Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4041

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
09/753290 -11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 2 april 2011 in Alphen aan Rijn twee mannen doodgeschoten en geprobeerd twee anderen dood te schieten. De aanleiding was dat de slachtoffers er vandoor gingen met een tas met 3 kilo aan verdachte toebehorende cocaïne. Geen noodweer dan wel noodweerexces. Geen putatief noodweer(exces). Gevangenisstraf voor de duur van 21 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/753290-11

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 14 juli 2011, 6 oktober 2011 en 7 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.J.P. Coenen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en met voorbedachten rade [W] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een (aantal) kogels(s) geschoten in het hoofd van die [W], tengevolge waarvan voornoemde [W] is overleden;

en/of

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [W] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogels(s) geschoten in het hoofd van die [W], tengevolge waarvan voornoemde [W] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en met voorbedachten rade [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een (aantal) kogels(s) geschoten in het hoofd van die [X], tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden;

en/of

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogels(s) geschoten in het hoofd van die [X], tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

3.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [Y] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Y] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

4.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [Z] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [Z], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Z] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [Z], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

5.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop en/of Gouda en/of elders in het arrondissement Den Haag ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Y] en/of [Z] van het leven te beroven met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s) achter die in een auto zittende [Y] en/of [Z] is aangereden en/of met een vuurwapen in de richting van die auto waarin die [Y] en/of [Z] zaten,

heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (poging doodslag) niet is voltooid;

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing/diefstal van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop en/of Gouda en/of elders in het arrondissement Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [Z] en/of [Y] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (inhoudende een (grote) hoeveelheid cocaïne), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [Z] en/of [Y], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (met zijn mededader(s), althans alleen, althans door een of meer van zijn mededader(s))

- met hoge snelheid en/of op korte afstand achter de in een auto zittende [Z] en/of [Y] en/of [W] en/of [X] aan te rijden, zulks nadat eerder een schietpartij had plaatsgevonden waardoor die [Z] en/of [Y] en/of [W] en/of [X] schotwonden had(den) opgelopen en/of

- met een vuurwapen in de richting van die auto waarin die [Z] en/of [Y] en/of [W] en/of [X] zaten, te schieten, althans hoorbaar voor die [Z] en/of [Y] met dat vuurwapen te schieten;

6.

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Krimpen aan den IJssel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, ten aanzien van feit 1, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn, [W] heeft doodgeschoten. Onder feit 1 eerste cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als moord en onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als doodslag, waarbij verdachte tevens ervan wordt verdacht dat die doodslag gepaard ging met enig strafbaar feit.

De verdenking komt er, ten aanzien van feit 2, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn, [X] heeft doodgeschoten. Onder feit 2 eerste cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als moord en onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als doodslag, waarbij verdachte tevens ervan wordt verdacht dat die doodslag gepaard ging met enig strafbaar feit.

De verdenking komt er, ten aanzien van feit 3, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn, heeft gepoogd om tezamen en in vereniging met een ander of anderen [Y] dood te schieten. Onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als een poging tot moord en onder feit 3 tweede cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als een poging tot doodslag, waarbij verdachte tevens ervan wordt verdacht dat die doodslag gepaard ging met enig strafbaar feit.

De verdenking komt er, ten aanzien van feit 4, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn, heeft gepoogd om tezamen en in vereniging met een ander of anderen [Z] dood te schieten. Onder feit 4 eerste cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als een poging tot moord en onder feit 4 tweede cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als een poging tot doodslag, waarbij verdachte tevens ervan wordt verdacht dat die doodslag gepaard ging met enig strafbaar feit.

De verdenking komt er, ten aanzien van feit 5 primair, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop en/of Gouda en of elders in het arrondissement Den Haag heeft gepoogd om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [Y] en [Z] van het leven te beroven door achter hen aan te rijden en in de richting van de auto waarin zij reden te schieten, welke hiervoor beschreven poging tot doodslag gepaard ging met enig strafbaar feit. Ten aanzien van feit 5 subsidiair komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop en/of Gouda en of elders in het arrondissement Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [Z] en [Y] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas met cocaïne.

De verdenking komt er, ten aanzien van feit 6, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op of omstreeks 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn en/of Krimpen aan den IJssel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een (grote) hoeveelheid cocaïne heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (impliciet primair) dan wel aanwezig heeft gehad (impliciet subsidiair).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 tweede cumulatief/alternatief, feit 2 tweede cumulatief/alternatief, feit 3 tweede cumulatief/alternatief, feit 4 tweede cumulatief/alternatief, feit 5 subsidiair en feit 6 impliciet subsidiair heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte van de onder 5 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tijdens de achtervolging in de richting van de auto heeft geschoten waarin [Z], [Y], [W] en [X] zaten. Volgens de raadsman kan het enkele op korte afstand achtervolgen niet worden aangemerkt als geweld dan wel een bedreiging met geweld, zoals onder feit 5 subsidiair is ten laste gelegd, omdat in dat geval iedere reguliere "bumperklever" een misdrijf zou begaan. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Op 2 april 2011 arriveert omstreeks 01:09 uur bij het Bleuland Ziekenhuis te Gouda een grijze Renault Laguna, kenteken [kenteken] met vier inzittenden. De gehele auto is met bloed besmeurd en zowel het raam van het bestuurders- als het bijrijdersportier is kapot.2 [Z] heeft een schotwond in zijn linker schouder en [Y], de bestuurder van de auto, heeft meerdere schotwonden, waaronder in zijn borst en linker schouder.3 Om 01:43 uur wordt bekend dat de andere twee inzittenden, te weten [X] en [W] zijn overleden. Sectie van het lichaam van beide personen wijst uit dat zowel [X] als [W] is overleden door orgaanschade aan de hersenstam ten gevolge van een doorschot.4 In de Renault Laguna worden onder meer op de vloer achter de bestuurdersstoel in totaal 4 ty-wraps aangetroffen. Van deze ty-wraps is het uiteinde van de ty-wrap door het oog van de ty-wrap gehaald. Op de hoedenplank liggen 5 losse ty-wraps en in de kleding van [X] worden tenslotte ook nog twee ty-wraps aangetroffen. Van deze laatste twee ty-wraps is eveneens telkens het uiteinde van de ty-wrap door het oog van de ty-wrap gehaald.5

