Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4390

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
09/920208-11
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht, voorbedachten rade, voorwaardelijk opzet PIJ (geen rechterlijke machtiging)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920208-11

Datum uitspraak: 20 oktober 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [plaats A] op [datum] 1993,

adres: [plaats A]

thans gedetineerd in Rijksinrichting voor Jongens De Hartelborgt Opvang te Spijkenisse.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.A. Pronk en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. T. Gümüs, advocaat te Honselersdijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [datum] 2011 te [plaats A] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer B] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die [slachtoffer B] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in het gezicht althans het hoofd heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 van het Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [datum] 2011 te [plaats A] aan een persoon genaamd [slachtoffer B] (zijnde zijn vader), opzettelijk (en met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel (een snijwond in het gezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in zijn gezicht, althans zijn hoofd, te snijden en/of te steken;

art 303 van het Wetboek van Strafrecht

art 304 van het Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [datum] 2011 te [plaats A] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer B] (zijnde zijn vader), opzettelijk (en met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) die [slachtoffer B] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het gezicht, althans het hoofd, heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 van het Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot moord op zijn vader door hem in het gezicht te steken met een mes. Subsidiair is dit ten laste gelegd als zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van voorbedachten rade, gericht op de dood van de vader, omdat de verdachte een mes had meegenomen met de bedoeling om zijn vader daarmee iets aan te doen en dat de verdachte door te steken in het gezicht van zijn vader voorwaardelijk opzet had op diens dood.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de poging tot zware mishandeling, heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt er ten aanzien van het primair ten laste gelegde op neer dat zowel de voorbedachten rade als het opzet ontbreken. De voorbedachten rade ontbreekt naar de mening van de raadsvrouw, aangezien de verdachte niet heeft gehandeld na rustig beraad en kalm overleg, maar door een hevige gemoedsbeweging. Het opzet ontbreekt naar de mening van de raadsvrouw zowel in onvoorwaardelijke als in onvoorwaardelijke zin. Met betrekking tot het voorwaardelijk opzet geeft zij aan dat de aanmerkelijke kans op de dood ontbreekt, omdat de verdachte niet heeft gestoken of met kracht heeft gesneden, en de kans op de dood voorts niet willens en wetens is aanvaard, omdat de verdachte zijn vader slechts een beetje wilde verwonden en hij een aanmerkelijke kans op de dood door zijn psychische toestand minder goed kon inschatten en aanvaarden.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit komt het standpunt van de verdediging erop neer dat het letsel van het slachtoffer niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel en daarnaast het opzet, zowel in onvoorwaardelijke als in voorwaardelijke zin, ontbrak, zodat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit komt het standpunt van de verdediging erop neer dat het opzet van de verdachte op zwaar lichamelijk letsel, zowel in onvoorwaardelijke als in voorwaardelijke zin, ontbreekt. De raadsvrouw van de verdachte geeft hierbij aan dat de verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel minder goed kon inschatten en aanvaarden.

De raadsvrouw van de verdachte verzoekt de rechtbank aldus primair de verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Op vrijdag [datum] 2011 heeft de verdachte in [plaats A] zijn vader, [slachtoffer B], met een mes in diens gezicht gesneden.2,3

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoe één en ander juridisch gekwalificeerd dient te worden.

Ten aanzien van de voorbedachten rade

De rechtbank heeft zich allereerst afgevraagd of er sprake was van kalm beraad en rustig overleg, voorafgaand aan het snijden met het mes.

Voor bewezenverklaring van voorbedachten rade is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven (Hoge Raad 11 juni 2002, LJN: AE1743).

De verdachte heeft verklaard dat hij op [datum] 2011 vanaf het moment dat hij was opgestaan, na 11.00 uur, het plan had om zijn vader met het mes iets aan te doen. Met dat doel heeft hij een mes meegenomen. Hij is vervolgens eerst naar het gemeentehuis gegaan om werk te zoeken en is pas daarna naar de moskee gegaan waar zijn vader was. Daar heeft hij rond 14.40 uur4 zijn plan ten uitvoer gelegd en heeft hij zijn vader in de hal van de moskee daadwerkelijk iets aangedaan door hem in zijn gezicht te snijden.5

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in een hevige gemoedsbeweging, maar dat hij de tijd heeft gehad om zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om over de gevolgen en de betekenis van zijn plan na te denken. De rechtbank is daarmee van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake was van voorbedachten rade.

