Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5202

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/5906 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van een gewezen politiefunctionaris over zijn aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van het Besluit bezoldiging politie. Verweerder was bevoegd over te gaan tot verrekening van de aan eiser toekomende aanvullende uitkering met de nog openstaande restschuld. De wijze van berekening van de aanvullende uitkering en de juiste vaststelling van de restschuld van eiser per 1 januari 2009 moeten worden aangepast naar aanleiding van het deskundigenrapport in de vorige beroepszaak van eiser. Beroep niet-ontvankelijk ten aanzien van het weigeringsbesluit en gegrond ten aanzien van het toekenningsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5906 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2011 ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[A], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: [B]),

en

de korpsbeheerder van de politie Hollands Midden, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. G.E. Treffers).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2010 heeft verweerder vastgesteld dat het totale inkomen van eiser (WAO-uitkering en Invaliditeitspensioen) uitkomt boven de grens van 36,01% van de berekeningsgrondslag, zodat verweerder eiser geen aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van het Besluit bezoldiging politie (verder: Bbp) zal toekennen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 mei 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 juni 2010 heeft verweerder op basis van door eiser verstrekte inkomens- gegevens eiser te rekenen van 1 januari 2009 een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van het Bbp toegekend, welke maandelijks zal worden verrekend met de loonvordering van verweerder op eiser. Bij dit besluit was een berekening gevoegd.

Bij brief van 5 juli 2010 heeft verweerder op verzoek van eiser een nadere toelichting op zijn besluit verstrekt.

Tegen het besluit van 7 juni 2010 heeft eiser bij brief van 12 juli 2010 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Eiser heeft verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank in verband met de samenhang met eisers reeds aanhangige beroep AWB 09/4948 AW. Verweerder heeft met dit verzoek ingestemd en de stukken aan de rechtbank doorgezonden.

Het beroep is op verzoek van eiser gevoegd met eisers beroep AWB 09/4948 AW.

Beide beroepen zijn op 17 november 2010 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde [B].

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr. drs. G.E. Treffers.

De rechtbank heeft ter zitting de verdere behandeling van beide beroepen gesplitst, omdat in dit beroep nog overleg tussen partijen gaande was en een minnelijke regeling mogelijk leek.

Bij uitspraak van 22 december 2010 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in eisers beroep AWB 09/4948 AW.

Per e-mailbericht van 10 maart 2011 heeft eiser de rechtbank bericht dat tussen partijen verschil van inzicht blijft bestaan over de wijze van berekening van de vervolguitbetaling van verweerder aan eiser. Daarbij heeft eiser een berekening, gedateerd 9 maart 2011, gevoegd van de bedragen waarop hij vanaf 1 januari 2009 meent recht te hebben. Eiser heeft de rechtbank verzocht uitspraak te doen conform de berekening die volgt uit de rapportage van de deskundige mevrouw mr. C.A. Paul in het andere beroep.

Bij brief van 7 april 2011 heeft verweerder bevestigd dat er verschil van inzicht tussen partijen bestaat en heeft hij op enkele onderdelen zijn standpunt nader toegelicht.

Partijen hebben de rechtbank desgevraagd toestemming verleend tot afdoening van het beroep zonder nadere zitting. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of de bestreden besluiten, gelet op de daartegen ingebrachte beroepsgronden, in rechte stand kunnen houden.

2. Ten aanzien van het besluit van 16 april 2010 overweegt de rechtbank als volgt.

2.1 Evengenoemd besluit is door verweerders nadere besluit van 7 juni 2010 achterhaald, nu verweerder alsnog aan eiser met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 39 van het Bbp heeft toegekend. Hoewel het besluit van 16 april 2010 door verweerder niet is ingetrokken, heeft dat besluit voor eiser sinds het nadere besluit van 7 juni 2010 geen rechtsgevolg meer. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn beroep, voor zover dat zich richt tegen het besluit van 16 april 2010. In zoverre moet eisers beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2 Nu eiser zich niet van beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft voorzien en van andere kosten niet is gebleken, bestaat geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten in dit beroep.

3. Ten aanzien van het besluit van 7 juni 2010 overweegt de rechtbank als volgt.

3.1 Eiser heeft tegen dat besluit aangevoerd dat verweerder ten onrechte en zonder beslaglegging is overgegaan tot verrekening van de aan hem toekomende aanvullende uitkering met een vermeende loonvordering van verweerder op eiser.

Verder heeft eiser bezwaar tegen de wijze waarop verweerder de aanvullende uitkering heeft berekend en acht hij de bijlage met de berekening alsmede de door verweerder bij brief van 5 juli 2010 daarop gegeven toelichting onjuist.

Verder heeft hij betoogd dat de reeds verrekende bedragen alsnog aan hem moeten worden uitbetaald en dat voor de toekomst van verrekening moet worden afgezien.

3.2 Verweerder heeft aangevoerd dat zijn loonvordering op eiser gelijksoortig en opeisbaar is, zodat hij bevoegd is de aanvullende uitkering maandelijks met de nog uitstaande restschuld van eiser te verrekenen.

Ten aanzien van de berekening van de aanvullende uitkering stelt verweerder dat deze is gebaseerd op de door eiser verstrekte betalingsgegevens van UWV (WAO-uitkering) en ABP (invaliditeitspensioen) en ook overigens juist is.

4. Ingevolge artikel 115, eerste lid, onder b, van de Ambtenarenwet wordt, voor zover thans van belang, verstaan onder bezoldiging: de bedragen - onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of welke benaming ook - waarop de gewezen ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn vroegere dienstbetrekking aanspraak heeft (...).

Ingevolge artikel 117, eerste lid, van de Ambtenarenwet kan met de door de Staat of de openbare lichamen verschuldigde bezoldiging worden verrekend hetgeen de ambtenaar als zodanig aan hen verschuldigd is.

Ingevolge het derde lid van genoemd artikel is verrekening slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn.

In artikel 39, vijfde lid, van het Bbp is bepaald dat de gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een WAO-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, aanspraak heeft op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident.

Ingevolge het zesde lid van genoemd artikel is deze aanvullende uitkering gelijk aan het verschil tussen (voor zover hier van belang):

a. een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie- uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag; en

b. de som van de aan de ambtenaar toegekende WAO-uitkering, een hem toegekend invaliditeitspensioen en een hem toegekende herplaatsingstoelage.

Ingevolge het zevende lid van genoemd artikel is het percentage, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt dit bij een arbeidsongeschiktheid van 25-45%: 36,01%.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel bb, van het Bbp wordt onder beroepsincident verstaan: een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken.

5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan eiser, medewerker basispolitiezorg/motorsurveillant bij verweerders korps, is met ingang van 1 juni 2008 ontslag verleend wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van een hem op 29 oktober 2001 overkomen motorongeval, dat door verweerder als dienstongeval is aangemerkt.

Aan eiser is door het UWV een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid, die met ingang van 6 januari 2009 nader is vastgesteld op 44% (25-45%). Vervolgens is door het ABP ook het invaliditeitspensioen van eiser nader (lager) vastgesteld.

Eiser heeft alle maandelijkse betaalspecificaties van UWV en ABP over 2009 en 2010 aan verweerder toegezonden, waarna deze bij het bestreden besluit aan eiser te rekenen van

1 januari 2009 een aanvullende uitkering heeft toegekend.

6. Eiser heeft bezwaar tegen de door verweerder maandelijks toegepaste verrekening van het volledige bedrag van de aanvullende uitkering met de (naar eiser stelt: vermeende) loonvordering van verweerder op eiser.

6.1 In haar uitspraak van 22 december 2010 in eisers beroep AWB 09/4948 AW heeft de rechtbank in rechtsoverweging 8.3 overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder bevoegd was tot terugvordering van hetgeen hij teveel aan eiser had uitbetaald. Eiser heeft in dat beroep slechts aangevoerd dat verweerder niet de juiste berekeningswijze heeft toegepast, zodat een te hoog bedrag van eiser is teruggevorderd. De omvang van het geschil in dat beroep beperkte zich daarom, gelet op het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, tot de vaststelling van het van eiser terug te vorderen bedrag en de juistheid van de daaraan ten grondslag liggende berekeningen. Ten behoeve van een finale geschilbeslechting heeft de rechtbank, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, in haar uitspraak op basis van het deskundigenrapport van mevrouw mr. C.A. Paul het bedrag van de loonvordering op eiser per 1 januari 2009 nader vastgesteld op € 18.516,80 bruto.

Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen thans in rechte vaststaan.

Partijen onderschrijven beiden in grote lijnen het evengenoemde deskundigenrapport, zo is de rechtbank tijdens de terechtzitting op 17 november 2010 gebleken.

