Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5201

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
AWB 11 - 13451
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

: Richtlijn 2004/38, artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het plaatsen van de verblijfssticker geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat geen sprake is van een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw, omdat de plaatsing van deze sticker niet gericht is op rechtsgevolg, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2008, bestaat er geen grond om aan te nemen dat vereist is dat sprake is van een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg, aldus de Afdeling.

Met betrekking tot de rechten die burgers van de Unie en hun familieleden kunnen ontlenen aan Richtlijn 2004/38 is sprake van een declaratoir stelsel. Het uit dit artikel voortvloeiende recht om een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen is niet afhankelijk van de afgifte van een verblijfsdocument. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van verweerder dat de onderhavige situatie analoog is aan de situatie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw, waarbij het verrichten van arbeid in afwachting van de beslissing op de aanvraag niet is toegestaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval sprake van een rechtens relevante handeling, nu het gaat om het verstrekken van een verklaring van rechtmatig verblijf met de aantekening dat arbeid niet is toegestaan. Een dergelijke aantekening zou eiseres in de uitoefening van haar rechten, voor zover

De rechtbank volgt evenmin het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw, omdat er een andere rechtsgang voorhanden is, waarin bezwaar gemaakt kan worden tegen het plaatsen van de verblijfssticker, namelijk in de bodemprocedure ten aanzien van haar aanvraag om toetsing aan het unierecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De beslissing op het verzoek om toetsing ziet op de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als familielid van een Unieburger. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is het unierecht nimmer op eiseres van toepassing geweest. Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, volgt uit het declaratoire stelsel dat eiseres vanaf binnenkomst als familielid van een Unieburger dient te worden aangemerkt met alle daarbij behorende rechten, zoals het recht om een activiteit als werknemer of zelfstandige te mogen uitoefenen. Indien verweerder tot de conclusie komt dat eiseres vanaf binnenkomst als familielid van een Unieburger dient te worden aangemerkt, met alle daarbij behorende rechten, rest eiseres enkel het opstarten van een schadeprocedure, die afzonderlijk van de bodemprocedure zal moeten worden gevoerd, nu de door eiseres geleden schade niet voortvloeit uit het door verweerder genomen besluit op haar verzoek om toetsing aan het unierecht. In die beslissing is geen plaats meer voor een beoordeling van de plaatsing van de verblijfssticker. De rechtbank ziet dan ook niet in dat de door verweerder voorgestelde bodemprocedure een adequate rechtsgang betreft. De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande, dat het plaatsen van een verblijfssticker in het paspoort van eiseres is aan te merken als een met een beschikking gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan, waartegen eiseres rechtsmiddelen kan aanwenden.

Verweerder heeft derhalve het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11 / 13451

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 november 2011

in de zaak van:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Vietnamese nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. S. Singh, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 18 augustus 2010 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als familielid van een Unieburger blijkt.

1.2 Op 18 augustus 2010 is in het paspoort van eiseres een verblijfssticker geplaatst door verweerder met de aantekening “arbeid niet vrij toegestaan”. Eiseres heeft hiertegen op 24 augustus 2010 bezwaar gemaakt. Eiseres heeft op 27 augustus 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, die er op ziet verweerder te gebieden op de in haar paspoort aangebrachte verblijfssticker de arbeidsmarktaantekening “arbeid is vrij toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is daarvoor niet vereist” te plaatsen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 15 februari 2011 (kenmerk: AWB 10 / 30126) is het verzoek afgewezen. Bij besluit van 21 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van 24 augustus 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 13 september 2011 Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. De plaatsing van een verblijfssticker met arbeidsmarktaantekening valt niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, noch als feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw. De verlening van de sticker beoogt namelijk niet om enige wijziging in de rechtspositie van de vreemdeling aan te brengen en is dus niet gericht op rechtsgevolg, maar geeft enkel de feitelijke rechtssituatie van de vreemdeling weer tijdens de fase hangende zijn aanvraag. Die feitelijke rechtssituatie bestaat hierin dat door de indiening van een aanvraag om een verblijfsvergunning, de vreemdeling regulier verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw en niet op grond van artikel 8, aanhef en onder e, Vw. Dat een vreemdeling tijdens de fase van de aanvraag geen recht heeft op de arbeidsmarktaantekening “arbeid vrij toegestaan” vloeit rechtstreeks voort uit de Wav. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraak van 3 december 2008 (200803104/1, LJN BG5956, r.o. 5.3.2) overwogen dat artikel 72, derde lid, Vw bedoeld is om te voorkomen dat een vreemdeling bij een vreemdelingenrechter geen rechtsgang heeft bij rechtens relevante handelingen. Hieraan is voldaan, omdat een vreemdeling in de bodemprocedure de verleende verblijfssticker en arbeidsmarktaantekening aan de orde kan stellen. Het bezwaar is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

2.2 Eiseres heeft daar tegen aangevoerd dat het plaatsen van de verblijfssticker gezien kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, in die zin dat er sprake is van een met een met een beschikking gelijk te stellen handeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2011 (AWB 10/30126).

