Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3637

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
11/6096
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1F, arrest B en D vs Duitsland (HvJEU), artikel 12 Definitierichtlijn, bewijslast, C4/3.11.3.3 Vc2000

De rechtbank leidt uit het arrest B. en D. tegen Duitsland van het HvJEU van 9 november 2010 (C-57/09 en C-101/09), alhoewel deze zaak zag op het behoren tot een terroristische organisatie, af dat de omstandigheid dat eiser tot een organisatie als de NDS heeft behoord, niet automatisch tot gevolg kan hebben dat hij van vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten. Dit kan slechts gebeuren na individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen de organisatie zich schuldig heeft gemaakt, aangezet heeft tot of anderszins heeft deelgenomen aan de misdrijven of daden in de zin van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn. Eiser moet ten dele verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de daden van het NDS in de periode dat hij werkzaam was bij het NDS, welke aan de hand van objectieve en subjectieve criteria moet worden vastgesteld. Uit dit arrest van het Hof blijkt, in tegenstelling tot hetgeen uit paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 volgt, dat de bewijslast voor het aantonen van artikel 1F bij de minister ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/6096

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser]

geboren op [geboortedatum]

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiser,

gemachtigde mr. S.D. Lugt, advocaat te Amsterdam;

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. S. Alberts,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 22 januari 2010 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 22 februari 2011 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 6 mei 2011 is het beroep voorzien van gronden. Op 15 september 2011 zijn nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 27 september 2011 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft de gevraagde verblijfsvergunning geweigerd op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft daartoe overwogen dat artikel 1F, aanhef en onder a en/of b van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Voorts heeft verweerder overwogen dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in de weg staat aan de weigering van de verblijfsvergunning.

2.2 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de periode van oktober 2007 tot november 2008 als bewaker werkzaam is geweest in de gevangenissen van het National Directorate for Security (NDS), de Afghaanse veiligheidsdienst, te Ghazni en Kaboel.

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser, blijkens het rapport van nader gehoor, heeft verklaard dat ook het overbrengen van gevangenen van hun cel naar het gebouw van het Directoraat Onderzoek tot zijn werkzaamheden in de gevangenis van Kaboel behoorde. Gelet op zijn verklaringen moet eiser in verband worden gebracht met marteling en foltering. Ten eerste blijkt uit zijn verklaringen dat hij gevangenen heeft overgebracht naar het gebouw van het Directoraat Onderzoek alwaar zij werden verhoord en in voorkomende gevallen gemarteld. Ten tweede blijkt uit zijn verklaringen dat hij in oktober 2008 in opdracht van zijn leidinggevende een zekere Nezam heeft getraceerd en aangewezen aan de agenten van de veiligheidsdienst. Als gevolg daarvan werd Nezam gearresteerd en naar de gevangenis van het NDS in Kaboel meegenomen, waar hij werd gemarteld. De verklaringen van eiser, waaruit blijkt dat het NDS zich schuldig maakt aan marteling, sluiten aan bij hetgeen over deze organisatie is opgenomen in landen- en mensenrechtenrapportages. De gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, marteling en foltering, moeten volgens verweerder worden beschouwd als misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Op basis van de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen concludeert verweerder dat sprake is van “knowing participation” van eiser. Eiser was niet alleen op de hoogte van het feit dat in de gevangenis van het NDS te Kaboel werd gemarteld, maar ook dat dit bij herhaling gebeurde. Eveneens concludeert verweerder dat sprake is van “personal participation” van eiser, omdat hij blijkens zijn verklaringen een faciliterende rol heeft gespeeld bij het martelen en folteren van personen.

2.4 Eiser heeft betoogd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing is. Hij was wel in dienst van het NDS, maar was niet aangesteld bij het Directoraat Onderzoek. Eiser heeft zich nooit zelf schuldig gemaakt aan marteling en pas nadat eiser in dienst was getreden werd hem bekend dat in Kaboel de zware zaken werden onderzocht en de verdachten werden ondervraagd. Verder missen de door verweerder gestelde vragen enig onderzoek naar de context waarin eiser in dienst is gekomen van het NDS en zijn werk heeft verricht. In de Afghaanse samenleving wordt veel geweld gebruikt. Uit het Algemeen Ambtsbericht inzake Afghanistan van maart 2009 blijkt dat foltering en mishandeling geschiedt door zowel autoriteiten, politiecommandanten, lokale leiders als de veiligheidsdienst NDS in het gehele land.

