Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4352

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 36306 & 10 / 36309
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van de belangenafweging de belangen van het kind niet op de eerste plaats heeft gezet. De rechtbank betrekt hierbij mede het bepaalde in het tweede lid van artikel 24 van het Handvest, waarin is opgenomen dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Het Handvest is juridisch bindend geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009.

Verweerder heeft in zijn reactie op het rapport van Kalverboer c.s. vragen geplaatst bij de waarde van de vragenlijsten die zijn ingevuld door eiseres en de leerkracht van de dochter van eiseres. Hetgeen verweerder in dit verband naar voren heeft gebracht geeft onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies in dit rapport. In het bijzonder ziet de rechtbank niet in dat het interviewen van eiseres, haar dochter en de leerkracht van de dochter, afbreuk doet aan de zorgvuldigheid waarmee het rapport tot stand is gekomen. Het lijkt onvermijdelijk dat voor een onderzoek als het onderhavige de input van de direct betrokkenen noodzakelijk is om tot bevindingen te komen. Overigens hebben de onderzoekers zich naast de informatie uit de vragenlijsten tevens gebaseerd op de binnen de universiteit van Groningen bestaande expertise op het gebied van kinderen, ontwikkeling en kinderrechten en op internationaal wetenschappelijk onderzoek op deze gebieden.

Op grond van het hiervoor overwogene heeft verweerder eiseres ten onrechte niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 10 / 36308 (beroep)

AWB 10 / 36309 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 10 oktober 2011

in de zaak van:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Ethiopische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.J. Meijering, advocaat te Utrecht,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.V. van Vegten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 2 september 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking staatssecretaris’. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 21 september 2009 afgewezen. Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.2 Eiseres heeft op 19 oktober 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

1.4 Het onderzoek ter zitting is geschorst en vervolgens hervat op 8 september 2011. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt gesteld. De aanvraag van eiseres is afgewezen, omdat zij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) en niet kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Gelet op de medisch adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 23 februari 2010 en 10 juni 2010 is eiseres, zonder enige medische voorziening, in staat te reizen naar haar land van herkomst teneinde een mvv-aanvraag in te dienen en de behandeling daarvan aldaar af te wachten. Er is derhalve geen aanleiding eiser op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), vrij te stellen van het mvv-vereiste. Voorts leidt toepassing van het mvv-vereiste niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Blijkens voormelde BMA-adviezen is eiseres in staat om te reizen en is bij uitblijven van medische behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie te verwachten. Toepassing van het mvv-vereiste is ook niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en is geen schending van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Het nader overgelegde rapport van dr. mr. Kalverboer brengt verweerder niet tot een ander inzicht.

2.2 Eiseres heeft hier in beroep het volgende tegen aangevoerd. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiseres een alleenstaande moeder is met een in Nederland op 7 december 2004 geboren en schoolgaand minderjarig kind. Eiseres heeft psychische klachten. Ze heeft samen met haar dochter in Nederland haar leven opgebouwd. Eiseres is als kind slachtoffer geworden van vrouwenhandel en heeft ten gevolge daarvan ernstige psychische klachten, waarvoor zij wordt behandeld en medicatie ontvangt. Zowel eiseres als haar dochtertje lijden onder de dreigende uitzetting. Een gedwongen uitzetting zal voorzienbaar verdere schade aan de ontwikkeling van haar dochter veroorzaken. In deze wordt verwezen naar het overgelegde rapport van dr. mr. M.E. Kalverboer en drs. A.E. Zijlstra van de Rijksuniversiteit Groningen van april 2006. De dochter van eiseres verblijft bijna zeven jaar in Nederland, zij spreekt vrijwel uitsluitend Nederlands en is opgevoed met de Nederlandse normen en waarden. De omstandigheden waarin eiseres en haar dochtertje verkeren, kunnen op grond van het IVRK danwel artikel 8 van het EVRM aanleiding zijn aan eiseres verblijf toe te staan. Daarnaast heeft eiseres verwezen naar het overgelegde orthopedische rapport van dr. mr. Kalverboer en M. ten Brummelaar Msc (hierna: Kalverboer c.s.) d.d. 20 april 2011 inzake de dochter van eiseres en naar een beknopt verslag van de directeur van de school en de leerkracht van de dochter van eiseres. Eiseres doet tot slot een beroep op artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

De rechtbank overweegt als volgt.

2.3 Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft een vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidtoestand niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, onder 2, sub l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd van artikel 8 van het EVRM zou zijn.

2.4 Niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres vrijgesteld zou moeten worden van het mvv-vereiste.

Eiseres heeft in dit verband allereerst aangevoerd niet in staat te zijn af te reizen naar Ethiopië vanwege haar medische klachten. Het BMA heeft op 23 februari 2010 en aanvullend op 10 juni 2010 advies uitgebracht. Het BMA rapporteert dat eiseres onder behandeling staat voor haar psychische problemen, bestaande uit een posttraumatische stress stoornis. Het BMA concludeert evenwel dat eiseres in staat wordt geacht te kunnen reizen. Er zijn geen aanwijzingen voor een medische noodsituatie op korte termijn. Om die reden zijn de landgebonden vragen in beide rapporten van het BMA niet beantwoord.

2.5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de adviezen van het BMA. Het BMA heeft zich gebaseerd op informatie van de behandelaars van eiseres. Verweerder hoefde hierdoor geen aanleiding te zien om het BMA te noodzaken eiseres uit te nodigen voor het spreekuuronderzoek en nader specialistisch onderzoek.

