Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4347

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
09-920377-10
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht, zware mishandeling c.q. poging zware mishandeling, gedragsbeinvloedende maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920377-10

Datum uitspraak: 24 oktober 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1994 te [plaats A],

wonende te [plaats B]

thans preventief gedetineerd, verblijvende in de Rijksinrichting voor jongens Den Hey-Acker te Breda.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 maart 2011, 26 mei 2011, 18 augustus 2011 en 13 oktober 2011.

Bij tussenvonnis d.d. 25 augustus 2011 is het onderzoek ter terechtzitting heropend teneinde de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid en de haalbaarheid van een gedragsbeïnvloedende maatregel.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.R.M. van Schoonderwoerd den Bezemer-Wolters en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte mrs. C.M.H. van Vliet en B.D.W. Martens, advocaten te 's- Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [datum] 2010 te [plaats B] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer B] van het leven te beroven,

opzettelijk met een of meer mes(sen), althans een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) meermalen, althans één maal heeft gestoken in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer B] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [datum] 2010 te [plaats B] aan een persoon genaamd [slachtoffer B] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (drie messteken in de hand van die [slachtoffer B] en een messteek in het been van die [slachtoffer B]), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een of meer mes(sen), althans een of meer scherp(e) en puntig(e) voorwerp(en) in de hand(en) en het been/de benen, althans meermalen in het lichaam, te steken;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [datum] 2010 te [plaats B] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer B] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer mes(sen), althans een of meer scherp(e) en puntig(e) voorwerp(en), in de hand(en) en in het been/de benen, in elk geval meermalen in het lichaam, van die [slachtoffer B] gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag dan wel zware mishandeling dan wel poging tot zware mishandeling door [slachtoffer B] in zijn hand en been te steken.

De officier van justitie heeft op 18 augustus 2011 gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, poging tot doodslag, heeft begaan. De officier van justitie acht dit bewezen op grond van de verklaringen van meerdere getuigen die hebben gezien dat de verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt, de omstandigheid dat de verdachte en het slachtoffer dicht op elkaar stonden terwijl de verdachte met grote messen stekende bewegingen maakte en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting. De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer het leven zou laten. Het slachtoffer heeft door de stekende bewegingen daadwerkelijk letsel opgelopen aan hand en bovenbeen, waaruit afgeleid kan worden dat bij het steken een slagader geraakt had kunnen worden met de dood van het slachtoffer tot gevolg.

Ter terechtzitting d.d. 13 oktober 2011 heeft de officier van justitie gepersisteerd bij haar standpunt ten aanzien van de bewezenverklaring.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting van 18 augustus 2011 heeft mr. C.M.H. van Vliet integrale vrijspraak van het aan de verdachte ten laste gelegde bepleit wegens het ontbreken van opzet van de verdachte op zowel de dood van aangever als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Primair heeft de raadsvrouw hiertoe aangevoerd dat aangever de enige is die heeft verklaard dat de verdachte hem heeft gestoken. Uit de verklaringen van de getuigen kan slechts worden opgemaakt dat de verdachte heeft gezwaaid met de messen wat enkel een bedreiging oplevert, hetgeen niet aan de verdachte ten laste is gelegd. Ten aanzien van het letsel aan de hand en het been van aangever heeft de raadsvrouw erop gewezen dat aangever, gelet op de medische verklaring, snijwonden (derhalve geen steekwonden) heeft opgelopen, waaruit volgens de raadsvrouw lijkt te volgen dat er niet met de messen is gestoken maar dat aangever tijdens het slaan en schoppen van de verdachte de messen heeft geraakt. Er is volgens de raadsvrouw dan ook geen sprake van voorwaardelijk opzet gericht op de dood of zwaar lichamelijk letsel aangezien de verdachte er geen rekening mee hoefde te houden dat aangever hem zou slaan of schoppen. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel degelijk sprake is van (voorwaardelijk) opzet heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het letsel van aangever geen zwaar lichamelijk letsel oplevert in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht zodat de verdachte om die reden vrijgesproken dient te worden van het subsidiair ten laste gelegde.

