Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3845

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
330600 - HA RK 09-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Afgewezen. Verzoeker is niet degene aan wie bij KB het Nederlanderschap is verleend. Valse identiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 330600 / HA RK 09-56

Beschikking van 3 november 2011

in de zaak van

[verzoeker],

verblijvende in de PI [naam instelling],

verzoeker,

advocaat mr. J.G. Wattilete te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst , verder te noemen: de IND),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door drs. R.J. Noks.

1.De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 3 februari 2009 ingekomen verzoekschrift met producties,

- de brieven van mr. Wattilete van 2 augustus 2010 met producties, 25 en 26 augustus 2011 met een productie,

- de brieven van de IND van 20 februari 2009 met een productie, 16 april 2009 en 29 oktober 2010 met producties.

1.2. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 8 september 2011. Verzoeker is verschenen, vergezeld van mr. E. Tahitu, advocaat te Amsterdam. Namens de IND is drs. R.J. Noks verschenen. Drs. Noks heeft pleitnotities overgelegd. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het advies van de IND en geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

2.De feiten

2.1. Verzoeker is onder opgave van de personalia [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op 25 september 1995 Nederland ingereisd. Op 27 september 1995 heeft hij verzocht om toelating als vluchteling. Op 6 oktober 1999 is hij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen wegens klemmende redenen van humanitaire aard, laatstelijk verlengd tot 27 september 2001. Op 15 januari 2001 heeft verzoeker in de gemeente Rotterdam een verzoek tot naturalisatie als Nederlander ingediend. Bij Koninklijk Besluit van 2 juli 2001 is aan hem het Nederlanderschap verleend.

2.2. Bij vonnis van 2 juli 2007 is verzoeker door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem wegens - kort gezegd - betrokkenheid bij de invoer van narcotica en wegens het in bezit hebben en opzettelijk gebruik maken van een vervalst reisdocument, tot een gevangenisstraf van 6 jaar en 6 maanden veroordeeld. In het kader van het opsporingsonderzoek is een aantal telefoongesprekken van verzoeker getapt. De opnamen zijn, met toestemming van het Openbaar Ministerie, in opdracht van het Bureau Land en Taal van de IND onderworpen aan een taalanalyse. In het terzake opgemaakte rapport is vermeld dat de taalanalist, die het rapport heeft ondertekend, afkomstig is uit Nigeria, dat zijn moedertaal het Edo is en dat hij daarnaast het Pidgin-Engels en het Engels beheerst. De taalanalist concludeert dat betrokkene eenduidig herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Nigeria.

2.3. De IND heeft verzoeker bij brief van 18 maart 2008 als zijn oordeel kenbaar gemaakt dat verzoeker naar het oordeel van de IND in de naturalisatieprocedure gebruik heeft gemaakt van een onjuiste identiteit, waardoor de IND het voornemen heeft te besluiten dat hij het Nederlanderschap niet bij Koninklijk Besluit van 2 juli 2001 heeft verkregen. Bij brief van 8 juli 2008 heeft de IND geconcludeerd dat hij niet het Nederlanderschap heeft verkregen en dat hij weer wordt aangemerkt als een vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet.

2.4. Verzoeker is naar aanleiding van de brief van 8 juli 2008 een bezwaarschriftprocedure gestart. Die procedure is uiteindelijk geëindigd op 15 april 2009 met intrekking van het beroepschrift door verzoeker bij de rechtbank Dordrecht.

3.Het verzoek

3.1. Verzoeker verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij sedert 2 juli 2001 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Hij stelt daartoe dat aan het Koninklijk Besluit van 2 juli 2001 waarbij aan hem het Nederlanderschap is verleend, rechtsgevolg dient te worden toegekend.