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet op de dood (primair)

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte het opzet in onvoorwaardelijke zin had op de dood van zijn vader.

Ten aanzien van het opzet in voorwaardelijke zin overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verklaring van de vader over de feitelijke toedracht blijkt dat hij voelde dat er iets langs zijn gezicht werd getrokken. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het mes langs het gezicht van zijn vader heeft gehaald. Uit deze toedracht in combinatie met de aard van de verwondingen, waarvan blijkt uit de medische informatie (een snijwond met gering bloedverlies), leidt de rechtbank af dat de verdachte niet zodanig hard heeft gesneden of gestoken dat dit naar algemene ervaringsregels de dood van het slachtoffer tot gevolg had kunnen hebben. Hiermee ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door toedoen van de verdachte zou hebben kunnen komen te overlijden.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de persoon van de verdachte en zijn beperkte mogelijkheid om de gevolgen van zijn daden te kunnen overzien.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van zijn vader.

De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het zware lichamelijke letsel (subsidiair)

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte van oordeel dat het letsel van de vader, namelijk een snijwond in het gelaat, met een verwachte genezingsduur van een week en zonder bijkomende complicaties, zoals blijkt uit de medische informatie, geen zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht en dat dat letsel ook niet naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangeduid.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het hem subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel (meer subsidiair)

De rechtbank is ten slotte met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte van oordeel dat niet is vast komen te staan dat de verdachte het opzet in onvoorwaardelijke zin had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het opzet in voorwaardelijke zin op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verklaring van de vader over de feitelijke toedracht blijkt dat hij voelde dat er iets met kracht langs zijn gezicht werd getrokken.6 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het mes langs het gezicht van zijn vader heeft gehaald.7 Daarnaast blijkt uit de medische informatie dat het letsel bestond uit een snijwond in het gelaat8 en op een foto van de vader is te zien dat de snijwond loopt van het rechteroor tot aan de rechtermondhoek9.

Hoewel uit de aard van het letsel niet kan worden afgeleid dat de verdachte zodanig hard heeft gesneden of gestoken dat dit naar algemene ervaringsregels de dood tot gevolg kon hebben, kan hieruit wel worden afgeleid dat de verdachte op een zodanige plek (in het gelaat, nabij een oor en een oog) heeft gesneden dat dit zonder meer zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had kunnen hebben.

Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans vast dat het slachtoffer door het toedoen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

De verdachte heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan naar het oordeel van de rechtbank deze aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij zijn vader.

Concluderend

De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging om zijn vader met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op [datum] 2011 te [plaats A] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer B] (zijnde zijn vader) opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer B] met een mes in het gezicht heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank subsidiair de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van psychische overmacht. Hierbij voert zij aan dat de verdachte in een zodanige toestand van psychische drang verkeerde dat hij niet anders kon of behoorde te handelen dan hij heeft gedaan, een en ander veroorzaakt door een forse mate van bewustzijnsvernauwing, waarvan blijkt uit de rapportages.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet is gebleken dat bij de verdachte sprake was van een zodanige (psychische) druk dat daardoor zijn wilsvrijheid is aangetast, zodat hij niet anders kon of behoorde te handelen dan hij heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de rapportages pro justitia weliswaar dat bij de verdachte sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid, maar niet dat aannemelijk is dat ten tijde van het delict sprake was van een forse bewustzijnsvernauwing die volgens de raadsvrouw duidt op een situatie van psychische overmacht. Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat sprake was van een situatie van (psychische) overmacht.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, zodat de verdachte strafbaar is.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. L.A. Pronk heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak voor de gehele tenlastelegging en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

Meer subsidiair heeft zij bepleit een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke straf. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte spijt heeft, dat hij een first-offender is, dat hij blijkens de brief van zijn vader ook slachtoffer is, dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is en dat hij een forse mate van bewustzijnsvernauwing had ten tijde van het delict.

Ten aanzien van de eis van de officier van justitie heeft de raadsvrouw aangegeven dat er geen recidivegevaar is, terwijl dit wel vereist is voor oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, en dat de maatregel in casu een te zwaar middel is. Een alternatief kan een voorlopige machtiging strekkende tot opname en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis zijn.

