Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3822

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
09/754018-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een lange periode vele diploma's en cijferlijsten valselijk opgemaakt en verkocht aan afnemers. Gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Bijzondere voorwaarde: - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, in dit geval het Leger de Heils te Amsterdam, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en begeleiding door Stichting Spirit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/754018-11

Datum uitspraak: 9 november 2011

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 augustus 2011 en 26 oktober 2011.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.A.C. Overmeire-De Vilder, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. D.M. van Gosen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 2, 3 en 4 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 17 mei 2011 te 's-Gravenhage en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Amersfoort en/of te Hilversum en/of te Haarlem en/of te Diemen, in elk geval in Nederland, te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geschrift(en), waaronder:

- een diploma Sociaal pedagogisch werk en/of een diploma Bachelor of social work en/of een of meer cijferlijst(en) op naam van [naam 1] en/of

- (zaaksdossier 1) een masterdiploma Accountancy op naam van [naam 2] en/of

- (zaaksdossier 2) een bachelordiploma Sociaal pedagogische hulpverlening op naam van [naam 3] en/of

- (zaaksdossier 3) een HAVO-diploma op naam van [naam 4] en/of

- (zaaksdossier 4) een of meer VWO-diploma('s) en/of een of meer cijferlijst(en) op naam van [naam 5] en/of

- (zaaksdossier 5) een MTS -diploma en/of een cijferlijst op naam van [naam 6] en/of

- (zaaksdossier 6) een VWO-diploma op naam van [naam 7] en/of

- (zaaksdossier 7) een propedeusediploma Psychologie op naam van [naam 8] en/of

- (zaaksdossier 8) een bachelordiploma SPD bedrijfsadministratie en/of een bacholordiploma Moderne bedrijfsadministratie op naam van [naam 9] en/of

- (zaaksdossier 9) een bachelordiploma Industriële automatisering op naam van [naam 10] en/of

- (zaaksdossier 10) een of meer HAVO-diploma('s) op naam van [naam 11] en/of

- (zaaksdossier 11) een bachelordiploma Toeristisch management op naam van [naam 12] en/of

- (zaaksdossier 12) een MEAO-diploma op naam van [naam 13] en/of

- (zaaksdossier 13) een bachelordiploma Geneeskunde en/of een doctoraaldiploma Geneeskunde en/of een of meer cijferlijst(en) op naam van [naam 14] en/of

- (zaaksdossier 14) een bachelordiploma Lerarenopleiding wiskunde 2e graads op naam van [naam 15] en/of

- (zaaksdossier 15) een HBO-diploma Leraar basisonderwijs en/of een MBO-diploma Sociaal pedagogisch werker en/of een of meer cijferlijsten op naam van [naam 16] en/of

- (zaaksdossier 16) een bachelordiploma Office management op naam van [naam 17] en/of

- (zaaksdossier 17) een VWO-diploma en/of een cijferlijst op naam van [naam 18] en/of

- (zaaksdossier 18) een bachelordiploma Leraar basisonderwijs op naam van [naam 19] en/of

- (zaaksdossier 19) een HTS-diploma op naam van [naam 20],

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

voornoemde valse of vervalste geschriften (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad, terwijl hij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk, op zijn computer de geschrift(en) geheel valselijk opgemaakt en/of (vervolgens) uitgeprint en/of (vervolgens) voorzien van een of meer valse handtekening(en) en/of voorzien van een (reliëf)stempel en/of bij de afnemer(s) afgeleverd

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen.

Medeplegen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Zij is van oordeel dat in het dossier onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn om tot de conclusie te kunnen komen dat er tussen verdachte en zijn neef [neef] en/of anderen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het valselijk opmaken van en de handel in valse diploma's en cijferlijsten.

