Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3673

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
335904 - HA ZA 09-1378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Verrekening volgens (Amsterdams) verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden en verdeling van de daarnaast bestaande beperkte gemeenschap tussen ex-echtgenoten. Peildata verdeling en verrekening. Verdeling van de woning in Nederland en de vakantiewoning in Frankrijk, de aan de woning in Nederland gekoppelde hypothecaire geldlening en beleggingspolis, inboedelzaken, bankrekeningen. Voor de vaststelling van de waarde van de woningen moeten deskundigen benoemd worden. Voor de woning in Frankrijk zou een rechtshulpverzoek gedaan moeten worden. Aan partijen in overweging gegegeven zelf voor taxatie zorg te dragen. In de verrekening dienen de volgende goederen betrokken te worden: 2 auto's, bankrekeningen, polissen, (eventueel) in de onderneming van de man opgepotte winsten. De man is directeur groot aandeelhouder met een pensioenvoorziening in eigen beheer waarvan het gedeelte waarop de vrouw volgens de WVPS aanspraak op kan maken, moet worden afgestort. Deskundige moet worden benoemd voor de berekening van de waarde van de pensioenaanspraken van de man en het bedrag dat t.b.v. de vrouw dient te worden afgestort, rekening houdend met verevening i.p.v. conversie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 335904 / HA ZA 09-1378

Vonnis van 19 oktober 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.P. Verhaar- Kok,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat voorheen mr. M. van der Kist, thans mr. M. Haasjes.

Partijen zullen hierna wederom de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het exhibitie-incident van 9 september 2009 en de daarin genoemde gedingstukken, voor zover betreffende de hoofdzaak;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 21 oktober 2009, met producties;

- het tussenvonnis van 4 november 2009, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- de ambtshalve beschikking van 11 maart 2010 ter bepaling van een comparitiedatum;

- de conclusie van antwoord in reconventie van 17 juni 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2010 en de daarin genoemde gedingstukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 18 januari 2011;

- de akte van 13 april 2011 van de zijde van de vrouw, met producties;

- de antwoordakte na comparities tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie van 11 mei 2011 van de zijde van de man, met producties;

- de akte uitlaten vermeerdering van eis in reconventie van 22 juni 2011 van de zijde van de vrouw;

- het e-mailbericht van het cna-bureau van de rechtbank van 19 september 2011 aan de advocaten van de vrouw en de man (met het verzoek het adres van de aan partijen in eigendom toebehorende woning in Frankrijk door te geven);

- het e-mailbericht van de advocaat van de vrouw van 21 september 2011 (waarin aan het verzoek gehoor is gegeven);

- het e-mailbericht van de advocaat van de man van 23 september 2011 (waarin op het e-mailbericht van de advocaat van de vrouw is gereageerd).

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Partijen zijn op 15 augustus 1980 gehuwd. De vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk hebben partijen geregeld bij een op 14 augustus 1980 voor de kandidaat-notaris, mr. C.L. van den Berg, met standplaats Alphen aan den Rijn, verleden akte van huwelijkse voorwaarden. In die akte komen - voor zover thans van belang - de volgende artikelen voor:

"Artikel 1. Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen bestaan; speciaal de gemeenschap van winst en verlies wordt hierbij uitdrukkelijk uitgesloten.

Ieder der echtgenoten behoudt derhalve de zaken, welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt en die, welke gedurende het huwelijk door erfenis, legaat of schenking of op andere wijze om niet aan haar of hem opkomen, alsmede de zaken, welke door hem of haar worden verkregen door belegging of wederbelegging of door ruiling van ieders bijzonder vermogen.

Artikel 2. De schulden door ieder der echtgenoten ten huwelijk aangebracht en die, welke tijdens het huwelijk hen opkomen door erfopvolging, verbonden aan een legaat of schenking of op andere wijze, blijven ten laste van de betreffende echtgenoot, evenals de andere schulden, in de persoon van één der echtgenoten te ontstaan, behalve die bedoeld in artikel 3 dezer akte.

Artikel 3. De kosten der huishouding en van het onderhoud en de opvoeding der kinderen, die uit het huwelijk der comparanten geboren mochten worden, zullen door de echtgenoten in verhouding tot ieders inkomsten uit vermogen en arbeid worden gedragen.

Artikel 4. Ieder der echtgenoten is verplicht een behoorlijke boekhouding te voeren, gestaafd door de nodige bewijsstukken. Na afloop van ieder kalenderjaar zal binnen drie maanden de vaststelling van ieders inkomsten (uit vermogen en arbeid) moeten plaatsvinden in onderling overleg, op verzoek van de meest gerede partij.

Zo comparanten sub I (de man, rechtbank) en II (de vrouw, rechtbank) alsdan niet tot overeenstemming kunnen komen, zal de vaststelling moeten geschieden door een deskundige door de echtgenoten in onderling overleg aan te wijzen of in geval van geschil door de Rechter binnen wiens Kanton de man zijn woonplaats heeft.

Na de vaststelling zal direct verrekening tussen de echtgenoten moeten plaatsvinden, terwijl, indien er een overschot van inkomsten mocht zijn, nadat de kosten vermeld in artikel 3 van deze akte zijn voldaan, dit meerdere tussen de echtgenoten bij helfte zal worden verdeeld.

Het recht om deze vaststelling, alsmede om verrekening en uitkering van de helft van het overschot te vorderen, vervalt na verloop van het jaar, volgende op dat, waarop deze bepaling en verrekening betrekking hebben."

2.2.Bij beschikking van deze rechtbank van 11 februari 2008 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is op 26 mei 2008 ontbonden door inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.De vrouw vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad,

I. de verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap zal vaststellen op de wijze zoals de vrouw voorstelt;

II. de man zal bevelen om met de vrouw over te gaan tot uitvoering van het verrekenbeding en tot verevening en verrekening van de pensioenen en de man te bevelen daartoe alle benodigde informatie te verschaffen, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft;

III. een deskundige zal benoemen ter bepaling van de omvang en de waarde van het te verrekenen vermogen en het ter zake door de man aan de vrouw uit te keren bedrag wanneer de man zijn medewerking niet verleent aan het verschaffen van de onder 3.1 II bedoelde informatie;

IV. de man zal veroordelen tot betaling aan de vrouw van het vastgestelde te verrekenen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.2.De man voert verweer en vordert - na vermeerdering van eis en samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. de vrouw zal bevelen alle bescheiden over te leggen, waaronder dagafschriften, waaruit het ontstaan, het verloop en het saldo blijkt van de bank- en spaarrekeningen:

ABN AMRO

a. rekeningnummer [nummer];

b. rekeningnummer [nummer];

c. rekeningnummer [nummer];

Fortis

d. rekeningnummer [nummer]

e. rekeningnummer [nummer];