Door de politie wordt een onderzoek genaamd "Thyone" gestart.6 Hieruit volgt dat zich in aanloop naar het voorgaande het volgende heeft voorgedaan.

Eind maart 2011 worden [B] en [verdachte] via een kennis [kennis 1] benaderd met de vraag of zij cocaïne kunnen leveren aan bekenden van die [kennis 1].7 Afgesproken wordt dat zij een hoeveelheid van 3 kilo cocaïne zullen leveren voor een bedrag tussen de € 90.000 en € 96.000. Er wordt afgesproken dat de koop zal plaatsvinden op vrijdag 1 april 2011 in een woning gelegen in een flatgebouw aan de [adres 1] te Krimpen aan den IJssel. Dit betreft de woning van [kennis 2], een kennis van [B].8 Op donderdag 30 maart 2011 ontvangt [B] van een ander of anderen de voor de verkoop benodigde hoeveelheid cocaïne.9 Zowel nog laat die avond als op 31 maart 2011 gedurende de gehele dag vindt er meerdere keren telefonisch contact plaats tussen het mobiele telefoonnummer van [B] respectievelijk [verdachte] en dat van [Y].10

Op vrijdag 1 april 2011 in de middag, omstreeks 15:00 à 16:00 uur wordt [Z] gebeld door [X]. Hij vraagt of [Z] die middag met hem mee gaat naar Rotterdam. [Z] zegt toe en wordt vervolgens bij zijn woning door [X] met de auto opgehaald. Hierna voegen [Y] en [W] zich bij hen in de auto. Gezamenlijk rijden zij richting Rotterdam.11 Tijdens de rit wordt besproken dat zij cocaïne gaan stelen. Afgesproken wordt onder meer dat de verkopers zullen worden overmeesterd en dat de handen zullen worden vastgebonden met ty-wraps, waarna de cocaïne zal worden meegenomen zonder er voor te betalen. In de auto liggen meerdere ty-wraps voor het binden van de handen van de verkoper. Nog tijdens de rit worden door [X] en [Z] bij een aantal ty-wraps het uiteinde van de ty-wrap door het oog van de ty-wrap gehaald.12

Vervolgens arriveren zij bij het flatgebouw gelegen aan de [adres 1] in Krimpen aan den IJssel. [Y] en [W] verlaten de Renault Laguna en gaan om 19:57 uur 13 de centrale toegangshal van het flatgebouw en daarna de woning van [kennis 2] binnen. [Z] en [X] blijven in de auto wachten.14 In de woning zijn naast [kennis 2] onder meer [B], [verdachte] en de vriendin van [B], [C] aanwezig.15 [verdachte] en [B] tonen in de keuken op de tafel meerdere zakjes met een hoeveelheid cocaïne, waarna de cocaïne wordt getest.16 [Y] zegt vervolgens dat de transactie niet door kan gaan omdat er te veel mensen in de woning aanwezig zijn.17 Om 20:17 uur verlaten [Y] en [W] achtereenvolgend de woning en daarna de centrale toegangshal van het flatgebouw.18 Zij stappen allebei weer in de Renault Laguna. Vervolgens vindt er wederom meermalen telefonisch contact plaats tussen het mobiele telefoonnummer van [verdachte] en dat van [Y].19 Uiteindelijk wordt afgesproken dat de transactie later die avond in Alphen aan den Rijn zal plaatsvinden.20

Om 23:55 uur verlaten [verdachte], [B] en [C] de woning, gelegen in het flatgebouw gelegen aan de [adres 1] te Krimpen aan den IJssel.21 [verdachte] heeft op dat moment een bruine tas met daarin de cocaïne bij zich.22 Vervolgens stappen [B], [verdachte] en [C] in een grijze Kia Ceed, kenteken [kenteken 2].23 Hierna rijden zij naar [E], een kennis van [verdachte]. Aldaar aangekomen stapt [verdachte] bij [E] in de auto, een grijs blauwe Alfa Romeo.24 Zij rijden allen naar Alphen aan den Rijn.25

Na andermaal telefonisch overleg, waarvan het laatste gesprek is gevoerd om 00:34:57 uur, wordt een definitieve ontmoetingsplek afgesproken.26

Ondertussen arriveren [Y], [W], [X] en [Z] in Alphen aan den Rijn. [Y] parkeert de Renault Laguna achterwaarts, derhalve met de neus naar de straat gericht, op een van de zeven parkeervlakken, gelegen tussen de [straat] en de [straat] te Alphen aan den Rijn. Links naast de Renault Laguna, vanaf de voorzijde bezien, staat een witte bestelbus van het merk Hyundai, type H200 en rechts van de Renault Laguna staat een witte Ford, type Fiesta met weer daarnaast aan de rechter zijde een rode Fiat Cinquecento.27 [Y] en [W] stappen uit de Renault Laguna.28 [X] en [Z] blijven in de auto op de achterbank zitten.