Ter terechtzitting van 13 oktober 2011 heeft mr. Martens gepersisteerd bij de op 18 augustus 2011 door mr. Van Vliet bepleitte integrale vrijspraak.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Op [datum] 2010 vindt er een woordenwisseling plaats tussen getuige [getuige C] en de verdachte op een pleintje aan de [adres] te [plaats B].2 Aangever, een vriend van getuige [getuige C], mengt zich in de woordenwisseling, waarop hij de verdachte tegen hem hoort zeggen: "Moet ik je steken?"3 Ook getuige [getuige C] hoort de verdachte tegen aangever zeggen dat hij hem wel neer zou steken.4

Aangever verlaat vervolgens het pleintje en begeeft zich richting supermarkt Hoogvliet. Onderweg hoort getuige [getuigege D] de verdachte tegen aangever roepen: "Wil je messteken, blijf staan!"5

Voor de Hoogvliet treffen aangever en de verdachte elkaar weer. De verdachte komt op aangever af en heeft, nadat hij zijn handen uit de zakken van trui haalt, in beide handen een mes en houdt deze met de punten naar beneden vast.6 Getuige [getuige C] ziet dat de verdachte de messen als het ware andersom vasthoudt.7 De verdachte steekt aangever met één van de messen en maakt zwaaiende bewegingen met zijn arm waarbij hij de rechterhand van aangever raakt.8

Getuige [getuige C] ziet dat de verdachte met de messen in zijn handen van zich afslaat.9 Aangever duwt de verdachte waarop de verdachte met de messen in zijn handen op de grond valt. Aangever slaat vervolgens de verdachte. De verdachte maakt, terwijl hij op de grond ligt, nogmaals stekende bewegingen richting aangever, waarbij hij aangever nog een keer in zijn rechterhand en in zijn linkerbovenbeen raakt.10

Getuigen [getuige E] en [getuige F] stappen op dat moment uit de bus ter hoogte van de Hoogvliet. Zij zien aangever en de verdachte vechten. Als getuige [getuige E] roept dat ze moeten stoppen, ziet zij aangever op hen aflopen met een bebloede arm en hoort zij hem roepen: "Ik ben gestoken, ik ben gestoken." Getuige [getuige E] ziet de verdachte hun richting oplopen met een mes in zijn handen. Zij ziet dat de verdachte gefocust is op aangever en dat hij boos kijkt en een aparte blik in zijn ogen heeft.11 Getuige [getuige F] ziet dat de verdachte het mes stevig in zijn hand vast heeft en dat hij daarbij een totaal bezeten blik in zijn ogen heeft.12

In het ziekenhuis is bij aangever een drietal snijwonden aan zijn rechterhand geconstateerd, op de buitenzijde van de duim, bovenop het onderste deel van de duim en op de muis van de duim. Tevens is er een snijwond aan de buitenzijkant van het linkerbovenbeen van aangever geconstateerd. De genezingsduur is geschat op enkele weken.13

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op [datum] 2010 twee messen bij zich had. Voorts heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij in zijn beleving niet heeft gestoken, maar dat het zou kunnen dat er iets is gebeurd wat hij niet meer weet.14

De rechtbank is op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, met name de aangifte, van oordeel dat het de verdachte is geweest die de confrontatie met aangever heeft gezocht en hem heeft gestoken. Pas daarna is de verdachte door een duw van aangever op de grond terechtgekomen en is hij blijven zwaaien en steken met de messen. De rechtbank gaat er vanuit dat de verdachte met de messen heeft gezwaaid en gestoken met de bedoeling om aangever te raken. De rechtbank leidt dit met name af uit de verklaringen van aangever en de getuigen [getuige C] en [getuige Ds], waaruit blijkt dat de verdachte van tevoren heeft aangekondigd dat hij aangever zou gaan steken.

De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen en de omstandigheden van het geval niet kan worden bewezen dat de verdachte met het steken opzet heeft gehad op de dood van aangever. Er is sprake van drie snijwonden aan de hand en één snijwond in het linkerbeen van aangever. De rechtbank is van oordeel dat de plekken van deze verwondingen geen aanleiding geven om aan te nemen dat de verdachte opzet of voorwaardelijk opzet heeft gehad op het raken van vitale delen waardoor de dood van aangever zou kunnen intreden. Hoewel de verdachte weliswaar een slagader had kunnen raken, is het niet zo dat, zoals gesteld door de officier van justitie, iedere slagaderlijke bloeding de dood tot gevolg heeft. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat het letsel van aangever, namelijk de snijwonden aan de hand en in het bovenbeen, met een verwachte genezingsduur van enkele weken en uitzicht op volkomen genezing, niet kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl dat letsel ook niet naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangeduid. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het hem subsidiair ten laste gelegde feit.

