Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5189

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
374805 / FA RK 10-7047 tussenbeschikking
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oorspronkelijk gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek met ouderschapsplan / kinderconvenant. Het kinderconvenant is gesloten na mediation in het kader van een door de vader gestarte teruggeleidingsprocedure. De moeder had de minderjarige zonder toestemming van de vader meegenomen naar Nederland. Het kinderconvenant houdt kort gezegd in: een afwisselend verblijf bij de vader in de Verenigde Staten van Amerika en de moeder in Nederland, tot de schoolgaande leeftijd een wisseling elke drie maanden en vanaf de schoolgaande leeftijd een wisseling elk jaar waarbij elke vakantie bij de andere ouder wordt doorgebracht. De rechtbank heeft de behandeling van het gemeenschappelijk verzoekschrift naar de zitting verwezen in verband met vragen over dit kinderconvenant. In de tussenbeschikking heeft de rechtbank overwogen er vooralsnog niet van overtuigd te zijn dat de door partijen overeengekomen zorgregeling in het belang van de minderjarige is. Er is vervolgens een bijzonder curator benoemd. In de eindbeschikking heeft de rechtbank beslist aan de hand van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de vader, van de moeder en van de minderjarige, waarbij de belangen van de minderjarige voor de rechtbank de eerste overweging zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de huidige regeling niet kan worden gehandhaafd en dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij een van de ouders dient te worden vastgesteld (hetgeen inmiddels ook het standpunt is van beide ouders). Beide ouders zijn in staat de minderjarige een goede verzorging en opvoeding te bieden en de minderjarige heeft met beide ouders een goede band. De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader in de Verenigde Staten van Amerika dient te zijn. De doorslaggevende argumenten daarvoor zijn: hij wordt - meer dan de moeder - in staat geacht het contact tussen de minderjarige en de andere ouder te waarborgen. Hij heeft tot nu toe bij zijn handelingen en beslissingen steeds het belang van de minderjarige voorop gesteld, hetgeen de moeder niet in die mate heeft gedaan. De opstelling van de moeder richting de vader voor wat betreft zaken rondom de minderjarige is minder faciliterend geweest. Bovendien is de financiële positie van de moeder kwetsbaarder dan die van de vader.

voor eindebeschikking zie: LJN BU5186

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2012/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-7047

Zaaknummer: 374805

Datum beschikking: 27 april 2011

Scheiding, verdeling, gezagsuitoefening, benoeming bijzonder curator

Beschikking op het op 1 september 2010 ingekomen gemeenschappelijk verzoekschrift van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats A] (Verenigde Staten van Amerika),

advocaat: mr. S.L.A. Verburgt te 's-Gravenhage,

en

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats B],

advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

- het gemeenschappelijk verzoekschrift;

- de brief van 13 september 2010, met bijlage, van de zijde van de man.

- de brief van 18 februari 2011, van de zijde van de vrouw.

De rechtbank heeft aanleiding gezien de behandeling van het gemeenschappelijk ver-zoekschrift naar de zitting te verwijzen in verband met vragen over het tussen partijen gesloten kinderconvenant.

Vervolgens zijn de volgende stukken ingekomen:

- het gewijzigd verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 22 februari 2011;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek;

- het faxbericht van 25 februari 2011 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht van 25 februari 2011 van de zijde van de man.

Op 1 maart 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de man, de vrouw en de advocaat van de vrouw.

Na de zitting zijn ingekomen:

- het faxbericht van 14 maart 2011 van de zijde van de man, met bijlagen;

- de brief d.d. 12 april 2011 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 21 april 2011 van de zijde van de man.

Verzoeken

Bij voormeld verzoek van 1 september 2010 hebben de man en de vrouw gemeenschap-pelijk verzocht om echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Bij gewijzigd verzoek van 21 februari 2011 heeft de man gepersisteerd bij het gemeen-schappelijk verzoek tot echtscheiding en heeft hij voorts eenzijdig verzocht om:

- verwijzing naar een forensisch mediator, althans gelasting van een ouderschapsonderzoek;

- bepaling dat de man en de vrouw ieder de helft van de reiskostenregeling, verband houdende met de zorgregeling, dienen te dragen;

- afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen conform het voorstel van de man;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het door de man zelfstandig verzochte. Zij heeft verzocht de door de man eenzijdig verzochte nevenvoorzieningen af te wijzen en heeft harerzijds een voorstel tot verdeling gedaan.

Feiten

- De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 2004 te [plaats huwelijk] (Verenigde Staten van Amerika), zonder dat zij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Bij gelegenheid van de huwelijkssluiting hebben zij over en weer elkaars geslachtsnaam aangenomen.