Hierna arriveren [B], [C], [verdachte] en [E] in de directe omgeving van de afgesproken ontmoetingsplek. [verdachte] verlaat de auto van [E].29 [B] verlaat eveneens zijn auto, waarbij hij de tas met cocaïne meeneemt. [C] blijft in de auto zitten.30

[B] en [verdachte] lopen in de richting van [Y] en [W]. Vervolgens lopen zij gezamenlijk naar de geparkeerde Renault Laguna.31 Op enig moment loopt [B] weer terug naar de geparkeerde Kia Ceed.

[Y] en [W] blijven buiten de auto, voor de Renault Laguna staan. [X] stapt uit de Renault Laguna, waarna [verdachte] op de achterbank naast [Z] plaats neemt. Op grond van de verklaringen is onvoldoende duidelijk vast te stellen hoe de tas met daarin de cocaïne in de Renault Laguna exact terecht is gekomen. Wat daar ook van zij, vast staat dat deze tas in ieder geval op enig moment op de achterbank van de Renault Laguna staat en dat [verdachte] zich dan ook nog op de achterbank bevindt. Hierna wordt [verdachte] plotseling door [X] uit de auto getrokken, waarna enige worsteling tussen [X] en [verdachte] volgt. Tijdens deze worsteling stappen [Y] en [W] weer in de Renault Laguna. [Y] neemt plaats op de bestuurdersstoel en [W] op de bijrijdersstoel. Nadat [verdachte] ten val is gekomen, stapt ook [X] weer in de Renault Laguna. Hij neemt plaats achter [Y], derhalve achter de bestuurdersstoel. [X] roept: "Hij heeft een pistool". De tas bevindt zich op dat moment nog in de Renault Laguna.32

Terwijl de Renault Laguna van het parkeervak wegrijdt en een scherpe bocht naar links maakt in de richting van de [straat], schiet [verdachte] meermalen in de richting van de Renault Laguna.33 Hierbij worden alle vier de inzittenden getroffen. [W] en [X] worden in het hoofd geraakt, [Y] wordt ter hoogte van de linker borst, schouder en achterarm geraakt en [Z] in de linker schouder.34 Onderzoek heeft uitgewezen dat de afstand tussen de loopmonding van het vuurwapen en het inschot in het hoofd van [X] minimaal 25 centimeter en maximaal 150 centimeter is geweest. Voor [W] geldt dat dit minimaal 25 centimeter moet zijn geweest.35 Voorts heeft onderzoek wat betreft de positie van [verdachte] ten tijde van deze twee fatale schoten uitgewezen dat [verdachte] op het moment van het lossen van deze schoten, met inachtneming van hiervoor genoemde schootsafstanden, aan de linker zijde van de Renault Laguna moet hebben gestaan en dat zijn lichaam respectievelijk zijn schietarm op dat moment naar genoemde Renault Laguna was gekeerd.36 Voorts heeft onderzoek uitgewezen dat ter plaatse het raam aan de bestuurderszijde is verbroken en deels uiteengevallen.37

[B] hoort op enig moment meerdere schoten en rijdt met de Kia Ceed in de richting van [verdachte].38 [C] bevindt zich dan ook nog in de Kia Ceed. [verdachte] komt aanrennen en stapt vervolgens in. [B] en [C] horen [verdachte] zeggen dat "ze" geprobeerd hebben hem te rippen en dat hij geslagen is. Ook zegt [verdachte] dat door hem is geschoten, waarbij hij op enig moment ook vertelt dat hij "ze" heeft geschoten.39 [B] vraagt hierop waar de cocaïne is. [verdachte] antwoordt dat de mannen dit hebben afgepakt. [B] en [verdachte] besluiten achter de Renault Laguna aan te rijden teneinde de cocaïne terug te krijgen.40 [B] rijdt vervolgens met hoge snelheid en op korte afstand achter de Renault Laguna aan.41 Tijdens deze rit wordt door [verdachte] eenmaal vanuit de rijdende Kia Ceed geschoten.42

Op enig moment gooit [Z] de tas met cocaïne uit het raam aan de rechterachterzijde van de Renault Laguna.43 Hierop stopt [B] de auto, waarna [verdachte] uitstapt, de tas oppakt en weer in de auto plaatsneemt. [verdachte] doet de tas open, controleert of alles in orde is en constateert dat alles er nog in zit. Vervolgens rijden [B], [verdachte] en [C] naar Rotterdam.44 De Renault Laguna arriveert kort hierna in Gouda onder de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden.

