Beoordeling van het beroep

2.11. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 5 juli 2006 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, in rechte is komen vast te staan dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

Uit de rechtspraak van de AbRS - onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007, 378 - volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de AbRS gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.12. De AbRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan, feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.13. De rechtbank constateert allereerst dat met de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2006 is komen vast te staan dat eiseres afkomstig is uit de DRC en dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat geen geloof kan worden gehecht aan de verklaringen van eiseres over de problemen die zij in de DRC - mede vanwege haar etnische afkomst - stelt te hebben ondervonden.

2.14. Eiseres heeft bij haar thans aan de orde zijnde opvolgende aanvraag medische informatie van het RIAGG overgelegd. Uit de brieven van 9 oktober 2006, 13 december 2006 en 28 juli 2008 blijkt dat bij eiseres sprake is van een PTSS en dat zij onder meer lijdt aan somberheidsgevoelens, geheugenproblemen, concentratieproblemen en last heeft van verwardheid. Voor enkele gedeeltes uit haar leven heeft zij amnesie.

Met de AbRS - als overwogen in de uitspraak van 30 november 2009 - is de rechtbank van oordeel dat, nu de brief van 9 oktober 2006 geen uitsluitsel geeft over de gedeeltes van het leven van eiseres waarop de gedeeltelijke amnesie - voor zover hiervan al sprake is - betrekking heeft, eiseres niet heeft aangetoond dat de gedeeltelijke amnesie voor haar een beletsel heeft gevormd om juiste en volledige verklaringen af te leggen over zaken zoals haar woonomgeving en etnische afkomst. Dit is met de brieven van 13 december 2006 en 28 juli 2008 evenmin aangetoond. Om deze reden is op voorhand uitgesloten dat de gedeeltelijke amnesie in zoverre kan afdoen aan het besluit van 16 juni 2006.

2.15. Ten aanzien van de door eiseres overgelegde schooldocumenten overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS rust bij een opvolgende aanvraag de bewijslast om de authenticiteit van de documenten aannemelijk te maken bij de asielzoeker.

Niet gebleken is dat eiseres de authenticiteit van de schooldocumenten heeft aangetoond. Dit betekent naar het oordeel van de rechter dan ook dat deze documenten niet zijn aan te merken als nieuwe feiten en dat om die reden op voorhand is uitgesloten dat deze documenten kunnen afdoen aan het besluit van 16 juni 2006.

2.16. Eiseres heeft voorts in het licht van haar medische omstandigheden een beroep gedaan op artikel 3 EVRM en in dat kader een brief van de GGZ Drenthe van 25 januari 2010 overgelegd. Ten aanzien van dit beroep overweegt de rechtbank als volgt.

2.17. Op grond van de uitspraken van het EHRM van 2 mei 1997 (RV 1997/70) en 6 februari 2001 (JV 2001/103) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens de hiervoor genoemde uitspraken van het EHRM slechts sprake zijn als de vreemdeling zich bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte.

2.18. In het BMA-advies van 5 augustus 2010, dat door verweerder bij zijn besluitvorming is betrokken, is opgenomen - voor zover hier van belang - dat eiseres lijdt aan een PTSS en een depressie, dat zij hiervoor onder behandeling staat bij de GGZ, dat de behandeling niet goed van de grond komt omdat eiseres regelmatig niet verschijnt op de afspraken en dat zij op de wachtlijst staat voor EMDR-therapie. De BMA-arts heeft geconcludeerd dat eiseres zich niet bevindt in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte, nu zij in staat is om in het dagelijks leven redelijk te functioneren met haar psychische klachten. De BMA-arts heeft tevens geconcludeerd dat eiseres niet lijdt aan een ziekte, waarvoor in Nederland behandeling is geïndiceerd, maar die, indien behandeling na terugkeer ontbreekt, uitblijft dan wel onvoldoende is, binnen afzienbare termijn een onomkeerbaar proces naar de dood tot gevolg zal hebben. De BMA-arts heeft in dit kader overwogen dat lichamelijk er geen zieke aanwezig is en geestelijk er geen reden in het dossier aanwezig is dit aan te nemen, nu eiseres nooit opgenomen is geweest, rechte ook geen opname indicatie is gesteld en zelfmoordgedachten en/of pogingen daartoe evenmin zijn genoemd.