Rabobank Groene Hart Noord

f. rekeningnummer [nummer];

g. rekeningnummer [nummer];

Rabobank Regio Schiphol

h. rekeningnummer [nummer];

i. rekeningnummer [nummer];

ING

j. Internet Sparen rekeningnummer [nummer];

k. Internet Plus Sparen rekeningnummer [nummer];

alles voor zover betrekking hebbende op de periode ingaande de dag waarop de desbetreffende rekening is geopend tot 27 mei 2008;

2. voor recht zal verklaren dat geen verdeling behoeft plaats te vinden van het aan de man toebehorend ondernemingsvermogen;

3. voor recht zal verklaren dat het aan de man toebehorend ondernemingsvermogen is uitgesloten van verrekening ingevolge de huwelijkse voorwaarden;

4. de vrouw zal bevelen om met de man over te gaan tot uitvoering van het verrekenbeding op de wijze als bepaald bij het in deze te wijzen vonnis, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de vrouw daarmee na betekening van het vonnis in gebreke blijft;

5. de vrouw zal veroordelen tot betaling van de bij beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 februari 2008 bepaalde gebruiksvergoeding voor de woning, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

6. de vrouw zal veroordelen tot betaling van € 28.000,- aan de man, althans het aan de man toekomende bedrag van € 28.000,- bij de verdeling van de beperkte gemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te verrekenen;

7. voor recht zal verklaren dat het gelegde conservatoir beslag op de aandelen van de man in de vennootschap [A] Holding B.V. vexatoir is;

8. voor recht zal verklaren dat de vrouw jegens de man onrechtmatig heeft gehandeld door niet mee te werken aan doorhaling van het beslag op de aandelen van de man in de vennootschap [A] Holding B.V.;

9. de vrouw zal veroordelen tot vergoeding van de door de man ten gevolge van dit beslag geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

10. voor recht zal verklaren dat het gelegde conservatoir beslag op de aandelen van de man in de vennootschap [A] Holding B.V. nietig is, althans dat dit beslag is vervallen;

11. subsidiair, de vrouw zal bevelen tot doorhaling van het beslag binnen een dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

12. meer subsidiair, dit beslag met onmiddellijke ingang zal opheffen;

in conventie en in reconventie met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.3.De vrouw voert verweer.

3.4.De rechtbank verwijst voor de wederzijdse standpunten en de onderbouwing van de vorderingen in conventie en in reconventie naar de tussen partijen gewisselde gedingstukken met producties. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie

Peildata

Peildata voor wat betreft de beperkte gemeenschap

4.1.De peildatum voor bepaling van de samenstelling van de ontbonden beperkte gemeenschap is de datum waarop de echtscheiding tussen partijen is ingeschreven in de daartoe bestemde registers, derhalve 26 mei 2008.

4.2.Met betrekking tot de peildatum voor bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen die tot de beperkte gemeenschap behoren, stelt de rechtbank voorop dat in beginsel de datum van verdeling van de desbetreffende gemeenschappelijke vermogensbestanddelen als peildatum genomen moet worden, tenzij partijen een andere afspraak hebben gemaakt of op grond van redelijkheid en billijkheid een andere peildatum moet worden gekozen.

4.3.Ten aanzien van de bankrekeningen die behoren tot het gemeenschappelijk vermogen zijn partijen het erover eens dat de peildatum voor de waardering 26 mei 2008 is.

4.4.Voor het overige zijn partijen het erover eens dat de datum van verdeling als peildatum dient te gelden. Alleen met betrekking tot de voormalige echtelijke woning betoogt de man bij antwoordakte na comparities tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie dat een andere peildatum voor de waardering genomen moet worden. Bij het geschilpunt omtrent de woning zal de rechtbank hierop terugkomen.

Peildatum met betrekking tot de afwikkeling van het verrekenbeding

4.5.Partijen zijn het erover eens dat voor het vermogen waarop het verrekenbeding van toepassing is, de datum van de indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten 24 mei 2007, de datum is waarop verrekend moet worden.

Verdeling van de huwelijksgoederen die tot een tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap behoren

De voormalige echtelijke woning

4.6.Met betrekking tot de voormalige echtelijke woning, staande en gelegen aan de [A-straat te plaats A] (hierna: de woning) zijn partijen het erover eens dat deze aan de vrouw zal worden toegedeeld, mits zij deze kan financieren.

4.7.In januari 2008 is de woning door Deerenberg & Van Leeuwen Makelaardij getaxeerd op een waarde van € 800.000,-. Ter comparitie van 18 januari 2011 hebben partijen afgesproken dat de woning opnieuw getaxeerd dient te worden, naar de waarde per heden.

Bij antwoordakte na comparities tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie betoogt de man echter dat, indien de waarde van de woning thans minder dan € 800.000,- bedraagt, de vermindering van de waarde op grond van redelijkheid en billijkheid voor rekening van de vrouw dient te komen. Vanaf het moment van uiteengaan is duidelijk geweest dat de vrouw de woning toegedeeld wenst te krijgen en de man wenst uit te kopen, aldus de man.

Met verwijzing naar r.o. 4.2. zijn er twee uitzonderingen mogelijk op de hoofdregel dat als peildatum de datum van verdeling moet worden genomen. De eerste uitzondering betreft een afspraak tussen partijen, die hier niet aan de orde is. Daarnaast dient een uitzondering te worden gemaakt als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een beroep op de hoofdregel niet aanvaardbaar is. Daargelaten dat het de vraag is of de vrouw de woning aan zich kan laten toedelen - dat ligt aan de over- dan wel onderbedelingsvergoeding op grond van de verdeling van de goederen van de beperkte gemeenschap en de verrekening op basis van het verrekenbeding - is de overeenstemming over toedeling geen grond die een beroep op de tweede uitzondering rechtvaardigt. Pas bij de daadwerkelijke verdeling van de huwelijksgoederen die deel uitmaken van de beperkte gemeenschap verkrijgen partijen immers de aan hen toegescheiden activa en pas vanaf die datum kunnen zij over deze activa vrijelijk beschikken. De verkrijging dient daarom volgens de hoofdregel te geschieden tegen de waarde van de activa op dat tijdstip.

4.8.Het voorgaande houdt in dat voor de waardering van de woning de datum van verdeling wordt aangehouden. Het taxatierapport zal (uiteraard) nooit geheel samenvallen met de daadwerkelijke datum van verdeling, maar dat doet er niet aan af dat de in dat rapport weergegeven waarde tot uitgangspunt kan worden genomen voor de bepaling van de waarde op de datum van verdeling. De rechtbank zal thans nog geen deskundige benoemen omdat de mogelijkheid bestaat dat in verband met de waardering van de woning in Frankrijk een rechtshulpverzoek moet worden gedaan (vergelijk r.o. 4.16 en 4.17), partijen zich in verband met de pensioenverevening nog moeten uitlaten over een te benoemen deskundige (zie r.o. 4.39) en omdat de mogelijkheid bestaat dat daarna nog een deskundige benoemd moet worden in verband met de onderneming van de man (vergelijk r.o. 4.32). De rechtbank zal daarom de deskundige die de waarde van de woning moet vaststellen in een later stadium benoemen, zodat de waardering kan geschieden op een tijdstip dat zo dicht mogelijk ligt bij de werkelijke datum van verdeling.

