Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4860

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
AWB 09/1106 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een aanvraag tegemoetkoming kosten dubbele huisvesting van een in het buitenland geplaatste ambtenaar van BZ. Onvoldoende medisch onderzoek verricht naar de medische problemen van de echtgenote van de ambtenaar, nu daarbij niet tevens het aspect van de preventie naast de beschikbaarheid ter plaatse van adequate medische voorzieningen is onderzocht (artikel 42, tweede lid, onder b, DBZV 2007). Verweerder is ten onrechte afgegaan op de adviezen van de bedrijfsarts, die berustten op onvoldoende onderzoek. Schending onderzoeksplicht en motiveringsgebrek, ondanks dubbele bestuurlijke lus (zowel in bezwaar als in beroep). Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/1106 AW

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[A], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Moszkowicz jr.),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E.M. Viergever - van Mourik).

Procesverloop

Eiser heeft bij verweerder op 21 juni 2007 verzocht om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huisvesting (verder: TDH).

Bij besluit van 29 januari 2008 is dit verzoek afgewezen.

Het door eiser tegen dat besluit ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van

13 januari 2008 [de rechtbank leest: 2009], met overneming van een advies van de Commissie van Bezwaar DBZ van 6 januari 2009, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft eiser op 12 februari 2009 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij brief van 21 maart 2009 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend alsmede een verweerschrift, gedateerd 17 september 2009.

Partijen hebben diverse aanvullende stukken in het geding gebracht.

De door eiser aanvankelijk met een beroep op artikel 8:29 van de Awb ingebrachte medische bescheiden betreffende de gezondheidstoestand van zijn echtgenote zijn, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, beoordeeld door een door verweerder aangewezen vertrouwensarts, de senior bedrijfsarts R. Broekman. Deze heeft daarover aan verweerder gerapporteerd. Ook dit rapport is nader in het geding gebracht.

Het beroep is ter terechtzitting behandeld op 13 september 2011.

Eiser en zijn echtgenote waren aanwezig, bijgestaan door mr. N.V.N.J. de Laurente, kantoorgenote van eisers gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen ingebrachte beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1 Eiser is ambtenaar van de buitenlandse dienst. Tijdens een plaatsing in Islamabad (Pakistan), waar eiser en zijn echtgenote woonden, is hun woning ontsmet vanwege een termietenplaag ("fumigation"). Daarbij zijn waarschijnlijk pesticiden gebruikt. Eiser en zijn echtgenote hebben na deze ontsmetting vergiftigingsverschijnselen gekregen, hetgeen destijds tot medisch onderzoek van eiser en zijn echtgenote heeft geleid.

Eisers echtgenote heeft sedert genoemde ontsmetting ernstige gezondheidsklachten van uiteenlopende aard gehouden, zoals blijkt uit de door eiser overgelegde medische rapportages. De aandoening, een overgevoeligheid voor bepaalde chemische stoffen, is gediagnosticeerd als Multiple Chemical Sensitivity (MCS), een diagnose die in de medische wereld thans nog niet algemeen wordt aanvaard. Het gaat hier om een chronische aandoening, waartegen geen andere therapie bestaat dan het vermijden van blootstelling aan toxische stoffen.

2.2 Eiser was sinds 2 september 2007 geplaatst bij de Nederlandse vertegenwoordiging bij de Palestijnse Autoriteit te Ramallah (Westbank). Vanwege de veiligheidssituatie aldaar was hij verplicht in Oost-Jeruzalem te wonen. Eiser heeft betoogd dat dit voor zijn echtgenote vanwege haar gezondheidsproblemen niet mogelijk was.

3.1 Eiser heeft betoogd dat zijn echtgenote in 2007 enkele weken in Oost-Jeruzalem heeft verbleven, in welke periode zij direct medische klachten heeft gekregen. Herhaling van deze klachten moet worden voorkomen; de preventie moet dus voorop staan. De beschikbaarheid van voldoende en adequate medische voorzieningen ter plaatse, waarnaar verweerder in zijn besluiten heeft verwezen, is niet voldoende. De tijdens het verblijf van eisers echtgenote in Oost-Jeruzalem in 2007 ontstane medische problemen zijn mogelijk terug te voeren tot blootstelling aan chemische stoffen bij voorbeeld bij het schoonmaken van het trappenhuis bij het appartement of het verbranden van afval in open containers, zoals aldaar niet ongebruikelijk is. Eisers echtgenote was toen nog altijd onder medische behandeling vanwege de vergiftigingsverschijnselen na eisers plaatsing te Islamabad. Bovendien kan zij de hitte ter plaatse niet goed meer verdragen.

