Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5672

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/31788
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Libiër maakt bezwaar tegen de verklaring van ongewenste vreemdeling. Hij wil in Nederland blijven om zijn strafzitting(en) betreffende de Schipholbrand bij te wonen. De rechtbank oordeelt dat dit verzoek buiten het bereik van het genomen besluit van de ongewenstverklaring valt en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

De rechtbank overweegt (ten overvloede) dat de verzoeker het niet aannemelijk maakt dat zijn aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is voor het voeren van lopende procedures inzake de Schipholbrand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 11/31788

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:

[verzoeker]

geboren op [1982],

van Libische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

verzoeker,

gemachtigde: mr. A.P. van den Akker, advocaat te Amersfoort,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft op 14 september 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit tot ongewenstverklaring van 8 september 2009. Bij besluit van 5 maart 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het besluit van 8 september 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld. Verzoeker heeft op

3 oktober 2011 verzocht om een voorlopige voorziening.

Het onderzoek is met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.2 Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om het vorenbedoeld besluit tot ongewenstverklaring van 8 september 2009 totdat door de rechtbank uitspraak is gedaan op het beroep tegen vorenbedoeld besluit van 5 maart 2010. Verzoeker heeft betoogd dat het beroep een gerede kans van slagen heeft, zonder dit betoog nader toe te lichten. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, bij uitspraak van 17 september 2009 (AWB 09/32880, 09/32882 en 09/09/33170) de verzoeken om voorlopige voorziening hangende de bezwaren tegen het besluit tot ongewenstverklaring van 8 september 2009 en tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting van verzoeker op 18 september 2009 heeft afgewezen, kan voorshands niet worden geoordeeld dat het besluit tot ongewenstverklaring evident onrechtmatig is en dat verweerder moet worden bevolen om verzoeker, die reeds geruime tijd geleden, namelijk op 18 september 2009, uit Nederland is verwijderd, naar Nederland terug te leiden teneinde hem in de gelegenheid te stellen de (verdere) behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit in Nederland af te wachten. Het verzoek dient in zoverre te worden afgewezen.

2.3 Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om de regiezitting van

10 oktober 2011 ten behoeve van de behandeling van zijn strafzaak terzake de zogenoemde Schipholbrand in Nederland te mogen bijwonen. De voorzieningenrechter oordeelt in dit verband, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2011 (zaak nr. 201100441/2/H2, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl), dat een verzoek om voorlopige voorziening, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, betrekking moet hebben op het materiële geschil over het besluit dat ter beoordeling voorligt. De verzochte voorlopige voorziening moet blijven binnen het bereik van het bestreden besluit. Het geschil betreft de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring. Voor zover het verzoek om voorlopige voorziening ertoe strekt dat verzoeker de behandeling van zijn (regie)strafzitting hier te lande mag bijwonen, valt het verzoek buiten het bereik van het bestreden besluit. Het verzoek dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.4 De voorzieningenrechter overweegt nog ten overvloede dat de voorzieningenrechter bij de hiervoor in 2.2 bedoelde uitspraak heeft geoordeeld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is voor het voeren van lopende procedures inzake de Schipholbrand en dat verzoeker geen aanknopingspunten heeft verschaft om inzake de op 10 oktober 2011 geplande regiezitting anders te oordelen.

2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het verzoek, voor zover is verzocht om de regiezitting van 10 oktober 2011 ten behoeve van de behandeling van zijn strafzaak in Nederland te mogen bijwonen, niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2011.