4.9.De vrouw stelt voor als deskundige Deerenberg & Van Leeuwen Makelaardij te benoemen, welk makelaarskantoor de woning eind januari 2008 al heeft getaxeerd. De man kan hiermee niet instemmen en stelt voor Bliemer & Que Makelaars te Leimuiden of Goedhart Makelaars te Rijnsaterwoude te benoemen. Nu de vrouw zich over de door de man voorgestelde makelaars niet heeft kunnen uitlaten, zal zij daartoe bij akte alsnog in de gelegenheid worden gesteld. Mocht zij niet kunnen instemmen met één van de door de man genoemde deskundigen dan zal de rechtbank zelf in de benoeming voorzien. Daarbij merkt de rechtbank nu al op dat partijen door de rechtbank voorshands ieder voor de helft met de kosten van het deskundigenbericht zullen worden belast.

4.10.Voorts stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om zich bij (antwoord)akte uit te laten - bij voorkeur na onderling overleg - over de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank is voornemens aan de deskundige in ieder geval de volgende vragen voor te leggen:

1. Op welke waarde per heden taxeert u de woning, ondergrond, tuin en verdere aangehorigheden staande en gelegen aan de [A-straat te plaats A], in ontruimde staat, vrij van huren, pachten en/of andere gebruiksrechten, rekening houdend met de stand, de ligging, de bouwaard, de ouderdom en de staat van onderhoud?

2. Welke andere feiten of omstandigheden, voortvloeiend uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

De aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening

4.11.De woning is bezwaard met een hypothecaire geldlening, afgesloten bij de ING Bank onder rekeningnummer [nummer]. Het restant van de hypotheekschuld bedraagt € 272.268,13. Partijen zijn het erover eens dat - indien en voor zover de woning aan de vrouw wordt toegedeeld - de hypothecaire geldlening eveneens aan de vrouw zal worden toegescheiden.

De aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingspolis

4.12.Aan de hypotheek is een beleggingspolis gekoppeld, afgesloten bij de ING Bank onder hetzelfde rekeningnummer als de hypotheek, te weten [nummer]. Indien en voor zover de woning aan de vrouw wordt toegedeeld, zal ook de onderhavige beleggingspolis aan de vrouw worden toegedeeld tegen de waarde per datum verdeling. Voor vaststelling van de waarde van deze rekening dient de afkoopwaarde op de (in de toekomst liggende) peildatum van verdeling te worden bepaald. De vrouw zal in het stadium van de procedure waarin de deskundige wordt benoemd om de waarde van de woning vast te stellen, in de gelegenheid worden gesteld bewijsstukken over te leggen waaruit dient te blijken welke afkoopwaarde de beleggingspolis op dat moment heeft.

De woning in Frankrijk

4.13.Partijen hebben een tweede woning in Frankrijk aan de [woonplaats] in het departement Allier (hierna: de woning in Frankrijk).

De advocaat van de vrouw heeft bij e-mailbericht van 21 september 2011 gemeld dat de kadastrale gegevens van de woning in Frankrijk de volgende zijn: gemeente [woonplaats], [sectie, nummer], groot 43 are en 30 centiare; gemeente [woonplaats], [sectie, nummer], groot 1 hectare, 65 are en 60 centiare; gemeente [woonplaats], [sectie, nummer], groot 70 are en 13 centiare; gemeente [woonplaats], [sectie, nummer], groot 1 hectare, 8 are en 75 centiare; gemeente [woonplaats], [sectie, nummer], groot 68 are en 8 centiare; gemeente [woonplaats], [sectie, nummer], groot 1 hectare, 63 are en 45 centiare en gemeente [woonplaats], [sectie, nummer], groot 1 hectare en 53 centiare. Bij e-mailbericht van 23 september 2011 heeft de advocaat van de man betoogd dat de kadastrale gegevens niet volledig zijn, nu het totale perceel ongeveer 9 hectare is. Daarbij staat de woning op een perceel van ongeveer 4,5 hectare en zijn er nog twee percelen van in totaal ongeveer 4,5 hectare respectievelijk 1.000 m².

De rechtbank constateert dat de vrouw bij akte na comparities zelf heeft gesteld dat de woning in Frankrijk op een perceel staat van ongeveer 8 hectare. Volgens de opgave van de vrouw sluit het totale perceeloppervlak op 7 hectare, 19 are en 84 centiare. Niet is uit te sluiten dat de genoemde kadastrale gegevens niet compleet zijn. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld bij akte de notariële aktes met betrekking tot de woning en bijbehorende grond in Frankrijk over te leggen waaruit de volledige kadastrale gegevens/oppervlaktes blijken van alle aan partijen toebehorende percelen. Met verwijzing naar r.o. 4.16 merkt de rechtbank op dat de vrouw deze gegevens niet in het geding hoeft te brengen wanneer partijen overeenstemming bereiken over de waardering van de woning in Frankrijk.

4.14.Partijen zijn het erover eens dat de woning in Frankrijk aan de man zal worden toegedeeld. Voor de waardering van de woning dient de datum van verdeling te worden aangehouden.

4.15.De vrouw stelt voor om voor de taxatie van de woning als deskundige het notariskantoor Notaires Beaudonnet et Robelin te Vichy te benoemen. Dit is het notariskantoor dat destijds het notarieel transport heeft geregeld. De man kan hiermee niet instemmen en stelt voor notariskantoor Maître Barthelet te Le Mayet de Montage te benoemen, omdat dit notariskantoor gelegen is in de regio van de woning in Frankrijk. Nu de vrouw zich over dit notariskantoor niet heeft kunnen uitlaten, houdt de rechtbank het ervoor dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over de als deskundige te benoemen persoon van een notariskantoor in Frankrijk.

4.16.Dat betekent dat de rechtbank op basis van de artikelen 4 tot en met 16 van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de Lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (hierna: de Bewijsverordening) een rechtshulpverzoek voor een bewijsopname (deskundigenonderzoek) dient te doen aan het bevoegde gerecht, te weten het Tribunal de Grande Instance de Cusset in Frankrijk.