6.2 Bij het nemen van het thans bestreden besluit kon verweerder uiteraard nog niet beschikken over het (latere) oordeel van de rechtbank inzake de hoogte van de loonvordering op eiser per 1 januari 2009. De uit de bijlage bij het bestreden besluit blijkende restschuld van eiser per ultimo 2008 van € 19.890,92 is naar huidig inzicht niet juist. Daardoor is ook de maandelijks plaatsvindende afbouw van de loonvordering op eiser niet juist. Verweerder is op dit punt, op basis van de nadere vaststelling van de restschuld in het dictum van de uitspraak van 22 december 2010, gehouden tot een correctie van de restschuld ten voordele van eiser.

6.3 Het vorenstaande leidt niet tot de conclusie dat verweerder niet bevoegd was over te gaan tot de door eiser bestreden verrekening. Daarvoor is bepalend of verweerder bij de beoogde verrekening de zogenoemde beslagvrije voet in aanmerking heeft genomen. De beslagvrije voet is het bedrag dat bij een beslag aan de voet van het inkomen buiten het beslag moet worden gelaten, omdat dit voor het levensonderhoud van de ambtenaar in kwestie noodzakelijk is. Aangezien in de dienstverhouding van de ambtenaar tot zijn werkgever het middel van beslag geen rol kan spelen (beslag wordt gelegd onder de werkgever door een derde ten laste van de ambtenaar op wie die derde een vordering heeft), wordt bij deze toetsing de beslagvrije voet als maatstaf genomen, als was er van een beslag ten behoeve van een derde sprake.

Voorts bestond geen aanleiding voor verweerder om beslag te leggen onder het UWV of het ABP op de uitkeringen van die respectieve uitkeringsorganen aan eiser ten behoeve van de verrekening van de in het verleden door verweerder teveel aan eiser betaalde aanvullende uitkering, aangezien artikel 117 van de Ambtenarenwet verweerder een eigen mogelijkheid tot verrekening biedt.

Onjuist is dus eisers opvatting dat verweerder niet bevoegd was tot verrekening over te gaan, nu hij geen beslag heeft gelegd op de aanvullende uitkering van eiser noch beslag heeft gelegd onder het UWV of het ABP. Verweerder is alleen dan niet bevoegd tot verrekening van een bestaande en opeisbare vordering op de ambtenaar, indien hij daarbij de beslagvrije voet niet volledig buiten de verrekening heeft gelaten. Dat hiervan ten aanzien van eiser sprake zou zijn, is gesteld noch gebleken, zodat de rechtbank van die situatie niet kan uitgaan. Naar de huidige stand van zaken was verweerder bevoegd om tot verrekening over te gaan.

Slechts indien eiser aantoont dat de beslagvrije voet (gedeeltelijk) in de verrekening is betrokken, bestaat aanleiding voor het oordeel dat geen (volledige) verrekening als ten aanzien van eiser aan de orde mag plaatsvinden. De beslagvrije voet is globaal: 90% van de toepasselijke bijstandsnorm, doch is mede afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de betrokkene (www.kbvg.nl).

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat eiser niet heeft bestreden de opvatting van verweerder dat de vordering van verweerder op eiser soortgelijk en opeisbaar is.

Voor een uitbetaling aan eiser van hetgeen verweerder eerder met de restschuld van eiser heeft verrekend, zoals eiser heeft gevorderd, bestaat, gelet op de voorgaande overwegingen, geen grond.

7. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder zijn aanspraak op de aanvullende uitkering niet op de juiste wijze heeft vastgesteld en heeft ter onderbouwing van dit standpunt eigen berekeningen opgesteld.

Uit de brief van eisers gemachtigde van 12 juli 2010 blijkt dat eiser drie hoofdbezwaren heeft tegen verweerders besluiten:

a. verweerder hanteert in het besluit van 7 juni 2010, in afwijking van het eerdere besluit van 16 april 2010 een te lage berekeningsgrondslag (€ 1.268,66 in plaats van € 1.315,61) waarop het percentage van 36,01 wordt toegepast;

b. verweerder heeft in het besluit van 7 juni 2010 bij de berekening verkeerde uitgangspunten en een onjuiste invulling gehanteerd;

c. verweerder heeft in de nadere toelichting van 5 juli 2010 daarvoor geen valide argumenten aangevoerd. Onjuist acht eiser de opvatting van verweerder dat bij de berekening van hetgeen eiser aan uitkeringen ontvangt rekening moet worden gehouden met de ontvangen werkgeversbijdrage Zvw; indien deze daadwerkelijk aan eiser zou worden toegekend, zou daarvan blijken uit de uitkeringsspecificaties die eiser maandelijks ontvangt, hetgeen niet het geval is.