Het ontbreken van handtekeningen

De raadsvrouw van verdachte heeft erop gewezen dat de op de USB-stick van verdachte aangetroffen diploma's niet waren voorzien van handtekeningen. De raadsvrouw heeft betoogd dat hierdoor het valselijk opmaken van deze diploma's niet is voltooid en dat deze geschriften niet als echt en onvervalst zijn te gebruiken.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Dat bepaalde, door de raadsvrouw genoemde, diploma's van onderwijsinstellingen enkel in conceptvorm zijn aangetroffen op een USB-stick van verdachte en zich derhalve niet ook als ondertekende documenten in het dossier bevinden, maakt nog niet dat die diploma's niet als valselijk opgemaakt zijn te beschouwen. De rechtbank is van oordeel dat het van een handtekening (doen) voorzien van de door verdachte op zijn computer valselijk opgemaakte diploma's van

dermate ondergeschikt belang is dat dit aan een bewezenverklaring van valsheid in geschrift niet in de weg hoeft te staan reeds gelet op het feit dat bij geen van de ten laste gelegde geschriften het op de USB-stick van verdachte aangetroffen document het enige bewijsmiddel is. Ten aanzien van ieder bewezenverklaard geschrift zijn meerdere bewijsmiddelen voorhanden.

Oogmerk

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit nu niet kan worden bewezen dat verdachte enig oogmerk tot misleiding van zijn afnemers heeft gehad.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet noodzakelijk is dat verdachte het oogmerk heeft gehad om de afnemers van de door hem valselijk opgemaakte geschriften te misleiden. Het in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk kan immers ook bestaan uit de bewuste bedoeling om het valse geschrift als echt en onvervalst te doen gebruiken door anderen, in deze diezelfde afnemers van de valse diploma's en cijferlijsten. Het daadwerkelijk gebruikmaken van dit geschrift is voor een bewezenverklaring overigens niet noodzakelijk.

Uit het dossier blijkt dat de diverse afnemers van de diploma's aan verdachte te kennen hebben gegeven dat zij de vervalste diploma's nodig hebben voor een sollicitatie of opleiding. Ook adverteerde verdachte onder meer als volgt:

"Wel de juiste kennis maar niet de diploma die u nodig heeft dan bent u bij ons bij het juiste adres."

"Top kwaliteit (niet van echt te onderscheiden)."

"En de juiste diploma van de school die jij wil."

"Onze diploma's zijn niet van echt te onderscheiden, maar het zijn en blijven namaak! Het is dan ook voor eigen risico en verantwoordelijkheid om deze te gebruiken."

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte het oogmerk heeft gehad om de door hem geleverde, valselijk opgemaakte diploma's en cijferlijsten als echt en onvervalst te doen gebruiken door de afnemers van die geschriften, zodat sprake is van het voor een bewezenverklaring van artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht vereiste oogmerk.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 17 mei 2011 te 's-Gravenhage en te Amsterdam en te Utrecht en te Amersfoort en te Hilversum en te Haarlem geschriften, waaronder:

- een diploma Sociaal pedagogisch werk en een diploma Bachelor of social work en cijferlijsten op naam van [naam 1] en

- een masterdiploma Accountancy op naam van [naam 2] en

- een bachelordiploma Sociaal pedagogische hulpverlening op naam van [naam 3] en

- een HAVO-diploma op naam van [naam 4] en

- VWO-diploma's en cijferlijsten op naam van [naam 5] en

- een MTS-diploma en een cijferlijst op naam van [naam 6] en

- een VWO-diploma op naam van [naam 7] en

- een propedeusediploma Psychologie op naam van [naam 8] en

- een bachelordiploma SPD bedrijfsadministratie en een bacholordiploma Moderne bedrijfsadministratie op naam van [naam 9] en

- een bachelordiploma Industriële automatisering op naam van [naam 10] en

- een HAVO-diploma op naam van [naam 11] en

- een bachelordiploma Toeristisch management op naam van [naam 12] en

- een MEAO-diploma op naam van [naam 13] en

- een bachelordiploma Geneeskunde en een doctoraaldiploma Geneeskunde en cijferlijsten op naam van [naam 14] en

- een bachelordiploma Lerarenopleiding wiskunde 2e graads op naam van [naam 15] en

- een HBO-diploma Leraar basisonderwijs en een MBO-diploma Sociaal pedagogisch werker en cijferlijsten op naam van [naam 16] en

- een bachelordiploma Office management op naam van [naam 17] en

- een VWO-diploma en een cijferlijst op naam van [naam 18] en

- een bachelordiploma Leraar basisonderwijs op naam van [naam 19] en

- een HTS-diploma op naam van [naam 20],

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken

en/of

voornoemde valse geschriften telkens opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

immers heeft verdachte toen en daar telkens valselijk, op zijn computer de geschriften geheel valselijk opgemaakt en vervolgens uitgeprint en/of vervolgens voorzien van een of meer valse handtekening(en) en/of voorzien van een (reliëf)stempel en/of bij de afnemer(s) afgeleverd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode vele diploma's en cijferlijsten valselijk opgemaakt en verkocht aan afnemers. Door het handelen van verdachte hebben diverse personen kunnen beschikken over diploma's zonder de betreffende opleiding met succes te hebben afgerond. Deze personen hebben aldus over een diploma beschikt, terwijl zij niet op de voorgeschreven wijze hebben aangetoond de kennis en vaardigheden te bezitten op basis waarvan een dergelijk diploma normaliter zou worden uitgereikt. De maatschappij heeft er groot belang bij om te kunnen vertrouwen op de juistheid van diploma's en cijferlijsten, nu dit soort geschriften de aanwezigheid van bepaalde kennis en vaardigheden veronderstelt bij de bezitter ervan. Verdachte heeft aldus door zijn handelen het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in de juistheid van dergelijke documenten in ernstige mate geschaad. Dit is verdachte des te meer aan te rekenen, nu hij slechts heeft gehandeld uit puur winstbejag en zich daarbij niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een op verdachtes naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 mei 2011, waaruit blijkt dat hij meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen, zij het niet voor soortgelijke delicten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies d.d. 1 augustus 2011 van het Leger des Heils, Jeugdzorg & Reclassering, betreffende verdachte. De rapporteur concludeert dat er bij verdachte geen sprake is van verslavings- of persoonlijkheidsproblematiek. Voorts heeft verdachte volgens de rapporteur redelijk stabiele primaire levensomstandigheden. Bij een eventuele afwijzing op het gebied van opleiding of werk vindt verdachte het echter moeilijk om door te zetten. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld. Na zijn detentie kan verdachte ondersteuning krijgen van Stichting Spirit die met hem een ambulant behandelingsplan zal uitwerken teneinde meer stabiliteit en grotere zelfstandigheid te verkrijgen. Om verdachte te ondersteunen bij het doorzetten van een positieve levenskoers en het werken aan een blijvende positieve levenshouding acht de rapporteur begeleiding door de reclassering zinvol. Bij uitblijven van begeleiding acht de rapporteur de kans aanwezig dat verdachte onvoldoende sterk is om zelfstandig tot blijvende gedragsverandering te komen. De rapporteur adviseert om aan verdachte een (gedeeltelijke) voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat hij alle aanwijzingen van de reclassering zal opvolgen, ook indien dat inhoudt een meldingsgebod en het volgen van een behandeling bij Stichting Spirit.

De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van zestien maanden opleggen. Deze straf is lager dan de straf die de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank bepalen dat een deel van die straf, te weten zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarden houdt, onder meer inhoudende dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en dat hij zich zal houden aan alle aanwijzingen van de reclassering, ook indien dat inhoudt een meldingsgebod en begeleiding door Stichting Spirit. De rechtbank acht de oplegging van deze bijzondere voorwaarde in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2, 3 en 4 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

opzettelijk een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afleveren of voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 16 (ZESTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, in dit geval het Leger de Heils te Amsterdam, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en begeleiding door Stichting Spirit;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2, 3 en 4 genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M. Smid-Verhage, voorzitter,

mrs.M.M. Meessen en S.M. Krans, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2011.