De rechtbank merkt op dat een dergelijk rechtshulpverzoek een tijdrovende en (voor partijen) kostbare aangelegenheid is. De rechtbank geeft partijen daarom in overweging de waarde van de woning in Frankrijk onderling in goed overleg (tussen de advocaten) te (laten) bepalen. Daartoe zouden partijen de door de man in zijn conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie onder punt 92 genoemde waarde van € 200.000,- kunnen aanhouden (de vrouw heeft hierop niet gereageerd). Partijen zouden ook zelf een notaris in Frankrijk kunnen benaderen die de waarde van de woning ondergrond, tuin en verdere aangehorigheden, in ontruimde staat, vrij van huren, pachten en/of andere gebruiksrechten, rekening houdend met de stand, de ligging, de bouwaard, de ouderdom en de staat van onderhoud per heden taxeert, waarna partijen dit rapport in het geding kunnen brengen.

4.17.Indien partijen op de voorgestelde basis niet tot overeenstemming kunnen komen over de waarde van de woning in Frankrijk, zal de rechtbank voornoemd rechtshulpverzoek doen. In dat geval dienen partijen zich uit te laten of zij bij de taxatie aanwezig willen zijn.

Inboedelzaken van de woning, huurwoning in Alphen aan den Rijn en de woning in Frankrijk

4.18.De vrouw stelt dat naast de inboedelzaken van de woning en de woning in Frankrijk, eveneens de inboedel die door de man is aangeschaft ten behoeve van de door hem gehuurde woning in Alphen aan de Rijn (hierna: de huurwoning), tot de beperkte gemeenschap behoort. Zij stelt op basis van dit uitgangspunt een verdeling voor in die zin dat de man de inboedel in de huurwoning toegedeeld krijgt en ieder der partijen de inboedel van de woning behoudt zoals zij die thans in hun bezit hebben, zonder nadere verrekening. Met betrekking tot de inboedel van de woning in Frankrijk kan deze volgens de vrouw aan de man worden toegedeeld onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw, waarbij de vrouw een taxatie voorstelt, uit te voeren door de deskundige die de waarde van de woning zal taxeren.

4.19.De rechtbank is - met de man - van oordeel dat de inboedelzaken in de huurwoning te Alphen aan den Rijn geen onderdeel uitmaken van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap. De man betoogt - onweersproken - dat hij de huurwoning op 16 februari 2007 heeft betrokken nadat hij in het kader van de echtscheidingsprocedure de echtelijke woning heeft moeten verlaten. De - door hem deels gekregen en deels gekochte - inboedelzaken zijn uitsluitend aan hem geleverd zodat hij enig eigenaar is geworden van deze goederen. Dat betekent dat met betrekking tot deze inboedelzaken verdeling niet aan de orde is.

Volgens de stellingen van de man heeft hij de door hem gekochte inboedelzaken aangeschaft met gelden uit overgespaarde inkomsten. Dat betekent dat de inboedelzaken - voor zover ze zijn gekocht - wel in de verrekening betrokken moeten worden en dat de vrouw in dat kader recht heeft op de helft van de waarde van deze inboedelzaken. Omdat zowel in het kader van de verdeling als in het kader van de verrekening de man zowel als de vrouw recht heeft op de helft van de waarde van alle inboedelzaken, zal de rechtbank de inboedelzaken van de huurwoning in de onderhavige beoordeling van het geheel aan inboedelzaken betrekken.

4.20.Het voorgaande betekent dat de inboedel van de woning en de woning in Frankrijk tussen partijen verdeeld dient te worden en de waarde van de inboedelzaken van de huurwoning verrekend dient te worden. De man kan niet instemmen met het voorstel daarover van de vrouw. Hij voert aan dat hij de echtelijke woning heeft moeten verlaten en slechts persoonlijke goederen heeft verkregen, maar dat er geen sprake is van een (gelijkwaardige) verdeling van de inboedel van de woning. Voorts heeft hij betoogd dat de inboedel in de woning in Frankrijk veel minder waard is dan de inboedel van de woning en dat hij de huurwoning karig heeft ingericht en voornamelijk met "krijgertjes". Nu de vrouw niet heeft weersproken dat de man slechts persoonlijke goederen uit de woning heeft verkregen en evenmin de (geringe) waarde van de inboedel van de huurwoning heeft weersproken, oordeelt de rechtbank als volgt. De thans in de woning aanwezige inboedel wordt aan de vrouw toegedeeld en de inboedelzaken in de woning in Frankrijk worden aan de man toegedeeld, zonder nadere verrekening, waarbij met betrekking tot de huurwoning geen bedrag in de verrekening wordt betrokken. Een en ander geldt temeer nu niet is gesteld of gebleken dat de inboedel zaken bevat van een bijzondere waarde.

Bankrekeningen

4.21.Partijen zijn het erover eens dat de drie en/of rekeningen bij de ING bank met rekeningnummers [nummer], [nummer] en [nummer] gemeenschappelijk vermogen betreffen en derhalve onderdeel uitmaken van de beperkte gemeenschap. Voorts zijn ze het erover eens dat op de peildatum voor de waardering (26 mei 2008, vergelijk r.o. 4.3) het saldo op deze rekeningen nihil was. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de rekeningen, zonder toedeling, kunnen worden opgeheven.

4.22.De man vordert bij antwoordakte na comparities tevens houdende vermeerdering van eis de rekeningafschriften van de en/of rekeningen bij de ING bank met rekeningnummers [nummer] en [nummer] (zie onder 3.2 1. j en k) vanaf 1 januari 2006 tot en met heden, daar hij nader inzicht behoeft om na te gaan of de vrouw meer gelden onrechtmatig heeft onttrokken, aldus de man.

De rechtbank constateert - met de vrouw - dat partijen ter comparitie van 17 juni 2010 zijn overeengekomen dat de vrouw alleen nog de rekeningafschriften van de Fortis rekeningen op naam van de vrouw en de Rabobank rekeningen op naam van de vrouw diende over te leggen. Ter comparitie van 18 januari 2011 heeft de man erkend dat de vrouw deze rekeningafschriften heeft overgelegd, waarmee de geschillen met betrekking tot de inzage in het verloop van de verscheidene bankrekeningen waren beslecht. De reconventionele vordering genoemd onder 3.2 1. j en k zal dan ook worden afgewezen.

4.23.Voorts hebben partijen een gemeenschappelijke en/of rekening in Frankrijk bij de Credit Agricole Centre France met rekeningnummer [nummer]. De rechtbank zal de rekening aan de man toedelen, nu de woning in Frankrijk aan hem zal worden toegedeeld. De rechtbank verzoekt de man bij antwoordakte rekeningafschriften in het geding te brengen waaruit het saldo op de peildatum van waardering van 26 mei 2008 blijkt. Aan de vrouw komt de helft van het saldo op de peildatum toe.

Uitvoering van het verrekenbeding

4.24.De rechtbank stelt voorop dat de vorderingen genoemd onder 3.1 II en III voor afwijzing gereed liggen, nu de man de bedoelde gegevens in het geding heeft gebracht c.q. heeft toegezegd zijn medewerking te zullen verlenen aan het nog in het geding brengen van eventueel benodigde gegevens ten behoeve van verrekening. Voorts verleent de man zijn medewerking aan de verevening / verrekening van de pensioenen en zullen hangende de procedure de benodigde deskundigen worden benoemd.