Meest subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de gevorderde maatregel voorwaardelijk op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het snijden van zijn vader met een mes in diens gezicht, te kwalificeren als een poging om zijn vader zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De verdachte heeft ter terechtzitting geprobeerd uit te leggen wat zijn beweegredenen waren. De rechtbank begrijpt dat de verdachte pilletjes kreeg van zijn vader, terwijl hij niet wist waar die pilletjes voor waren, maar dacht dat die iets te maken hadden met hem toegedichte homoseksuele gevoelens. De verdachte heeft het delict naar eigen zeggen gepleegd om de waarheid met betrekking tot deze pilletjes boven tafel te krijgen.

Ter terechtzitting is duidelijk naar voren gekomen dat dit feit zowel de verdachte als zijn vader emotioneel zeer raakt. De vader van de verdachte heeft in zijn brief d.d. 30 september 2011 aangegeven dat hij al langer bezorgd is over de verdachte en dat hij van mening is dat zijn zoon evenzeer als slachtoffer moet worden gezien.

De vader heeft door toedoen van zijn zoon niet alleen psychische schade ondervonden, maar ook fysieke, in de vorm van een snijwond, uitmondend in een ontsierend litteken in zijn gezicht.

De rechtbank houdt geen rekening met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie, nu de verdachte pas sinds januari 2011 in Nederland is en er geen justitiële gegevens bekend zijn van de periode van verblijf alhier, noch van de periode dat hij in Egypte verbleef.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport, d.d. 2 oktober 2011, betreffende het psychiatrisch onderzoek, opgemaakt en ondertekend door drs. B.G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis in de zin van een gedragsstoornis NAO met daarnaast een angststoornis met kenmerken van posttraumatisch stress. Er is tevens sprake van verstoorde moeder-kind- en vader-kindrelaties. Er wordt een gebrekkige ontwikkeling gezien in de zin van identiteitszwakte, te omschrijven als een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met borderline kenmerken.

Zijn ziekelijke stoornis en zijn gebrekkige ontwikkeling beïnvloedden zijn gedragskeuzes ten tijde van het hem ten laste gelegde. Geconcludeerd wordt tot een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

Zijn identiteitszwakte en moeite om zijn gevoelens en emoties te reguleren en zijn neiging tot acting-out worden van belang geacht voor de kans op recidive. De gezinsomstandigheden waarbij hij zich miskend en verwaarloosd voelt, voeden zijn woede en agressie. Deze elementen versterken elkaar onderling in het risico op herhaling.

Geadviseerd wordt een behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Een civielrechtelijke maatregel in de vorm van een voorwaardelijke machtiging biedt ook wel een psychiatrische opnamemogelijkheid, maar het risico wordt te groot geacht dat hij te snel met ontslag kan gaan. Een PIJ-maatregel biedt de mogelijkheid om aan de verdachte de noodzakelijke vrij langdurige behandeling te bieden. Met stelligheid wordt aangegeven dat van groot belang is dat deze behandeling binnen een orthopsychiatrische setting als De Fjord in Capelle aan den IJssel of de forensisch jeugdpsychiatrische kliniek De Catamaran in Eindhoven gegeven wordt.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het pro justitia rapport, d.d. 3 oktober 2011, betreffende het psychologisch onderzoek, opgemaakt en ondertekend door drs. A. van Dijk, gz-psycholoog, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een gedragsstoornis, misbruik van cannabis en een angststoornis. Er is ook sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met borderline trekken. De ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling bestonden ook ten tijde van het ten laste gelegde. Bij het plegen van het ten laste gelegde hebben vooral de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling (betrekkingsideeën en verminderde agressieregulatie) een grote rol gespeeld. Geadviseerd wordt om de verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar op grond van de ziekelijke stoornis en de verstoorde relatie met zijn vader.

Van belang voor de kans op recidive zijn de uit de ziekelijke stoornis voortkomende factoren zoals betrekkingsideeën en de verminderde agressieregulatie.

Geadviseerd wordt om de verdachte gedwongen psychiatrisch te laten behandelen binnen het strafrechtelijk kader, in de vorm van een PIJ-maatregel. Deze maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte, omdat hij dringend psychiatrische hulp nodig heeft en omdat er geen verantwoorde mogelijkheden zijn om hem poliklinisch te behandelen vanwege de verstoorde gezinsrelaties. De voorkeur gaat uit naar behandeling in instelling De Fjord in Capelle aan den IJssel.

