Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3671

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
11/33499
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres wordt middels een claim in het kader van Vo (EG) 343/2003 uitgezet naar Zwitserland. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 8 september 2011 (LJN BT1933) volgt uit de bewoordingen van artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat alleen sprake is van terugkeer in de zin van de richtlijn indien een vreemdeling, vrijwillig of gedwongen, terugkeert naar een land dat geen lid is van de Europese Unie. Deze lezing wordt bevestigd door de tekst van punt 7 van de considerans, waaruit volgt dat ‘communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen’ in het tweede streepje van artikel 3, derde lid, betrekking heeft op derde landen. Nu eiseres zal terugkeren naar Zwitserland, dat geen lid is van de Europese Unie, is sprake van terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn en is deze richtlijn, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, derhalve van toepassing. De tekst van punt 29 van de considerans biedt geen grond voor een ander oordeel.

Bij besluit van 7 oktober 2011 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen. In deze beschikking is gesteld dat op eiseres de verplichting rust om Nederland binnen vier weken te verlaten. Uit het proces-verbaal van het op 17 oktober 2011 om 16.45 uur gehouden verhoor als bedoeld in artikel 50 van de Vw 2000 blijkt dat in dat verhoor aan eiseres is medegedeeld dat de asielaanvraag van eiseres is afgewezen, dat zij Nederland moet verlaten, dat er een overdrachtakkoord is met de autoriteiten van Zwitserland en dat eiseres naar Zwitserland zal worden uitgezet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit proces-verbaal dat aan eiseres in ieder geval op dat moment en derhalve voorafgaand aan de op 17 oktober 2011 om 17.54 uur opgelegde maatregel van bewaring bekend is gemaakt dat aan haar een terugkeerverplichting was opgelegd en tegen haar derhalve een terugkeerprocedure loopt. Naar ter zitting door verweerder is toegelicht, is aan de omstandigheid dat eiseres is verdacht van een strafbaar feit groot gewicht toegekend om over te gaan tot inbewaringstelling. De rechtbank begrijpt deze toelichting aldus dat verweerder om die reden heeft besloten overeenkomstig artikel 8, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn om binnen de termijn van vier weken het in het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag vervatte terugkeerbesluit uit te voeren omdat was gebleken dat eiseres een gevaar voor de openbare orde vormt. Naar het oordeel van de rechtbank kan artikel 62, vierde lid, van de Vw 2000 richtlijnconform worden uitgelegd in die zin dat verweerder daartoe bevoegd was.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/29

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 11/33499

V-nummer: […]

Inzake: […], eiseres,

gemachtigde mr. L.H. Weijer, advocaat te Cappelle aan den IJssel,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. E.M.M. Wantenaar.

I Procesverloop

1 Eiseres stelt te zijn geboren op […] en de Russische nationaliteit te bezitten.

2 Op 18 oktober 2011 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

17 oktober 2011 waarbij eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. F. el Makhtari, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig M. Schandevyl, tolk in de Russische taal.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1.1 Eiseres betoogt dat haar bewaring onrechtmatig is omdat voorafgaande aan de ophouding en de inbewaringstelling geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

2.1.2 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding van 14 oktober 2011 en het proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2011 genoegzaam dat eiseres voorafgaande aan de vreemdelingrechtelijke ophouding strafrechtelijk is aangehouden omdat zij werd verdacht van het plegen van winkeldiefstal. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder andere neergelegd in haar uitspraak van 11 oktober 2006 (LJN: AZ0297), is het niet aan de rechter in vreemdelingen¬zaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Het strafrechtelijk voortraject staat derhalve thans niet ter toetsing. Voorts volgt uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 17 oktober 2011 dat eiseres na aanhouding en onderzoek terzake de overtreding van een strafbaar feit is heengezonden en direct aansluitend op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vw 2000 is overgebracht naar een plaats van verhoor alwaar zij werd opgehouden. Nu eiseres niet is staandegehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 maar aansluitend op het strafrechtelijk voortraject direct is opgehouden op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vw 2000, gold het vereiste van het bestaan van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, niet. Uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 17 oktober 2011 volgt dat eiseres ter vaststelling van haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie niet beschikte over een in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) aangewezen document. Gelet hierop kon eiseres op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 worden opgehouden voor verhoor.

2.2.1 Voorts voert eiseres aan dat haar niet bekend was dat haar asielaanvraag was afgewezen en zij geen vertrektermijn heeft gekregen en dat er onvoldoende gronden zijn die de maatregel van bewaring kunnen dragen. Daarnaast stelt eiseres dat verweerder een lichter middel dan bewaring had dienen op te leggen en doet daarbij een beroep op de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn).

2.2.2 Punt 7 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn benadrukt dat, om het terugkeerproces te vergemakkelijken, op het niveau van de Gemeenschap en op bilateraal niveau overnameovereenkomsten met derde landen moeten worden gesloten. Internationale samenwerking met de landen van oorsprong is in alle stadia van de terugkeerprocedure een absoluut vereiste voor het realiseren van een duurzame terugkeer.

