Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4872

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/14404 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het advies van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 11 januari 2011 kunnen baseren. Daartoe overweegt de rechtbank dat geheel inzichtelijk is welke criteria bij de totstandkoming zijn gehanteerd. Uit de toelichting blijkt immers dat is getoetst of behoefte bestaat aan de producten of diensten van de onderneming van eiser, dat is bezien of een analyse is gemaakt ten aanzien van de effecten van toetreding van de onderneming van eiser op de bestaande markt- en concurrentieverhoudingen, alsmede dat is getoetst of de onderneming van eiser levensvatbaar is. Eisers stelling dat het advies wegens gebrekkige inzichtelijkheid door verweerder niet gevolgd had mogen worden, volgt de rechtbank dan ook niet. Daarbij laat de rechtbank de stelling van eiser dat het niet zo kan zijn dat de gehanteerde criteria niet nader zijn ingevuld met (sub-)criteria daar, nu eiser, in het licht van de betwisting van verweerders standpunt, voor het bestaan van dergelijke (sub-)criteria geen enkel aanknopingspunt heeft aangereikt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de door hem beoogde activiteiten als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 9 van de Associatieovereenkomst verwijst de rechtbank in dit kader naar de uitspraak van de AbRS van 15 maart 2011, LJN BP8383, en is van oordeel dat de door de gemachtigde van eiser ter zitting gegeven uitleg aan artikel 9 van de Associatieovereenkomst niet juist is. Hoorplicht geschonden. Beroep gegrond in standlaten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/14404 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[A], eiser, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. E. Köse),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. J.N. Mons).

Procesverloop

Eiser is geboren op [datum] 1985 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij brief van 24 juni 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) onder de beperking: "het verrichten van arbeid als zelfstandige bij V.O.F. [B] Vleeshandel".

Op deze aanvraag is door verweerder op 19 januari 2010 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 26 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, van 16 december 2010 (AWB 10/7625) is het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Op 30 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij brief van 26 april 2011 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare meervoudige behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 juli 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig, M. Odabas, tolk in de Turkse taal.

Overwegingen

1 Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, omdat met de aanwezigheid van eiser in Nederland voor het (gaan) verrichten van arbeid als zelfstandige geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op een advies van 11 januari 2011 van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (het advies). Voorts beschikt eiser niet over een geldige mvv, die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Verweerder heeft ten slotte gesteld dat toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang niet in strijd is met artikel 9 van de Associatieovereenkomst.

2 Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het advies van 11 januari 2011 heeft gebaseerd, nu dit rapport ter zake van de gehanteerde criteria niet inzichtelijk is. Aldus is sprake van een motiveringsgebrek. Dit klemt te meer nu daardoor niet is vast te stellen of het bestreden besluit in strijd is met de zogenoemde standstill-bepaling, die is neergelegd in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (Aanvullend Protocol). Voorts heeft verweerder hem ten onrechte en in strijd met de voornoemde standstill-bepaling tegengeworpen dat hij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser heeft tevens betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met het non-discriminatiebeginsel, als bedoeld in artikel 9 van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (de Associatieovereenkomst). Tot slot heeft verweerder volgens eiser hem ten onrechte niet op zijn bezwaren gehoord.

3 Juridisch kader

Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (de Gemeenschap) en de Republiek Turkije, namens die Gemeenschap gesloten. De overeenkomst is goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217).

Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol ondertekend en namens de Gemeenschap gesloten. Het is goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293).

Voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden is het protocol op 1 januari 1973 in werking getreden.

Ingevolge artikel 9 van de Associatieovereenkomst erkennen de overeenkomstsluitende partijen dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap (thans artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) vermelde beginsel.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (de standstill-bepaling).

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Het beleid met betrekking tot de toetsing van het wezenlijk Nederlands belang van Turkse zelfstandigen is neergelegd in deel B, hoofdstuk 5, paragrafen 7.3.1 en 7.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Volgens paragraaf B5/7.3.1 van de Vc 2000 geeft de minister van Economische Zaken in het kader van de toelating een advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst over de 'wezenlijke bijdrage' van de vreemdeling voor het land.

Volgens paragraaf B5/7.3.2 zullen de adviezen ten aanzien van aanvragen om verblijf van Turkse vreemdelingen worden gebaseerd op de feitelijke situatie: de op het moment van de aanvraag bestaande de werkgelegenheidseffecten en de (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van

11 maart 2004 (LJN AO8112) volgt dat op 1 januari 1973 een wezenlijk Nederlands belang aanwezig werd geacht, indien met de beoogde bedrijfsactiviteiten in een behoefte werd voorzien en deze activiteiten geen negatieve invloed hadden op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

4.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder het toetsingskader heeft gehanteerd zoals weergegeven in de aangehaalde uitspraak van de AbRS van 11 maar 2004 en neergelegd in paragraaf B5/7.3.2 van de Vc 2000.

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit kader op het advies van 11 januari 2011 kunnen baseren. Daartoe overweegt de rechtbank dat geheel inzichtelijk is welke criteria bij de totstandkoming zijn gehanteerd. Uit de toelichting blijkt immers dat is getoetst of behoefte bestaat aan de producten of diensten van de onderneming van eiser, dat is bezien of een analyse is gemaakt ten aanzien van de effecten van toetreding van de onderneming van eiser op de bestaande markt- en concurrentieverhoudingen, alsmede dat is getoetst of de onderneming van eiser levensvatbaar is. Eisers stelling dat het advies wegens gebrekkige inzichtelijkheid door verweerder niet gevolgd had mogen worden, volgt de rechtbank dan ook niet.