De rechtbank acht de verdachte, gelet op deze rapporten, verminderd toerekeningsvatbaar en houdt daarmee rekening bij het bepalen van de strafmaat. De mogelijke bewustzijnsvernauwing van de verdachte komt eveneens tot uitdrukking in de mate van toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 3 oktober 2011. De Raad adviseert eveneens aan de verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De Raad heeft daarbij aangegeven dat de (psychiatrische) problematiek van de verdachte gecompliceerd en ernstig is, dat het feit ernstig is en dat er op geen enkel leefgebied perspectief wordt geconstateerd. De Raad is daardoor van mening dat zowel de verdachte als zijn omgeving beschermd dienen te worden en dat dit bij voorkeur dient te geschieden binnen het kader van de PIJ-maatregel. De verdachte kan de behandeling die hij verdient en dringend nodig heeft binnen deze maatregel krijgen.

De Raad acht het in het belang van de ontwikkeling van de verdachte dat er bij de plaatsing goed wordt gekeken naar de psychiatrische stoornis van de verdachte en welke specifieke verzorging hij nodig heeft. De Fjord, Centrum voor Orthopsychiatrie, en de Catamaran, Kliniek voor Forensische Jeugdpsychiatrie, hebben de sterke voorkeur van de Raad.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapporten.

Ter terechtzitting heeft mevrouw J. Hageman, beëdigd en gehoord als deskundige, namens de Raad voor de Kinderbescherming verklaard dat behandeling van de verdachte in een psychiatrische instelling van het grootste belang is. Zij heeft verklaard dat de PIJ-maatregel meer waarborgen biedt dan de voorlopige machtiging strekkende tot opname en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, hoewel binnen de uitvoering van de PIJ-maatregel onduidelijk is in welke instelling de verdachte geplaatst zal worden.

De rechtbank leidt uit de rapportages, maar ook uit hetgeen naar voren is gekomen uit het dossier en uit hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen, af dat het in het allergrootste belang van de verdachte is dat hij behandeld wordt. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag in welk kader deze behandeling dient plaats te vinden.

Voor behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij strafoplegging ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.

De ernst van het gepleegde delict en het grote gevaar voor recidive, waarvan blijkt uit bovengenoemde rapportages, en daarmee de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen rechtvaardigen op zich een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, maar sluiten behandeling binnen het kader van de voorlopige machtiging strekkende tot opname en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet BOPZ) niet uit.

Door de deskundige is naar voren gebracht dat een eventuele voorlopige machtiging minder waarborgen biedt dan een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, mits de plaatsing zal geschieden in een psychiatrische instelling. De rechtbank onderschrijft dit.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op deze waarborgen, de bescherming van de maatschappij beter gegarandeerd kan worden als aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd dan wanneer de voorlopige machtiging strekkende tot opname en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis wordt verleend.

De rechtbank is, alles overwegend, van oordeel dat het zowel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte als in het belang van de beveiliging van de maatschappij is als aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De rechtbank zal dan ook deze maatregel opleggen aan de verdachte.

De rechtbank adviseert met klem de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen in De Fjord, Centrum voor Orthopsychiatrie, dan wel De Catamaran, Kliniek voor Forensische Jeugdpsychiatrie.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:

45, 77a, 77g, 77h, 77s, 77v, 303 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

POGING TOT ZWARE MISHANDELING GEPLEEGD MET VOORBEDACHTEN RADE, BEGAAN TEGEN ZIJN VADER TOT WIE HIJ IN FAMILIERECHTELIJKE BETREKKING STAAT;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

legt de verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

adviseert de maatregel ten uitvoer te leggen in De Fjord, Centrum voor Orthopsychiatrie, dan wel De Catamaran, Kliniek voor Forensische Jeugdpsychiatrie;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. C.L. Strop, kinderrechter,

en mr. J.P. Wittop Koning, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij de dossiers met het nummer PL1581 2011132946, respectievelijk I en II.

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 34, eerste alinea van de verklaring en blz. 36, derde alinea (dossier I).

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

4 Proces-verbaal van aangifte, blz. 34, eerste alinea van de verklaring (dossier I).

5 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

6 Proces-verbaal van aangifte, blz. 36, derde alinea van de verklaring (dossier I).

7 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

8 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring, blz. 12 (dossier II).

9 Een foto van het slachtoffer met het letsel, blz. 20 (dossier II).