2.19. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het BMA-advies niet dat eiseres lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. De door eiseres overgelegde brief van de GGZ Drenthe van 25 januari 2010 en de door haar genoemde medische omstandigheden kunnen derhalve niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, nu op voorhand kan worden uitgesloten dat dit stuk en deze medische omstandigheden kunnen afdoen aan het besluit van 16 juni 2006 en de overwegingen waarop dat rust.

2.20. Voorts heeft eiseres in haar opvolgende aanvraag een beroep gedaan op artikel 3 EVRM gelet op haar positie als vrouw in de DRC. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

2.21. Met de AbRS - als overwogen in de uitspraak van 30 november 2009 - is de rechtbank van oordeel dat uit het algemeen ambtsbericht voor de DRC van juli 2008 blijkt dat de situatie voor vrouwen in de DRC ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het besluit van 16 juni 2006 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het betreffende besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit kader dan ook sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zodat het bestreden besluit van 4 februari 2011 wat betreft de terugkeer van eiseres als vrouw naar de DRC en verweerders weigering om eiseres een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, reeds daarom kan worden getoetst.

2.22. In het algemeen ambtsbericht voor de DRC van juni 2009 is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen over de positie van vrouwen en meisjes in de DRC:

"In het gehele land heeft seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes epidemische vormen aangenomen. Vooral soldaten van de FARDC, politieagenten en strijders van overgebleven rebellenbewegingen maken zich hier op grote schaal schuldig aan. In oorlogsgebieden komt seksueel geweld het meeste voor en wordt verkrachting vaak gebruikt als wapen in het conflict, maar ook elders komt verkrachting op grote schaal voor. Een steeds groter deel van het seksueel geweld wordt, zowel in de conflictgebieden als in andere delen van het land, gepleegd door burgers. Redenen hiervoor zijn de slechte rechtsgang en de hoge mate van straffeloosheid.

Ook kleine kinderen en hoogbejaarde vrouwen lopen het risico slachtoffer te worden van seksueel geweld. De verkrachtingen vinden dikwijls op wrede en vernederende wijze plaats. Vrouwen worden door een groep mannen verkracht in aanwezigheid van hun familieleden en na verkrachting worden ze doodgeschoten of worden hun geslachtsdelen met messen of stokken verminkt. Ook komt het voor dat mannen gedwongen worden hun familieleden te verkrachten en dat vrouwen gedwongen worden om uitwerpselen of mensenvlees van hun vermoorde familieleden te eten.

Volgens de VN ontvingen hulporganisaties in de DRC in de verslagperiode iedere maand ongeveer 1.100 meldingen van verkrachting. In werkelijkheid ligt het aantal verkrachtingen naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk hoger. Het is onmogelijk om betrouwbare schattingen te geven van het aantal verkrachtingen in de DRC, omdat het overgrote deel niet gemeld wordt. Hoewel het overgrote deel van het seksuele geweld in het oosten plaatsvindt, komt ook buiten de conflictgebieden seksueel geweld op grote schaal voor. Het risico dat vrouwen en meisjes het slachtoffer worden van seksueel geweld wordt vergroot door het veelal ontbreken van straatverlichting en het feit dat zij vaak 's ochtends vroeg of 's avonds laat nog buiten werkzaamheden verrichten."

2.23. In verweerders beleid voor de DRC, verwoord in paragraaf C24/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, is het volgende - voor zover hier van belang - opgenomen:

"Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

Uit het ambtsbericht blijkt dat seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voorkomt in de DRC en epidemische vormen aanneemt. Zowel de overgebleven rebellenbewegingen alsook de soldaten van het regeringsleger en politieagenten maken zich hier schuldig aan. Slachtoffers van verkrachting leven in schaamte. Zij lopen het risico verstoten te worden door hun familie. Het is voor de meeste vrouwen in de DRC onmogelijk om bescherming in te roepen tegen seksueel geweld. Het is mogelijk om aangifte te doen van seksueel geweld, vooral in het oosten van het land. Het risico is aanwezig dat het doen van aangifte van verkrachting zich tegen het slachtoffer keert. Vrouwen die aangifte komen doen van seksueel geweld worden soms door de politie beticht van hekserij en lopen het risico zelf bestraft te worden, met name wanneer de dader van het seksueel geweld invloedrijk is.

Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in de DRC, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. Het ambtsbericht geeft geen aanleiding om vrouwen aan te duiden als kwetsbare minderheidsgroep."

2.24. In het algemeen ambtsbericht voor de DRC van januari 2010 is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen over de positie van vrouwen en meisjes in de DRC:

"In het gehele land komt seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voor. In oorlogsgebieden zijn de gevallen van seksueel geweld het talrijkst en wordt verkrachting vaak gebruikt als wapen in het conflict. Ten opzichte van de vorige verslagperiode was sprake van een toename van het aantal berichten van seksueel geweld, zowel in de gebieden die door de FDLR en de LRA gecontroleerd werden als in de gebieden waar FARDC-troepen waren gestationeerd (Orientale en de Kivu-provincies). In de gebieden waar de militaire operatie Kimia II werd uitgevoerd, zou het seksueel geweld bovendien steeds brutere vormen aannemen, met een toename van het aantal gevallen van verkrachting waarbij verminking, marteling en extreem geweld werden toegepast. Buiten de conflictgebieden komen verkrachtingen (ook binnen het huwelijk) echter eveneens veelvuldig voor.

(...)

Het is onmogelijk betrouwbare schattingen te geven van het aantal verkrachtingen in de DRC, omdat het overgrote deel niet gemeld wordt. Meer dan 65% van de slachtoffers van seksueel geweld waren minderjarigen en ongeveer 10% van de slachtoffers waren kinderen onder de 10 jaar. Ook hoogbejaarde vrouwen lopen het risico slachtoffer te worden van seksueel geweld."

2.25. In het algemeen ambtsbericht voor de DRC van december 2010 is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen over de positie van vrouwen en meisjes in de DRC:

"Ten opzichte van de vorige verslagperiode was er nog altijd sprake van grootschalig seksueel geweld, zowel in de gebieden die door de FDLR en de LRA gecontroleerd werden als in de gebieden waar FARDC-troepen waren gestationeerd (Orientale en de Kivu-provincies). In de gebieden waar militaire operaties werden uitgevoerd, ging het seksueel geweld nog steeds gepaard met verminking, marteling en extreem geweld. Buiten de conflictgebieden komen verkrachtingen (ook binnen het huwelijk) eveneens veelvuldig voor.

(...)

Het is onmogelijk betrouwbare schattingen te geven van het aantal verkrachtingen in de DRC, omdat het overgrote deel niet gemeld wordt. De helft van de slachtoffers van seksueel geweld betrof minderjarigen. Ook hoogbejaarde vrouwen lopen het risico slachtoffer te worden van seksueel geweld."

2.26. In het algemeen ambtsbericht voor de DRC van juli 2011 is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen over de positie van vrouwen en meisjes in de DRC:

"In het gehele land komt seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voor. In oorlogsgebieden zijn de gevallen van seksueel geweld het talrijst en wordt verkrachting vaak gebruikt als wapen in het conflict.

Ten opzicht van de vorige verslagperiode was er nog altijd sprake van grootschalig seksueel geweld, zoals in de gebieden die door de FDLR en de LRA gecontroleerd werden als in de gebieden waar de FARDC-troepen waren gestationeerd (Orientale en Kivu-provincies). In de gebieden waar militaire operaties werden uitgevoerd, ging het seksueel geweld nog steeds gepaard met verminking, marteling en extreem geweld.

(...)

Hoewel de daders van seksueel geweld in de DRC vooral soldaten van de FARDC, politieagenten en strijders van overgebleven rebellenbewegingen zijn, wordt een steeds groter deel van het seksueel geweld, zowel in de conflictgebieden als in andere delen van het land, gepleegd door burgers. Redenen hiervoor zijn onder andere de hoge mate van straffeloosheid en de grote aantallen gedemobiliseerde soldaten die teruggekeerd zijn naar het burgerbestaan. Door middel van opleidingen en bewustwordingscampagnes wordt geprobeerd het seksuele geweld in te dammen.

