Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4409

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
09/608053-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling. Noodweerexces. Verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/38

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/608053-10

Datum uitspraak: 14 november 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 31 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Baas en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. J.I. Echteld, advocaat te Gouda, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Het slachtoffer heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 oktober 2010 te Bodegraven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk die [aangever] (meermalen) met geschoeide voet in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft geschopt/getrapt en/of met kracht in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 oktober 2010 te Bodegraven aan een persoon genaamd [aan[aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken (rechter)oogkas, gebroken (rechter)kaak/jukbeen en gebroken neus), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (meermalen) (met geschoeide voet) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, te schoppen/trappen en/of (met kracht) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, te stompen/slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 oktober 2010 te Bodegraven opzettelijk een persoon (te weten [aangever]), (meermalen) (met geschoeide voet) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft geschopt/getrapt en/of (met kracht) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft gestompt/geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken (rechter)oogkas, gebroken (rechter)kaak/jukbeen en gebroken neus), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

3. Inleiding

Deze zaak gaat over een gewelddadige confrontatie die in de vroege ochtend van 31 oktober 2010 tussen verdachte en [aangever] heeft plaatsgevonden, waarbij [aangever] een gebroken oogkas, een gebroken jukbeen en een gebroken neus heeft opgelopen. Niet ter discussie staat de vraag of verdachte dit letsel aan [aangever] heeft toegebracht. De vragen die de rechtbank met name heeft te beantwoorden zijn hoe het geweld dient te worden gekwalificeerd en of er mogelijk sprake is van een strafuitsluitingsgrond ten aanzien van het handelen van verdachte.

4. Bewijsoverwegingen

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat het opzet van verdachte gericht was op de levensberoving van [aangever]. Wel dient bewezen te worden verklaard het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zoals subsidiair ten laste is gelegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat haar cliënt geen opzet op de dood van [aangever] heeft gehad, zodat hij dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op de dood van [aangever], zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Nu verdachte niet alleen bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting heeft bekend en zijn raadsvrouw geen vrijspraak ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft bepleit, zal de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, van het wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de verklaring van aangever [aangever], p. 45, laatste alinea en p. 46 bovenaan,

- een geschrift, bevattende medische informatie over [aangever], p. 54,

- de verklaring van verdachte, p. 34, 6e en 7e alinea,

- proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris, punt 2,

- proces-verbaal van de zitting van 31 oktober 2011, verklaring van verdachte.

De rechtbank acht op basis van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever] in het gezicht heeft geschopt en geslagen. Dit geweld is te kwalificeren als zware mishandeling zodat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 31 oktober 2010 te Bodegraven aan een persoon, genaamd [aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken (rechter)oogkas, gebroken (rechter)kaak/jukbeen en gebroken neus) heeft toegebracht door deze opzettelijk (met geschoeide voet) in het gezicht te schoppen en (met kracht) in het gezicht te slaan.

5. De strafbaarheid van het feit en van de dader

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat verdachte zich weliswaar mocht verdedigen, er bestond ten aanzien van hem een noodweersituatie, maar dat de verdediging niet in verhouding stond tot de aanval van [aangever]. Een beroep op noodweer kan derhalve niet slagen. Een beroep op noodweerexces kan naar het oordeel van de officier van justitie evenmin doel treffen, omdat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft allereerst een beroep gedaan op noodweer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in het nauw was gedreven en geen kant meer op kon terwijl de aanval van [aangever] bleef doorgaan. De verdediging was noodzakelijk en gepast.

Voor zover verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweerexces. Verdachte was overmand door angst en boosheid en heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging, aldus de raadsvrouw.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

5.3.1 Noodweer

De rechtbank heeft eerst de vraag te beantwoorden of de voorwaarden voor de aanvaarding van het noodweerverweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Daarmee heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of de gedraging van verdachte geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Daarbij is beslissend of de desbetreffende gedraging - als verdedigingsmiddel - niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 november 2006, LJN AX9177, NJ 2006, 650).