2.3 In artikel 1:3, eerste lid, Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke handeling van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.4 Ingevolge artikel 72, derde lid, Vw wordt voor de toepassing van Afdeling 2 van Hoofdstuk 7 (Rechtsmiddelen) van de Vw met een beschikking gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van de vreemdeling als zodanig.

2.5 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 72, derde lid, Vw, kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van de vreemdeling in het kader van de Vw 2000 bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter, in het bijzonder de vreemdelingenrechter. Dit doel wordt gediend doordat voor de vreemdeling niet alleen beroep openstaat tegen hem als zodanig door een bestuursorgaan gegeven beschikkingen, maar ook op grond van artikel 72, derde lid, Vw tegen door een bestuursorgaan jegens hem als zodanig verrichte rechtens relevante handelingen. Aldus bevat de Vw 2000 een stelsel van rechtsbescherming dat beoogt te verzekeren dat de vreemdeling de rechtmatigheid van zulke beschikkingen en handelingen aan de onafhankelijke rechter in een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang ter beoordeling kan voorleggen.

2.6 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het plaatsen van de verblijfssticker geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat geen sprake is van een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw, omdat de plaatsing van deze sticker niet gericht is op rechtsgevolg, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank niet. Onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 3 december 2008, bestaat er geen grond om aan te nemen dat vereist is dat sprake is van een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg, aldus de Afdeling.

2.7 Op grond van artikel 23, eerste lid, van de richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (richtlijn 2004/38) hebben de familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten, ongeacht hun nationaliteit het recht aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen.

2.8 Met betrekking tot de rechten die burgers van de Unie en hun familieleden kunnen ontlenen aan Richtlijn 2004/38 is sprake van een declaratoir stelsel. Het uit dit artikel voortvloeiende recht om een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen is niet afhankelijk van de afgifte van een verblijfsdocument. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van verweerder dat de onderhavige situatie analoog is aan de situatie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw, waarbij het verrichten van arbeid in afwachting van de beslissing op de aanvraag niet is toegestaan.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval sprake van een rechtens relevante handeling, nu het gaat om het verstrekken van een verklaring van rechtmatig verblijf met de aantekening dat arbeid niet is toegestaan. Een dergelijke aantekening zou eiseres in de uitoefening van haar rechten, voor zover deze uit het unierecht zouden voortvloeien, kunnen belemmeren.

2.10 De rechtbank volgt evenmin het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw, omdat er een andere rechtsgang voorhanden is, waarin bezwaar gemaakt kan worden tegen het plaatsen van de verblijfssticker, namelijk in de bodemprocedure ten aanzien van haar aanvraag om toetsing aan het unierecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.11 De beslissing op het verzoek om toetsing ziet op de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als familielid van een Unieburger. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is het unierecht nimmer op eiseres van toepassing geweest. Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, volgt uit het declaratoire stelsel dat eiseres vanaf binnenkomst als familielid van een Unieburger dient te worden aangemerkt met alle daarbij behorende rechten, zoals het recht om een activiteit als werknemer of zelfstandige te mogen uitoefenen. Indien verweerder tot de conclusie komt dat eiseres vanaf binnenkomst als familielid van een Unieburger dient te worden aangemerkt, met alle daarbij behorende rechten, rest eiseres enkel het opstarten van een schadeprocedure, die afzonderlijk van de bodemprocedure zal moeten worden gevoerd, nu de door eiseres geleden schade niet voortvloeit uit het door verweerder genomen besluit op haar verzoek om toetsing aan het unierecht. In die beslissing is geen plaats meer voor een beoordeling van de plaatsing van de verblijfssticker. De rechtbank ziet dan ook niet in dat de door verweerder voorgestelde bodemprocedure een adequate rechtsgang betreft. De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande, dat het plaatsen van een verblijfssticker in het paspoort van eiseres is aan te merken als een met een beschikking gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan, waartegen eiseres rechtsmiddelen kan aanwenden.

2.12 Verweerder heeft derhalve het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.13 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.14 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.15 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 21 maart 2011;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 24 augustus 2010 met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiseres;

3.5 draagt verweerder op € 152,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.