Auto's

4.25.Partijen hebben een - in Frankrijk gestalde - Citroën en een (in onderdelen aanwezige) A-Ford in eigendom. Zij zijn het erover eens dat de beide auto's zijn aangekocht met overgespaarde inkomsten, zodat de waarde van de auto's verrekend dient te worden. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de A-Ford, zonder verrekening, eigendom van de vrouw zal worden en de Citroën, zonder verrekening, eigendom zal worden van de man. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen het nodige zullen doen om de eventuele eigendomsoverdracht te bewerkstellingen.

4.26.De onderdelen van de A-Ford zijn - zoals tijdens de comparitie van 18 januari 2011 is afgesproken - door de man afgeleverd bij [B], waar de vrouw deze onderdelen heeft opgehaald. De vrouw stelt thans dat de bumpers en de (handgemaakte) bekleding missen, waarvan de totale waarde volgens haar op ongeveer € 15.000,- geschat moet worden. Mocht de vrouw daarmee bedoelen dat de man haar in dit kader alsnog € 15.000,- verschuldigd is dan verwerpt de rechtbank dit standpunt. Zoals de man terecht opmerkt, was de vrouw op de hoogte van het feit dat de A-Ford enkel in onderdelen aanwezig was. De man betoogt dat hij de bij hem in bezit zijnde onderdelen heeft afgeleverd en dat de vrouw op de hoogte was van het feit dat een aantal onderdelen misten omdat er een lekkage is geweest.

Bankrekeningen

4.27.Partijen zijn het erover eens dat de saldi van de bankrekeningen, voor zover deze rekeningen nog bestonden ten tijde van de peildatum, in de verrekening betrokken moeten worden. Tijdens de procedure zijn de volgende bankrekeningen genoemd:

a. ING-rekening op naam van de man met rekeningnummer [nummer]. Het saldo op de peildatum van 24 mei 2007 à € 2.025,33 moet worden verrekend, zodat een bedrag van (€ 2.025,33 : 2 =) € 1.012,67 aan de vrouw toekomt.

b. ING-rekening op naam van de man met rekeningnummer [nummer]. Deze rekening is geopend na de peildatum van 24 mei 2007, zodat het saldo buiten de verrekening blijft.

c. ABN AMRO-rekeningen op naam van de vrouw met rekeningnummers [nummer], [nummer] en [nummer]. De vrouw heeft ter comparitie van 17 juni 2010 verklaard dat er niets (meer) op deze rekeningen staat zodat er niets te verrekenen valt. De man betoogt bij antwoordakte na comparities tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie dat hij geen rekeningafschriften van de vrouw heeft ontvangen, behoudens hetgeen zij bij haar conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv heeft overgelegd, zodat hij zijn reconventionele vordering ter zake handhaaft. Met verwijzing naar r.o. 4.22 zal de rechtbank de reconventionele vordering genoemd onder 3.2 1. a tot en met c afwijzen.

d. Fortisrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [nummer]. Ter comparitie van 17 juni 2010 is afgesproken dat de vrouw het saldo van de rekening op de peildatum van 25 mei 2007 zou opgeven en dat zij rekeningafschriften van deze rekening zou verstrekken over de periode 15 april 2008 tot 12 januari 2009. Ter comparitie van 18 januari 2011 heeft de vrouw verklaard dat zij de man de gevraagde inzage heeft verstrekt en de man heeft bevestigd dat dit is gebeurd. De rechtbank zal derhalve de reconventionele vordering genoemd onder 3.2 1. d afwijzen.

Bij akte na comparities heeft de vrouw zich vervolgens op het standpunt gesteld dat ter comparitie van 17 juni 2010 overeenstemming is bereikt over alle te verrekenen bedragen, waaronder een bedrag van € 3.503,15, te weten het totale saldo van de onderhavige rekening en de Fortisrekening met rekeningnummer [nummer] omstreeks 17 juni 2010. De rechtbank verwerpt deze stelling. Ter comparitie is enkel vastgesteld dat beslissend is het saldo op de peildatum van 25 mei 2007. De vrouw zou met betrekking tot de onderhavige Fortisrekening stukken aan de man verstrekken waaruit het saldo op deze peildatum blijkt.

Met betrekking tot de onderhavige Fortisrekening staat vast dat het saldo op de peildatum van 25 mei 2007 € 50.155,25 bedroeg. Dat betekent dat de vrouw aan de man (€ 50.155,25 : 2 =) € 25.077,63 verschuldigd is. De rechtbank overweegt echter dat de vrouw bij akte uitlaten vermeerdering van eis in reconventie terecht stelt dat na de peildatum van 25 mei 2007, te weten op 27 juli 2007, € 10.000,- is overgemaakt naar de gemeenschappelijke rekening bij de Credit Agricole Centre France (vergelijk productie 5a en 5b bij de conclusie van antwoord in het incident). Deze rekening zal worden toegedeeld aan de man waarbij het saldo op de peildatum van 26 mei 2008 (een jaar na de peildatum van de verrekening) beslissend is en tussen partijen verdeeld dient te worden (vergelijk r.o. 4.23). Omdat daarmee de door de vrouw overgemaakte € 10.000,- bij helfte zal worden verdeeld (waardoor de vrouw in feite weer € 5.000,- van de man geretourneerd krijgt), betekent dit dat de vrouw al € 5.000,- aan de man heeft betaald zodat dit bedrag in mindering dient te komen op de door haar verschuldigde € 25.077,63. De vrouw stelt voorts - zonder nadere onderbouwing - dat mede van deze Fortisrekening na de peildatum van 25 mei 2007 ten behoeve van de man nog facturen zijn voldaan van het advocatenkantoor dat voor hem optreedt (Van Delft Advocaten). Op de door de vrouw overgelegde rekeningafschriften van de rekening met rekeningnummer [nummer] (producties 5a en 8 bij de conclusie van antwoord in het incident) tot en met 1 juli 2009 komen echter geen betalingen aan Van Delft Advocaten voor. Het voorgaande betekent dat de vrouw in het kader van de verrekening van het saldo van de Fortisrekening met rekeningnummer [nummer] aan de man een bedrag van (€ 25.077,63 - € 5.000,- =) € 20.077,63 moet betalen.

Omdat het saldo op de peildatum beslissend is, oordeelt de rechtbank dat daarmee de vordering van de man genoemd onder 3.2 6.voor afwijzing gereed ligt.

e. Fortisrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [nummer]. Ter comparitie van 17 juni 2010 is afgesproken dat de vrouw het saldo van de rekening op de peildatum van 25 mei 2007 zou doorgeven en dat zij rekeningafschriften van deze rekening zou verstrekken over de periode 15 april 2008 tot 12 januari 2009.