De rechtbank is wel van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde feit, te weten poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft immers met messen op zak de confrontatie gezocht met aangever nadat hij meermalen heeft aangekondigd aangever te gaan steken. Door vervolgens met de messen te zwaaien en steken in de richting van aangever heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

3.4 De bewezenverklaring

Op grond van het onder 3.3 overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende kennelijke schrijf- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - dat:

hij op [datum] 2010 te [plaats B] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer B] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met messen in de hand en in het been van die [slachtoffer B] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2011 haar aanvankelijke vordering, gedaan ter terechtzitting van 18 augustus 2011, gewijzigd naar aanleiding van het rapport d.d. 7 oktober 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming. Ter terechtzitting van 13 oktober 2011 heeft zij gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 260 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, bestaande uit een klinische opname bij forensisch psychiatrische kliniek de Catamaran, onder bepaling dat bij niet meewerken vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 maanden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2011 primair bepleit - zo de rechtbank niet zou willen meegaan in de door hem voorgestane vrijspraak - aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen met daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie. De raadsman heeft betoogd dat oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel niet mogelijk is, aangezien die maatregel ingevolge artikel 77w, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht slechts op grond van een daartoe strekkend schriftelijk advies van de Raad voor de Kinderbescherming kan worden opgelegd, welk advies door een gedragsdeskundige moet worden ondersteund. De raadsman is van oordeel dat niet is voldaan aan dit vereiste. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet is voldaan aan artikel 77w lid 3 juncto lid 5, van het Wetboek van Strafrecht, nu ter uitvoering van de invulling van het programma van de gedragsbeïnvloedende maatregel geen op de problematiek van de verdachte afgestemd plan is vastgesteld. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, indien de verdachte in het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel in de Catamaran zal worden geplaatst, het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen te zwaar is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door met twee grote messen stekende en zwaaiende bewegingen richting het slachtoffer te maken, terwijl de afstand tussen hem en het slachtoffer zeer gering was. Deze gedragingen hebben geresulteerd in nare verwondingen, waar het slachtoffer tot op de dag van vandaag last van ondervindt. Uit de verklaringen van getuigen komt voorts naar voren dat de verdachte ten tijde van dit incident opgefokt en ontremd was. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank het zeer wel denkbaar dat het letsel aanmerkelijk zwaarder had kunnen zijn. Dit handelen van de verdachte heeft in de eerste plaats ernstige gevolgen voor het slachtoffer gehad, maar heeft ook een grote impact gehad op de omstanders die de situatie als schokkend hebben ervaren. Het slachtoffer heeft als gevolg van het steken en zwaaien met de messen pijn en letsel aan zijn hand en been opgelopen. De verwondingen aan zijn hand hebben geleid tot een beperking in functie waardoor hij tijdelijk niet in staat is geweest om te werken en het sporten nog steeds problemen oplevert.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de littekens op zijn hand het slachtoffer voortdurend blijven herinneren aan de gebeurtenis en dat hij door de angstige herinneringen minder onbevangen in het leven staat.

De rechtbank acht de verdachte verantwoordelijk voor zijn gedrag en rekent hem de hierboven beschreven gevolgen zwaar aan. Ook de omstandigheid dat verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag neemt de rechtbank hem kwalijk. Voorts houdt de rechtbank er in het nadeel van de verdachte rekening mee dat hij zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis niet aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden en dat hij gedurende zijn schorsing opnieuw door de politie met messen in zijn bezit is aangehouden. De omstandigheid dat dit kon gebeuren terwijl hij door de ondergane voorlopige hechtenis reeds geconfronteerd was met het ontoelaatbare van zijn handelen en hij bovendien begeleid werd binnen het strakke kader van ITB Harde Kern, vormt gerede aanleiding de kans op herhaling hoog in te schatten.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit of ander strafbaar feit.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van het Forensisch Consortium Adolescenten (hierna: het ForCa) d.d. 8 augustus 2011, van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek, ondertekend door GZ-Psycholoog R. Haveman en kinder- en jeugdpsychiater A.A. Krabbendam, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een oppositionele opstandige gedragsstoornis, ADHD, primaire insomnia en cannabisafhankelijkheid. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van benedengemiddelde intelligentie, dyslexie en problemen op het gebied van executief functioneren. Deze stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van structurele aard waren ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezig. De rapporteurs hebben geen advies gegeven over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte aangezien de verdachte het ten laste gelegde ontkent dan wel stelt zich niets van het voorval te kunnen herinneren. Ongunstig voor de kans op recidive wordt in het rapport genoemd dat de gewetensontwikkeling van de verdachte licht beperkt en jong wordt geschat. Zijn zelfsturing en gewetensfunctie zijn sterk extern bepaald en strafafhankelijk. De verdachte weet cognitief wat goed en fout is, maar zal zijn gedrag alleen conform dat besef bepalen wanneer er een direct gevolg op dat gedrag plaatsvindt. De verdachte heeft problemen met overzicht in complexe situaties en is impulsief. Zijn copingsvaardigheden zijn beperkt en hij heeft externe sturing en controle nodig. Ouders zijn pedagogisch onmachtig om met de problematiek van de verdachte om te gaan en zijn zich onvoldoende bewust van de risico's met betrekking tot zijn gedrag. Verdachte heeft een langer durende en intensieve behandeling nodig. Een ambulant traject wordt niet haalbaar geacht. De verdachte heeft een kader nodig waar 24-uurs zorg en toezicht wordt geboden en waarbinnen hij de juiste hulp kan krijgen. Behandeling en begeleiding in een klinische instelling in het kader van een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte behandeling en begeleiding zal moeten ondergaan in een klinische instelling wordt het meest geschikt geacht. Geadviseerd wordt om verdachte te plaatsen in een setting die gericht is op behandeling, zoals de Catamaran, een kliniek voor forensische kinder- en jeugdpsychiatrie van de GGZ Eindhoven.

