Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5509

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
09-758586-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Op basis van onderliggende tenlastelegging kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte roekeloos, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld, waardoor het ongeval met de RIB heeft plaatsgevonden en een aantal slachtoffers letsel heeft opgelopen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 308
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 85
NBSTRAF 2012/85
NJFS 2012/39

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/758586-10

Datum uitspraak: 23 november 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A. Willemse en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op of omstreeks 17 september 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, als schipper/stuurman met een snelle motorboot (type: Rigid Inflatable Boat (RIB)) met 8 opvarenden een boottocht langs de kust heeft gemaakt, althans langs de Nederlandse kust heeft gevaren, zulks terwijl:

- de gemiddelde golfhoogte op zee tussen de 2,05 en 2,51 meter met maxima van 3,20 tot 4,03 meter bedroeg en/of (dus) op zee sprake was van zeer, althans aanmerkelijk hoge golven en/of sterke deining en/of

- dat een vrij krachtige tot krachtige westelijke wind met kracht van 5 tot 6 Beaufort waaide,

als gevolg waarvan de RIB op zee is omgeslagen en/of de opvarenden van boord zijn geslagen/te water zijn geraakt, waarbij hij, verdachte, heeft nagelaten om:

- voldoende instructie te geven over hoe te handelen aan boord van de RIB en/of over hoe te handelen in noodsituaties op zee en/of

- te vragen naar de zwemvaardigheid en/of fysieke gesteldheid en/of gezondheid van de opvarenden en/of

- deugdelijke (inflatable) reddingsvesten (met kraag) ter beschikking te stellen en/of

- geschikte kleding (zoals een wetsuit) en/of geschikt schoeisel ter beschikking te stellen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [A] en/of

[B] en/of [C] zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen, te weten een gekneusde rug ([A]) en/of een gebroken kuitbeen ([B]) en/of een hoofdwond en/of een gebroken neus ([C]), althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Overwegingen

3.1 Inleiding

Op 17 september 2010 heeft verdachte, eigenaar van het watersportbedrijf '[bedrijf]', met 8 passagiers in een Rigid Inflatable Boat (hierna: RIB) een tocht gemaakt langs de kust van Scheveningen (te 's-Gravenhage). Verdachte was de stuurman van de RIB. Omstreeks 18.00 uur is de RIB omgeslagen en zijn de passagiers te water geraakt. De passagiers zijn met behulp van surfers en hulpdiensten naar het strand gebracht.

Een aantal passagiers, waaronder [A], [B] en [C], heeft door het ongeval letsel opgelopen.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

In haar requisitoir heeft de officier van justitie haar antwoord gegeven op de vraag of verdachte voldoende heeft gedaan om het ongeval te voorkomen en of het aan verdachte kan worden toegerekend dat het ongeval heeft plaatsgevonden en passagiers letsel hebben opgelopen.

Ten eerste heeft de officier van justitie aangevoerd dat de RIB technisch gezien in orde was en mocht varen met de op 17 september 2010 gemeten windkracht (tussen de 5 en 6 Beaufort) en golfhoogte (tussen de 2.20 meter en 2.60 meter).

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte geen vaarbewijs had in september 2010 en overigens ook geen aantoonbare kennis had ten aanzien van windsnelheden en golfhoogtes, het besturen van een RIB of het varen met passagiers.

Met betrekking tot de passagiers heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat geen van hen bekend was met het varen op zee in een RIB. Verdachte heeft geen duidelijke instructies gegeven over hoe te handelen tijdens de boottocht of wanneer de boot zou omslaan. De passagiers hebben geen wetsuit aangeboden gekregen en droegen slechts een zwemvest, geschikt als drijfhulpmiddel, maar niet als reddingsmiddel. De passagiers is ten slotte niet gevraagd naar hun zwemvaardigheden en gezondheid.

Verdachte is aldus met onervaren mensen, die niet goed waren uitgerust met spullen en instructies, begonnen aan de boottocht. Aan de zijde van verdachte was er sprake van een noodlottige aaneenschakeling van slordigheden en nalatigheden, hetgeen heeft geresulteerd in het aanmerkelijk onzorgvuldig handelen jegens de opvarenden. Het omslaan van de boot was onder de gegeven omstandigheden voorzienbaar voor verdachte en het opgetreden letsel (waardoor de slachtoffers enige tijd gehinderd zijn in de uitoefening van hun werkzaamheden) kan dan ook redelijkerwijs aan hem worden toegerekend.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Er bestaat geen causaal verband tussen de vier ten laste gelegde nalatigheden en het ontstane letsel bij de slachtoffers. Het bieden van deugdelijke reddingsvesten had het ongeluk immers niet kunnen voorkomen. Hetzelfde geldt voor het geven van uitgebreidere instructies, het informeren naar de zwemvaardigheid of fysieke gesteldheid van de passagiers dan wel het ter beschikking stellen van geschikte kleding en schoeisel.

Daarnaast heeft verdachte zich aan de essentiële veiligheidseisen gehouden en geen gevaarsnorm geschonden. Verdachte is niet tekort geschoten en er kan dan ook niet bewezen worden dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig of nalatig heeft gehandeld.

