Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5757

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
09/757755-11; 12/715507-10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Deze zaak draait om een schutter die op 25 maart 2011 in Delft een aantal kogels uit een vuurwapen heeft afgevuurd op [X] en vervolgens tijdens zijn vlucht eveneens een aantal kogels heeft afgevuurd op [Y]. De centrale vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte deze schutter was en indien de rechtbank die vraag bevestigend beantwoordt hoe deze schietpartij moet worden gekwalificeerd. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte op 25 maart 2011 de schutter is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/757755-11; 12/715507-10 (tul)

Datum uitspraak: 24 november 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer,

te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 juli 2011, 5 oktober 2011 en

10 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Het slachtoffer [Y] heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 maart 2011 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [X] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, viermaal, althans meermalen met een (semi automatisch) pistool, althans een vuurwapen (op korte afstand) in de richting van het lichaam van die [X] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 maart 2011 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Y] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een (semi automatisch) pistool, althans een vuurwapen, heeft geschoten op/in de richting van de buik, althans het lichaam van die [Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging moord/doodslag op [X], en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat strafbare feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat strafbare feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2011 tot en met 8 april 2011 te Delft en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (merk [merk] type [type]), en/of munitie van categorie III, te weten vijftien, althans een of meer, volmantel patronen (kaliber 9 mm), heeft gedragen, althans voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Deze zaak draait om een schutter die op 25 maart 2011 in Delft een aantal kogels uit een vuurwapen heeft afgevuurd op [X] (hierna: [X]) en vervolgens tijdens zijn vlucht eveneens een aantal kogels heeft afgevuurd op [Y] (hierna: [Y]).

De centrale vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte deze schutter was en indien de rechtbank die vraag bevestigend beantwoordt hoe deze schietpartij moet worden gekwalificeerd.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zoals verwoord in haar schriftelijk requisitoir 1- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor hetgeen hem onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd. De officier van justitie heeft hiertoe het volgende betoogd. De auto van medeverdachte [medeverdachte] is in de buurt van de plaats delict gezien en uit meerdere getuigenverklaringen volgt dat de schutter een blanke huidskleur heeft en samen met een donkere man was. Medeverdachte [medeverdachte] heeft een donkere huidskleur, verdachte heeft een blanke huidskleur en voldoet aan het door diverse getuigen opgegeven signalement. Uit politiegegevens omtrent eerdere staandehoudingen is bovendien gebleken dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vaker samen zijn gezien. Voorts heeft getuige [getuige 1] verdachte herkend van een politiefoto en heeft aangever [Y] ter terechtzitting van 10 november 2011 verklaard dat hij verdachte als de schutter herkent aan zijn gezicht, lichaamshouding, manier van lopen en zijn stem. De officier van justitie heeft tevens aangevoerd dat op basis van een analyse van historische verkeersgegevens van bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummers is gebleken dat verdachte ongeveer een uur voordat de incidenten plaatsvonden in de omgeving van de plaats delict is geweest. De officier van justitie heeft de eerst na zes maanden door verdachte aangedragen verklaring voor zijn aanwezigheid in Delft, te weten een bezoek aan de Makro, reeds gelet op de plaats van de aangestraalde zendmast, ongeloofwaardig bevonden. Ten slotte heeft de officier aangedragen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 5 en 6 april 2011 meermaals met elkaar zijn gezien, het vuurwapen bij medeverdachte [medeverdachte] thuis is gevonden en dat getuige [ex-vriendin], de ex-vriendin van verdachte, heeft verklaard wel eens door verdachte met een vuurwapen te zijn bedreigd. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat ten aanzien van verdachte bewezen dient te worden verklaard een poging moord in vereniging op aangever [X], een poging doodslag op aangever [Y] en verboden wapenbezit en gevorderd dat verdachte een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren zal worden opgelegd.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - zoals verwoord in zijn pleitnotitie 2- vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. Allereerst heeft hij aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Het enkele gegeven dat verdachte en zijn mededader eerder gezamenlijk door de politie zijn gesignaleerd was onvoldoende om te spreken van een redelijke verdenking tegen verdachte. Alle bewijzen die nadien tegen verdachte zijn verzameld zijn mitsdien onrechtmatig verkregen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat zijn verdachte ontkent iets met de tenlastegelegde feiten te maken te hebben en erop gewezen dat de getuigen geen eensluidend signalement van de schutter hebben gegeven. Bovendien is verdachte linkshandig, terwijl de schutter volgens de verklaring van [X] het wapen in zijn rechterhand heeft gehad. De herkenningen die hebben plaatsgevonden zijn evenmin van enige waarde. De herkenning van [getuige 1] in het kader het opsporingsonderzoek bestond uit het tonen van één enkele foto en de herkenning van [Y] ter terechtzitting kan evenmin voor het bewijs worgen gebezigd, reeds gelet op de omstandigheid dat hij bij de politie bij de FOSLO-confrontatie met 100% zekerheid een ander persoon heeft aangewezen, terwijl de foto van verdachte zich ook in de reeks bevond. Tot slot is er door de raadsman op gewezen dat op het wapen geen sporen van verdachte zijn aangetroffen.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 25 maart 2011 omstreeks 23.48 uur heeft in Delft ter hoogte van de Händellaan een schietincident plaatsgevonden. Hierbij is [X] door een blanke man, die in het gezelschap was van een man met een donker getinte huidskleur, met een vuurwapen beschoten, waarna de schutter wegrende. [Y] is daarop achter de schutter aangerend en heeft de schutter aangesproken waarna door deze schutter op hem is geschoten. [Y] is daarbij door een kogel in zijn buik geraakt. De schutter is vervolgens in een Honda Civic, waarvan de bestuurder een licht getinte of donkere huidskleur had, ingestapt en weggereden. De Honda Civic staat op naam van medeverdachte [medeverdachte], in wiens woning het vuurwapen is aangetroffen en in beslag genomen.