De rechtbank zal bij het vaststellen van feiten uitgaan van hetgeen verdachte heeft verklaard. Verdachte heeft van meet af aan openheid van zaken gegeven, heeft consistent verklaard en heeft op de rechtbank een authentieke indruk achtergelaten. Waar de verklaring van verdachte door overige verklaringen wordt ondersteund, worden enkele onderdelen uit de verklaring(en) van aangever door overige verklaringen weersproken.

De rechtbank stelt vast dat aangever [aangever] in deze degene is geweest die verdachte, toen deze zich samen met zijn vriendin, [vriendin], nabij "Het Lieverdje" ophield, heeft aangesproken en heeft uitgedaagd. Verdachte heeft geprobeerd zich te onttrekken aan de belaging door [aangever] door achterwaarts weg te gaan. [vriendin] heeft [aangever] aangesproken en meermalen aan hem gevraagd weg te gaan. De rechtbank stelt verder vast dat [aangever] verdachte met de vlakke hand heeft geslagen en hem een kopstoot heeft gegeven. Op het moment dat [aangever] weer wilde slaan en verdachte, die inmiddels enkele tientallen meters verderop bij de sigarenwinkel met zijn rug tegen die zaak stond, zag dat zijn vriendin werd geraakt, heeft verdachte [aangever] tegen het bovenbeen geschopt en met zijn vuist tegen de wang of neus van [aangever] geslagen. [aangever] is daardoor ten val gekomen. Verdachte raakte ook uit balans en kwam ook op de grond terecht. Verdachte heeft vervolgens toen hij zag dat [aangever] weer overeind kwam [aangever] in het gezicht geschopt en nog een aantal keren in het gezicht geslagen.

De rechtbank is gezien in het licht van het hiervoor uiteengezette toetsingskader van oordeel dat sprake is geweest van een noodweersituatie waarin verdachte zichzelf en [vriendin] mocht verdedigen. De rechtbank stelt verder vast dat bij verdachte vanaf het moment waarop hij tot actie (het schoppen en slaan) overging de bedoeling heeft bestaan om [aangever] te stoppen en om hem daarbij steeds voor te zijn. Verdachte heeft daarbij voor de tegenaanval gekozen en heeft een rake schop in het gezicht van [aangever] en vervolgens rake klappen in het gezicht van [aangever] uitgedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarbij een te zwaar, namelijk een in kracht en hevigheid te vergaand, middel ingezet. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

5.3.2 Noodweerexces

De rechtbank heeft voorts de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging. Daarvan kan volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 27 mei 2008, LJN BC6794) onder andere sprake zijn indien verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was. De rechtbank heeft in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen thans nog de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Vast staat dat tussen verdachte en [aangever] in de weken voor 31 oktober 2010 al een conflict was voorgevallen. Weliswaar was dat bijgelegd, maar verdachte had angst voor [aangever]. Op het moment dat [aangever] niet ophield en hij [vriendin] raakte zette verdachte zijn angst om in boosheid. Die boosheid kwam voort uit de nog immer voortdurende belaging door [aangever]. Die angst en boosheid hebben geleid tot een schop en een aantal klappen, derhalve een kortdurende hevige uitbarsting waarna het over was. De rechtbank acht aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan de zogenaamde dubbele causaliteitseis, te weten dat de aanranding door [aangever] heeft geleid tot de hevige gemoedsbeweging bij verdachte, welke gemoedsbeweging op zijn beurt tot het exces heeft geleid.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bewezenverklaarde feit weliswaar strafbaar is doch dat het feit verdachte door het geslaagde beroep op noodweerexces niet kan worden verweten en hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. De vordering van de benadeelde partij

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.223,29.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit, waarop de vordering betrekking heeft, is ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft acht geslagen op de artikelen:

- 41 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart verdachte niet strafbaar ten aanzien van het bewezenverklaarde;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mrs. S.M. Krans en T.L. Fernig-Rocour, rechters,

in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1620 2010166188, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen.