Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5314

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
AWB 10-38833
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep, asiel, homo- biseksualiteit

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de verklaringen van eiser niet zonder meer kunnen concluderen dat eiser al 33 jaar biseksueel is en actief is in de homoscene. Eiser heeft zijn seksuele gevoelens voor zichzelf gehouden. Uit geen van eisers verklaringen valt voorts op te maken dat eiser zich 33 jaar actief in de homoscene heeft begeven. De contacten met mannen vonden in het diepste geheim plaats. Op grond van het voorgaande heeft verweerder niet zonder nadere motivering ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser geen belangenorganisaties voor homoseksuelen kent en geen kennis heeft van symbolen betreffende homoseksualiteit. Voorts overweegt de rechtbank dat uit het feit dat de kerk in Nigeria afwijzend staat tegenover homoseksualiteit niet zonder meer te concluderen valt dat ieder individu binnen die kerk een dergelijke afwijzende houding inneemt. Eiser kende de pastoor, omdat het een pastoor van zijn eigen kerk was. Deze pastoor heeft eiser in contact gebracht met een missionaris, een blanke Amerikaan. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het ongeloofwaardig is dat de pastoor en de missionaris eiser hebben geholpen. Uit het algemeen ambtsbericht Nigeria blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de kerk in Nigeria als zodanig afwijzend staat tegenover homoseksualiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 38833

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 november 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van Nigeriaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 28 oktober 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 5 november 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 12 november 2010 heeft verweerder het besluit van 5 november 2010 ingetrokken en bij besluit van 12 november 2010 de aanvraag wederom afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil is aangevangen op 3 maart 2011. Namens eiser is destijds verzocht tot aanhouding van de zaak wegens het ontbreken van een tolk. De rechtbank heeft hiermee ingestemd en de openbare behandeling voortgezet op 29 september 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is door de politie opgepakt vanwege zijn geaardheid. Hij is betrapt met zijn vriend [naam vriend]. Ze zijn meegenomen door de politie. Eiser heeft uit een politieauto weten te ontsnappen naar het dorp [naam]. Met hulp van een missionaris is eiser zijn land ontvlucht.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Verweerder verwijt eiser de omstandigheden bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Omdat eiser onvolledig, bevreemdend en tegenstrijdig heeft verklaard, ontbeert het relaas positieve overtuigingskracht en acht verweerder het ongeloofwaardig. Het asielrelaas is derhalve niet inhoudelijk getoetst.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.3 Verweerder heeft het bestreden besluit van 5 november 2010 op 12 november 2010 ingetrokken, omdat verweerder per abuis de zienswijze van 1 november 2010 niet had meegenomen in de besluitvorming. Het beroepschrift van 8 november 2010 wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 12 november 2010.

2.4 Verweerder werpt eiser tegen dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn reisroute te kunnen vaststellen, waardoor niet is voldaan aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw.

2.5 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat de reisdocumenten door de reisagent onder dwang zijn afgenomen. Voorts heeft eiser naar vermogen verklaard over de afgelegde reisroute. Verweerder stelt onredelijke eisen ten aanzien van de beschrijving daarvan.

2.6 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op voormeld standpunt kunnen stellen, gelet op het volgende. Niet in geschil is dat eiser bij zijn aanvraag geen reisdocumenten heeft overgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij het valse paspoort, waarmee hij heeft gereisd gedurende zijn reis, steeds in handen heeft gehad en dit in Nederland heeft teruggegeven aan de reisagent. Datzelfde geldt voor het vliegticket.

2.7 Volgens het geldende beleid, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) in paragraaf C4/3.6.3 geldt als uitgangspunt dat de situatie waarin een vreemdeling verklaart dat hij zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan dit aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de betreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

2.8 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn reisdocumenten onder dwang zijn afgenomen. Eiser verklaart in het rapport van het eerste gehoor dat na het passeren van de immigratie alle documenten door de reisagent zijn ingenomen. Hieruit blijkt niet van dwang.

Verweerder heeft derhalve het ontbreken van de reisdocumenten, gelet op bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarnaar door verweerder in het bestreden besluit is verwezen, onverschoonbaar kunnen achten en aan eiser kunnen toerekenen. Verweerder heeft eiser tevens kunnen toerekenen dat hij slechts summier en niet gedetailleerd over de reis naar Nederland heeft verklaard. Zo heeft eiser geen details kunnen verstrekken over de luchtvaartmaatschappijen, het vliegpersoneel en de vliegbestemming. Hetgeen eiser hier tegen in de zienswijze en in beroep heeft gesteld, te weten dat hij dwangmatig afhankelijk was van de reisagent en dat hij naar vermogen heeft verklaard en verweerder onredelijke eisen stelt, is niet onderbouwd en heeft verweerder ontoereikend kunnen achten om tot een ander oordeel te komen.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder reeds gelet op het voorgaande, artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

2.10 Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling kan, indien als gevolg van het toerekenbaar ontbreken van documenten van het relaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan, reeds een enkele vaagheid, hiaat, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom leiden dat daarvan geen sprake is.

2.11 Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser biseksueel is. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser heeft aangegeven dat hij tussen zijn twaalfde en veertiende jaar erachter kwam dat hij biseksueel is. Eiser is nu 47 jaar oud, hetgeen zou betekenen dat hij al 33 jaar biseksueel is. Omdat hij al 33 jaar biseksueel is en actief is in de homoscene acht verweerder het niet geloofwaardig dat hij geen belangenorganisaties voor homoseksuelen kent en ook geen kennis heeft van symbolen betreffende homoseksualiteit.