Rechtmatigheid van de aanhouding?

De rechtbank stelt verder vast dat tegenover de stellige ontkenning van verdachte uit het dossier een aantal belastende feiten en omstandigheden kan worden opgemaakt. De auto van medeverdachte [medeverdachte] is in de buurt van de plaats delict waargenomen en het gebruikte vuurwapen is bij [medeverdachte] thuis aangetroffen. Verdachte is vaker met [medeverdachte] gesignaleerd en voldoet aan het door diverse getuigen opgegeven signalement. Verdachte is bovendien herkend door getuige [getuige 1] bij een opsporingsconfrontatie. Anders dan de raadsman heeft betoogd zijn deze objectieve feiten en omstandigheden voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering ten tijde van de aanhouding van verdachte. Het verweer dat de aanhouding onrechtmatig is geschied wordt mitsdien verworpen.

Is verdachte de schutter?

Naast voornoemde feiten en omstandigheden bevat het dossier de volgende aanknopingspunten die zouden kunnen wijzen op betrokkenheid van verdachte bij het schietincident.

Uit historische telefoongegevens volgt dat de telefoon met het telefoonnummer [nummer 3] om 21.56 een zendmast in Delft heeft aangestraald en met het telefoonnummer [nummer 4] om 22.51 in Delft een zendmast heeft aangestraald waarvan het bereik binnen de plaats delict ligt. De rechtbank gaat ervan uit dat beide telefoonnummers op het moment van de schietpartij in gebruik waren bij verdachte. In de telefoon van [medeverdachte] stonden beide telefoonnummers immers opgeslagen met de naam 'Blanke [....]. Tevens is door 'Blanke [....] op 25 maart 2011 een sms-bericht naar [medeverdachte] verstuurd met de tekst 'Waar ben je nu kom naar waalhaven dan' en heeft de ex-vriendin van verdachte, [ex-vriendin], verklaard dat zij verdachte op 25 maart 2011 in de Waalhaven heeft gezien samen met [medeverdachte].

