Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4407

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
JE RK 11-1655 396519
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming voor de aanvraag van een verblijfsvergunning van een minderjarige door Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 11-1655

Zaaknummer: 396519

Datum beschikking: 26 juli 2011

Vervangende toestemming aanvraag verblijfsvergunning

Beschikking op het op 24 mei 2011 ingekomen verzoekschrift van:

Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen (verder: Nidos),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige A] geboren op [datum] 2010 te [plaats A]

kind van:

[de heer A]

de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

en

[mevrouw B]

de moeder,

p/a [plaats B]

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

De minderjarige verblijft feitelijk in OWG-gezin van Nidos.

Procedure

De kinderrechter heeft kennis genomen van:

* het verzoekschrift.

Op 19 juli 2011 is deze zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij is verschenen:

* mevrouw H.A.M. Lamers, namens Nidos.

Feiten

De kinderrechter in de rechtbank Utrecht heeft bij beschikking d.d. 4 januari 2011 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 20 januari 2011 tot 20 januari 2012.

De kinderrechter in de rechtbank Utrecht heeft bij beschikking d.d. 4 januari 2011 de aan Nidos verleende machtiging om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 20 januari 2011 tot 20 januari 2012.

Verzoek

Het verzoek strekt tot het verlenen van vervangende toestemming voor het aanvragen van een verblijfvergunning.

Beoordeling

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Het verzoek van Nidos strekt er toe dat de kinderrechter vervangende toestemming geeft voor het aanvragen van een verblijfsvergunning ten behoeve van de minderjarige.

Vooropgesteld moet worden dat de wet thans niet in de mogelijkheid voorziet een verzoek als hier aan de orde in te willigen.

Gebleken is evenwel dat in het gewijzigd voorstel van wet, strekkende tot, voor zover hier van belang, wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (kamerstuk 32015, A) is voorzien in een nieuw artikel 265e. Dat wetsvoorstel is thans aanhangig bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

In het eerste lid van dat artikel, aanhef en onder c, is bepaald dat de kinderrechter bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing, en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek kan bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de stichting die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de ondertoezichtstelling.

Hij kan dit onder meer doen met betrekking tot het doen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ten behoeve van een minderjarige als bedoeld in de artikelen 14 of 28 van Vreemdelingenwet 2000.

In de Memorie van Toelichting is terzake opgemerkt dat er situaties zijn waarin ouders het niet aanvragen inzetten als middel om de gezinsvoogdijwerker onder druk te zetten bepaalde zaken te regelen.

Verder kan het voorkomen dat ouders niet in staat zijn om een aanvraag om een verblijfsvergunning te doen bijvoorbeeld door psychiatrische problemen. Het is onwenselijk dat in die gevallen geen aanvraag om een verblijfsvergunning ten behoeve van de minderjarige kan worden ingediend omdat de ouders hieraan - om welke reden dan ook- niet hun medewerking verlenen.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat sprake is van (ernstige) psychiatrische problematiek van de moeder als gevolg waarvan zij niet met de gezinsvoogd wil praten en niet meewerkt aan het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning.

Voorts is gebleken dat het hier gaat om een nog zeer jonge minderjarige die al voor de geboorte onder toezicht is gesteld en voor wie vier dagen na de geboorte een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. De minderjarige verblijft sinds die tijd in een pleeggezin.

Tot slot is gebleken dat Minister voor Immigratie en Asiel zich blijkens de brief van 23 maart 2011 op het standpunt heeft gesteld dat -kort gezegd- de aanvraag om een verblijfsvergunning ten behoeve van de minderjarige dient te worden gedaan door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige en niet kan worden gedaan door Nidos.

Gelet op de situatie waarin de minderjarige thans verkeert staat naar het oordeel van de kinderrechter vast dat de minderjarige groot belang heeft bij inwilliging van het verzoek, de minderjarige 'bestaat' volgens de gezinsvoogd immers op dit moment niet in Nederland.

Gelet voorts op de omstandigheid dat voornoemd wetsvoorstel naar valt te verwachten binnen niet al te lange tijd tot wet zal zijn verheven en gelet op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin, voor zover thans van belang is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door (....) of door rechterlijke instanties, de belangen van het kind de eerste overweging vormen, alsmede gelet op artikel 20 van dat Verdrag zal het verzoek van Nidos worden ingewilligd.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

Beslissing:

De kinderrechter verleent aan Nidos vervangende toestemming ten behoeve van het aanvragen van een verblijfsvergunning ten behoeve van deze minderjarige.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.D. Veenendaal, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2011, in tegenwoordigheid van S.W.J.C. van der Wilden-Weissenberg als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te

's-Gravenhage.