2.6 Gezien het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres in staat is om te reizen en het uitblijven van de behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, zodat eiseres niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste als genoemd in artikel 17, eerste lid, onder c, Vw.

2.7 Voorts is in geschil of eiseres in aanmerking dient te komen voor een vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, Vb.

Niet in geschil is dat tussen eiseres en haar dochter sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Evenmin is in geschil dat eiseres noch haar dochter beschikken over een titel tot rechtmatig verblijf in Nederland.

2.8 De vraag die in dit kader voorligt is of artikel 8 EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiseres en haar dochter. Bij de te verrichten beoordeling in het kader van artikel 8 EVRM dient volgens vaste jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de staat. Bij deze afweging komt aan de staat een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.9 Bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 EVRM zich in dit geval verzet tegen de uitzetting van eiseres dient de rechtbank dan ook te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken en - indien dit het geval is - of verweerder zich, gelet op de “fair balance” die gevonden moet worden tussen de verschillende belangen, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitzetting van eiseres niet strijdig zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Dit toetsingskader impliceert een enigszins terughoudende beoordeling door de rechtbank.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet binnen de hem toekomende beoordelingsvrijheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de belangen van eiseres en haar dochter niet opwegen tegen het algemeen belang van de staat bij hun uitzetting. De belangen van de staat wegen in dit geval weliswaar zwaar, mede gelet op de omstandigheid dat eiseres en haar dochter nimmer rechtmatig verblijf hier te lande hebben gehad en dat eiseres haar gezinsleven is begonnen en hieraan een nadere invulling heeft gegeven tijdens dit niet legale verblijf. Desondanks heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid de belangenafweging in het nadeel van eiseres mogen laten uitvallen, waarbij de rechtbank met name de belangen van de minderjarige dochter van eiseres in aanmerking neemt. In dit kader acht de rechtbank van belang dat de dochter van eiseres in Nederland is geboren en getogen, nimmer in Ethiopië is geweest, de taal van het land nauwelijks spreekt en moeder de zorg heeft over haar dochter. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank van groot belang de orthopedagogische rapportage van dr. mr. Kalverboer c.s. inzake de dochter van eiseres. In dit rapport wordt een indicatie gegeven van de ontwikkelingsrisico’s bij uitwijzing van het kind naar Ethiopië. De bevindingen van Kalverboer c.s. komen er samengevat op neer dat uitwijzing niet in het belang van de ontwikkeling van het kind is. Er wordt op gewezen dat het huidige toestandbeeld van de moeder, de verwachte situatie bij uitwijzing naar Ethiopië, en de geworteldheid van het kind in de Nederlandse samenleving, het onverantwoord maakt om moeder en haar dochter terug te sturen. De dochter ziet zichzelf als een Nederlands meisje. Het land Ethiopië kent ze alleen maar van verhalen van haar moeder. Verder wordt gerapporteerd dat dochter veel behoefte heeft aan contact met haar vader, die in Amerika woont, maar dat vader hier terughoudend in is. Hij neemt steeds minder contact op met zijn dochter. Moeder vindt het lastig om haar dochter hierin teleurgesteld te zien. De leerkracht is positief over de ontwikkelingen van de dochter. Ze beheerst het Nederlands erg goed. Bij terugkeer naar Ethiopië vreest eiseres voor het welzijn van haar dochter. Eiseres vreest onder meer dat haar dochter slachtoffer wordt van vrouwenbesnijdenis. Verder wordt er in de rapportage op gewezen dat het eiseres ontbreekt aan een sociaal ondersteunend netwerk in Ethiopië.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van de belangenafweging de belangen van het kind niet op de eerste plaats heeft gezet. De rechtbank betrekt hierbij mede het bepaalde in het tweede lid van artikel 24 van het Handvest, waarin is opgenomen dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Het Handvest is juridisch bindend geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009.

2.12 Verweerder heeft in zijn reactie op het rapport van Kalverboer c.s. vragen geplaatst bij de waarde van de vragenlijsten die zijn ingevuld door eiseres en de leerkracht van de dochter van eiseres. Hetgeen verweerder in dit verband naar voren heeft gebracht geeft onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies in dit rapport. In het bijzonder ziet de rechtbank niet in dat het interviewen van eiseres, haar dochter en de leerkracht van de dochter, afbreuk doet aan de zorgvuldigheid waarmee het rapport tot stand is gekomen. Het lijkt onvermijdelijk dat voor een onderzoek als het onderhavige de input van de direct betrokkenen noodzakelijk is om tot bevindingen te komen. Overigens hebben de onderzoekers zich naast de informatie uit de vragenlijsten tevens gebaseerd op de binnen de universiteit van Groningen bestaande expertise op het gebied van kinderen, ontwikkeling en kinderrechten en op internationaal wetenschappelijk onderzoek op deze gebieden.

2.13 Op grond van het hiervoor overwogene heeft verweerder eiseres ten onrechte niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb.

2.14 De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

2.15 Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

2.16 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1092,50 (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.17 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.18 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.19 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.20 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 437,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.21 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 19 oktober 2010;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.092,50 te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het beroep;

3.5 draagt verweerder op € 150,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het beroep.

De voorzieningenrechter:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het verzoek;

3.8 draagt verweerder op € 150,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, rechter, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.