Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3926

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/28245 en 11/28244
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 27 september 2011, LJN: BT8660, waarin is geoordeeld dat verweerder ook in asielzaken ambtshalve dient te toetsen aan artikel 8 van het EVRM, wordt niet gevolgd. Artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) is toegevoegd bij Regeling van de Minister van Justitie van 26 maart 2010, nr. 5647371/10, inhoudende wijziging van het VV 2000 (95e wijziging), Stcrt. 2010, nr.4949, van 31 maart 2010. Uit de Toelichting op deze toevoeging blijkt dat dit onderdeel het mogelijk maakt om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen in situaties waarin in een reguliere procedure wordt geconcludeerd dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit onderdeel, zo blijkt uit de Toelichting, ziet op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die zijn ingediend onder een andere beperking dan gezinsleven en waarbij de bevoegdheid ontbreekt om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen in verband met artikel 8 EVRM. Van een dergelijke aanvraag is ten aanzien van verzoeker geen sprake. Verweerder heeft dan ook terecht afgezien van een toetsing van de aanvraag aan artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/28245 (voorlopige voorziening)

AWB 11/28244 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 november 2011

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1974,

van Somalische nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. P.A. Blaas,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. drs. van der Lubbe.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 29 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 31 augustus 2011 beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 28 oktober 2011, waarbij verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft op 4 maart 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Bij besluit van 21 juli 2009 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003). Tegen dit besluit heeft verzoeker op 22 juli 2009 beroep en een voorlopige voorziening ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 27 november 2009 is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij uitspraak van 12 maart 2010 is door dezelfde nevenzittingsplaats het beroep ongegrond verklaard. Op 7 mei 2010 is verzoeker overgedragen aan Italië.

Op 8 november 2010 heeft verzoeker wederom een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 16 november 2010 is deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep en een voorlopige voorziening ingediend, welke bij uitspraak van 8 februari 2010 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, zaaknummers AWB 10/39780 en AWB 10/39779, ongegrond zijn verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker op 3 maart 2011 hoger beroep en een voorlopige voorziening ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De voorlopige voorziening is bij uitspraak van 2 mei 2011 door de Afdeling afgewezen. Op het hoger beroep is thans nog niet beslist. Op 4 mei 2011 is verzoeker overgedragen aan Italië.

Verzoeker is op 4 juli Nederland wederom ingereisd en heeft op 19 augustus 2011 onderhavige (herhaalde) asielaanvraag ingediend. Op 8 augustus 2011 heeft verweerder geconstateerd dat de Italiaanse autoriteiten niet tijdig hebben gereageerd op het verzoek tot terugname van verzoeker. Hierdoor is sprake van een fictief akkoord en staat de verantwoordelijkheid van Italië vast.

4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing (het ‘ne bis in idem’-beginsel). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

5. Onder nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet onder andere worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of feiten en omstandigheden van vóór dat eerdere besluit die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een inhoudelijke rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

6. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om de bovengenoemde in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: het EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45.

7. Ter onderbouwing van de onderhavige asielaanvraag voert verzoeker aan dat verweerder het asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003 in samenhang bezien met artikel 15 van Vo 343/2003, aan zich had moeten trekken, omdat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verzoeker stelt in Italië geen toegang te hebben gehad tot allerlei voorzieningen. Ook bij terugkeer naar Italië zullen de Italiaanse autoriteiten zich jegens hem niet aan hun internationale verplichtingen houden. Hiertoe overlegt verzoeker de volgende stukken:

a. een uitspraak van het Verwaltungsgericht Darmstadt van 9 november 2010,

b. het rapport van NOAS van april 2011 “The Italiaan approach to aylsum: Systems and core problems”;

c. het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van mei 2011 “Asylum procedure and reception conditions in Italy”.

Voorts voert hij aan dat hij is getrouwd met een in Nederland verblijvende Somalische vrouw, die van hem in verwachting is. In het licht van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is verzoeker van mening dat verweerder de behandeling van zijn asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 3, lid 2, van Vo 343/2003. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 27 september 2011, LJN: BT8660, stelt verzoeker voorts dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 3, tweede lid, Vo 343/2003, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, verweerder een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

10. Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover hier van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en van artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd.

11. De ervaringen die verzoeker stelt te hebben opgedaan na zijn overdracht aan Italië op 4 mei 2011 zijn van gelijke aard als hetgeen hij in zijn eerder procedures tevergeefs heeft aangevoerd. Hierin kunnen mitsdien geen nieuwe feiten en omstandigheden worden ontwaard die kunnen afdoen aan de eerdere besluiten.

12. In een drietal uitspraak van 14 juli 2011 (201002796/1/V3, 201007479/1/V3 en 201009278/1/V3) heeft de Afdeling geoordeeld dat de in rechtsoverweging 7 onder a, b en c genoemde uitspraak en rapportages geen concrete aanwijzingen bieden voor het oordeel dat Italië zich jegens vreemdelingen die worden overgedragen in het kader van Vo 343/2003 niet zal houden aan de verplichtingen. Deze uitspraak en rapportages leveren dan ook geen novum op in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

13. De omstandigheden dat verzoeker is getrouwd en dat zijn vrouw zwanger van hem is, zijn weliswaar nieuw, maar kunnen niet afdoen aan de eerdere besluiten. Mitsdien leveren deze omstandigheden geen nova op in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

14. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Grondingen, heeft bij uitspraak van 27 september 2011 (LJN: BT8660) geoordeeld dat verweerder ambtshalve dient te toetsen aan artikel 8 van het EVRM, indien een vreemdeling een verklaring aflegt waaruit verweerder kan afleiden dat de aanvraag van de vreemdeling gericht is op verblijf bij zijn gezin in Nederland. Dit zou blijken uit artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het Vreemdelingen Voorschrift 2000 (hierna: het VV 2000) in samenhang met hoofdstuk C14/5 van de Vc 2000.

15. De voorzieningenrechter volgt de uitspraak van de voorzieningenrechter uit Groningen niet en overweegt hiertoe het volgende.

16. Artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het VV 2000 is toegevoegd bij Regeling van de Minister van Justitie van 26 maart 2010, nr. 5647371/10, inhoudende wijziging van het VV 2000 (95e wijziging), Stcrt. 2010, nr 4949, van 31 maart 2010. Uit de Toelichting op deze toevoeging blijkt dat dit onderdeel het mogelijk maakt om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen in situaties waarin in een reguliere procedure wordt geconcludeerd dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit onderdeel, zo blijkt uit de Toelichting, ziet op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die zijn ingediend onder een andere beperking dan gezinshereniging en waarbij de bevoegdheid ontbreekt om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen in verband met artikel 8 van het EVRM. Van een dergelijke aanvraag is ten aanzien van verzoeker geen sprake. Verweerder heeft dan ook terecht afgezien van een toetsing van de aanvraag aan artikel 8 van het EVRM.

17. Nu verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen in de zin van artikel 4:6 van de Awb, heeft het beroepschrift geen kans van slagen. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

18. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van W.S. Hooijmans-Gottschalk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2011.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: