Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4459

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
11/33651
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV6287, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. De voorzieningenrechter heeft de rechtsgevolgen van het besluit waarbij het verblijfsrecht van eiser is beëindigd en waarbij hij ongewenst is verklaard, geschorst tot vier weken na de beslissing op het bezwaar van eiser tegen dat besluit. Door de uitspraak van de voorzieningenrechter, die voor de rechter in bewaringszaken een gegeven is, heeft eiser opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland als burger van de Europese Unie, zodat hij niet langer in vreemdelingenbewaring mag worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/33651, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam eiser] eiser,

gemachtigde: mr. M.C. de Jong, advocaat te Rotterdam,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiser op 12 oktober 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld.

1.2. Bij faxbericht van 18 oktober 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring.

1.3. De zaak is op 27 oktober 2011 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn toenmalige gemachtigde. Verweerder is verschenen bij mr. D.S. Asarfi, ambtenaar bij de IND.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.4. Bij beslissing van 1 november 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

1.5. De zaak is op 4 november 2011 verder behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer. Beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), voor zover hier van belang, heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h.

Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 geen rechtmatig verblijf hebben.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 strekt het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Ingevolge het vierde lid van artikel 94 van de Vw 2000 verklaart de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.2. In de schriftelijke vastlegging van de maatregel van bewaring is vermeld dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling van eiser vordert, omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat hij zich aan de uitzetting zal onttrekken. De gronden van de maatregel zijn dat eiser:

- ongewenst is verklaard;

- zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn:

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf;

- zich niet heeft aangemeld bij de korpschef;

- zich heeft bediend van een of meerdere aliassen;

- eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

2.3. Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Bij besluit van 29 juli 2011 heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem ongewenst verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en voorts heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 26 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, de rechtsgevolgen van het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring van 29 juli 2011 geschorst en verweerder verboden eiser uit te zetten tot vier weken nadat verweerder op het bezwaar van eiser heeft beslist. Als gevolg van deze uitspraak heeft eiser wederom rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, zodat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000.

2.4. Verweerder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) kan de schorsing van een besluit tot ongewenstverklaring geen verdergaande gevolgen hebben dan dat de vreemdeling tijdelijk niet kan worden uitgezet. De vreemdeling van wie de ongewenstverklaring is geschorst, kan geen rechtmatig verblijf hebben. De uitspraak van 26 oktober 2011 moet worden gelezen in overeenstemming met deze vaste rechtspraak van de Afdeling en kan niet worden gevolgd voor zover de voorzieningenrechter anders heeft geoordeeld.

2.5. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5.1. De rechtbank volgt het betoog van eiser. De uitspraak van 26 oktober 2011 is in de onderhavige procedure een gegeven, ongeacht of die uitspraak verenigbaar is met de door verweerder bedoelde jurisprudentie van de Afdeling over de schorsing van een besluit tot ongewenstverklaring. Uit het dictum van de uitspraak van 26 oktober 2011 blijkt duidelijk dat de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het besluit van 29 juli 2011 van verweerder heeft geschorst, waarmee eiser, zij het wellicht tijdelijk, wederom in de positie is gebracht waarin hij voorafgaand aan het nemen van dat besluit verkeerde. Gelet hierop en omdat verweerder niet betwist dat eiser voorafgaand aan het besluit van 29 juli 2011 rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat, verblijft eiser vanaf 26 oktober 2011 opnieuw op deze grond rechtmatig in Nederland, zodat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000.

2.5.2. Overigens kan naar het oordeel van de rechtbank uit rechtsoverweging 2.8. van de uitspraak van 11 februari 2005 van de Afdeling (LJN AT0655) worden afgeleid dat de Afdeling schorsing van een besluit tot ongewenstverklaring in beginsel mogelijk acht en dat een dergelijke schorsing tot gevolg heeft dat het rechtsgevolg van artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 vooralsnog ophoudt te gelden en rechtmatig verblijf mogelijk wordt. Voor zover latere rechtspraak van de Afdeling in een andere richting wijst, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank die rechtspraak niet, omdat zij geen steekhoudende argumenten ziet voor het oordeel dat de voorzieningenrechter een besluit dat door de rechtbank kan worden vernietigd niet kan schorsen.

2.6. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiser bevelen.

De rechtbank ziet aanleiding eiser een schadevergoeding toe te kennen. Ervan uitgaande dat verweerder op 27 oktober 2011 kennis heeft genomen of kunnen nemen van de op 26 oktober 2011 verzonden uitspraak van de voorzieningenrechter, had hij de maatregel van bewaring op 27 oktober 2011 moeten opheffen. Ervan uitgaande dat de bewaring van eiser heden, acht dagen na 27 oktober 2011, wordt opgeheven en uitgaande van het normbedrag van € 80 voor een dag detentie in een huis van bewaring, heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 640. Omdat eiser procedeert op basis van een toevoeging, zal de schadevergoeding worden betaald door de griffier van de rechtbank.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 1.092,50 (1 punt voor de indiening van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 27 oktober 2011 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 4 november 2011). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat eiser procedeert op basis van een toevoeging, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.7. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiser;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 640 euro ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 1.092,50 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M.S. van den Brink-Voselman, griffier, ondertekend.