Op basis van de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers [nummer 1] en [nummer 2] is verdachte mitsdien in ieder geval om 22.51 uur op of in de buurt van de plaats delict te plaatsen. Gelet hierop wordt het door verdachte ter terechtzitting van 5 oktober 2011 gevoerde verweer dat hij naar de Makro te Delft is geweest en meteen daarna richting Arnhem is vertrokken om aldaar na 23.00 uur maar nog wel voor 24.00 uur te arriveren door de rechtbank ongeloofwaardig geacht. De Makro sluit immers - zoals door verdachte ter terechtzitting d.d. 5 oktober 2011 is bevestigd - om 22.00 uur, terwijl de telefoon van verdachte om 22.51 uur nog een zendmast in Delft heeft aangestraald en verdachte dus niet direct na zijn gestelde bezoek aan de Macro is vertrokken richting Arnhem.

Herkenningen

Getuige [getuige 1] is in het opsporingsonderzoek door de politie geconfronteerd met één enkele foto van een verdachte. De hieruit voortgekomen herkenning is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om tot bewijs te worden gebezigd. De getuige [getuige 1] kende verdachte niet. In een dergelijk geval ligt het in het belang van een zorgvuldige waarheidsvinding voor de hand dat de politie gebruik maakt van een meervoudige confrontatie. Dat is niet gebeurd. Daarbij komt dat de overige getuigen verklaren dat de schutter zijn hoofd en gezicht (gedeeltelijk) had bedekt terwijl getuige [getuige 1] over de schutter heeft verklaard dat deze man blond stijl haar tot aan zijn wenkbrauwen en een opvallend rood gezicht had. Gelet hierop en gelet op de wijze waarop de herkenning van verdachte tot stand is gekomen, zal de herkenning van [getuige 1] worden uitgesloten van het bewijs.

De herkenning van getuige [Y] ter terechtzitting van 10 november 2011 kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot het bewijs worden gebezigd. Niet alleen heeft aangever tijdens de meervoudige fotoconfrontatie met 100% zekerheid een andere persoon dan verdachte aangewezen, het valt evenmin uit te sluiten dat [Y] verdachte onbewust heeft herkend van een ander moment zoals bijvoorbeeld de aan hem bij de meervoudige fotoconfrontatie getoonde foto of dat het gegeven dat verdachte degene is die voor de verdenking van de schietpartij terechtstaat, zijn herinnering heeft gekleurd. Overigens stelt het ontbreken van de bij voornoemde fotoconfrontatie aan [Y] getoonde foto's, de rechtbank niet in staat om een oordeel te geven omtrent de betrouwbaarheid van deze fotoconfrontatie.

Conclusie

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de ten laste gelegde feiten tot een bewezenverklaring kunnen leiden, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, kort samengevat dat verdachte voldoet aan het dadersignalement, een goede bekende is van medeverdachte [medeverdachte], dat hij een uur voor de schietpartij op of in de buurt van de plaats delict is geweest en dat [medeverdachte] toen ook in de buurt was en dat verdachte een ongeloofwaardig alibi heeft.

Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Met name het feit dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat verdachte zich na 22.51 uur op of nabij de plaats van de schietpartij heeft bevonden is hierbij voor de rechtbank doorslaggevend. De rechtbank acht gelet hierop niet bewezen dat verdachte op 25 maart 2011 de schutter is geweest en zal verdachte dan ook vrijspreken.

Voor wat betreft het onder 3 tenlastegelegde verboden wapenbezit bevat het dossier ten slotte evenmin enig aanknopingspunt. Ook van dit feit wordt verdachte mitsdien vrijgesproken.

4. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedings

[Y], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 6.856,31.

[X], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.600,-.

4.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [Y], tot een bedrag van € 6.856,31-.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [X], tot een bedrag van € 1.600,-.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen, nu verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde feiten.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen beiden niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, wordt vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

5. Tenuitvoerlegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 26 januari 2011 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering afwijzen, aangezien verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

6. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

bepaalt dat de benadeelde partij [Y] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij [X] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij [Y] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

veroordeelt de benadeelde partij [X] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van 26 januari 2011.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Smid-Verhage, voorzitter,

mrs. Hink en Donker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Cozijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2011.

1 Het schriftelijk requisitoir van de officier van justitie, welke aan de voorzitter is overgelegd en waarvan de inhoud aan het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 10 november 2011 zal worden gehecht.

2 De pleitnotitie van de raadsman van verdachte, welke aan de voorzitter is overgelegd en waarvan de inhoud aan het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 10 november 2011 zal worden gehecht.