In de loop van 2 april 2011 vertelt [verdachte] aan [B] onder meer dat hij, nadat hij op de grond was gegooid, zijn "geweer" heeft gepakt en op de auto heeft geschoten.45

Op 9 april 2011 om 14:38 uur46 vindt er een telefoongesprek plaats tussen [D] en de vader van [verdachte].47 Onder meer wordt gesproken over een schietpartij, rippen, over het afpakken van "drie dingen", een achtervolging en over twee personen die zijn vermoord. Ook wordt [D] op enig moment door de vader van [verdachte] gezegd dat zijn zoon problemen heeft gehad door een schietpartij en dat hij onderdak moet hebben.48 [D] wordt gevraagd of [verdachte] bij hem mag logeren.49 Ook wordt [D] gevraagd om "de rotzooi weg te zetten".50 Op 10 april 2011 omstreeks 18:00 uur51 vindt een ontmoeting plaats bij het Centraal Station te Nijmegen alwaar [verdachte] niet verschijnt. Wel wordt [D] door hem twee onbekende mannen gevraagd een koffer in bewaring te nemen.52 Er wordt gezegd dat het om "anderhalf" gaat.53 In de koffer treft [D] meerdere zakjes aan. Hij legt deze zakjes verspreid door zijn woning.54 Tijdens een doorzoeking in de woning van [D] worden in totaal 14 kunststoffen zakjes aangetroffen met daarin elk een hoeveelheid cocaïne. Het totaalgewicht van deze zakjes inclusief inhoud bedraagt ten minste 1.374,5 gram.55

De rechtbank leidt uit voormelde gang van zaken, alsmede de eigen verklaring van verdachte, af dat verdachte op het moment dat de Renault Laguna met daarin [Y], [W], [X] en [Z] het parkeervlak verlaat, meerdere keren op korte afstand gericht op de Renault Laguna heeft geschoten, teneinde de cocaïne, welke zich op dat moment nog in de Renault Laguna bevindt, te herkrijgen. Dat het oogmerk van verdachte gericht is geweest op het doden van genoemde inzittenden, danwel dat zijn handelen is voorafgegaan door kalm beraad en rustig overleg, is de rechtbank, gelijk het standpunt van de officier van justitie, niet gebleken. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 1 tot en met 4 telkens eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door aldus te handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de inzittenden door zijn handelen zou doden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging ook bewust heeft aanvaard. Nu [W] en [X] ten gevolge van dit handelen door verdachte zijn overleden, en [Y] en [Z] beiden door kogels in hun bovenlichaam zijn geraakt, acht de rechtbank het onder 1 tot en met 4 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, hetgeen ten aanzien van [W] en [X] kort gezegd telkens moet worden aangemerkt als gekwalificeerde doodslag en ten aanzien van [Y] en [Z] telkens als poging tot gekwalificeerde doodslag.

Vervolgens zijn verdachte en medeverdachte [B] met datzelfde oogmerk, te weten het herkrijgen van genoemde cocaïne, met hoge snelheid en op korte afstand achter de Renault Laguna met daarin eerdergenoemde inzittenden aangereden. Tijdens deze rit heeft verdachte vanuit de auto geschoten, welk schot door [Y] is gehoord. Gelijk het standpunt van de officier van justitie kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte hierbij gericht op de Renault Laguna en daarmee de inzittenden heeft geschoten. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 5 primair ten laste gelegde. De rechtbank acht echter wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 subsidiair ten laste gelegde afpersing in vereniging ten aanzien van [Y] en [Z]. Weliswaar zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde bestanddeel "met een vuurwapen in de richting van die auto waarin die [Z] en/of [Y] en/of [W] en/of [X] zaten, te schieten", echter, dit leidt niet tot de door de raadsman bepleite conclusie dat dientengevolge geen sprake meer kan zijn van bedreiging met geweld, hetgeen tot vrijspraak zou moeten leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de gegeven feiten en omstandigheden, te weten het met hoge snelheid en op korte afstand achter een auto aanrijden en het daarbij voor een inzittende van die auto hoorbaar lossen van een schot, terwijl dit plaatsvindt kort nadat al gericht op genoemde auto met inzittenden is geschoten, wel degelijk sprake van een bedreiging met geweld en in het verlengde daarvan de onder 5 subsidiair ten laste gelegde afpersing in vereniging. De door de raadsman gestelde vergelijking met de zogeheten reguliere "bumperklever" gaat hier dan ook niet op.

Ten slotte acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte [B] niet enkel een grote hoeveelheid cocaïne aanwezig hebben gehad, doch deze tevens tezamen en in vereniging hebben vervoerd. Immers, vast staat dat verdachte en medeverdachte [B] in ieder geval in de nacht van 1 op 2 april 2011 kort voor middernacht met genoemde hoeveelheid cocaïne vanuit Krimpen aan den IJssel naar Alphen aan den Rijn zijn gereden en dat zij vervolgens, met een korte onderbreking, een grote hoeveelheid cocaïne naar Rotterdam hebben vervoerd. De rechtbank vermag niet in te zien waarom gezien deze feiten en omstandigheden geen sprake zou zijn van vervoer in de zin van artikel 2 onder B van de Opiumwet.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief, 3 tweede cumulatief/alternatief, 4 tweede cumulatief/alternatief, 5 subsidiair en 6, impliciet primair, ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1 tweede cumulatief/alternatief

hij op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [W] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel geschoten in het hoofd van die [W], tengevolge waarvan voornoemde [W] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2 tweede cumulatief/alternatief

hij op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn opzettelijk [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel geschoten in het hoofd van die [X], tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

3 tweede cumulatief/alternatief

hij op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Y] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op die [Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

4 tweede cumulatief/alternatief

hij op 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Z] van het leven te beroven met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op die [Z], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een poging afpersing van een tas inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

5 subsidiair

hij op 2 april 2011 in het arrondissement Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [Z] en [Y] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne, toebehorende aan die [Z] en [Y], welke bedreiging met geweld bestond uit het met zijn mededader

- met hoge snelheid en op korte afstand achter de in een auto zittende [Z] en [Y] aan te rijden, zulks nadat eerder een schietpartij had plaatsgevonden waardoor die [Z] en [Y] schotwonden hadden opgelopen en/of

- hoorbaar voor die [Y] met een vuurwapen te schieten;

6, impliciet primair

hij op of omstreeks 2 april 2011 te Alphen aan den Rijn en Krimpen aan den IJssel en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten

Door de raadsman is primair aangevoerd dat verdachte de schoten heeft gelost uit noodweer, dan wel noodweerexces. Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op putatief noodweer(exces).