De man heeft bij antwoordakte na comparities aangevoerd dat de vrouw met betrekking tot deze rekening alleen de rekeningafschriften heeft verstrekt met daarop de mutaties van 10 september 2008 tot en maart 2009, zodat niet duidelijk is wat het saldo op de peildatum was van de onderhavige rekening en de vrouw alsnog inzage dient te verschaffen op dit punt.

De rechtbank passeert - met verwijzing naar r.o. 4.27 onder d - de stelling van de vrouw dat partijen al overeenstemming hebben bereikt over het te verrekenen bedrag van de onderhavige rekening. Voorts constateert de rechtbank dat de man verwijst naar een productie 14 met betrekking tot de door de vrouw overgelegde rekeningafschriften voor de mutaties van 10 september 2008 tot en maart 2009. De rechtbank kan deze verwijzing niet plaatsen. De enige mutaties die de rechtbank in het procesdossier heeft aangetroffen zijn die van 26 februari 2009 tot en met 27 mei 2009 (overgelegd als laatste pagina bij productie 8 bij de conclusie van antwoord in het incident). Overigens zijn deze mutaties niet van belang voor de vaststelling van het saldo op de peildatum van 25 mei 2007. De rechtbank zal de vrouw dan ook nogmaals in de gelegenheid stellen rekeningafschriften van de onderhavige rekening over te leggen waaruit het saldo op de peildatum volgt. De vrouw is in het kader van de verrekening de helft van dit saldo aan de man verschuldigd.

f. Partijen zijn het erover eens dat de Rabobank rekeningen met rekeningnummers [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer] geopend zijn na de peildatum van 25 mei 2007 zodat deze niet in de verrekening betrokken hoeven worden.

De rechtbank constateert dat de man enerzijds betoogt dat hij de rekeningafschriften van de Rabobank rekeningen van de vrouw heeft ontvangen, maar anderzijds zijn vordering in reconventie op dit punt niet heeft gewijzigd. De rechtbank zal de reconventionele vordering genoemd onder 3.2 1. f tot en met i afwijzen.

Verzekeringspolissen

4.28.Partijen zijn het erover eens dat er ten tijde van de ontbinding van het huwelijk drie verzekeringspolissen (niet zijnde pensioenpolissen) waren, alle drie op naam van de man. Dat zijn een polis bij Aegon onder polisnummer [nummer], een polis bij Winterthur onder polisnummer [nummer] en een polis bij de Amersfoortse Verzekeringen onder polisnummer [nummer]. Voorts zijn partijen het erover eens dat de polissen bij Winterthur en Amersfoortse Verzekeringen risicoverzekeringen zijn, zodat deze geen afkoopwaarde hebben en dat de man bewijsstukken met betrekking tot de afkoopwaarde van de polis bij Aegon op de peildatum van 25 mei 2007 in het geding dient te brengen, nu deze afkoopwaarde in de verrekening betrokken moet worden. De man heeft deze stukken bij antwoordakte na comparities tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie nog niet in het geding gebracht, zodat de rechtbank de man bij antwoordakte in de gelegenheid zal stellen dit alsnog te doen.

Spaarloonregelingen

4.29.Partijen zijn het erover eens dat de waardes van de polissen in verband met spaarloon bij Nationale Nederlanden met polisnummers [nummer] ten name van de vrouw respectievelijk [nummer] ten name van de man ongeveer gelijk zijn, zodat verrekening niet aan de orde is.

Onderneming

4.30.De man exploiteerde bij het aangaan van het huwelijk met de vrouw een eenmanszaak. Op 25 februari 1985 heeft hij deze eenmanszaak omgezet in een besloten vennootschap genaamd Autoschadebedrijf [A] B.V.

Per 1 januari 2003 vindt een herstructurering van de onderneming plaats. De pensioenverplichtingen van de man als directeur groot-aandeelhouder (hierna: dga) en de winstreserve blijven achter in de Holdingmaatschappij [A] Holding B.V. (hierna: de Holding). Daarnaast wordt de besloten vennootschap [A] Beheer B.V. opgericht (hierna: de beheermaatschappij) en ten slotte wordt een besloten vennootschap opgericht genaamd Autoschadebedrijf [A] B.V. (hierna: de werkmaatschappij).

De vrouw stelt zich - zakelijk weergegeven - primair op het standpunt dat het ondernemingsvermogen (bestaande uit de Holding, de beheermaatschappij en de werkmaatschappij) in de verrekening moet worden betrokken. De man betwist dit.

4.31.De rechtbank is - met de man - van oordeel dat de waarde van de onderneming niet in de verrekening betrokken dient te worden. Daarvoor is redengevend dat volgens de staat van aanbrengsten bij de akte van huwelijkse voorwaarden de man zijn eenmanszaak heeft aangebracht. Daarom blijft ook de waardevermeerdering van de - later in B.V.'s omgezette - onderneming in beginsel buiten de verrekening.

4.32.Dat laat echter de vraag onbeantwoord of op grond van de huwelijkse voorwaarden eventuele door de onderneming niet uitgekeerde winsten moeten worden verrekend. De rechtbank zal de beantwoording van deze vraag vooralsnog aanhouden. Daartoe overweegt de rechtbank dat de waarde van de onderneming en de liquiditeitspositie wijzigen door de verplichting van de man als dga om met betrekking tot de opgebouwde pensioenrechten in eigen beheer in de Holding, zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal benodigd voor het aan de vrouw toekomende deel van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken. Zowel ten aanzien van de eventuele verrekenplicht met betrekking tot eventuele opgepotte winsten als met betrekking tot de afstorting van kapitaal bij een externe pensioenverzekeraar geldt dat hieraan alleen uitvoering kan worden gegeven voor zover de vennootschappen hiertoe financieel in staat zijn. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het de vraag is of hij volledig aan de afstortingsverplichting zal kunnen voldoen. De rechtbank zal derhalve eerst vaststellen welk bedrag vanuit de onderneming afgestort moet worden ten behoeve van het aan de vrouw toekomende deel van de opgebouwde pensioenaanspraak. Vervolgens kan dan - rekening houdend met de te verrichten afstorting - worden bepaald of er in de onderneming voldoende vermogen over is om tot enige verrekening over te gaan. Indien dit niet het geval is, komt de rechtbank aan verrekening van eventuele opgepotte winsten in de onderneming niet meer toe.

Pensioenrechten

4.33.Partijen hebben de volgende pensioenverzekeringen: bij Fortis ASR een verzekering op naam van de vrouw met polisnummer [nummer] en een verzekering op naam van de man met polisnummer [nummer] en bij Legal & General een verzekering op naam van de vrouw met polisnummer [nummer].