3.2. Ter onderbouwing van zijn verzoek voert verzoeker het volgende aan. Bij zijn inreis in Nederland was hij in het bezit van een Sierraleoonse identiteitskaart met de naam [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats], Sierra Leone. Het Koninklijk Besluit van 2 juli 2001 heeft betrekking op de fysieke persoon van verzoeker en er is geen sprake van persoonsverwarring. Het besluit om rechtsgevolg te onthouden aan het Koninklijk Besluit is enkel gebaseerd op de uitkomst van een taalanalyse van telefoongesprekken die door verzoeker zouden zijn gevoerd. Verzoeker stelt het dialect van het Edo en het Pidgin Engels te spreken dankzij zijn partner/echtgenote die van Nigeriaanse afkomst is en dankzij vele vrienden en kennissen die uit Nigeria afkomstig zijn. Voorts stelt verzoeker dat de taalanalyse niet is verricht door een taalkundige uit Sierra Leone maar uit Nigeria, terwijl verzoeker uit Sierra Leone afkomstig is. Het Krio (de taal die in Sierra Leone wordt gesproken) behoort niet tot de kennis van de taalanalist uit Nigeria. Voorts vereist een taalanalyse een persoonlijk onderhoud tussen de taalanalist en betrokkene, waarbij de taalanalist de moedertaal van betrokkene moet beheersen, aldus verzoeker. Hij concludeert dat het resultaat van de taalanalyse niet gebruikt mag worden zodat de conclusie dat hij niet uit Sierra Leone afkomstig is niet getrokken kan worden.

3.3. Ten slotte stelt verzoeker dat hij beschikt over een originele geboorteakte waaruit blijkt dat de door hem opgegeven personalia ten tijde van het verlenen van het Nederlanderschap overeenstemmen met de inhoud van die geboorteakte.

4.Het standpunt van de IND

4.1. De IND stelt dat verzoeker in zijn naturalisatieprocedure gebruik heeft gemaakt van een onjuiste identiteit waardoor hij het Nederlanderschap niet heeft verkregen. De IND baseert dit standpunt op het hiervoor genoemde rapport van taalanalyse, waaruit blijkt dat verzoeker eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Nigeria. De taalanalyse is tot stand gekomen onder medeverantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst van wie de kwaliteit voldoende is gewaarborgd. Er mag van worden uitgegaan dat de ingeschakelde taalanalist op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Verzoeker is daarom naar het oordeel van de IND een andere persoon dan [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats], Sierra Leone.

4.2. Ten slotte wijst de IND er op dat verzoeker nimmer enig document heeft overgelegd waaruit genoegzaam zou kunnen blijken dat hij afkomstig is uit Sierra Leone. Het Sierraleoonse identiteitsbewijs, dat verzoeker bij zijn inreis in Nederland in zijn bezit had, is na onderzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als niet echt beoordeeld en de overgelegde geboorteakten zijn nimmer gelegaliseerd en geverifieerd. Voorts bevatten de door verzoeker overgelegde twee kopieën van de geboorteakte verscheidene tegenstrijdigheden, waaronder verschillende voornamen, te weten "[voornaam en voornaam]".

5.De beoordeling

5.1. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 (NJ 2007, 551) beslist dat onderscheid moet worden gemaakt tussen naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) met ingang van 1 april 2003 en naturalisatiebesluiten van ná die datum. Voor de eerste groep geldt dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene - behoudens bijzondere omstandigheden - niet identificeert, en daarom geen rechtsgevolg heeft. Het Nederlanderschap is dan nooit verkregen. Voor de tweede groep geldt dat naturalisatiebesluiten geldig zijn en hun werking pas verliezen als zij door de minister worden ingetrokken. Intrekking is mogelijk als een naturalisatiebesluit is verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens. Nu sprake is van een naturalisatiebesluit van vóór 1 april 2003 staat dus ter beoordeling of verzoeker het naturalisatiebesluit heeft verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens. Zo dat het geval is, identificeert dat verzoeker - behoudens bijzondere omstandigheden - niet en mist het rechtsgevolg. Verzoeker is dan geen Nederlander. De rechtbank neemt bij haar beslissing de volgende omstandigheden in overweging.