Ter onderbouwing van het beroep op noodweer(exces) is door de raadsman kort gezegd het volgende aangevoerd.

De ripdeal op verdachte moet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf en goed van verdachte. Verdachte is geslagen, uit de Renault Laguna getrokken, vervolgens wederom geslagen en geschopt en tot slot ook nog geconfronteerd met een vuurwapen. Op het moment dat verdachte in de bloembak, tussen de bosjes en/of op de grond terecht is gekomen, heeft hij het vuurwapen gegrepen dat [X] heeft laten vallen toen hij verdachte schopte. Verdachte heeft het wapen voorts niet meteen tegen zijn aanvallers gebruikt, doch eerst geprobeerd zich aan de situatie te ontrekken door weg te rennen. De Renault Laguna kwam ondertussen zijn kant op gedraaid en verdachte heeft daarbij piepende banden gehoord. Verdachte is voor de auto weggesprongen, met zijn rug tegen een andere auto aangekomen en heeft vervolgens in een reflex herhaaldelijk op de Renault Laguna geschoten. Verdachte dacht op dat moment dat hij doodgeschoten of doodgereden zou worden. Daarnaast kwam ook nog de gedachte bij hem op dat hij aan de echte eigenaars van de cocaïne moest gaan uitleggen waar hun drugs was gebleven en dat hij hen geen geld kon laten zien.

Volgens de raadsman is in casu voldaan aan zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis, beiden vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer. Verdachte was vluchtende en had letsel aan zijn been opgelopen dat het hem moeilijk maakte te bewegen. Het was donker en verdachte is nachtblind. Daarnaast speelde het geheel zich in een korte tijdspanne af.

De raadsman wijst er voorts op dat het zeer voorstelbaar is dat verdachte vanuit een hevige gemoedsbeweging op de Renault Laguna heeft geschoten, nu dit voertuig op hem af kwam rijden. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is geweest van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, hetgeen er toe zou moeten leiden dat in ieder geval sprake is van noodweerexces.

Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat op het moment dat verdachte de schoten loste geen sprake (meer) was van een situatie die een beroep op noodweer(exces) zou rechtvaardigen, komt verdachte naar de mening van de raadsman subsidiair een beroep toe op putatief noodweer(exces). Immers, verdachte heeft gemeend in onmiddellijk dreigend levensgevaar te verkeren en vanuit die gedachte op het voertuig geschoten.

De rechtbank dient te onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van het noodweerverweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

De rechtbank onderscheidt in de door haar vastgestelde en hiervoor onder 3.3 geschetste feitelijke gang van zaken twee fasen. De eerste fase heeft bestaan uit de worsteling tussen [X] en verdachte, die heeft plaatsgevonden nadat verdachte door [X] uit de Renault Laguna is getrokken, de tweede uit het wegrijden van de Renault Laguna met daarin de tas met cocaïne van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich ten tijde van de eerste fase in een noodweersituatie heeft bevonden. Er was zonder meer sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, waartegen verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Daarbij zij opgemerkt dat de rechtbank er, anders dan door de verdediging is betoogd, niet vanuit gaat dat verdachtes belager tijdens die worsteling in het bezit was van een vuurwapen, maar dat het juist verdachte was die die dag een revolver had meegenomen naar de ontmoeting met de potentiële kopers van de door hem te leveren cocaïne.

Naast het feit dat verdachte zich tegen het op hem toegepaste geweld mocht verdedigen, geldt dat hij door die aanranding van zijn lijf voorts gedwongen was de tas met cocaïne achter te laten op de achterbank van de Renault Laguna. Ook tegen die ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn goed mocht verdachte zich in beginsel verdedigen.

Ondanks dat verdachte dus op enig moment gerechtigd was zich te verdedigen tegen het op hem toegepaste geweld en het feit dat hem de tas met cocaïne afhandig werd gemaakt, kan verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank niet met succes op noodweer beroepen. Op het moment dat alle vier de inzittenden weer in de Renault Laguna waren gestapt en onder medeneming van de bewuste tas wegreden uit het parkeervak, was de noodweersituatie immers feitelijk reeds beëindigd. Verdachte werd op dat moment niet meer belaagd en de wegnemingshandelingen met betrekking tot de partij cocaïne waren voltooid.

Nu er weliswaar voor verdachte op enig moment de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding maar die noodweersituatie al was geëindigd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte een beroep toekomt op noodweerexces. Dit kan namelijk het geval zijn indien de noodzaak tot verdediging weliswaar niet meer bestond, maar het schieten op de Renault Laguna door verdachte het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de eerdere worsteling en/of het onder dwang afstaan van de tas met cocaïne. Aannemelijk moet in dat geval zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verdachte verweten gedraging.

