Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4981

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
83-134243-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft verdachte dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten wilde eenden, opzettelijk verontrust toen hij met zijn jonge jachthond aan het trainen was in het gebied Reeuwijkse Hout? Artikel 10 van de Flora en faunawet. EEG Vogelrichtlijn (Richtlijn van de Raad van 2 april 1979, 79/409/EEG). Wetsvoorstel 'Wet Natuur' en de daarbij behorende memorie van toelichting. In het onderhavige geval is geen sprake geweest van van verontrusten. Hiertoe is onvoldoende dat de wilde eenden zijn opgevlogen, zonder dat duidelijk is geworden dat zij daarna niet meer zijn teruggekeerd of anderszins sprake is geweest van een wezenlijke invloed op de instandhouding van de wilde eend als vogelsoort. Vrijspraak.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/9 met annotatie van L. Boerema
JOM 2012/151

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Economische politierechter

Parketnummer 83/134243-11

Datum uitspraak: 17 november 2011

Tegenspraak

(Promis)

De economische politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 november 2011.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.H. Vermeulen, advocaat te

's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

hij op 13 maart 2011, in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten wilde eenden (Anas platyrhynchos), opzettelijk heeft verontrust door op een in een recreatiegebied gelegen perceel grasland dat door een of meer sloten werd begrensd, een niet aangelijnde hond op commando (meermalen) naar de slootranden van de sloten waarin zich die eenden bevonden te laten rennen.

3. Bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. R.S. Mackor, heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 150 subsidiair 3 dagen hechtenis.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman - zakelijk samengevat - aangevoerd dat geen sprake is geweest van wilde eenden, voorts dat geen sprake is geweest van verontrusten nu die verontrusting niet van wezenlijke invloed is geweest en ten slotte dat verdachte niet het opzet heeft gehad op het verontrusten van die eenden, een en ander zoals opgenomen in de pleitnotities die de raadsman ter terechtzitting aan de economische politierechter heeft overgelegd.

3.3. De beoordeling van de tenlastelegging

De economische politierechter acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De economische politierechter overweegt daartoe het navolgende.

Verklaringen van de betrokkenen

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op zondag 13 maart 2011 met zijn (jonge) jachthond aan het trainen was in het gebied Reeuwijkse Hout. Verdachte heeft daartoe zijn hond aanwijzingen en commando's gegeven. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij daarbij geen eenden heeft zien opvliegen.

Verbalisant [verbalisant], buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de Groenservice Zuid-Holland en belast met het toezicht en de handhaving in het Recreatiegebied in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, heeft verklaard dat hij op 13 maart 2011 heeft gezien dat verdachte aldaar meerdere malen zwaaiende armbewegingen heeft gemaakt, zijnde commando's, in de richting van zijn onaangelijnde hond. De verbalisant heeft voorts verklaard dat hij heeft gezien dat de hond op deze commando's links en rechts over het perceel rende waarop wilde eenden uit de sloot opvlogen.

Waren het raszuivere wilde eenden?

Voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, dient de economische politierechter allereerst na te gaan of er sprake is van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten wilde eenden (Anas platyrhynchos). De verbalisant voornoemd is ter terechtzitting als getuige gehoord en heeft desgevraagd toegelicht dat hij vanuit zijn dienstvoertuig met een verrekijker op een afstand van circa zestig meter aan het volledig op kleur zijn van de eenden zonder verbasteringvlekken, heeft kunnen zien dat het wilde eenden betrof. Gelet op deze verklaring heeft de economische politierechter de overtuiging gekregen dat sprake was van wilde eenden. Wilde eenden behoren tot de beschermde inheemse diersoorten als bedoeld in de Flora- en faunawet.

Wat is verontrusten en is sprake geweest van verontrusten?

Vervolgens is de vraag aan de orde of er sprake is van 'verontrusten', als bedoeld in artikel 10 van de Flora en faunawet. Voor de uitleg van dit begrip zoekt de economische politierechter aansluiting bij de in de Flora- en faunawet geïmplementeerde EEG Vogelrichtlijn (Richtlijn van de Raad van 2 april 1979, 79/409/EEG).

De economische politierechter heeft daarnaast kennisgenomen van het wetsvoorstel 'Wet Natuur' en de daarbij behorende memorie van toelichting, zoals deze sinds 6 oktober 2011 ten behoeve van een internetconsultatie op de internetsite van de rijksoverheid zijn gepubliceerd.1 De raadsman en de officier van justitie hebben dit wetsvoorstel ter terechtzitting ter sprake gebracht.

Voornoemde memorie van toelichting vermeldt onder andere dat artikel 5 van de Vogelrichtlijn lidstaten verplicht de nodige maatregelen te nemen om een algemene regeling voor de bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten in te voeren. Deze bescherming dient met name de volgende verboden te omvatten: een verbod om vogels opzettelijk te doden of te vangen (onderdeel a), een verbod om vogels opzettelijk te storen, met name in de broedperiode (onderdeel d) en een verbod om - behoudens bepaalde uitzonderingen - vogels te houden (onderdeel e). Verstoringen zijn uitsluitend verboden als zij van wezenlijke negatieve invloed zijn op de staat van instandhouding van een soort in het licht van de doelstellingen van de richtlijn: het duurzaam in stand houden van de populaties van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten.2

Artikel 5 onder d van deze richtlijn luidt als volgt:

Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

[...]

d ) een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;

[...]

Op de beschermde inheemse soorten zijn thans de verboden van artikel 8 tot en met 11 van de Flora- en faunawet van toepassing. Daarbij zijn de verbodsbepalingen van artikel 5 van de Vogelrichtlijn en artikel 12 van de Habitatrichtlijn geïntegreerd tot één verbodenkader, waardoor de verboden in de Flora- en faunawet voor sommige soorten een bredere

toepassing hebben dan de richtlijnen vereisen. 3

Artikel 10 van de Flora- en faunawet luidt als volgt:

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Vergelijking van de tekst van artikel 10 van de Flora- en faunawet met de tekst van artikel 5, onder d, van de Vogelrichtlijn maakt duidelijk dat het opzettelijk verontrusten, ongeacht of daardoor sprake is van wezenlijke negatieve invloed op de staat van instandhouding van een soort, een strafbaar feit oplevert.

Uit de wetsgeschiedenis van de Flora- en faunawet kan worden afgeleid dat de wetgever heeft onderkend dat het begrip 'verontrusten' een ruimer bereik heeft dan het in de internationale regelgeving opgenomen 'verstoren'. Ter vergroting van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is het opzetvereiste opgenomen.4

In het wetsvoorstel is in het voorgestelde artikel 3.1.5 het volgende opgenomen

[...]

4. Het is verboden vogels opzettelijk te storen.

5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing

niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende

vogelsoort.

In de memorie van toelichting is vermeld dat de voorschriften, opgenomen in de voorgestelde artikelen 3.1 tot en met 3.9, direct en zonder aanvulling zijn overgenomen uit de hiervoor beschreven richtlijnen en verdragen. Ten opzichte van de situatie onder de Flora- en faunawet zijn er op deze wijze minder handelingen verboden. Voor de praktijk is met name van belang dat het voorgestelde strikte beschermingsregime alleen van toepassing zal zijn op schadelijke activiteiten die met opzet plaatsvinden. Tevens is niet meer elke verstoring van een vogel verboden, maar enkel verstoringen die van wezenlijke invloed zijn op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.6

De economische politierechter leidt uit het vorenstaande af dat het begrip verontrusten, zoals dat thans in de Flora- en faunawet is opgenomen, in het wetsvoorstel niet is opgenomen. Het begrip valt onder het begrip verstoren. De wetgever beoogt daarmee een nauwe aansluiting bij de internationale regelgeving en komt daarmee terug op een in de Flora- en faunawet gemaakt verschil tussen verstoren en verontrusten.

De economische politierechter betrekt de voornoemde zienswijze van de wetgever bij de beoordeling van de voorliggende strafzaak. Daarvoor bestaat met name aanleiding nu de wetgever heel expliciet heeft aangegeven een nauwe aansluiting te beogen bij de sinds 1979 bestaande Vogelrichtlijn.

Het voorgaande leidt naar het oordeel van de economische politierechter tot de conclusie dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van verontrusten. Hiertoe is immers onvoldoende dat de wilde eenden zijn opgevlogen, zonder dat duidelijk is geworden dat zij daarna niet meer zijn teruggekeerd of anderszins sprake is geweest van een wezenlijke invloed op de instandhouding van de wilde eend als vogelsoort.

De economische politierechter zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

Gelet hierop behoeft het overige verweer van de verdediging geen bespreking.

4. Beslissing

De economische politierechter,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de economische politierechter in deze rechtbank van 17 november 2011.

1 http://internetconsultatie.nl/wetnatuur

2 Regels over de bescherming van de natuur (Wet natuur) memorie van toelichting, p. (http://www.internetconsultatie.nl/wetnatuur), p. 134.

3 Regels over de bescherming van de natuur (Wet natuur) memorie van toelichting, p. (http://www.internetconsultatie.nl/wetnatuur), p. 144.

4 Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 23 147, nr. 7, p. 46.

5 Regels over de bescherming van de natuur (Wet natuur)/ontwerp wetsvoorstel natuur 0.2

6 Regels over de bescherming van de natuur (Wet natuur) Memorie van toelichting, p. (http://www.internetconsultatie.nl/wetnatuur), p. 152.