Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3860

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
366428 - HA RK 10-249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Niet-ontvankelijk. Eerdere beschikking waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken heeft formele rechtskracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 366428 / HA RK 10-249

Beschikking van 3 november 2011

in de zaak van

[verzoeker],

(verder te noemen: [verzoeker]),

wonende te [woonplaats] (Engeland),

verzoeker,

advocaat mr. H.K. Jap-A-Joe te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst , verder te noemen: de IND),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

1.De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 12 mei 2010 ingekomen verzoekschrift met producties;

- een brief van mr. Jap-A-Joe van 30 juni 2010 met producties;

- de schriftelijke conclusie van de IND van 27 oktober 2010 met producties.

1.2. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 8 september 2011. Mr. Jap-A-Joe is verschenen namens [verzoeker] en mr. Meijer namens de IND. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

2.De feiten

2.1. [verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] (Ghana) als zoon van [vader van verzoeker] en [moeder van verzoeker]. Op 8 november 2001 heeft [verzoeker] een verzoek tot naturalisatie ingediend. Hij heeft daarbij een verklaring ondertekend waarin hij zich bereid verklaart om in verband met zijn verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap afstand te doen van zijn oorspronkelijke (Ghanese) nationaliteit. Bij Koninklijk Besluit van 15 april 2002 is aan [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit verleend.

2.2. Bij brief van 17 augustus 2006 heeft de IND [verzoeker] geïnformeerd over het voornemen tot intrekking van voormeld Koninklijk Besluit, omdat [verzoeker], ondanks vragen daaromtrent van de IND, niet had aangetoond afstand te hebben gedaan van zijn Ghanese nationaliteit. Bij beschikking van 30 januari 2007 van de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering, werd voormeld Koninklijk Besluit, inhoudende de naturalisatie van [verzoeker], ingetrokken.

2.3. Tegen de intrekking is [verzoeker] op 29 januari 2008 een bezwaarschriftprocedure gestart. Het bezwaar is bij beschikking van de Minister van Justitie van 26 maart 2008 wegens termijnoverschrijding kennelijk niet ontvankelijk verklaard. [verzoeker] heeft op 7 mei 2008 tegen die beslissing een beroepschrift ingediend. Bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 december 2008 is het beroep ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft tegen laatstgenoemde uitspraak geen rechtsmiddel aangewend.

3.Het verzoek

3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Hij stelt daartoe het volgende.

3.2. In de bestuursrechtelijke procedure is uitsluitend de vraag aan de orde geweest of [verzoeker] al dan niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, zodat niet inhoudelijk is geoordeeld over zijn Nederlanderschap. [verzoeker] bestrijdt de bevoegdheid van de medewerker die namens de minister de beschikking tot intrekking van zijn nationaliteit heeft gegeven.

3.3. Van de IND mag worden verlangd dat hij een verzoek om afstanddoening baseert op wet- en regelgeving van het land waartoe [verzoeker] behoort. [verzoeker] is voor de bepalingen van het Ghanese recht door de IND slechts verwezen naar de Ghanese autoriteiten. De IND kan hiermee niet volstaan, aldus [verzoeker].

3.4. Ten slotte stelt [verzoeker] dat de IND zijn voornemen tot intrekking ook aan de gemeente Amsterdam, als autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst nam, had moeten melden. Hiermee is volgens [verzoeker] een essentiële stap in de besluitvormingsprocedure verwaarloosd en is de beschikking (van 30 januari 2007) krachteloos.

4.Het standpunt van de IND

4.1. De IND stelt dat [verzoeker] geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 december 2008, zodat de beschikking tot intrekking van het Nederlanderschap van 30 januari 2007 onaantastbaar is geworden. De beschikking heeft formele rechtskracht gekregen. Het verzoek dient volgens de IND reeds daarom te worden afgewezen.

4.2. Ten overvloede merkt de IND nog het volgende op. De medewerker die de beschikking van 30 januari 2007 heeft gegeven, [A], was blijkens verklaring van haar toenmalige unitmanager [B], vanaf 1 oktober 2006 bevoegd om afstandszaken in eerste aanleg te behandelen.

4.3. Vanaf 5 januari 2001 was er naar Ghanees nationaliteitsrecht geen sprake meer van automatisch verlies bij vrijwillige verkrijging van een vreemde nationaliteit en werd het mogelijk afstand te doen van de Ghanese nationaliteit. Het afstandsvereiste werd voor Ghanese onderdanen gesteld bij naturalisatieaanvragen die vanaf 1 oktober 2001 werden ingediend.