Anders dan door de verdediging is aangevoerd gaat de rechtbank er niet van uit dat verdachte, op het moment dat hij op de inzittenden van de wegrijdende Renault Laguna heeft geschoten, dit uit angst voor zijn eigen leven heeft gedaan. De rechtbank acht op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk dat verdachte voorafgaande aan de schietpartij bezig was te vluchten, noch dat met de Renault Laguna op verdachte is ingereden of dat er enige dreiging met vuurwapengebruik van de inzittenden van de Renault Laguna is uitgegaan. Voor die stelling is ook geen enkele steun te vinden in de stukken van het dossier. Dit geldt evenzeer voor wat betreft het beroep op putatief noodweer(exces), erop neerkomende dat verdachte - mede op grond van de gestelde en niet nader met stukken onderbouwde nachtblindheid - gerechtvaardigd zou hebben gedwaald over een (nieuwe) wederrechtelijke aanranding van zijn lijf door [Y], [W], [Z] en/of [X].

Veeleer gaat de rechtbank er van uit dat verdachte op de inzittenden van de auto heeft geschoten in een poging hun ervan te weerhouden weg te rijden met de tas met cocaïne, hetgeen ook in lijn ligt met het gegeven dat verdachte na afloop van dit incident tezamen met [B] de achtervolging heeft ingezet om alsnog de weggenomen partij drugs terug te halen, waarbij wederom door verdachte een schot is afgevuurd. Daarnaast is, zoals reeds eerder vermeld, uit technisch onderzoek gebleken dat verdachte meerdere schoten heeft gelost terwijl hij zich op korte afstand van de linkerzijde van de uit het parkeervak wegrijdende Renault Laguna heeft bevonden, hetgeen er eveneens op duidt dat hij aldus heeft getracht het wegrijdende voertuig te doen stoppen.

Dat de hevige gemoedsbeweging bij verdachte zijn voornaamste grond vindt in het afpakken van de tas met cocaïne, maakt overigens nog niet dat reeds daarom het beroep op noodweerexces moet falen. Verdachte was immers in principe ook gerechtigd zich tegen die aanranding te verdedigen op het moment dat deze plaatsvond. Echter, een beroep op noodweerexces komt de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet toe omdat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging in onderhavige zaak niet als verontschuldigbaar kan worden aangemerkt. De rechtbank acht het handelen van verdachte, te weten het van korte afstand herhaaldelijk schieten op de inzittenden van een wegrijdende auto met de bedoeling aldus een partij weggenomen cocaïne weer in zijn bezit te krijgen, een dusdanig heftige en buitensporige reactie dat dit handelen op geen enkele wijze nog kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een heftige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit wordt niet anders indien het korte tijdsverloop tussen het afhandig maken van de tas en het schieten door verdachte bij de afweging wordt betrokken. Met andere woorden: de door verdachte gekozen, uitermate gewelddadige reactie op de ripdeal is zodanig disproportioneel dat zij niet als verontschuldigbaar kan en mag gelden en daardoor evenmin voor straffeloosheid in aanmerking komt.

Ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit

Voor wat betreft het onder 5 subsidiair ten laste gelegde feit, kort gezegd het medeplegen van afpersing van een tas met cocaïne, op dat moment feitelijk toebehorende aan [Z] en [Y], geldt het volgende.

Zoals hierboven onder 3.3 is weergegeven gaat de rechtbank er van uit dat door verdachte eenmaal vanuit de Kia Ceed is geschoten en dat dit schot hoorbaar was voor de bestuurder van de Renault Laguna, te weten [Y]. De rechtbank baseert zich voor dit oordeel op de verklaringen van [C], [Y] en [B]. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte dit schot in de richting van de Renault Laguna heeft afgevuurd.

De raadsman heeft bepleit dat het schot zou zijn gelost in het kader van een (rechtmatige) burgeraanhouding bij ontdekking op heterdaad van een ripdeal en dat verdachte om die reden een beroep op psychische overmacht toekomt. De aan dit verweer ten grondslag gelegde feitelijke gang van zaken is op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. Volgens [B] en [C] was de reden van de achtervolging erin gelegen de cocaïne terug te krijgen. Verdachte zelf heeft ook op geen enkel moment van de procedure gerept over een mogelijk plan om zowel de inzittenden van de Renault Laguna als de partij cocaïne aan de politie over te dragen. Reeds daarom wordt het beroep op toepasselijkheid van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering verworpen.

5. De straf

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 2 april 2011 [W] en [X] doodgeschoten en geprobeerd [Y] en [Z] dood te schieten. De aanleiding voor het plegen van deze misdrijven was dat de slachtoffers er vandoor gingen met een tas met 3 kilo aan verdachte toebehorende cocaïne. Op het moment dat de slachtoffers in de auto wegreden is verdachte op hen gaan schieten. Hierbij heeft hij [W] en [X] in het hoofd geraakt en heeft hij [Y] onder meer in zijn borst en linkerschouder en [Z] in zijn linkerschouder geraakt. Nadat verdachte op de slachtoffers had geschoten is hij vervolgens samen met zijn mededader in de auto met hoge snelheid en op korte afstand achter hen aangereden en heeft hij nogmaals geschoten, door welk handelen [Y] en [Z] uiteindelijk werden gedwongen de tas met cocaïne uit het raam van de auto te gooien. Pas hierop heeft verdachte de achtervolging gestaakt en heeft hij de tas met cocaïne gepakt, waarmee hij samen met zijn mededader in de richting van Rotterdam is gereden.