Punt 29 van de considerans vermeldt dat wat Zwitserland betreft, deze richtlijn - voor zover zij betrekking heeft op onderdanen van derde landen die niet of niet langer voldoen aan de toegangsvoorwaarden volgens de Schengengrenscode - een ontwikkeling vormt van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop de Zwitserse Bondsstaat wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen binnen het gebied bedoeld in artikel 1, punt C, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van die Overeenkomst.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn, wordt onder “terugkeer” verstaan: “het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar:

- zijn land van herkomst, of

- een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale

overnameovereenkomsten of andere regelingen, of

- een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit

vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn kunnen de lidstaten afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn toekennen die korter is dan zeven dagen, indien er een risico op onderduiken bestaat, of een aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond dan wel frauduleus is afgewezen, dan wel indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn kan, indien een lidstaat overeenkomstig artikel 7 een termijn voor vrijwillig vertrek heeft toegekend, het terugkeerbesluit pas na het verstrijken van die termijn worden uitgevoerd, tenzij tijdens die termijn een van de risico’s bedoeld in artikel 7, vierde lid, ontstaat.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeer¬procedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

2.2.3 Ingevolge artikel 62, vierde lid, van de Vw 2000 kan onze minister, in afwijking van het eerste lid, de vertrektermijn verkorten tot minder dan vier weken:

a. in het belang van de uitzetting, of

b. in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid.

2.2.4 Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of eiseres onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn valt. Op 15 september 2011 heeft verweerder in het kader van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, een Dublinclaim gelegd bij de autoriteiten van Zwitserland. Op

3 oktober 2011 hebben de Zwitserse autoriteiten de claim geaccepteerd. Eiseres zal op 7 november 2011 worden uitgezet naar Zwitserland.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 8 september 2011 (LJN BT1933) volgt uit de bewoordingen van artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat alleen sprake is van terugkeer in de zin van de richtlijn indien een vreemdeling, vrijwillig of gedwongen, terugkeert naar een land dat geen lid is van de Europese Unie. Deze lezing wordt bevestigd door de tekst van punt 7 van de considerans, waaruit volgt dat ‘communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen’ in het tweede streepje van artikel 3, derde lid, betrekking heeft op derde landen. Nu eiseres zal terugkeren naar Zwitserland, dat geen lid is van de Europese Unie, is sprake van terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn en is deze richtlijn, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, derhalve van toepassing. De tekst van punt 29 van de considerans biedt geen grond voor een ander oordeel.

2.2.5 Bij besluit van 7 oktober 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. In deze beschikking is gesteld dat op eiseres de verplichting rust om Nederland binnen vier weken

te verlaten.

Uit het proces-verbaal van het op 17 oktober 2011 om 16.45 uur gehouden verhoor als bedoeld in artikel 50 van de Vw 2000 blijkt dat in dat verhoor aan eiseres is medegedeeld dat de asielaanvraag van eiseres is afgewezen, dat zij Nederland moet verlaten, dat er een overdrachtakkoord is met de autoriteiten van Zwitserland en dat eiseres naar Zwitserland zal worden uitgezet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit proces-verbaal dat aan eiseres in ieder geval op dat moment en derhalve voorafgaand aan de op 17 oktober 2011 om 17.54 uur opgelegde maatregel van bewaring bekend is gemaakt dat aan haar een terugkeerverplichting was opgelegd en tegen haar derhalve een terugkeerprocedure loopt.

Naar ter zitting door verweerder is toegelicht, is aan de omstandigheid dat eiseres is verdacht van een strafbaar feit groot gewicht toegekend om over te gaan tot inbewaringstelling. De rechtbank begrijpt deze toelichting aldus dat verweerder om die reden heeft besloten overeenkomstig artikel 8, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn om binnen de termijn van vier weken het in het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag vervatte terugkeerbesluit uit te voeren omdat was gebleken dat eiseres een gevaar voor de openbare orde vormt. Naar het oordeel van de rechtbank kan artikel 62, vierde lid, van de Vw 2000 richtlijnconform worden uitgelegd in die zin dat verweerder daartoe bevoegd was.

2.2.6 Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiseres zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen volgens verweerder blijkt uit de omstandigheden dat:

(a) eiseres niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingbesluit 2000;

(b) eiseres zich niet heeft gehouden aan haar vertrektermijn;

(c) eiseres niet zelfstandig uit Nederland wenst te vertrekken;

(d) eiseres niet in de gelegenheid is om zelfstandig uit Nederland te vertrekken, daar zij geen geld heeft;

(e) eiseres verdacht was van een misdrijf en vervolging heeft afgekocht middels een geldboete, en

(f) met betrekking tot eiseres een claimakkoord is overeengekomen met Zwitserland.

2.2.7 Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de grond als genoemd onder (b) ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd, omdat de bij het besluit van

7 oktober 2011 tot afwijzing van de asielaanvraag eiseres opgelegde verplichting Nederland binnen vier weken te verlaten nog niet was verstreken. Uit het proces-verbaal van het gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000 blijkt dat eiseres voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard niet uit Nederland te willen vertrekken. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze omstandigheid, in onderlinge samenhang bezien met de omstandigheid dat met betrekking tot eiseres een claimakkoord is overeengekomen met Zwitserland, voldoende worden afgeleid dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.2.8 Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.7 is overwogen heeft verweerder, aan wie ter beoordeling voorligt of de uitzetting met een minder belastend middel veilig is te stellen, zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan. De omstandigheid dat eiseres zich in het verleden steeds heeft gehouden aan haar meldplicht doet hier niet aan af. Verweerder hoeft gelet op de verklaring van eiseres voorafgaand aan de inbewaringstelling dat zij niet uit Nederland wil vertrekken, niet het risico te aanvaarden dat eiseres, nu de uitzetting in zicht is, zich niet meer zal melden.

2.3 Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van eiseres in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om de opheffing van de maatregel te bevelen of een wijziging van de tenuitvoerlegging daarvan te gelasten.

2.4 Het beroep is ongegrond.

2.5 Er bestaat geen ruimte voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.6 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep ongegrond;

2 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. T. de Wit, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 3 november 2011.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: