Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3675

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
374374 - HA RK 10-424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. TOS niet op verzoekster van toepassing omdat zij is geboren na de inwerkingtreding van de TOS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 374374 / HA RK 10-424

Beschikking van 6 oktober 2011

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. G.P. Dayala te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. J.E.A. Pesch.

1.De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 26 augustus 2010 ingekomen verzoekschrift,

- het verweerschrift van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder te noemen: IND) van

20 september 2010,

- de faxen van mr. Dayala van 18 mei 2011 en 12 september 2011.

1.2. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op

22 september 2011. Verzoekster is verschenen, vergezeld van haar vader, [A], en van mr. Dayala. Namens de IND is mr. Pesch verschenen. De officier van justitie heeft schriftelijk bericht zich aan te sluiten bij het advies van de IND en geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

2.De feiten

2.1. Verzoekster is op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] (Suriname) geboren. Haar ouders waren ten tijde van haar geboorte gehuwd en in het bezit van de Surinaamse nationaliteit.

2.2. Mahabiersing vestigde zich in december 1998 in Nederland. Bij koninklijk besluit van

1 september 1999 is aan hem het Nederlanderschap verleend. In het koninklijk besluit is bepaald dat het Nederlanderschap is onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba, is toegestaan.

2.3. Verzoekster verblijft vanaf 24 september 2003 in Nederland.

3. Het verzoek

3.1. Verzoekster verzoekt de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij stelt daartoe dat zij op grond van artikel 6 lid 1 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (verder te noemen: de TOS), als minderjarige de nationaliteit van haar vader heeft gevolgd en daarom vanaf 1 september 1999 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

3.2. Verzoekster stelt voorts dat zij vanaf haar geboorte tot op heden door haar vader (ook na zijn echtscheiding) is verzorgd en opgevoed. Zij diende tijdens haar minderjarigheid als onderdaan te worden aangemerkt van het land waarvan haar vader de nationaliteit bezit. De TOS is op haar van toepassing omdat er geen andere verdragsrechtelijke regelingen waren die in dit soort gevallen de nationaliteit regelen. Voorts regelt de TOS naar analogie van artikel 8 EVRM de rechten van verzoekster bij de opvolging van haar nationaliteit als minderjarige ter voorkoming van statenloosheid, aldus verzoekster.

4.Het standpunt van de IND

De IND stelt dat verzoekster niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, aangezien in het koninklijk besluit van 1 september 1999 een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van minderjarige kinderen die niet voor onbepaalde tijd in het Koninkrijk zijn toegelaten. Voorts is de TOS niet op verzoekster van toepassing aangezien de TOS slechts de nationaliteit regelt van personen die op het tijdstip van haar inwerkingtreding op 25 november 1975, reeds waren geboren.

5.De beoordeling

5.1. Het verzoek is gebaseerd op artikel 6 lid 1 van de TOS, inhoudende dat minderjarigen de nationaliteit van hun vader c.q. hun moeder volgen. De TOS is tot stand gekomen omdat op het tijdstip waarop Suriname de volledige onafhankelijkheid verkreeg (25 november 1975), vast moest komen te staan welke nationaliteit ieder, die op dat tijdstip Nederlander was, dan bezat. Hieruit blijkt dat de TOS de nationaliteit regelt van personen die op het tijdstip van haar inwerkingtreding reeds geboren waren (zie Hoge Raad 05-06-1987, LJN: AD3201). Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1982, ná de inwerkingtreding van de TOS, zodat de TOS niet op haar van toepassing is.

5.2. Niet staat ter discussie dat verzoekster vanaf september 2003 in Nederland verblijft en dat zij tijde van de naturalisatie van haar vader op 1 september 1999 in Suriname verbleef en aan haar geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan. Hieruit volgt dat zij niet heeft gedeeld in de naturalisatie van haar vader. De omstandigheid dat zij vanaf haar geboorte gedurende haar gehele minderjarigheid door haar vader is verzorgd en opgevoed maakt dit niet anders. De stelling van verzoekster dat zij tijdens haar minderjarigheid als onderdaan diende te worden aangemerkt van het land waarvan haar vader de nationaliteit bezit, is niet op de wet gegrond.

5.3. Verzoekster heeft nog aangevoerd dat (naar de rechtbank begrijpt) de TOS ter voorkoming van staatloosheid onverminderd op haar van toepassing is, omdat er geen andere verdragsrechtelijke regelingen waren die in dit soort gevallen de nationaliteit regelen. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen sprake is van mogelijke staatloosheid. Verzoekster heeft immers sinds haar geboorte op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder a van de Surinaamse nationaliteitswet de Surinaamse nationaliteit omdat haar vader tijdens haar geboorte de Surinaamse nationaliteit bezat. De naturalisatie van haar vader op 1 september 1999 heeft niet tot gevolg dat verzoekster daardoor staatloos is geworden. Zij behield immers haar Surinaamse nationaliteit.

5.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2011.