4.4. Ten slotte merkt de IND op dat mag worden aangenomen dat de gemeente Amsterdam op de hoogte was van het voornemen tot intrekking, aangezien een medewerker van de unit immigratie en nationaliteiten van de gemeente Amsterdam heeft verklaard dat [verzoeker] aldaar geen stukken had overgelegd met betrekking tot de afstandsprocedure. De IND merkt overigens nog op dat [verzoeker] niet in zijn belangen is geschaad en dat schending van een dergelijk procedurevoorschrift in een administratiefrechtelijke procedure niet tot vernietiging van het besluit behoeft te leiden.

5.De beoordeling

5.1. Artikel 15, eerste lid aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap bepaalt dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

5.2. Voorop staat dat [verzoeker] tegen het intrekkingsbesluit reeds de hiervoor onder 2.3. vermelde bestuursrechtelijke procedure heeft gevoerd. Deze is geëindigd met een beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 december 2008 waartegen [verzoeker] geen rechtsmiddel meer heeft aangewend. De beschikking van 30 januari 2007 heeft daarmee formele rechtskracht verkregen. De omstandigheid dat [verzoeker] in die beschikking niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij zijn bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend en de bestuursrechter daarom geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven, impliceert niet dat thans alsnog inhoudelijk bezwaar gemaakt kan worden tegen de beslissing van de Minister van 30 januari 2007. Dit leidt tot de conclusie dat [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hetgeen hierna nog wordt overwogen is dan ook ten overvloede.

5.3. Ter zitting heeft mr. Jap-A-Joe als enige stelling ter onderbouwing van zijn betoog gehandhaafd dat voorafgaand aan het besluit tot intrekking van de Nederlandse nationaliteit van [verzoeker] door de IND niet alle regels correct zijn nageleefd. Het verzoek tot naturalisatie is indertijd in ontvangst genomen door de gemeente Amsterdam. Deze gemeente is door de IND ten onrechte niet in kennis gesteld van het voornemen tot intrekking van het Koninklijk Besluit tot naturalisatie van [verzoeker].

5.4. Artikel 66, eerste lid, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap bepaalt onder meer dat van het voornemen tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, schriftelijk mededeling dient te worden gedaan aan de rechtstreeks betrokken persoon en aan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst heeft genomen. Bij brief van 17 augustus 2006 is voormeld voornemen aan [verzoeker] bekend gemaakt. De IND heeft onder handhaving van het hiervoor onder 4.4. vermelde verweer verklaard dat uit het departementale dossier niet blijkt dat het voornemen tot intrekking aan de gemeente Amsterdam als de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst heeft genomen, kenbaar is gemaakt.

5.5. De rechtbank is van oordeel dat met het niet naleven van voormeld voorschrift niet een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat aan de beschikking van 30 januari 2007 waarbij het Koninklijk Besluit van 15 april 2002 is ingetrokken, thans geen rechtsgevolg gegeven zou moeten worden. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat in een intrekkingsprocedure zoveel mogelijk zekerheid over de rechtmatigheid van de intrekking dient te bestaan. Om te voorkomen dat de Minister een besluit neemt tot intrekking van de nationaliteit, terwijl door betrokkene bij de autoriteit die indertijd zijn naturalisatieverzoek in ontvangst heeft genomen reeds informatie is verstrekt waaruit volgt dat hij afstand heeft gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit, dient die autoriteit in kennis te worden gesteld van het voornemen tot intrekking. In de onderhavige zaak heeft de gemeente Amsterdam de Minister bij faxbericht van 11 december 2006 bericht dat betrokkene ([verzoeker]) geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot de afstandsprocedure. Uit deze, op verzoek van de Minister verstrekte informatie, heeft de gemeente Amsterdam kunnen afleiden dat de Minister het voornemen had over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. [verzoeker] is met deze handelswijze niet benadeeld, zodat de beschikking van 30 januari 2007 in stand kan blijven.

5.6. Met betrekking tot de bevoegdheid van mevr. [A], de medewerker die namens de Minister de beschikking tot intrekking heeft gegeven, heeft de IND een verklaring overgelegd van [B], unitmanager primair proces naturalisatie locatie Hoofddorp, waaruit blijkt dat mevr. [A] met ingang van 1 oktober 2006 teken- en beslissingsbevoegdheid heeft op het gebied van "naturalisatie eerste aanleg afstand". [verzoeker] heeft deze verklaring niet betwist, zodat de rechtbank aanneemt dat hij zijn bezwaar op dit onderdeel niet langer handhaaft.

5.7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6.De beslissing

De rechtbank verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.Th. Nijhuis, mr. D.H. von Maltzahn en mr. W.J. Don en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2011.