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige A], geboren op [geboortedatum minderjarige A] 2005 te [geboorteplaats minderjarige A] (Verenigde Staten van Amerika); zij heeft de Nederlandse en de Amerikaanse nationaliteit. De man heeft de Amerikaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.

- Voorafgaand aan dit huwelijk had de vrouw een affectieve relatie met de heer [partner van de vrouw]. Uit deze relatie is op [geboortedatum minderjarige B] 2002 geboren [de minderjarige B], die door de heer [partner van de vrouw] is erkend.

- Op [datum A] 2007 is de vrouw met [de minderjarige B] en [de minderjarige A] naar Nederland gereisd.

- De vrouw heeft op 25 juli 2007 buiten medeweten van de man bij de rechtbank Rotterdam een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt.

- De vrouw heeft op 14 augustus 2007 aan de man medegedeeld dat zij van hem wenste te scheiden en dat zij niet van plan was met [de minderjarige B] en [de minderjarige A] naar [woonplaats A] terug te keren.

- De man heeft op 15 augustus 2007 op de voet van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 een verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige A] naar Amerika ingediend bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

- In het kader van de teruggeleidingsprocedure hebben mediationgesprekken plaatsgevonden tussen de man en de vrouw bij mevrouw drs. M. Holleman, orthopeda- goog en mediator NMI, welke hebben geleid tot een minnelijke regeling die is neergelegd in het kinderconvenant d.d. 19 september 2007. Dit kinderconvenant bevat onder meer de volgende bepalingen:

"(...)

Artikel 2. De zorgregeling

2.1 [de minderjarige A] zal afwisselend drie maanden bij haar vader wonen, thans in [woonplaats A], en aansluitend drie maanden bij haar moeder, thans in Nederland woonachtig, daarna weer drie maanden bij haar vader, dan weer drie maanden bij baar moeder etc.

2.2 Contact tussen de ouder, waar [de minderjarige A] op dat moment niet verblijft, en [de minderjarige A] zal plaatsvinden middels gebruikelijke communicatiemiddelen zoals telefoon (skype), MSN, installeren van een webcam door beide ouders, enz. (...)

2.3 De in artikel 2.1 genoemde regeling zal op korte termijn ingaan op een nader door partijen vast te stellen datum en zal duren tot [de minderjarige A] leerplichtig is, derhalve tot zij de leeftijd van 5 jaar heeft bereikt op [geboortedatum minderjarige A] 2010. (...)

2.5 Partijen zullen in januari 2010 in overleg bezien waar [de minderjarige A] school zal bezoeken. Komen zij daar in onderling overleg of door tussenkomst van een mediator niet uit, komen zij nu reeds voor alsdan de navolgende regeling overeen. [de minderjarige A] zal alsdan de internationale school bezoeken, het ene schooljaar bij de vader (thans in [woonplaats A] / USA), het andere schooljaar bij de moeder (thans in [woonplaats C] / Nederland). Zodoende is gewaarborgd dat de jaarlijkse wisseling van school van [de minderjarige A] geen onderbreking van haar schoolsysteem betekent.

2.6 Gedurende het schooljaar zal [de minderjarige A] bij de andere ouder verblijven in reguliere schoolvakanties. De zomer- en de kerstvakanties worden gedeeld. [de minderjarige A] verblijft de helft van de vakantietijd bij haar vader en de helft van de vakantietijd bij haar moeder (...)

2.7 Partijen beogen met bovenstaande regeling beide ouders een groot aandeel te hebben in de verzorging en opvoeding van hun dochter, in die zin dat zij kan opgroeien in de aanwezigheid van zowel haar vader als haar moeder, ondanks het feit dat haar ouders niet in hetzelfde land wonen. Partijen achten dit uitdrukkelijk in het belang van hun dochter. (...)

2.9 De aan de voormelde regeling verbonden kosten, te weten de vliegtickets van [de minderjarige A] en begeleider, zomede de noodzakelijke reis- en verblijfskosten, zullen door de vader worden betaald indien en zo lang zijn inkomen daarvoor ruimte biedt. Zodra de moeder in de gelegenheid is aan die kosten haar steentje bij te dragen, zal zij dit aan de man melden en zullen partijen in onderling overleg hernieuwde afspraken maken over de kosten verbonden aan de uitvoering van de zorgregeling. (...)

- Artikel 8. Kinderalimentatie

8.1 Partijen zullen de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige A] nog nader regelen tezamen met de overige gevolgen van de scheiding, bij voorkeur door tussenkomst van de mediator. (...)"