4.34.Zoals partijen terecht stellen, is de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna: WVPS) van toepassing. Voorts zijn partijen het erover eens - in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2007, NJ 207, 306 - dat het aan de vrouw toekomende deel van de door de man als dga in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken tot aan de datum van de echtscheiding (26 mei 2008) ten behoeve van de vrouw afgestort dient te worden bij een verzekeringsmaatschappij.

De accountant van de man heeft berekeningen gemaakt, evenals de pensioenadviseur van de vrouw en zij hebben deze berekeningen nader toegelicht (zie de akte na comparities, producties 17 tot en met 19 en de antwoordakte na comparities, productie 13). Volgens de vrouw komt haar op basis van de berekeningen een pensioenaanspraak van € 324.079,- toe en volgens de man is dat een bedrag van € 147.903,-.

De man stelt dat het verschil tussen de beide bedragen is gelegen in de wijze van waardering van de pensioenaanspraken. De accountant van de man heeft bij de waardering geen rekening gehouden met de toegezegde na-indexatie van het pensioen, omdat er in de besloten vennootschap niet voldoende vrij vermogen is om een geïndexeerd pensioen te kunnen uitkeren, aldus de man. Volgens de man dient alleen rekening gehouden te worden met het aanwezige vrije vermogen. Als een geïndexeerd pensioen voor de vrouw zou worden afgestort, zou de vrouw voorts veel betere pensioenaanspraken verkrijgen dan de man omdat er in de onderneming onvoldoende vermogen zou overblijven om de man ook geïndexeerde aanspraken uit te keren en dat is onredelijk, aldus nog steeds de man.

4.35.De rechtbank stelt voorop dat voor een beoordeling of het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken van de man afgestort moet worden (en op welke wijze) van belang is dat de economische waarden van de door de man opgebouwde aanspraken uit ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen tot de datum van echtscheiding zuiver worden berekend. Deze waarden dienen berekend te worden op basis van de in de pensioenbrief (overgelegd als productie 8 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie) opgenomen uitgangspunten. Pas wanneer die waarden bekend zijn en de hoogte bekend is van de daaraan gerelateerde koopsom die afgestort moet worden bij een verzekeraar, kan beoordeeld worden of er bij de onderneming (on)voldoende liquide middelen aanwezig zijn. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de vrouw alleen dan geen aanspraak kan maken op afstorting wanneer de man stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen niet alleen onvoldoende aanwezig zijn maar dat die middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen (vergelijk Hoge Raad 9 februari 2007, NJ 207, 306). De rechtbank verwerpt daarmee het betoog van de man dat alleen met het aanwezige vrije vermogen in de onderneming rekening gehouden zou moeten worden. Voorts gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de man dat het niet redelijk zou zijn de waarde van het aandeel van de aan de vrouw toekomende pensioenaanspraken af te storten omdat de man dan in een nadeligere positie geraakt en er (mogelijk) onvoldoende middelen overblijven om zijn eigen aandeel in de pensioenaanspraken te financieren. Het is aan de werkgever (in dit geval de onderneming) om ervoor zorg te dragen dat de financiering van het pensioenkapitaal zodanig is dat de volledige pensioenaanspraken, zoals opgenomen in de pensioenbrief, te zijner tijd kunnen worden uitgekeerd. In dat licht bezien is het niet onredelijk dat de vrouw aanspraak maakt op het haar toekomende deel.

4.36.De rechtbank begrijpt dat de pensioenpolissen op naam van de vrouw (vergelijk r.o. 4.33) zijn afgesloten ter financiering van haar eigen aanspraak op pensioen als (toenmalig) werknemer van de onderneming van de man. De man heeft recht op de helft van de pensioenaanspraak die tot de datum van ontbinding van het huwelijk uit deze polissen voortvloeit en hij verkrijgt dat recht doordat deze polissen het regime van de WVPS volgen. Deze polissen zijn echter niet van belang bij een berekening van de waarden van de pensioenaanspraken die de man als dga heeft opgebouwd in zijn eigen onderneming.

Om de uiteindelijke koopsom te bepalen die benodigd is voor afstorting is de pensioenpolis op naam van de man uiteraard wel van belang. De pensioenaanspraken waarop hij - gezien de pensioenbrief - jegens de onderneming recht heeft, zijn immers mede gefinancierd met deze pensioenpolis. Deze polis volgt eveneens het regime van de WVPS volgt, zodat de vrouw te zijner tijd jegens de desbetreffende verzekeraar een recht op uitbetaling krijgt van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen.

4.37.In de berekeningen van de accountant van de man is uitgegaan van conversie van pensioenaanspraken, hetgeen betekent dat de man zowel als de vrouw een eigen pensioenaanspraak verkrijgen. Zoals de vrouw terecht stelt, is in de WVPS het uitgangspunt verevening van pensioenaanspraken. Conversie is alleen aan de orde indien partijen dit bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst zijn overeengekomen en het betrokken uitvoeringsorgaan eveneens instemt (vergelijk artikel 5 lid 1 WVPS). Daarvan is in de onderhavige situatie geen sprake. Dat betekent dat de afkoopsom benodigd voor afstorting van de waarde van het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken van de man berekend dient te worden op basis van verevening. De man betoogt daarbij terecht dat bij het afstorten van de pensioenaanspraken rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de vrouw komt te overlijden vóór de man in die zin dat de man dan het volledige recht op zijn aanspraken op ouderdomspensioen herkrijgt. De verzekering dient daarop ingericht te worden.

4.38.De rechtbank verwerpt het standpunt van de man dat de kosten voor het afstorten bij een verzekeringsmaatschappij voor rekening van de vrouw komen. Volgens het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2007, dient het kapitaal te worden afgestort dat benodigd is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraken. Dat betekent dat de onderneming de kosten dient te betalen die benodigd zijn om de waarde van de aan de vrouw toekomende pensioenaanspraken bij een verzekeringsmaatschappij onder te brengen (vergelijk tevens rechtbank 's-Hertogenbosch 20 mei 2009, LJN: BI4252).

4.39.Voor de berekening van de correcte waarden van de aan de man toekomende pensioenaanspraken op basis van voornoemde uitgangspunten en om de vraag te beantwoorden of de onderneming voldoende liquide middelen bezit c.q. vrij kan maken om het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken af te storten, acht de rechtbank een deskundigenbericht noodzakelijk. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij (antwoord)akte uit te laten - bij voorkeur na onderling overleg - over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze deskundige te stellen vragen. Daarbij merkt de rechtbank nu al op dat partijen door de rechtbank voorshands ieder voor de helft met de kosten van het deskundigenbericht zullen worden belast. De rechtbank is voornemens aan de deskundige in ieder geval de volgende vragen voor te leggen:

I. Wat is, op basis van de pensioenbrief (productie 8 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie), de economische waarde van de per 26 mei 2008 ten behoeve van de man opgebouwde pensioenrechten in de onderneming, uitgesplitst naar:

a. ouderdomspensioen;

b. nabestaandenpensioen.