Buiten de conflictgebieden komen verkrachtingen (ook binnen het huwelijk) eveneens veelvuldig voor. Volgens UNFPA vonden landelijk in 2009 17.500 gevallen van seksueel geweld plaats. Volgens deze organisatie werden in 2009 in de Kivu-provincies 8.000 vrouwen en meisjes verkracht. Het lijkt onmogelijk betrouwbare schattingen te geven van het aantal verkrachtingen in de DRC, omdat het overgrote deel niet gemeld wordt.

Een Amerikaans onderzoek bracht aan het licht dat elk uur 48 vrouwen in de DRC worden verkracht, oftewel ruim 400.000 per jaar. Volgens dit onderzoek zou het aantal verkrachtingen daarmee 26 keer zo hoog zijn als eerdere schattingen van de VN, die uitkwamen op 16.000 verkrachtingen per jaar.

(...)

De verkrachtingen vinden vaak op wrede en vernederende wijze plaats. Door extreem seksueel geweld - groepsverkrachtingen, verminking en het inbrengen van voorwerpen in de geslachtsdelen van het slachtoffer - lijden veel vrouwen en vooral jonge meisjes die zijn verkracht aan vesico-vaginale fistels, waardoor zij incontinent worden. Deze slachtoffers vinden lang niet altijd de medische en psychosociale zorg die zij nodig hebben. Dit geldt ook voor het toenemend aantal vrouwen dat als gevolg van seksueel geweld aan hiv/aids of andere seksueel overdraagbare aandoeningen lijdt. Abortus is verboden in de DRC. Sommige vrouwen laten zich illegaal aborteren of proberen zelf een abortus op te wekken met traditionele middelen, met alle gezondheidsrisico's van dien."

2.27. De rechtbank overweegt dat, gelet op de wijdverbreidheid van het seksuele geweld tegen vrouwen in de DRC dat in de periode van juni 2008 tot en met mei 2009 reeds epidemische vormen had aangenomen en welk geweld blijkens het algemeen ambtsbericht van juli 2011 nog steeds grootschalig is en in alle delen van het land voorkomt, niet zonder meer valt in te zien dat onderscheid gemaakt kan worden tussen de risico's die verschillende (groepen van) vrouwen lopen. Verweerder heeft dit vermeende onderscheid ook overigens onvoldoende gemotiveerd. Het standpunt van verweerder dat van belang is dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is bevonden en dat geen geloof wordt gehecht aan de stelling van eiseres dat zij geen familieleden in de DRC heeft, volgt de rechtbank niet nu uit verweerders beleid als hiervoor genoemd onder 2.24. niet voortvloeit dat de uitkomst van de beoordeling van het asielrelaas van de vreemdeling in dit kader ter zake doet. De rechtbank overweegt dat uit het voornemen van 11 oktober 2010, het bestreden besluit noch het verhandelde ter zitting duidelijk blijkt welke individuele omstandigheden van belang zijn voor de beoordeling of een vrouw de vrees voor seksuele geweldpleging in de DRC aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank volgt verweerder voorts niet in zijn ter zitting geponeerde standpunt dat in dit kader van belang is hetgeen de AbRS in de uitspraak van 5 januari 2011 heeft overwogen over alleenstaande vrouwen, nu de betreffende uitspraak betrekking heeft op de situatie van vrouwen in Burundi en niet op de situatie van vrouwen in de DRC.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling welke in strijd zal zijn met artikel 3 EVRM. Daarbij komt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank hierbij onvoldoende acht heeft geslagen op de stelling van eiseres dat niet van haar verlangd mag worden dat zij als alleenstaande moeder en getraumatiseerde vrouw tezamen met haar minderjarige kind terugkeert naar haar land van herkomst.

2.28. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hetgeen overigens door eiseres in beroep is aangevoerd - in het bijzonder haar stelling dat aan haar een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend vanwege bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard - behoeft derhalve geen bespreking.

2.29. Voor veroordeling overeenkomstig artikel 8:75, eerste lid, Awb van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1 en € 437,- per punt).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 4 februari 2011;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw dient te beslissen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Laman, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2011.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb), één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.