Bij e-mailbericht van 10 maart 2011 heeft eisers gemachtigde een nieuwe berekening ingezonden op basis van het door de deskundige mr. Paul vastgestelde inkomen van eiser

(€ 3.508,19). Bij dit uitgangspunt komt eisers inkomen 2009 uit op € 1.304,82 per maand.

In zijn reactie van 7 april 2011 op genoemd e-mailbericht heeft verweerder aangevoerd dat het verschil wordt verklaard doordat vanaf de berekening over 2009 de jaarlijkse salarisverhoging uit het landelijke arbeidsvoorwaardenoverleg ("cao-overleg") niet langer mede over ORT/VIT wordt berekend, zoals dat tot 2009 - ten onrechte - wel is gebeurd. Verweerder heeft dat over voorgaande jaren niet willen corrigeren vanwege het lange tijdsverloop, maar acht zich niet gehouden een eerder gemaakte fout te blijven herhalen.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen worden verdeeld gehouden over de juistheid van de berekening van het inkomen van eiser dat dient als berekeningsgrondslag bij de vaststelling van eisers (mogelijke) aanspraak op een aanvullende uitkering. De bestreden besluiten dateren van 16 april 2010 en 7 juni 2010, toen nog niet kon worden beschikt over het rapport van de deskundige mr. Paul en over de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2010. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank in de rede er van uit te gaan dat, indien partijen niet zouden hebben besloten tot rechtstreeks beroep, verweerder in bezwaar zou zijn overgegaan tot een herberekening van eisers aanspraak op een aanvullende uitkering op basis van de vaststelling van de berekeninggrondslag in het rapport van mr. Paul (bijlage I, blz. 3). Eiser heeft met zijn berekening van 9 maart 2011 een begin van aannemelijkheid gewekt dat de berekening van verweerder in zoverre niet juist is, dat daarbij niet is uitgegaan van de door mr. Paul vastgestelde berekeningsgrondslag van € 3.508,19 per ultimo 2008. Op dat bedrag dient vervolgens het percentage van 36,01 te worden toegepast, waarna vermeerdering met 3,30% algemene salarisverhoging dient plaats te vinden om aldus de aanspraak van eiser per

1 januari 2009 te kunnen berekenen. De rechtbank gaat er van uit dat aldus tot een andere uitkomst wordt gekomen dan die in het bestreden besluit van 7 juni 2010 thans voorligt. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank niet aan om eiser, nu partijen wel hebben besloten tot rechtstreeks beroep, een herberekening te onthouden waartoe de rechtbank geen faciliteiten heeft. Het is derhalve aan verweerder om tot een herberekening in vorenbedoelde zin over te gaan.

De rechtbank acht het standpunt van verweerder dat de toelagen ORT en VIT niet worden betrokken in de berekeningsbasis voor de jaarlijkse algemene salarisverhoging juist.

Uit de door verweerder overgelegde berekeningen van eisers aanspraken blijkt niet dat ten onrechte rekening is gehouden met werkgeversbijdragen Zvw die in werkelijkheid door de betrokken uitkeringsinstanties niet aan hem zijn toegekend. Uit de door eiser overgelegde uitkeringsspecificaties blijkt dat het UWV hem over 2009 en 2010 maandelijks een werkgeversbijdrage Zvw ter hoogte van de inhouding Zvw heeft toegekend. Het ABP heeft een dergelijke werkgeversbijdrage niet toegekend. Niet is gebleken dat verweerder van een andere situatie is uitgegaan. Het gaat hier overigens om wettelijke verplichtingen op grond van de Zorgverzekeringswet.

9. Gelet op de voorgaande overwegingen moet het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 juni 2010 en de daaraan ten grondslag gelegde berekeningen, gegrond worden verklaard. De restschuld van eiser per 1 januari 2009 is niet juist vastgesteld en ten aanzien van de juistheid van de berekeningsgrondslag heeft eiser een begin van twijfel gewekt, zodat verweerder een herberekening dient uit te voeren met € 3.508,19 als berekeningsgrondslag.

10. Aangezien eiser zich niet van beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft voorzien en van andere kosten niet is gebleken, bestaat geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten in dit beroep.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

Verklaart het beroep, voor zover dat betrekking heeft op verweerders besluit van 16 april 2010, niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep, voor zover dat betrekking heeft op verweerders besluit van 7 juni 2010, gegrond;

Vernietigt het laatstgenoemde besluit;

Draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Sentrop, rechter, in aanwezigheid van

P.J.S. de Jong, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.