- In de door de vrouw op 25 juli 2007 bij de rechtbank Rotterdam aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure is op [datum echtscheidingsbeschikking] 2007 de echtscheiding tussen de man en de vrouw is uitgesproken. De echtscheiding is op [datum inschrijving echtscheiding] 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Deze inschrijving is vervolgens op last van deze rechtbank op [datum doorhaling inschrijving] 2009 doorgehaald. De reden daarvoor was dat de echtscheidingsbeschikking niet conform de vereisten van artikel 55 Rv was betekend, zodat geen sprake was van een rechtsgeldige betekening aan de man. Derhalve was de echtscheidingsbeschikking niet in kracht van gewijsde gegaan en was deze ten onrechte ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

- De vrouw heeft haar relatie met de heer [partner van de vrouw] in 2009 weer opgepakt. Zij woont in [woonplaats B] samen met hem en hun zoon [de minderjarige B]. Op 12 november 2009 is uit de hernieuwde relatie geboren [de minderjarige C], roepnaam [de minderjarige C], die door de heer [partner van de vrouw] is erkend. De man heeft een verzoekschrift tot ontkenning van het vaderschap van [de minderjarige C] ingediend bij de rechtbank Arnhem. De vrouw is thans in verwachting van haar vierde kind. De man is van plan ook met betrekking tot dit kind een verzoekschrift tot ontkenning van het vaderschap in te dienen.

- De man is nog steeds woonachtig in [woonplaats A].

- [de minderjarige A] heeft van januari tot en met maart 2008 bij de man gewoond. Van april tot en met juni 2008 heeft zij bij de vrouw gewoond. Van juli tot en met september 2008 heeft zij bij de man gewoond en van september tot en met december 2008 heeft zij bij de vrouw gewoond. De man heeft [de minderjarige A] op 5 januari 2009 uit Nederland opgehaald en sindsdien woont zij bij hem in [woonplaats A]. Vanaf september 2010 gaat [de minderjarige A] daar naar school.

Beoordeling

Echtscheiding

Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

Nu de man en de vrouw gezamenlijk een keuze voor Nederlands recht hebben gedaan, zal de rechtbank krachtens artikel 1, lid 4, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

De rechtbank heeft de behandeling van het gemeenschappelijk verzoekschrift naar de zitting verwezen in verband met vragen over het tussen de man en de vrouw gesloten kindercon-venant. Nu in ieder geval wel een kinderconvenant is opgesteld en genoegzaam gebleken is dat de man en de vrouw redelijkerwijs niet in staat zijn binnen bekwame tijd een regeling te treffen met betrekking tot de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige A] en de met de uitvoering van het kinderconvenant gemoeide reiskosten, kunnen zij worden ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

De man en de vrouw zijn - ondanks een eerdere echtscheidingsprocedure - nog steeds met elkaar gehuwd. Zij stellen dat hun huwelijk duurzaam ontwricht is, zodat dit vaststaat. Het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding is daarmee als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar.

De minderjarige

Krachtens art. 12 lid 1 van de EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, nu de man en de vrouw de ouderlijke verantwoordelijk-heid voor [de minderjarige A] dragen en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk en op ondubbelzinnige wijze door hen is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij deze rechtbank aanhangig werd gemaakt en door het belang van [de minderjarige A] wordt gerechtvaardigd.

De rechtbank zal, overeenkomstig de bepalingen van het Haags Kinderbeschermings-verdrag, Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Uitgangspunt is dat de man en de vrouw als ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige A], en dat het hen in beginsel vrij staat gezamenlijk in een kinderconvenant keuzes te maken in het belang van [de minderjarige A]. Dit laat evenwel onverlaat dat de rechtbank - in geval het gaat om door partijen (gemeenschappelijk) verzochte en door de rechtbank te treffen voorzieningen ten behoeve van een minderjarige - ambtshalve de belangen van de minderjarige in het oog moet houden. Tegen die achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