Eisers echtgenote heeft noodgedwongen haar intrek genomen in de vakantiewoning van het echtpaar in Groede. Door het maken van afspraken met de gemeente Sluis en met landbouwers ter plaatse heeft zij blootstelling aan voor haar schadelijke stoffen zoveel mogelijk weten te vermijden. Inmiddels is het echtpaar verhuisd naar een woning op een ruim bosperceel in Noord-Duitsland.

3.2 Verweerder heeft zich, na raadpleging van de bedrijfsarts M.J.M. Tyrrell-Heijgen (verder: Tyrrell), op het standpunt gesteld dat het verblijf van eisers echtgenote te Oost-Jeruzalem medisch verantwoord is, indien zij aldaar toegang heeft tot goede medische voorzieningen. De reden van het niet voeren van een gezamenlijke huishouding is daarom niet aangemerkt als een erkende reden als bedoeld in artikel 42 van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007 (verder: DBZV).

Wel wijst verweerder op de mogelijkheid tot gezinshereniging als bedoeld in artikel 46 van het DBZV.

Artikel 42 van het DBZV luidt:

"1. Op de in artikel 43 tot en met 45 bedoelde voorzieningen heeft aanspraak de ambtenaar die vanwege een erkende reden geen gezamenlijke huishouding voert met zijn partner.

2. Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien:

a. (...)

b. de partner niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een verblijf op de standplaats niet toelaten."

4 De rechtbank overweegt ambtshalve dat eiser ook thans nog voldoende belang heeft bij een uitspraak op zijn beroep. Hoewel de plaatsing van eiser te Ramallah inmiddels is geëindigd en het gezamenlijk wonen in Oost-Jeruzalem daardoor niet meer aan de orde is, stelt de rechtbank vast dat eiser en zijn echtgenote nog steeds een financieel belang hebben bij een oordeel van de rechtbank, nu zij in de periode, hier van belang, reële extra kosten hebben gemaakt voor het voeren van gescheiden huishoudingen, waarin door toekenning van een TDH kan worden voorzien.

5 De beoordeling van het beroep spitst zich toe op het beantwoorden van de vraag of medische redenen, gelegen in de gezondheidsklachten van eisers echtgenote, een verblijf in Oost-Jeruzalem niet toelieten. Verweerder is daarbij afgegaan op het oordeel van de door hem ingeschakelde bedrijfsartsen Tyrrell (bezwaarfase) en Broekman (beroepsfase). Daarbij moet worden vastgesteld dat de medische situatie van eisers echtgenote tweemaal door een bedrijfsarts is beoordeeld, eenmaal in het kader van de bezwaarprocedure op basis van bij de behandelend specialisten opgevraagde gegevens, waarna de bedrijfsarts op aandringen van de Commissie van Bezwaar DBZ een aantal aanvullende vragen aan de uroloog heeft gesteld, en eenmaal op basis van de door eiser met een beroep op artikel 8:29 van de Awb overgelegde medische stukken. Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld, afgaande op het advies van de bedrijfsarts Tyrrell, dat er geen medisch bezwaar bestond tegen verblijf van eisers echtgenote in Oost-Jeruzalem, indien zij ter plaatse toegang tot adequate medische voorzieningen zou hebben. De herbeoordeling door de bedrijfsarts Broekman heeft niet tot een ander oordeel van verweerder geleid, op grond van diens bevinding dat er, na bestudering van de medische stukken, geen wetenschappelijke basis en geen medische grond aanwezig is om het oordeel van eiser dat zijn echtgenote niet te Oost-Jeruzalem kan verblijven te onderbouwen (rapport van 22 juli 2009).

6 Het advies van een bedrijfsarts ten aanzien van (de echtgenote van) een ambtenaar geldt als een deskundigenadvies. Een bestuursorgaan mag in beginsel op een dergelijk advies afgaan, mits dat advies is gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek van een geregistreerd bedrijfsarts, waarbij deze zich mede baseert op van de behandelend arts(en) verkregen medische informatie, waarover op een inzichtelijke wijze wordt gerapporteerd en een gemotiveerd standpunt wordt ingenomen.

6.1 De rechtbank zal thans beoordelen of de adviezen van de bedrijfsarts Tyrrell,

uitgebracht in de bezwaarfase, aan deze eisen voldoen.

Uit de door eiser overgelegde medische stukken blijkt dat zijn echtgenote lijdt aan een chronische overgevoeligheid voor bepaalde chemische stoffen en dat blootstelling daaraan leidt tot ernstige klachten. De enige beschikbare remedie is het vermijden van deze blootstelling (preventie).