Gezien het hoge recidiverisico wordt geadviseerd de plaatsing van de verdachte in een instelling als de Catamaran te laten aansluiten op de detentiestraf of anders te overbruggen middels een plaatsing in een ander (civiel) kader.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft de rechtbank in het voorlichtingsrapport d.d. 15 augustus 2011 geadviseerd om de verdachte een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen met als bijzondere voorwaarden meewerken aan plaatsing in en behandeling bij de Catamaran of een vergelijkbare instelling en meewerken aan begeleiding door de jeugdreclassering.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis d.d. 25 augustus 2011 de Raad voor de Kinderbescherming opdracht gegeven onderzoek te doen naar de mogelijkheid en de haalbaarheid van een (al dan niet klinische) behandeling van verdachte in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat sinds de invoering van de gedragsbeïnvloedende maatregel en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht, de mogelijkheid om een klinische opname als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf of maatregel op te leggen (in beginsel) niet meer bestaat. Bovendien volgt uit (de toelichting bij) het Besluit Gedragsbeïnvloeding dat het niet wenselijk wordt beschouwd om een opname of behandeling van een langere duur dan zes maanden middels een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling op te leggen, doch dat in dat geval als juridisch kader voor een dergelijke behandeling de gedragsmaatregel dient te worden benut. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011 (LJN BQ4676).

De Raad voor de Kinderbescherming heeft Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, vervolgens gevraagd een haalbaarheidsonderzoek in het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel te verrichten. Uit de rapportage d.d. 28 september 2011 van Bureau Jeugdzorg blijkt dat plaatsing van de verdachte in een orthopsychiatrische instelling in het kader van een gedragsbeïnvloedende mogelijk is waarbij plaatsing in de Catamaran de voorkeur verdient boven andere instellingen. Blijkens dit rapport is ambulante hulpverlening bij het Palmhuis/MDFT geen aanvaardbaar alternatief voor een klinische behandeling, hetgeen mevrouw Mooij, reclasseringsmedewerkster, ter terechtzitting van 13 oktober 2011 heeft bevestigd.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij briefrapport d.d. 7 oktober 2011 aangegeven het gegeven advies van de jeugdreclassering te ondersteunen en onderschrijven.

Op 12 oktober 2011 heeft de heer Hoekstra, raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, de officier van justitie per e-mail laten weten dat de verdachte met ingang van 25 oktober 2011 in de Catamaran kan worden geplaatst.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman ten aanzien van de mogelijkheid van oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in het rapport van 15 augustus 2011 geadviseerd tot voorwaardelijke oplegging van de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen met als voorwaarden meewerken aan plaatsing in en behandeling bij de Catamaran en begeleiding door de jeugdreclassering.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in dit rapport en ter terechtzitting op 18 augustus 2011 tot uitdrukking gebracht in te stemmen met het advies gegeven in het rapport d.d. 8 augustus 2011 van ForCa, bij welk advies gedragsdeskundigen, te weten een GZ-psycholoog en een kinder- en jeugdpsychiater, betrokken zijn geweest. In het briefrapport d.d. 7 oktober 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming is aangegeven dat het gegeven advies van de jeugdreclassering ten aanzien van de mogelijkheid en haalbaarheid van de gedragsbeïnvloedende maatregel wordt ondersteund en onderschreven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden in voldoende mate is voldaan aan artikel 77w, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook voldoende invulling is gegeven aan artikel 77w, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht, nu in het ForCa rapport d.d. 8 augustus 2011 niet alleen uitvoerig de problematiek van de verdachte is beschreven maar ook de behandeldoelen zijn opgenomen. Blijkens het briefrapport d.d. 7 oktober 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming zijn deze doelen besproken met de Catamaran en heeft er een intake plaatsgevonden, waarna is gebleken dat behandeling van de verdachte in de Catamaran op basis van de in het ForCa rapport beschreven behandeldoelen passend wordt geacht.