Verdachte heeft het belangrijkste recht van de slachtoffers [W] en [X] geschonden, namelijk hun recht om te leven. Bovendien heeft hun dood in het leven van de nabestaanden diepe sporen nagelaten. Dit blijkt wel uit de slachtofferverklaringen van de vader, de moeder en de vriendin van [W]. Ook [Y] en [Z] hadden aan hun verwondingen kunnen overlijden. Dat dit niet is gebeurd is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.

Daar komt bij dat de schietpartij in een woonwijk heeft plaatsgevonden en dat, zoals volgt uit de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen, vele buurtbewoners de schoten hebben gehoord. Verdachtes daad heeft daarnaast ook de samenleving in haar geheel geraakt, omdat ernstige drugsgerelateerde geweldsfeiten als de onderhavige het gevoel van onveiligheid en angst in de maatschappij versterken. De rechtbank rekent dit alles verdachte buitengewoon zwaar aan.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 13 april 2011 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder in Nederland is veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens een drugsfeit.

De aard en de ernst van de feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur, zoals door de officier van justitie is geëist. Echter, gelet op de rol van de slachtoffers bij de aanleiding naar de ten laste van verdachte bewezenverklaarde feiten, waarmee de rechtbank in grotere mate rekening houdt dan de officier van justitie reeds heeft gedaan, alsmede het gegeven dat in ieder geval de gekwalificeerde doodslagen, de pogingen daartoe en de afpersing in vereniging - gelet op het korte tijdsbestek waarin een en ander zich heeft afgespeeld - als één feitencomplex dienen te worden beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist, passend en geboden is.

6. De vordering van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [Y], tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 4.586,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich aangesloten bij de conclusie van de officier van justitie ten aanzien van de benadeelde partijen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

1.

[benadeelde partij 3], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.245,-.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de kosten voor de uitvaart, is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op reiskosten en gederfde inkomsten, de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering op die punten niet met stukken is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van €1.200,-.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.200,-, ten behoeve van [benadeelde partij 3].

2.

[benadeelde partij 2], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.586,50.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde feit.

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.586,50 (zijnde het opgenomen bedrag minus € 1.000,- dat door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ten behoeve van de uitvaart is betaald).

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.586,50.

De rechtbank zal voor het overige deel van de vordering, dit deel niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.586,50, ten behoeve van [benadeelde partij 2].

3.

[Y], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 7.669,73.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat het onduidelijk is of de benadeelde partij voor de gevorderde medische kosten is verzekerd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 5.000,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade, tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 3 tweede cumulatief/alternatief en 5 subsidiair bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 2 april 2011 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 3 tweede cumulatief/alternatief en 5 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [Y].

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 45, 47, 57, 287, 288, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 eerste cumulatief/alternatief, 4 eerste cumulatief/alternatief en 5 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief, 3 tweede cumulatief/alternatief, 4 tweede cumulatief/alternatief, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief en feit 2 tweede cumulatief/alternatief: doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 tweede cumulatief/alternatief en feit 4 tweede cumulatief/alternatief: poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5 subsidiair:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 6:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 2], een bedrag van € 4.586,50;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.586,50, ten behoeve van [benadeelde partij 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 3], een bedrag van € 1.200,-;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.200,-, ten behoeve van [benadeelde partij 3];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [Y], een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [Y];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mr. M.M. Meessen en mr. M.C. Bruining, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Keuter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreffen dit de pagina's van het proces-verbaal met bijlagen van de politie Hollands Midden van het onderzoek 161Thyone, doorlopend genummerd van p. 1 t/m 3136.

2 Proces-verbaal van bevindingen, 111 e.v.; Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 1441.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 ([Y]); Proces-verbaal van bevindingen, p. 123 ([Z]);

Operatieverslag betreffende [Z] d.d. 6 april 2011, met bijlagen (ongenummerd); Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 716; Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 704.

4 Zie een tweetal NFI-rapporten genaamd "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" d.d. 22 juli 2011, beiden opgesteld door P.M.I. Van Driessche, arts en patholoog, zaaknummer 2011.04.04.003 betreffende [W] respectievelijk [X].

5 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 1543; Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 1459.

6 Proces-verbaal relaas, p. 4.

7 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 466-467; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 601.

8 Verklaring [verdachte] ter terechtzitting d.d. 6 oktober 2011; Proces-verbaal van verhoor [kennis 2], p. 629-631.

9 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 622.

10 Proces-verbaal Bijzonderheden Telecom, p. 652 e.v. en specifiek p. 658.

11 Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 73.

12 Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 90-91, p. 167-168, p. 173 en p. 719-720.

13 Print camerabeelden [adres 1] Krimpen aan den IJssel, p. 281.

14 Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 83.

15 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467; Proces-verbaal van verhoor [C], p. 519; Proces-verbaal van verhoor [kennis 2], p. 631.

16 Verklaring [verdachte] ter terechtzitting d.d. 6 oktober 2011; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 602.

17 Verklaring [verdachte] ter terechtzitting d.d. 6 oktober 2011; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 602; Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467.

18 Print camerabeelden [adres 1] Krimpen aan den IJssel, p. 282.

19 Proces-verbaal Bijzonderheden Telecom, p. 652 e.v., specifiek p. 659; Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467.

