Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
09-900411-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/900411-11

Datum uitspraak: 23 november 2011

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 24 augustus 2011 en 9 november 2011.

De verdachte is, hoewel goed daartoe opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsman van verdachte, mr. S.F. van der Valk, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting heeft de raadsman verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte te verdedigen.

De officier van justitie mr. R.P. Peters heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat in het dossier geen bewijs voorhanden is dat er sprake was van een op de diefstal gerichte nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere twee inzittenden van zijn auto die de diefstal hebben gepleegd. Aan de hand van de afdrukken van de camerabeelden die zich in het proces-verbaal bevinden, kan in onvoldoende mate worden vastgesteld dat verdachte wist dat de aangever [aangever] een aanzienlijk geldbedrag bij zich had. De enkele omstandigheid dat verdachte in de richting van de aangever kijkt, is daarvoor niet voldoende. De foto's van de camerebeleelden geven evenmin duidelijkheid over enig contact tussen verdachte en de twee daders van de beroving, laat staan over de aanname dat hij hen zou hebben geïnformeerd over het bij de aangever aanwezige geld. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat niet is komen vast te staan dat verdachte er van tevoren van op de hoogte was dat de diefstal zou worden gepleegd. Dat hij op de twee anderen heeft gewacht, achteruit is gereden en hen heeft laten instappen, maakt dat oordeel niet anders. Verdachte heeft daarover een verklaring afgelegd, die niet dusdanig onaannemelijk is dat daaraan voorbij gegaan kan worden. Verdachte moet daarom van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

Dit vonnis is gewezen door

mr. Poustochkine, voorzitter,

mrs Milders en Van Seventer, rechters,

in tegenwoordigheid van Van Bezooijen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 november 2011.