De rechtbank onderschrijft de bevindingen uit het ForCa rapport d.d. 8 augustus 2011 ten aanzien van problematiek van de verdachte, het hoge recidivegevaar en de noodzaak tot langdurige en intensieve behandeling, maar zal gezien artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht, de implicaties van het Besluit Gedragsbeïnvloeding en het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011 (LJN BQ4676), het in het ForCa rapport gegeven advies niet opvolgen waar het betreft het juridische kader waarbinnen de noodzakelijk geachte behandeling dient plaats te vinden. Bovendien acht de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van het delict en de omstandigheid dat de verdachte first offender is, een (on)voorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet passend en evenmin proportioneel.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf en de intensiviteit van de benodigde behandeling van de verdachte aanleiding geven tot de oplegging van een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie en oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel met als bijzondere voorwaarde klinische opname in de Catamaran en begeleiding door de jeugdreclassering. Deze maatregel wordt ook toereikend geacht in relatie tot de geschatte behandelduur van twee jaar, gelet op de mogelijkheid van verlenging. De rechtbank acht de oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van twaalf maanden in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank zal vervangende jeugddetentie opleggen voor de duur van twaalf maanden, gelijk aan de duur van de gedragsbeïnvloedende maatregel. De rechtbank overweegt daartoe dat zij van belang acht dat de vervangende jeugddetentie, die onderdeel uitmaakt van de gedragsbeïnvloedende maatregel, een zodanige stok achter de deur vormt dat de verdachte niet op enig moment in de verleiding komt zich aan de behandeling te onttrekken. Overigens wijst de rechtbank er op dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 77wb van het Wetboek van Strafrecht, de inhoud van de maatregel kan worden gewijzigd indien de ontwikkeling van de verdachte daartoe aanleiding geeft.

Om te verzekeren dat de verdachte ook na afloop van de gedragsbeïnvloedende maatregel nog enige tijd onder begeleiding van de jeugdreclassering zal blijven, zal de rechtbank voorts een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen met daaraan eveneens verbonden de bijzondere voorwaarde van begeleiding door de jeugdreclassering.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer B] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding groot € 1.125,95, bestaande uit een bedrag van € 1.030,-- aan immateriële schade en een bedrag van € 95,95 aan materiële schade.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting van 18 augustus 2011 heeft mr. Van Vliet primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit en zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij als vergoeding van de materiële en immateriële schade toewijsbaar. De vordering is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet, dan wel onvoldoende betwist. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.125,95.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van [datum] 2010 is ontstaan.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het meer subsidiair bewezenverklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.125,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf [datum] 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer B].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

POGING TOT ZWARE MISHANDELING;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 290 dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van

25 oktober 2011 om 09:00 uur;

legt aan de verdachte op

de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden,

die bestaat uit:

- klinische opname vanaf 25 oktober 2011 bij de Catamaran, kliniek voor Forensische Jeugdpsychiatrie en Orthopsychiatrie;

- gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 maanden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer B] een bedrag van € 1.125,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf [datum] 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.125,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf [datum] 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer B]

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van voor de duur van 14 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichtingen aan de Staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter, voorzitter,

mr. S.M. Krans, kinderrechter,

en mr. C.L. Strop, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D. Dijs, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van

24 oktober 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1640/2010 155217, pagina 1 tot en met 178.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B] pagina 18

3 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B] pagina 19

4 Verklaring getuige N.L.G. [getuigege C], pagina 33

5 Verklaring getuige C.S. [getuige Ds], pagina 51

6 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B] pagina 19

7 Proces-verbaal verhoor getuige N.L.G. [getuigege C], pagina 34

8 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B] pagina 19

9 Verklaring getuige N.L.G. [getuigege C] bij de rechter-commissaris

10 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B] pagina 19/20

11 Proces-verbaal verhoor getuige A.J. [getuige E], pagina 36/37

12 Proces-verbaal verhoor getuige EV. [getuigege F], pagina 41

13 Medische verklaring GGD Hollands Midden, met bijlagen, pagina 156 tot en met 160

14 Verklaring verdachte, proces-verbaal ter terechtzitting van 18 augustus 2011, pagina 3