Op zichzelf is verheugend dat de man en de vrouw na voormelde, veelbewogen, voorge-schiedenis er met behulp van een mediator in zijn geslaagd een kinderconvenant te sluiten. Evenwel lijkt deze regeling vooral een "Salomonsoordeel" te bevatten. Kennelijk heeft geen van de ouders zich erbij kunnen neerleggen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige A] bij de ander zou worden bepaald. Dat van een dergelijk "Salomonsoordeel" sprake is, is ter zitting zowel door de advocaat van de man als door de vrouw onderschreven. Daarmee lijkt deze regeling eerder tegemoet te komen aan de belangen van de ouders, dan aan de belangen van [de minderjarige A]. De vrees bestaat dat deze regeling ertoe zal leiden dat [de minderjarige A] noch in [woonplaats A] noch in Nederland uiteindelijk goed zal kunnen aarden, hetgeen noodzakelijk is voor een goede, evenwichtige ontwikkeling. [de minderjarige A] lijkt als het ware elk jaar opnieuw te worden ontworteld. Bovendien zal [de minderjarige A] niet in [woonplaats A] en in Nederland op elkaar aansluitend internationaal onderwijs kunnen volgen. Zij mag in [woonplaats A] geen internationaal onderwijs volgen, zolang dat slechts om het jaar zal zijn. Zij zit daarom nu op een Amerikaanse school. Tot slot verloopt de uitvoering van het kinderconvenant niet soepel, zoals ook blijkt uit de door de man eenzijdig verzochte nevenvoorzieningen.

Dit alles brengt mee dat de rechtbank, ook bij een terughoudende opstelling, er vooralsnog niet van overtuigd is dat de in het kinderconvenant opgenomen regeling in het belang van [de minderjarige A] is. Er bestaat bovendien gegronde vrees dat de belangen van [de minderjarige A] strijdig zijn met de belangen van de ouders. Daarom zal op de voet van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek een bijzondere curator worden benoemd om haar ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

Aan de bijzonder curator wordt verzocht een verweerschrift in te dienen, waarin hij in gaat op de vraag welke regeling het meest in het belang van [de minderjarige A] is. Een regeling als thans door de man en de vrouw overeengekomen, bepaling van de hoofdverblijfplaats bij de man in [woonplaats A] met een (ruime) omgangsregeling met de vrouw, bepaling van de hoofdverblijfplaats bij de vrouw met een (ruime) omgangsregeling met de man, dan wel nog een andere andere regeling. De bijzonder curator zal alle omstandigheden van het geval in zijn beschouwing moeten betrekken en in het bijzonder: de wensen van [de minderjarige A], de leefomstandigheden en de ontplooiingsmogelijkheden van [de minderjarige A] bij de man respectievelijk bij de vrouw, haar band met beide ouders en de mogelijkheid om met hen beiden een goede band te behouden dan wel deze band verder te verdiepen.

De man en de vrouw zullen in de gelegenheid worden gesteld hierop schriftelijk te reageren en desgewenst hun verzoeken ter zake [de minderjarige A] nader aan te passen. Naar aanleiding van het verweerschrift van de bijzonder curator en de reacties daarop van de man en de vrouw zal de zaak verder ter zitting van de meervoudige kamer worden behandeld.

In het geval de bijzonder curator in zijn verweerschrift bepleit om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige A] bij de man te bepalen, gaat de rechtbank ervan uit de man en de vrouw met ingang van het schooljaar 2011-2012 zullen afzien van onverkorte naleving van het bepaalde in art. 2.5 van het kinderconvenant en dat zij aldus [de minderjarige A] voorlopig in Amerika naar school zullen laten gaan, vanzelfsprekend tot een eventueel andersluidende beslissing van de rechtbank.

De rechtbank ziet thans geen aanleiding de man en de vrouw te verwijzen naar forensische mediation. Een eerder gevolgd mediationtraject heeft tot voormeld kinderconvenant geleid. Bij de wenselijkheid van de daarin opgenomen regeling heeft de rechtbank zojuist vraagtekens zet. De man en de vrouw lijken vooralsnog niet in staat zonodig in het belang van [de minderjarige A] afstand te nemen van hun eerder ingenomen standpunt. De man, de vrouw èn [de minderjarige A] zijn daarom meer gebaat bij een weloverwogen beslissing van de rechtbank.

Het verzoek van de man inzake de reiskostenregeling vat de rechtbank op als een geschil in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Het is duidelijk dat deze regeling niet naar tevredenheid van de man en de vrouw verloopt. De rechtbank is thans onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Bovendien is niet ondenkbaar dat deze regeling naar aanleiding van het verweerschrift van de bijzonder curator en de reacties daarop van de man en de vrouw moet worden gewijzigd en dat er een mogelijk een door de een aan de ander te betalen onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige A] moet worden vastgesteld. Derhalve worden de man en de vrouw in de gelegenheid gesteld zich hieromtrent nader uit te laten en zal de beslissing op dit verzoek eveneens worden aangehouden.

Verdeling

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen.