2.12 Eiser heeft dit in beroep bestreden. Volgens eiser is het in Nigeria niet mogelijk uiting te geven aan homo- dan wel biseksualiteit op een wijze zoals dat in Nederland wel kan. Voorts weet eiser wel degelijk organisaties te noemen. Deze zijn niet op waarde geschat door verweerder vanwege miscommunicatie tijdens het nader gehoor. Het door eiser beschrevene komt overeen met het beeld dat bekend is over de situatie in Nigeria. Dat Christelijke gemeenschappen in Nigeria tegen homoseksualiteit zijn wordt niet bestreden door eiser, echter de pastoor die hem hulp bood zag hierin geen aanleiding hem hulp te onthouden.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.13 Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij tussen de twaalf en veertien jaar oud was toen hij homoseksuele gevoelens kreeg. Toen eiser zijn seksuele gevoelens ontdekte heeft hij het aan niemand verteld. Eiser heeft voorts verklaard dat hij tot de dag van zijn aanhouding zijn geaardheid geheim heeft willen houden. Eiser ging vóór zijn relatie met [naam vriend] om met mannen. Hij heeft verklaard dat hij deze mannen ontmoette in hotels, omdat het niet de bedoeling was dat mensen het wisten. Hij heeft verklaard zich biseksueel te voelen.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit bovenstaande verklaringen niet zonder meer kunnen concluderen dat eiser al 33 jaar biseksueel is en actief is in de homoscene. Eiser heeft zijn seksuele gevoelens na zijn ontdekking voor zichzelf gehouden. Uit geen van eisers verklaringen valt voorts op te maken dat eiser zich 33 jaar actief in de homoscene heeft begeven. In de zienswijze wordt aangegeven dat eiser pas na zijn schoolopleiding in 1985 in contact kwam met mannen. De contacten met mannen vonden in het diepste geheim plaats. Op grond van het voorgaande heeft verweerder niet zonder nadere motivering ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser geen belangenorganisaties voor homoseksuelen kent en geen kennis heeft van symbolen betreffende homoseksualiteit. Wat dit laatste betreft, is het de rechtbank niet duidelijk geworden waarop verweerder in het gehoor heeft gedoeld. Kennelijk heeft de gehoorambtenaar gedoeld op logo’s betreffende homoseksualiteit. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven niet precies te weten of de logo’s betreffende homoseksualiteit die in het westen bekend zijn, zoals de roze driehoek of de regenboog, ook in Nigeria symbolen voor homoseksualiteit zijn. In dat perspectief komt het op voorhand niet bevreemdend over dat eiser hier geen antwoord op weet.

2.15 Voorts wordt de biseksualiteit van eiser niet geloofwaardig geacht door de verklaringen die eiser heeft afgelegd over de manier waarop de kerk heeft gereageerd op zijn gestelde biseksualiteit. Verweerder heeft overwogen dat in Nigeria een algeheel afwijzende houding bestaat ten opzichte van homoseksualiteit. Het is om die reden ongeloofwaardig gevonden dat eiser zou zijn geholpen door een pastoor en een missionaris.

2.16 De rechtbank overweegt dat uit het feit dat de kerk in Nigeria afwijzend staat tegenover homoseksualiteit niet zonder meer te concluderen valt dat ieder individu binnen die kerk een dergelijke afwijzende houding inneemt. Eiser kende de pastoor, omdat het een pastoor van zijn eigen kerk was. Deze pastoor heeft eiser in contact gebracht met een missionaris, een blanke Amerikaan. Zij hebben eisers verhaal aangehoord en eiser te eten gegeven. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het ongeloofwaardig is dat de pastoor en de missionaris eiser op deze wijze hebben geholpen. Bovendien vermeldt het algemeen ambtsbericht Nigeria weliswaar dat in Nigeria een afwijzende houding tegenover homoseksualiteit -onder meer- in de moslim- en christelijke gemeenschappen bestaat, hetzelfde ambtsbericht meldt ook dat er een LGTB (Lesbian, Gay, Bisexual and Transgender)-tolerante kerk in Lagos bestaat. Dit geeft naar het oordeel van de rechtbank aan dat niet in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de kerk in Nigeria als zodanig afwijzend staat tegenover homoseksualiteit.

2.17 Voorts heeft verweerder de verklaringen van eiser inzake de wijze van vervoer in de politieauto vanwege het ontsnappingsgevaar bevreemdend geacht. Eiser heeft in het nader gehoor aangegeven dat hij en zijn vriend ongeboeid in de politieauto werden vervoerd. In de correcties en aanvullingen heeft hij op dit punt aangevuld dat hij en zijn vriend in de auto in een afgesloten gedeelte, in een soort kooi in de auto zaten. Dat eiser eerst in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat hij in de auto in een kooi geplaatst werd, heeft verweerder niet zonder nadere motivering terzijde kunnen schuiven. Het gaat bovendien om een aanvulling en niet om een herroeping van een eerder afgelegde verklaring. De mogelijkheid tot het indienen van correcties en aanvullingen is juist ingesteld om hetgeen de vreemdeling in de gehoren heeft verklaard aan te vullen, danwel te corrigeren. Niet valt in te zien dat een aanvulling op een essentieel onderdeel uit het asielrelaas hiervan uitgesloten zou zijn.

2.18 Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder nadere motivering ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser biseksueel is.

2.19 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De overige gronden van beroep behoeven, gelet daarop, geen bespreking meer.

2.20 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.21 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting , wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2011.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.