4.3 Daarbij laat de rechtbank de stelling van eiser dat het niet zo kan zijn dat de gehanteerde criteria niet nader zijn ingevuld met (sub-)criteria daar, nu eiser, in het licht van de betwisting van verweerders standpunt, voor het bestaan van dergelijke (sub-)criteria geen enkel aanknopingspunt heeft aangereikt.

4.4 Ook overigens zijn de in het advies gehanteerde criteria geheel in lijn met het toetsingskader dat door verweerder met inachtneming van de standstill-bepaling dient te worden gevolgd. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af de stelling van eiser dat het advies ten aanzien van het gestelde ontbreken van blijken dat de onderneming van eiser levensvatbaar zou zijn, feitelijk onjuist is, nu eiser in de afgelopen twee jaar met de inkomsten uit zijn onderneming in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Immers, wat hiervan zij, hiermee is niet aangetoond dat de onderneming van eiser in een behoefte voorziet en dat de bedrijfsactiviteiten geen negatieve invloed op de specifieke markt- en werkgelegenheidssituatie hebben.

4.5 Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de door hem beoogde activiteiten als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend.

4.6 Over de tegenwerping van het mvv-vereiste aan Turkse zelfstandigen heeft de AbRS in haar uitspraak van 6 maart 2008 (LJN BC6595) geoordeeld dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste zonder onderzoek naar de vraag of overigens aan de vereisten voor verlening van de verblijfsvergunning wordt voldaan in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. In dit geval heeft verweerder de aanvraag inhoudelijk getoetst en onderzocht of voldaan is aan het vereiste dat sprake moet zijn van een wezenlijk Nederlands economisch belang. Het betoog van eiser dat hem in strijd met de standstill-bepaling het ontbreken van een geldige mvv wordt verweten, wordt dan ook niet gevolgd.

4.7 Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 9 van de Associatieovereenkomst overweegt de rechtbank het volgende. Het in artikel 9 van de Associatieovereenkomst neergelegde algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is van toepassing binnen de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol. Artikel 9 van de Associatieovereenkomst moet derhalve worden gelezen in samenhang met de in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol neergelegde standstill-bepaling. Reeds uit de bewoordingen van deze standstill-bepaling, alsmede uit punt 110 van voormeld arrest Abatay en punt 61 van het arrest van het Hof van 29 april 2010, inzake de Commissie tegen het Koninkrijk der Nederlanden, LJN BM3843, kan worden afgeleid dat het in de standstill-bepaling neergelegde verbod alleen geldt voor nieuwe maatregelen. De bepaling laat, in samenhang gelezen met artikel 41, tweede lid, van het Aanvullend Protocol, onverlet dat toelatingsvoorwaarden die door de lidstaten reeds op 1 januari 1973 werden gehanteerd, vooralsnog mogen worden gehandhaafd, ook als deze mogelijk discriminatoir zijn. Dat verweerder het criterium 'wezenlijk economisch belang' hanteert, is geen nieuwe maatregel in voormelde zin, zoals ook reeds hiervoor overwogen. De rechtbank verwijst in dit kader voorts naar de uitspraak van de AbRS van 15 maart 2011, LJN BP8383, en is op de hier genoemde gronden van oordeel dat de door de gemachtigde van eiser ter zitting gegeven uitleg aan artikel 9 van de Associatieovereenkomst niet juist is.

Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder, door te beoordelen of met de onderneming van eiser een wezenlijk economisch belang wordt gediend, het non-discriminatiebeginsel en de standstill-bepaling heeft geschonden.

5 Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan de in paragraaf B5/7 van de Vc 2000 neergelegde voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor het doel "het verrichten van arbeid als zelfstandige". Verweerder heeft daarmee op goede gronden het standpunt ingenomen dat met de bedrijfsactiviteiten van eiser geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend en daarom niet wordt voldaan aan het vereiste in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Nu eiser niet aan de materiële vereisten voor de verblijfsvergunning voldoet, mocht verweerder hem vervolgens het mvv-vereiste tegenwerpen.

6 Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar overweegt de rechtbank het volgende.

6.1 Als uitgangspunt geldt dat een belanghebbende op zijn bezwaar wordt gehoord. Naar vaste jurisprudentie van de AbRS, onder meer neergelegd in de uitspraak van 10 maart 2009 (LJN BH6992), mag, bij toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, slechts van het horen worden afgezien, indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het in bezwaar bestreden besluit.

6.2 In dit geval is het eerste besluit op bezwaar van verweerder bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, van 16 december 2010, vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop en in aanmerking genomen dat dit een uitspraak was met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, geen sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar. Op grond van het voorgaande had het horen van eiser in de bezwaarprocedure dan ook niet achterwege kunnen worden gelaten met toepassing van artikel 7:3 van de Awb. Dit brengt mee dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, onder gegrondverklaring van het beroep.

6.3 Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser ter zitting voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren te kunnen toelichten. Gezien het onder 4 overwogene ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

7 De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1). Verweerder zal tevens eiser het door hem betaalde griffierecht hebben te voldoen.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit van 30 maart 2011;

3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 30 maart 2011 geheel in stand blijven;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,--;

5 gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,-- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, voorzitter, mr. D. Biever en mr. G.F. van der Linden-Burgers, leden, in aanwezigheid van mr. M.L.E.H. Niemeijer-van Dongen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl).

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2011.