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogens-regime toepasselijke recht hebben aangewezen. Krachtens artikel 4, tweede lid, onder 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het recht van de Staat [staat eerste gewone verblijfplaats], Verenigde Staten van Amerika, nu de echtgenoten daar hun eerste gewone verblijfplaats hebben gehad. Nu zij geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, geldt het wettelijke regime van de Staat [staat eerste gewone verblijfplaats]. Dit betekent dat er drie vermogens zijn: het voorhuwelijks vermogen van de man, het voorhuwelijks vermogen van de vrouw en het gemeenschappelijk huwelijksvermogen. Dit laatste vermogen komt volgens de in de Staat [staat eerste gewone verblijfplaats] geldende regels voor verdeling in aanmerking.

De man en de vrouw hebben hieromtrent ter zitting goeddeels overeenstemming bereikt. Zij hebben eensluidend verzocht een door hen te treffen onderlinge regeling in de beschikking op te nemen. Na de zitting is de ter zitting getroffen regeling in de, aan de rechtbank gerichte, correspondentie nader uitgewerkt. Deze regeling kan als op het recht van de Staat [staat eerste gewone verblijfplaats] gegrond in de beschikking worden opgenomen. Het terzake oorspronkelijk meer of anders verzochte wordt als ingetrokken beschouwd.

Slotsom

Dit alles leidt tot de navolgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen [de man] en [de vrouw] (in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen als: [de vrouw]), gehuwd op [datum huwelijk] 2004 te [plaats huwelijk] (Verenigde Staten van Amerika);

*

wijst af het verzoek van de man om de man en de vrouw te verwijzen naar een forensisch mediator, althans een ouderschapsonderzoek te gelasten;

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige:

mr. I.J. Pieters, advocaat te Leiden, Rijnsburgerweg 141;

bepaalt dat de bijzonder curator namens de minderjarige een verweerschrift zal indienen uiterlijk op 1 juli 2011;

bepaalt dat de man en de vrouw hierop schriftelijk kunnen reageren uiterlijk op 1 augustus 2011, en dat zij in hun reactie desgewenst tevens hun verzoeken ter zake [de minderjarige A] kunnen wijzigen/aanvullen en kunnen ingaan op het verzoek betreffende de reiskostenregeling van de man;

bepaalt dat, zo sprake is van gewijzigde verzoeken, de wederpartij daarop uiterlijk op 15 september 2011 schriftelijk zal kunnen reageren;

bepaalt dat de zaak - voor zover betrekking hebbend op [de minderjarige A] en op de reiskostenregeling - verder ter zitting van de meervoudige kamer zal worden behandeld, waarvoor de vader, de moeder en de bijzonder curator apart zullen worden opgeroepen, en houdt de zaak daartoe PRO FORMA aan tot 15 september 2011;

houdt iedere verdere beslissing inzake [de minderjarige A] en de reiskostenregeling aan;

*

bepaalt ter zake van de afwikkeling van het gemeenschappelijk huwelijksvermogen als volgt:

deelt het appartement aan de [adres A] te [woonplaats A], Verenigde Staten van Amerika, toe aan de man voor een waarde van $ 1.100.000,-, onder de gehoudenheid de daarop rustende hypotheek à $ 815.587,- voor zijn rekening te blijven nemen en de vrouw daarvoor te vrijwaren;

van de na aftrek van de hypotheek ($ 815.587,-), de kosten van mediation en taxatie (totaal $ 13.930,-), borg (à $ 4.200,-) en mogelijk verschuldigde overdrachtsbelasting resterende overwaarde komt 62% toe aan de vrouw en komt 38% toe aan de man;

de man zal het voormelde, aan de vrouw toekomende, deel van de overwaarde in vier jaarlijkse termijnen aan haar voldoen, waarvan iedere termijn verstrijkt per 31 december van het jaar; over het uitstaande bedrag zal de man aan de vrouw een recht van hypotheek verlenen tegen een hypotheekrente van 4% over het uitstaande bedrag per 31 december van ieder jaar;

deelt toe aan de vrouw haar goudkleurige cocktailjurk;

deelt toe aan de vrouw de Pantom Living Tower en bepaalt dat de vrouw de met de overbrenging naar Nederland gemoeide transportkosten voor haar rekening zal nemen;

deelt de overigens gedurende het huwelijk verkregen inboedel en juwelen toe aan de man;

bepaalt dat over de cocktailjurk, de Pantom Living Tower, de overige inboedel en juwelen tussen partijen geen nadere verrekening zal plaatsvinden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Alt-van Endt, J.M. Vink, en E.M.A. Vinken, bijgestaan door mr. I. Diephuis-Timmer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2011.