Ter zitting heeft eisers echtgenote een uiteenzetting gegeven van de medische klachten die zij heeft ervaren doordat zij het gebruik van voor haar schadelijke chemische stoffen in de woonomgeving niet kan beheersen; in Oost-Jeruzalem heeft deze situatie zich voorgedaan.

Een adequaat medisch onderzoek dient naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de medische informatie over eisers echtgenote, tevens de preventie als beoordelingskader te nemen en niet uitsluitend de beschikbaarheid van medische voorzieningen ter plaatse, zoals deze in het postrapport Ramallah 2008 naar voren komt.

6.2 Het eerste advies van Tyrrell luidt:

"Haar actuele medische gezondheidstoestand vormt geen medisch bezwaar tegen plaatsing in Ramallah, mits zij in Jeruzalem kan blijven wonen."

Het tweede advies van Tyrrell van 15 oktober 2008 luidt:

" Duidelijk is dat mevrouw [B] een vrij uitgebreide medische voorgeschiedenis heeft. Ik houd dan ook vast aan mijn standpunt dat ik plaatsing op een post slechts verantwoord acht indien zij toegang heeft tot goede en bereikbare medische voorzieningen.

De vraag welke gezondheidsrisico's mevrouw [B] zou kunnen lopen bij een eventueel verblijf in Jeruzalem is echter niet beantwoord, ook de uitgebreide medische rapportages bieden mij voor wat betreft dat aspect geen verheldering.

Daarmee moet ik mijn eerder advies handhaven, te weten: Haar actuele medische gezondheidstoestand vormt geen medisch bezwaar tegen plaatsing in Ramallah, mits zij in Jeruzalem kan blijven wonen."

Uit de eerste alinea van het tweede advies blijkt dat de bedrijfsarts de toegankelijkheid van goede medische voorzieningen ter plaatse en niet tevens de preventie als uitgangspunt heeft genomen.

Uit de tweede alinea van genoemd advies blijkt dat de bedrijfsarts zich uit de medische stukken geen beeld heeft kunnen vormen van de medische risico's voor eisers echtgenote bij een verblijf in Jeruzalem. De bedrijfsarts heeft echter onvoldoende onderzoek gedaan naar deze risico's, nu de medische problemen van eisers echtgenote, zoals deze uit de overgelegde medische stukken en de diagnose MCS naar voren komen, alleen door vermijding van blootstelling aan ziekmakende chemische stoffen in de woonomgeving kunnen worden voorkomen. Een persoonlijk gesprek met eisers echtgenote en een beoordeling van haar ernstige gezondheidsklachten kon daarin niet worden gemist.

Verweerder heeft op basis van het tweede advies van Tyrrell, met toepassing van de (informele) bestuurlijke lus, per e-mail van 16 oktober 2008 aan de Commissie van Bezwaar DBZ laten weten het primaire besluit van 29 januari 2008 te handhaven.

Het gegeven dat inmiddels in beroep andermaal een medische beoordeling in het kader van de bestuurlijke lus heeft plaatsgevonden, waarbij opnieuw tot deze conclusie is gekomen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit het advies van Broekman blijkt immers niet dat hij wel tevens de preventie als uitgangspunt heeft genomen en ook hij heeft betrokkene niet in persoon gezien.

De voorgaande overwegingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte heeft verlaten op de beide adviezen. Hij heeft daarmee het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

6.3 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het beroep gegrond worden verklaard.

7 Aan eiser wordt, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een proceskostenvergoeding toegekend ten bedrage van € 374,-- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, factor 1, waarde per punt € 374,--).

Voorts wordt aan eiser op grond van evengenoemd besluit en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onderdeel c., van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, een vergoeding toegekend van € 37,85 (maximale dagvergoeding voor verblijfkosten met inbegrip van overnachting) en € 196,-- aan reiskosten (350 km. enkele reis à € 0,28 per kilometer x 2, aangezien openbaar vervoer niet voldoende mogelijk is).

Voor de door eiser gedeclareerde verschotten ten bedrage van € 1.189,52 voor spoedverta- lingen van medische stukken in het Nederlands en de gedeclareerde verletkosten ten bedrage van € 150,-- aan dierenoppas biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aanspraak op vergoeding.

Verweerder dient de proceskostenvergoeding ten bedrage van € 607,85 aan eiser te betalen.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 13 januari 2008 [lees: 2009], kenmerk HDPO/RR/AR-010/09;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 607,85, welke kosten verweerder aan eiser dient te vergoeden;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 145,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Sentrop, mr. C. Fetter en mr. drs. C.G. Meeder, rechters, in aanwezigheid van C.A.Y. Morison-Libourel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2011.