2.5 De rechtbank leest de gronden van eiser aldus dat niet wordt betwist dat de handelingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, zoals marteling en foltering, als misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag moeten worden beschouwd. In geschil is de vraag of sprake is van “knowing and personal participation”.

2.6 De rechtbank leidt uit het arrest B. en D. tegen Duitsland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2010 (C-57/09 en C-101/09), alhoewel deze zaak zag op het behoren tot een terroristische organisatie, af dat de omstandigheid dat eiser tot een organisatie als de NDS heeft behoord, niet automatisch tot gevolg kan hebben dat hij van vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten. Dit kan slechts gebeuren na individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen de organisatie zich schuldig heeft gemaakt, aangezet heeft tot of anderszins heeft deelgenomen aan de misdrijven of daden in de zin van artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn). Eiser moet ten dele verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de daden van het NDS in de periode dat hij werkzaam was bij het NDS, welke aan de hand van objectieve en subjectieve criteria moet worden vastgesteld. Met betrekking tot de vaststelling van deze objectieve en subjectieve criteria zegt het Hof het volgende:

“Daartoe moet de bevoegde autoriteit met name nagaan, welke rol de betrokken persoon daadwerkelijk heeft gespeeld bij het stellen van de betrokken daden, welke positie hij had binnen de organisatie, welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie en of pressie op hem is uitgeoefend dan wel andere factoren zijn gedrag hebben kunnen beïnvloeden.”

Uit dit arrest van het Hof blijkt derhalve, in tegenstelling tot hetgeen uit paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt, dat de bewijslast voor het aantonen van artikel 1F bij de minister ligt. In voornoemde paragraaf van de Vc 2000 staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte vermeld:

“Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich aan een in artikel 1F bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt dient betrokkene, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1F van toepassing zal worden verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen.”

De rechtbank volgt eiser echter niet in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van “knowing participation” van eiser bij het martelen en folteren van personen. Zo blijkt uit het rapport van nader gehoor dat eiser heeft verklaard dat in het gebouw van het Directoraat Onderzoek een (verhoor)kelder was waar gevangenen werden gemarteld. Eiser heeft verklaard dat hij mensen hoorde gillen en schreeuwen en heeft de wijze waarop mensen werden gemarteld beschreven. Hieruit heeft verweerder kunnen afleiden dat eiser op de hoogte was van de praktijken van marteling en foltering door de NDS in de gevangenis van Kaboel. Verweerder heeft de verklaringen die tijdens het aanvullend gehoor 1F zijn afgelegd kunnen beschouwen als een poging tot bagatelliseren. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar verschillende landen- en mensenrechtenrapportages, waarin melding wordt gemaakt van stelselmatige marteling door het NDS. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht geconcludeerd dat eiser wist of had behoren te weten dat hij door zijn werkzaamheden personen in een positie heeft gebracht waarin deze het aanzienlijke risico liepen te worden onderworpen aan marteling en foltering.

Eveneens volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van “personal participation” van eiser bij het martelen en folteren van personen. Op basis van de bovenstaande verklaringen heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser, door het voor verhoor overbrengen van gevangenen en het traceren en aanwijzen van Nezam aan agenten van de veiligheidsdienst, een faciliterende rol heeft gespeeld bij het martelen en folteren van personen. Door zijn handelingen heeft eiser een wezenlijke bijdrage geleverd aan het plegen van de genoemde martelingen en folteringen, welke niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niet iemand eisers rol had vervuld.

Verweerder heeft aldus terecht artikel 31, eerste lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 aan eiser tegengeworpen.

2.7 Ten slotte heeft eiser betoogd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Bij terugkeer zal hij zwaar worden gestraft voor het verlaten van Afghanistan en zal door Nezam wraak worden genomen op eiser.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat enkel sprake is van telefonische dreigementen door de maffiabende waartoe Nezam behoorde. Eiser heeft gedurende langere tijd, anderhalf jaar, zonder verdere problemen verbleven in Mazar-e-Sharif en ook zijn familieleden hebben geen problemen ondervonden van de maffiabende. Niet is gebleken dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt te worden gestraft door de autoriteiten of derden vanwege het verlaten van Afghanistan en dit standpunt wordt bovendien door eiser niet nader onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

2.8 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

2.9 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, en door hem en G.E. Russcher als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing