Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4868

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/2874 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit in redelijkheid de afwijzing van de aanvraag heeft kunnen handhaven. Immers, eiser heeft bij de aanvraag slechts een uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) en een drietal winst- en verliesoverzichten overgelegd. Op grond van deze (summiere) informatie heeft verweerder kunnen komen tot het standpunt dat niet is aangetoond dat eiser voldoet aan de voorwaarden dat met de bedrijfsactiviteiten wordt voorzien in een behoefte en voorts daarvan geen negatieve invloed uitgaat op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. Daarbij oordeelt de rechtbank dat voorzover zijdens eiser ter zitting is betoogd dat het vereiste een ondernemingsplan over te moeten leggen, reeds als strijdig met de standstill-bepaling moet worden geacht, zulks niet valt in te zien nu de toetsing of sprake is van een ‘wezenlijke bijdrage’ thans dezelfde is als voor de inwerkingtreding van de standstill-bepaling. Het is aan eiser om die toetsing mogelijk te maken.

De rechtbank laat de omstandigheid dat eiser te weinig gegevens heeft verstrekt om te kunnen beoordelen of met zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, voor rekening en risico van eiser komen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2874 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[A], eiser, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. J.N. Mons).

Procesverloop

Eiser is geboren op [datum] 1978 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij brief van 26 februari 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op deze aanvraag is door verweerder op 22 juni 2010 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 20 januari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 januari 2011 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van

20 juni 2011 heeft eiser nadere gronden ingediend. Verweerder heeft op 19 juli 2011 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft op 27 juli 2011 plaats gevonden. Eiser is niet verschenen en heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Aksözek, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk voornemens is hier te lande arbeid als zelfstandige te (gaan) verrichten en hij voorts niet beschikt over een geldige mvv, terwijl geen van de vrijstellingsgronden van artikel 17 van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede en vierde lid (de hardheidsclausule), van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 van toepassing is. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van schending van het Aanvullend Protocol geen sprake is.

2 Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. In beroep heeft eiser een ondernemingsplan overgelegd. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit dit ondernemingsplan blijkt dat zijn bedrijfsactiviteit in een behoefte voorziet. Eiser betwist dat van de bedrijfsactiviteit een negatieve invloed op de markteconomie of de werkgelegenheid uitgaat.

3 Juridisch kader

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (de standstill-bepaling).

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Volgens paragraaf B5/7.3.1 van de Vc 2000, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit en voor zover thans van belang, geeft de minister van Economische Zaken in het kader van de toelating een advies aan verweerders Immigratie- en Naturalisatiedienst over de 'wezenlijke bijdrage' van de vreemdeling voor het land.

Bij besluit van verweerder van 18 maart 2011, nr. WBV 2011/2, houdende wijziging van de Vc 2000, bekendgemaakt op 29 maart 2011 (Stcrt. 2011 nr. 5302) en in werking getreden op 1 april 2011, heeft verweerder paragraaf B5/7.3.2 aan de Vc 2000 toegevoegd. Volgens die paragraaf zullen de adviezen ten aanzien van aanvragen van Turkse vreemdelingen om verblijf hier te lande als zelfstandige worden gebaseerd op de feitelijke situatie: de op het moment van de aanvraag bestaande de werkgelegenheidseffecten en de (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt.

Uit de uitspraak van de AbRS van 11 maart 2004 (LJN AO8112) volgt dat op 1 januari 1973 een wezenlijk Nederlands belang aanwezig werd geacht, indien met de beoogde bedrijfsactiviteiten in een behoefte werd voorzien en deze activiteiten geen negatieve invloed hadden op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

4.1 De rechtbank constateert dat verweerder de aanvraag ondanks het, tot de beroepsfase, ontbreken van een ondernemingsplan inhoudelijk heeft beoordeeld en geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5, van de Awb, ingevolge welk artikel bij gebreke van overlegging van relevante gegevens en bescheiden de aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten (mits de gelegenheid is geboden de aanvraag aan te vullen).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag terecht het toetsingskader gehanteerd zoals weergegeven in de aangehaalde uitspraak van de AbRS van 11 maar 2004 en neergelegd in paragraaf B5/7.3.2.

4.2 Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit in redelijkheid de afwijzing van de aanvraag heeft kunnen handhaven. Immers, eiser heeft bij de aanvraag slechts een uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) en een drietal winst- en verliesoverzichten overgelegd. Op grond van deze (summiere) informatie heeft verweerder kunnen komen tot het standpunt dat niet is aangetoond dat eiser voldoet aan de voorwaarden dat met de bedrijfsactiviteiten wordt voorzien in een behoefte en voorts daarvan geen negatieve invloed uitgaat op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie.

4.3 Daarbij oordeelt de rechtbank dat voorzover zijdens eiser ter zitting is betoogd dat het vereiste een ondernemingsplan over te moeten leggen, reeds als strijdig met de standstill-bepaling moet worden geacht, zulks niet valt in te zien nu de toetsing of sprake is van een 'wezenlijke bijdrage' thans dezelfde is als voor de inwerkingtreding van de standstill-bepaling. Het is aan eiser om die toetsing mogelijk te maken.

4.4 Aan het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen dat eiser in beroep alsnog een ondernemingsplan heeft overgelegd. Nog los van de vraag of het overleggen van het ondernemingsplan in de beroepsfase bij brief van 20 juni 2011 processueel aanvaardbaar is, kan aan dit overgelegde ondernemingsplan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Immers, het ondernemingsplan ziet niet op dezelfde onderneming als waarvoor de aanvraag op 26 februari 2010 is ingediend. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het bij de aanvraag overgelegde uittreksel van de KvK blijkt dat de eenmanszaak "[B]" op 4 juni 2009 is opgericht en gevestigd aan de [adres]. Uit het bij brief van 20 juni 2011 overgelegde ondernemingsplan valt af te leiden dat eiser voornemens is een eenmanszaak te starten met de bedrijfsomschrijving: "IJzervlecht en klussenbedrijf [B]", gevestigd aan de [adres] en opgericht op 1 juni 2011. Voor de onderhavige aanvraag is het overgelegde ondernemingsplan derhalve niet relevant.

Aldus laat de rechtbank de omstandigheid dat eiser te weinig gegevens heeft verstrekt om te kunnen beoordelen of met zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, voor rekening en risico van eiser komen.

4.5 Over de tegenwerping van het mvv-vereiste aan Turkse zelfstandigen heeft de AbRS in haar uitspraak van 6 maart 2008 (LJN BC6595) geoordeeld dat dit zonder onderzoek naar de vraag of overigens aan de vereisten voor verlening van de verblijfsvergunning wordt voldaan in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. In dit geval heeft verweerder de aanvraag inhoudelijk getoetst en onderzocht of voldaan is aan het vereiste dat sprake moet zijn van een wezenlijk Nederlands economisch belang. Het betoog van eiser dat het hem in vervolg daarop tegengeworpen mvv-vereiste in strijd is met de standstill-bepaling wordt dan ook niet gevolgd.

5 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de door eiser gevraagde vergunning op goede gronden geweigerd.

6 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, voorzitter, mr. D. Biever en mr. G.F. van der Linden-Burgers, leden, in aanwezigheid van mr. M.L.E.H. Niemeijer-van Dongen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie www.raadvanstate.nl).

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2011.