20 Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 602, Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467.

21 Print camerabeelden [adres 1] Krimpen aan den IJssel, p. 283.

22 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467; Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 5; Print camerabeelden [adres 1] Krimpen aan den IJssel, p. 283; Proces-verbaal van verhoor [kennis 2], p. 631.

23 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 456; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], incl. bijlagen, p. 1348 e.v.

24 Proces-verbaal van verhoor [C], p. 538; Proces-verbaal van verhoor [E], p. 569-570 en 939; Proces-verbaal van verhoor getuige [E] bij de rechter-commissaris d.d. 21 september 2011, onder 6; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 602.

25 Proces-verbaal van verhoor [C], p. 520 en 928; Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 3; Proces-verbaal van verhoor [E], p. 569.

26 Proces-verbaal Bijzonderheden Telecom, p. 652 e.v., specifiek p. 660; Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467.

27 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 1509; Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 172.

28 Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 703.

29 Proces-verbaal van verhoor [C], p. 540; Proces-verbaal van verhoor [E], p. 569 en 939.

30 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467-468; Proces-verbaal van verhoor [C], p. 523 en 536; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 602.

31 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467 en 485; Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 703.

32 Verklaring [verdachte] ter terechtzitting d.d. 6 oktober 2011; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 602-603 en p. 792; Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 72, 89, 91, 173-174; Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 703; Proces-verbaal van verhoor getuige [Y] bij de rechter-commissaris d.d. 19 september 2011, onder 3 en 21.

33 Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 603 en p. 793; Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 704; Proces-verbaal van verhoor getuige [Y] bij de rechter-commissaris d.d. 19 september 2011, onder 3; Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 717.

34 Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 173 en 715; Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 704.

35 NFI-rapport genaamd "Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Alphen aan den Rijn op 2 april 2011", Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" d.d. 22 juli 2011, beiden opgesteld door P.M.I. Van Driessche, arts en patholoog, zaaknummer 2011.04.04.003 betreffende [W] respectievelijk [X].

36 Proces-verbaal 3D Reconstructie Schietincident d.d. 3 oktober 2011 en 3D-presentatie ter terechtzitting d.d. 5 oktober 2011 door [vakspecialist], vakspecialist Forensische Visualisatie politie Rotterdam-Rijnmond.

37 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 1509, incl. bijlage (p. 1528-1532); NFI-rapport genaamd "Vergelijkend glasonderzoek naar aanleiding van een schietincident te Alphen aan den Rijn op 2 april 2011" d.d. 11 juli 2011, p. 1599 ev..

38 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 3 en 10.

40 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 468; Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 7; Proces-verbaal van verhoor [C], p. 929; Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 3.

41 Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 91; Proces-verbaal van verhoor [B], p. 468; Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 703; Proces-verbaal van verhoor getuige [Y] bij de rechter-commissaris d.d. 19 september 2011, onder 4; Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 3; Proces-verbaal van bevindingen, p. 990.

42 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 468 en 483; Proces-verbaal van verhoor [C], p. 523 en 930; Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 4; Proces-verbaal van verhoor [Y], p. 704; Proces-verbaal van verhoor getuige [Y] bij de rechter-commissaris d.d. 19 september 2011, onder 4.

43 Proces-verbaal van verhoor [Z], p. 174 en 716; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 604; Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 13.

44 Proces-verbaal van verhoor [C], p. 524-525; Proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 604; Proces-verbaal van verhoor [B], p. 486.

45 Proces-verbaal van verhoor [B], p. 467.

46 Weergave tapgesprek d.d. 9 april 2011, p. 309.

47 Proces-verbaal van verhoor [D], p. 324.

48 Proces-verbaal van verhoor [D], p. 325, 328 en 330; Proces-verbaal van verhoor getuige [D] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 2 en 13; Weergave tapgesprekken p. 309 en p. 314.

49 Proces-verbaal van verhoor [D], p. 325; Proces-verbaal van verhoor getuige [D] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 2.

50 Proces-verbaal van verhoor [D], p. 330.

51 Weergave tapgesprek p. 321.

52 Proces-verbaal van verhoor [D], p. 330; Proces-verbaal van verhoor getuige [D] bij de rechter-commissaris d.d. 22 september 2011, onder 2.

53 Proces-verbaal van verhoor [D], p. 331.

54 Proces-verbaal van verhoor [D], p. 327.

55 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 299 e.v. en bijlage; Proces-verbaal van bevindingen aantreffen cocaïne, p. 809; Dossier Forensisch Technisch Onderzoek TGO 161 Thyone, Bijlage 15, Proces-verbaal sporenonderzoek en uitslag NFI aan de aangetroffen en veiliggestelde cocaïne, p. 1645 e.v. en NFI-rapport "Identificatie van drugs en -precursoren" d.d. 2 augustus 2011, sinnummer AADE4890NL tot en met AADE4903NL,p. 1649 e.v.; Proces-verbaal Onderzoek aangetroffen cocaïne TGO 161 Thyone d.d. 29 september 2011 (ongenummerd). Hierbij merkt de rechtbank op dat wat betreft het kunststofzakje met (sin)nummer C6.1.2.003/AADE4894NL de meest recent vermelde hoeveelheid van in totaal 100,4 gram wordt aangenomen. Dit wijkt af van de aanvankelijk vermelde hoeveelheid van 101,4 gram (zie de bijlage bij het Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 301 bij weergave hoeveelheid C.6.1.2.003).