5.3. Verzoeker heeft bij zijn verzoekschrift en bij brief van 2 augustus 2010 twee fotokopieën van geboorteakten overgelegd. Deze akten zijn niet geverifieerd of gelegaliseerd. Zij zijn zodanig tegenstrijdig dat er gerede twijfel is ontstaan met betrekking tot de juiste personalia van verzoeker. De bij het verzoekschrift overgelegde geboorteakte nummer [nummer] heeft betrekking op [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1977 om 6:00 uur a.m. in het P.C.M. Hospital [plaats] en is geregistreerd in register [nummer], pagina 85 nummer 0085. De bij brief van 2 augustus 2010 overgelegde geboorteakte nummer [nummer] heeft betrekking op [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1977 om 8:45 uur p.m. te 15 Frazer Street Cole Farm, [plaats] en is geregistreerd in register [nummer], pagina 21, nummer 0021.

5.4. Voorts is de identiteitskaart, nummer [nummer], afgegeven op 20 april 1992, die verzoeker bij zijn inreis in Nederland in zijn bezit had door de IND, onderdeel IND/GC-KAO/bureau Documenten onderzocht. Ter onderzoek is aangeboden een zwart/witte fotokopie van de betreffende identiteitskaart. Uit een met betrekking tot dat onderzoek op 28 mei 2010 opgesteld rapport blijkt dat de ten grondslag aan de kopie liggende identiteitskaart onregelmatigheden vertoont in de verschijningsvorm en opmaak. De conclusie betreffende de echtheid van het document luidt dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en dat het, eveneens met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niet door een bevoegde autoriteit is opgemaakt en afgegeven.

5.5. Uit het vorenstaande blijkt reeds dat er twijfel bestaat over de juiste identiteit van verzoeker. Deze twijfel wordt versterkt door de conclusie in het rapport taalanalyse van 22 maart 2007 dat betrokkene (verzoeker) eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Nigeria. Ter zitting heeft mr. Tahitu meegedeeld de betreffende taps inmiddels te hebben ontvangen en te hebben beluisterd. Hij verklaarde de stem van verzoeker op de taps te herkennen. Verzoeker stelt dat de conclusie van de taalanalist, dat verzoeker afkomstig is uit Nigeria, en dus niet uit Sierra Leone, niet gebaseerd is op een deskundig oordeel, omdat de analist zelf niet afkomstig is uit Sierra Leone en dus geen oordeel zou kunnen geven over de moedertaal van verzoeker, het Krio. De rechtbank verwerpt dit betoog, nu de taalanalist gesprekken van verzoeker heeft beoordeeld, die kennelijk zijn gevoerd in het Edo, een dialect dat gesproken wordt in Nigeria. Naar het oordeel van de rechtbank is de taalanalist die het rapport heeft opgesteld, derhalve wel degelijk deskundig, nu de moedertaal van de taalanalist het Edo is. Daarnaast geldt dat verzoeker niet zelf een contra-expertise heeft laten verrichten om de twijfel rond zijn identiteit weg te nemen. Ook heeft hij niet aangeboden alsnog een dergelijke contra-expertise te laten verrichten.

5.6. Ten slotte overweegt de rechtbank dat verzoeker ter zitting heeft verklaard, naast onder meer de Franse en de Italiaanse taal, een beetje Krio te spreken. Na er door de rechtbank op te zijn gewezen dat dit vreemd is aangezien de taal Krio de taal is die in Sierra Leone wordt gesproken, gaf verzoeker aan zich te vergissen en dat hij bedoelde dat hij de taal Krio vloeiend spreekt. Deze vergissing versterkt naar het oordeel van de rechtbank de gerezen twijfel aan de identiteit van verzoeker.

5.7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan dient te worden geconcludeerd dat verzoeker niet degene is aan wie bij Koninklijk Besluit van 2 juli 2001 het Nederlanderschap is verleend. Aangezien voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de hiervoor onder 5.1. bedoelde beschikking van de Hoge Raad, zal het verzoek worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.Th. Nijhuis, mr. D.H. von Maltzahn en W.J. Don, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2011.