II. Wat is de afkoopsom die de onderneming dient af te storten om het aan de vrouw toekomende deel van de voornoemde pensioenaanspraken van de man (te weten: de helft) te voldoen, rekening houdend met:

a. de waarde van de pensioenaanspraken die door de pensioenpolis bij Fortis ASR op naam van de man met polisnummer [nummer] al is afgedekt en die de verevening van de WVPS volgt (vergelijk r.o. 4.33 en 4.36);

b. de gebruikelijke kosten die gepaard gaan met het afsluiten van een verzekering waarin de afkoopsom moet worden afgestort, waarbij het moet gaan om een verzekering die aansluit bij de wijze waarop verevening conform de WVPS normaliter wordt bewerkstelligd (bijvoorbeeld door de man als verzekerde op te nemen, vervolgens de vrouw als eerste begunstigde aan te wijzen en de man, na overlijden van de vrouw, als tweede begunstigde).

III. Is het voor de onderneming financieel haalbaar en bedrijfseconomisch verantwoord om de onder II berekende afkoopsom ten behoeve van de vrouw af te storten, rekening houdend met het in deze door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt (vergelijk r.o. 4.35).

Gebruiksvergoeding

4.40.De man vordert veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van de hem toekomende gebruiksvergoeding met betrekking tot de echtelijke woning (vergelijk onder 3.2. 5). Deze vordering zal de rechtbank afwijzen, nu de vrouw daartoe bij de beschikking van de onderhavige rechtbank van 11 februari 2008 al is veroordeeld en de man daarvan onverminderd uitvoering kan verlangen.

Conservatoir beslag op de aandelen van de man in de Holding

4.41.Ter onderbouwing van de reconventionele vorderingen genoemd onder 3.2. 7 tot en met 12 stelt de man dat de vrouw op 23 mei 2008 beslag heeft laten leggen op de door de man gehouden aandelen in de Holding. Omdat bij beschikking van 8 september 2008 het verzoek van de vrouw tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is afgewezen, is volgens de man het verlof om op genoemde aandelen beslag te mogen leggen, vervallen. Daar de vrouw weigert het beslag door te halen, handelt zij onrechtmatig jegens de man, aldus de man.

4.42.De rechtbank constateert dat het verlof tot het leggen van conservatoir beslag door de voorzieningenrechter is verleend op basis van het door de vrouw ingediende verzoekschrift tot echtscheiding van 24 mei 2007. Zoals de man terecht opmerkt, is deze procedure geëindigd met de beschikking van 8 september 2008 van onderhavige rechtbank waarbij de vordering van de vrouw is afgewezen. De rechtbank houdt het ervoor dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Dat betekent dat het beslag op grond van artikel 704 lid 2 Rv van rechtswege is vervallen. Doorhaling is derhalve niet aan de orde en van onrechtmatig handelen van de vrouw is geen sprake.

4.43.Het voorgaande betekent dat enkel de reconventionele vordering genoemd onder 3.2 10 met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat het beslag is vervallen, voor toewijzing in aanmerking komt.

Tussenconclusie

4.44.Resumerend stelt de rechtbank met betrekking tot de vorderingen in conventie en in reconventie het volgende vast.

4.45.De conventionele vorderingen genoemd onder 3.1 II en III zullen worden afgewezen (vergelijk r.o. 4.24).

4.46.De volgende reconventionele vorderingen zullen worden afgewezen. De vorderingen genoemd onder 3.2 1. a t/m c (zie r.o. 4.27 onder c), de vordering genoemd onder 3.2 1. d (vergelijk r.o. 4.27 onder d), de vorderingen genoemd onder 3.2 1. f tot en met i (zie r.o. 4.27 onder f) en de vorderingen genoemd onder 3.2 1. j en k (vergelijk r.o. 4.22).

4.47.De reconventionele vordering genoemd onder 3.2 5 ligt voor afwijzing gereed (zie r.o. 4.40).

4.48.De reconventionele vordering genoemd onder 3.2 6 zal worden afgewezen (vergelijk r.o. 4.27 onder d).

4.49.De reconventionele vorderingen genoemd onder 3.2 7 t/m 9, 11 en 12 liggen voor afwijzing gereed evenals de vordering genoemd onder 3.2 10 voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht dat het beslag nietig is (zie r.o. 4.42 en 4.43).

4.50.Ten slotte zal de reconventionele vordering genoemd onder 3.2 10 met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat beslag vervallen is, worden toegewezen (vergelijk r.o. 4.43).

De verdere procedure

4.51.De vrouw dient zich bij akte uit te laten over de door de man voorgestelde deskundige makelaar ten behoeve van de waardering van de woning (vergelijk r.o. 4.9).

4.52.Beide partijen dienen zich bij (antwoord)akte uit te laten over de aan deze deskundige te stellen vragen (zie r.o. 4.10).

4.53.De vrouw zal in een later stadium van de procedure in de gelegenheid worden gesteld bij akte bewijsstukken over te leggen waaruit de waarde van de beleggingspolis volgt (vergelijk r.o. 4.12).

4.54.Beide partijen dienen zich bij (antwoord)akte uit te laten over de waarde van de woning in Frankrijk (vergelijk r.o. 4.16).

Indien zij geen overeenstemming over deze waarde bereiken dan dient de vrouw bij akte de notariële aktes met betrekking tot de kadastrale gegevens van de woning in Frankrijk over te leggen (zie r.o. 4.13). Voorts dienen in dat geval beide partijen bij (antwoord)akte aan te geven of zij bij het deskundigenonderzoek in het kader van het rechtshulpverzoek aanwezig willen zijn vergelijk (zie r.o. 4.17).

4.55.De man dient bij antwoordakte bewijsstukken over te leggen met betrekking tot het saldo op de peildatum van 26 mei 2008 op de Franse bankrekening (vergelijk r.o. 4.23).

4.56.De vrouw dient bij akte bewijsstukken over te leggen met betrekking tot het saldo op de peildatum van 25 mei 2007 op de Fortisrekening met rekeningnummer (vergelijk r.o. 4.27 onder e).

4.57.De man dient bij antwoordakte bewijsstukken over te leggen waaruit volgt wat de afkoopwaarde is van de polis bij Aegon onder polisnummer [nummer] op de desbetreffende peildatum (zie r.o. 4.28).

4.58.Beide partijen dienen zich bij (antwoord)akte uit te laten over de in het kader van de pensioenverevening te benoemen deskundige en de aan deze deskundige te stellen vragen (vergelijk r.o. 4.39).

5.De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 november 2011 voor het nemen van een akte door de vrouw over hetgeen is vermeld in r.o. 4.9, 4.10, 4.13 tot en met 4.17, 4.27 onder e en 4.39;

5.2.houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.