Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5192

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
11/35131 (verzoek) 11/35130 (beroep)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van identiteitsdocumenten hem niet kan worden toegerekend. Verweerder heeft zich immers op het standpunt gesteld dat het asielrelaas in zijn geheel niet geloofwaardig is bevonden en dat ‘derhalve’ óók het bestaan van een acute vluchtsituatie niet aannemelijk wordt geacht. Daarmee wordt echter de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas als zodanig ten grondslag gelegd aan het oordeel over de toerekenbaarheid van het ontbreken van identiteitsdocumenten. Ook overigens heeft verweerder de geloofwaardigheid van het bestaan van een acute vluchtsituatie niet kenbaar, los van de andere aan het oordeel over het asielrelaas ten grondslag gelegde omstandigheden, beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 11/35131 (verzoek)

AWB 11/35130 (beroep)

Datum uitspraak: 18 november 2011

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam verzoeker]

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Afghaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. N.A.P. Heesterbeek,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 21 oktober 2011 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Den Bosch. Verzoeker heeft daartegen op 31 oktober 2011 beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 31 oktober 2011 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 november 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N. Hamzaoui.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

4. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat hij in Afghanistan een relatie heeft gekregen met een meisje dat uitgehuwelijkt was aan een oudere man. Zij heeft hem verzocht een huwelijksaanzoek te doen maar dat werd door haar ouders afgewezen. Daarop vertelde [naam meisje] haar ouders dat zij zwanger was van verzoeker. Zij werd daarop vastgezet omdat haar familie eerst verzoeker wilde pakken maar na drie dagen is zij ontsnapt en is zij met verzoeker naar Iran vertrokken alwaar ze zes jaar hebben verbleven. Toen is verzoeker naar Nederland gereisd.

5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat verzoeker geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit heeft overgelegd, en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken daarvan hem niet zou kunnen worden toegerekend. Vervolgens gaat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uit. Ook overigens heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

6. Hiermee kan verzoeker zich niet verenigen. Op hetgeen hij in dat verband naar voren heeft gebracht wordt, voor zover van belang, in het navolgende ingegaan.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde omstandigheden betrokken.

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij de beoordeling van de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

9. Verweerder heeft in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen dat verzoeker toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit. Daartoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van een identiteitsdocument verzoeker wordt tegengeworpen omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een acute vluchtsituatie zat, zodat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze documenten niet kon meenemen.

10. Verzoeker heeft betoogd dat sprake is van een cirkelredenering omdat de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt betrokken in de motivering van de tegenwerping van ontbreken van een identiteits- of nationaliteitsdocument.

11. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2004 (JV 2004, 447), waarnaar door verweerder ter zitting ook is verwezen, volgt dat verweerder het oordeel over de toerekenbaarheid van het ontbreken van een document kan baseren op de aannemelijkheid van de verklaring voor het ontbreken daarvan. Dat de motivering van dit standpunt in een besluit is opgenomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maakt niet dat sprake is van een cirkelredenering indien het oordeel van verweerder over de geloofwaardigheid van de reden voor het ontbreken van het document los van de andere aan het oordeel over het asielrelaas ten grondslag gelegde omstandigheden is gemotiveerd. In dat geval is de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas als zodanig niet ten grondslag gelegd aan het oordeel over de toerekenbaarheid van het ontbreken van het document. Dat dezelfde verklaringen zowel aan het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, als aan het oordeel over het asielrelaas ten grondslag worden gelegd, maakt dat niet anders

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in de bestreden beschikking heeft overwogen dat het asielrelaas in zijn geheel niet geloofwaardig is bevonden. “Derhalve wordt het moment waarop verzoeker is vertrokken uit zijn huis ook niet aannemelijk geacht en kunnen de verklaringen van verzoeker ten aanzien van het ontbreken van een identiteits- of nationaliteitsdocument evenmin gevolgd worden”.

Hieruit kan niet worden afgeleid dat verweerder de geloofwaardigheid van het bestaan van een acute vluchtsituatie, los van de andere aan het oordeel over het asielrelaas ten grondslag gelegde omstandigheden, heeft beoordeeld. Verweerder heeft zich immers op het standpunt gesteld dat het asielrelaas in zijn geheel niet geloofwaardig is bevonden en dat ‘derhalve’ óók het moment waarop verzoeker is vertrokken uit zijn huis (en naar de voorzieningenrechter begrijpt het op dat moment bestaan van een acute vluchtsituatie) niet aannemelijk wordt geacht. Daarmee wordt echter de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas als zodanig ten grondslag gelegd aan het oordeel over de toerekenbaarheid van het ontbreken van identiteitsdocumenten.

Ook overigens wordt in de beschikking noch in het daarin ingelaste voornemen, kenbaar gemotiveerd waarom specifiek het bestaan van die acute vluchtsituatie niet aannemelijk gemaakt wordt geacht.

13. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van identiteitsdocumenten hem niet kan worden toegerekend. Nu verweerder het standpunt dat zich de omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 voordoet, ook overigens niet heeft onderbouwd, is onvoldoende gemotiveerd waarom deze omstandigheid bij de beoordeling van de aanvraag is betrokken. Dit maakt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht is gehanteerd. Hetgeen verder door verzoeker is aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking meer.

14. Derhalve is het beroep gegrond. Gelet hierop dient het verzoek te worden afgewezen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1.311 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de voorzieningenrechter niet gebleken.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 31 oktober 2011;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 1.311;

wijst het verzoek een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H.J. Baarsma-Reuchlin, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011.

Rechtsmiddel:

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.