Slechts het ten laste gelegde uitvaren bij te hoge golven en te harde wind dienen in aanmerking genomen te worden bij de vraag naar eventueel culpoos handelen. Verdachte heeft met zijn RIB echter binnen de essentiële veiligheidseisen gevaren, waardoor het enkele feit dat er hoge golven en een harde wind waren niet kunnen leiden tot de conclusie dat verdachte culpoos heeft gehandeld. Bovendien hebben de passagiers zelf de 'kamikaze'-tocht geboekt, waarbij zij hadden moeten weten dat enig risico een kernelement van de activiteit zou zijn.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het letsel dat [A] en [B] hebben opgelopen, niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Verder zijn beide slachtoffers weer direct aan het werk gegaan, waardoor ook geen sprake was van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van hun beroepsbezigheden is ontstaan. Indien de rechtbank toch tot een veroordeling komt, dient verdachte ten aanzien van het letsel van [A] en [B] partieel te worden vrijgesproken.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde dient allereerst door de rechtbank te worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband tussen de aan verdachte verweten gedragingen, zoals ten laste gelegd, en het plaatsvinden van het ongeval, waardoor de slachtoffers letsel hebben opgelopen.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting ten aanzien van de omstandigheden waaronder de boottocht is gemaakt, vast dat de volgende feiten en omstandigheden niet ter discussie hebben gestaan.

Op 17 september 2010 tussen 18.00 en 18.30 uur was sprake van een vrij krachtige tot krachtige wind (tussen de 5 en 6 Beaufort) en van een gemiddelde golfhoogte tussen de 2.20 meter en 2.60 meter hoog. De RIB van verdachte was van ontwerpcategorie B, dit wil zeggen ontworpen voor zeereizen voor een windkracht maxima tot en met 8 Beaufort en een karakteristieke golfhoogte tot en met vier meter. Aan boord waren 8 vaste zitplaatsen en het maximum aantal personen bedroeg 16 personen. Verdachte voer dan ook in een boot die geschikt was voor 8 passagiers en die geschikt was om onder de omstandigheden van 17 september 2010 te varen op de Noordzee. Verdachte was voorts van deze weersomstandigheden op de hoogte. Hij heeft immers ter terechtzitting verklaard die ochtend via de website www.windguru.nl te zijn nagegaan wat de te verwachten windkracht voor die dag zou zijn.

Daarnaast acht de rechtbank verdachte, anders dan door de officier van justitie is betoogd, gelet op zijn jarenlange ervaring en het ter terechtzitting overhandigde vaarbewijs, voldoende kundig om de boot te besturen en de situatie op zee in te schatten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het causale verband tussen het uitvaren met vrij krachtige tot krachtige wind (tussen de 5 en 6 Beaufort) en een gemiddelde golfhoogte tussen de 2.20 meter en 2.60 meter in een RIB die ruimschoots tegen die weersomstandigheden was opgewassen en het omslaan van die RIB ontbreekt.

Ten aanzien van de handelingen die verdachte heeft nagelaten voorafgaande aan de boottocht, oordeelt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij slechts summiere instructie heeft gegeven over hoe te handelen tijdens de boottocht. Ten aanzien van de vraag hoe te handelen bij het te water geraken heeft verdachte geen instructies gegeven. Verdachte heeft ook nagelaten te informeren naar de gezondheid of zwemvaardigheden van zijn passagiers. Door verdachte is aan de passagiers verder geen geschikte kleding of schoeisel ter beschikking gesteld. Wel heeft verdachte aan alle passagiers een zwemvest ter beschikking gesteld en gecontroleerd of deze goed zat.

De rechtbank acht de wijze waarop verdachte heeft gehandeld ten opzichte van zijn passagiers voorafgaande aan de boottocht onzorgvuldig. Dat de passagiers zelf de keuze hebben gemaakt voor een 'kamikaze RIB-powerboottocht' en daarom in zekere zin hadden kunnen verwachten dat dit geen rustige rondvaart zou zijn, doet daar niets aan af. Verdachte was als schipper verantwoordelijk voor zijn (onervaren) passagiers en had hen erop moeten wijzen hoe ruw het eraan toe zou kunnen gaan op zee en hen moeten instrueren hoe te handelen tijdens de boottocht en in het geval passagiers te water zouden geraken. Daarnaast is het laakbaar dat verdachte zijn passagiers geen juiste kleding (zoals een wetsuit) heeft verstrekt, noch heeft gewezen op het feit dat de kleding die een aantal van zijn passagiers droeg (waaronder zwaar schoeisel) geenszins geschikt zou zijn voor de boottocht.

De rechtbank is echter van oordeel dat het causale verband tussen bovengenoemde nalatigheden (zoals weergegeven onder de laatste vier onderdelen in de tenlastelegging) en het letsel van de passagiers ontbreekt.

Gelet op het bovenstaande kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat op basis van onderliggende tenlastelegging niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte roekeloos, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld, waardoor het ongeval met de RIB heeft plaatsgevonden en een aantal slachtoffers letsel heeft opgelopen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrij spreken van het ten laste gelegde feit.

4. De vorderingen van de benadeelde partijen

[A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 0,- (nihil).

[C], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2758,-.

4.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [A].

De officier van justitie concludeert tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [C] tot een bedrag van € 1258,- (betreffende materiële schade).

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de benadeelde partij geen bedrag heeft gevorderd.

De rechtbank zal de benadeelde partij [C] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

De benadeelde partijen kunnen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partijen dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

5. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partijen [A] en [C] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding, en dat zij de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mr. G.M.G. Hink en mr. W.N.L. Donker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.I. Hendricks, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 november 2011.

mr. W.N.L. Donker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.