Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3512

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
349720 - HA ZA 09-3472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tweede exhibitie-incident in de bodemprocedure Pretium / Tros. Zie ook LJN nummers BP4605 en BP6165. Voortgang bodemprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Tussenvonnis van 7 september 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 349720 / HA ZA 09-3472 van:

de besloten vennootschap PRETIUM TELECOM BV,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het tweede exhibitie-incident,

advocaat: mr. D.P. Kuipers,

tegen

de vereniging TROS,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het tweede exhibitie-incident,

advocaat: mr. H.A.J.M. van Kaam.

De procedure

1. De rechtbank zal de procespartijen hierna kortheidshalve ook wel Pretium en Tros noemen. De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van alle processtukken met alle producties in deze civiele bodemprocedure. Die bodemprocedure is begonnen bij dagvaarding van 11 september 2009 tegen de eerste rolzitting van de rechtbank van 14 oktober 2009. Zij staat na de rolbeslissing van 27 juli 2011 nu voor vonnis in het tweede exhibitie-incident en voor beslissingen door de rechtbank op de (na eerdere rolbeslissingen nog ter beslissing resterende) procedurele verzoeken in de hoofdzaak van beide advocaten.

2. De eindredactie van de rolbeslissing van 27 juli 2011 is zoals daarin vermeld afgesloten op 25 juli 2011. Op 26 juli 2011 heeft de rechtbank echter ongevraagd nog weer eens in totaal vier faxen van de twee advocaten ontvangen om respectievelijk 09.53 uur, 11.52 uur, 12.00 uur en 17.11 uur. Tot 3 september 2011 heeft de rechtbank daarna ook nog eens ongevraagd ontvangen een faxbrief namens mr. Van Kaam van 1 september 2011 15.57 uur en een reactie van mr. Kuipers bij faxbrief van 2 september 2011 17.03 uur. Ook overigens kent deze relatief omvangrijke en complexe bodemprocedure over de tussen beide partijen en hun advocaten ontstane conflicten naar aanleiding van uitzendingen van Tros Radar over Pretium in september en oktober 2008 in meer opzichten een ongebruikelijk, langdurig, en steeds verder escalerend procesverloop.

De beoordeling in het tweede exhibitie-incident

3. Voor de in een exhibitie-incident ex art. 843a Rv door de rechtbank te hanteren maatstaven en uitgangspunten verwijst de rechtbank kortheidshalve naar rov. 3.13 van haar tussenvonnis van 2 februari 2011 in het eerste exhibitie-incident tussen partijen, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BP4605. De rechtbank heeft die maatstaven en uitgangspunten vanzelfsprekend ook bij haar beslissing in dit tweede exhibitie-incident in acht genomen.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Tros alle omstandigheden van dit concrete geval afwegende - en na en ook gelet op de inhoud van het door Tros in tussentijds hoger beroep aangevochten tussenvonnis van 2 februari 2011 in het eerste exhibitie-incident - op haar beurt in dit tweede exhibitie-incident recht op de door haar na eiswijziging bij incidentele repliek gevorderde afschriften van kort gezegd de volledige geluidsopnamen van 16 september 2008. Daarover heeft Pretium in dit specifieke geval naar uit haar eigen stellingen volgt daadwerkelijk de beschikking gehad. Die zelf gestelde daadwerkelijke beschikking over de volledige geluidopnamen van CPM behoort Pretium gelet op de met Tros gerezen conflicten rechtens nog steeds te hebben. Evenals het volledige ruwe beeldmateriaal van Tros kan dit volledige geluidsmateriaal van CPM / Pretium van de CPM-cursus naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval relevant zijn voor de beoordeling en verificatie van de betwiste feitelijke stellingen van partijen en voor de beslissing op het kernconflict. Dat kernconflict is of de tussen partijen omstreden uitzending van Tros Radar van 29 september 2008 over de toenmalige belpraktijken van Pretium gelet op alle omstandigheden van dit concrete geval kort gezegd wel of niet de grenzen van de maatschappelijke en/of journalistieke betamelijkheid jegens Pretium heeft overschreden.

5. Een zo compleet en verifieerbaar mogelijk beeld van al hetgeen zich tijdens de CPM-cursus daadwerkelijk heeft voorgedaan, acht de rechtbank van groot belang voor de feitenvaststelling en de beoordeling in deze specifieke bodemprocedure. Relevante factoren daarbij zijn naar het oordeel van de rechtbank ook context, toon en sfeer van de gevoerde gesprekken, zoals blijkend uit de volledige voor Pretium beschikbare geluidsopnamen en het volledige voor Tros beschikbare ruwe beeldmateriaal.

6. Op het voorgaande stuiten alle door Pretium bij antwoord en dupliek in het tweede exhibitie-incident gevoerde verweren af, nu overigens naar het oordeel van de rechtbank in dit geval aan de zes beperkende vereisten van art. 843a Rv in dit door Tros op haar beurt opgeworpen tweede exhibitie-incident is voldaan. Voor wat betreft de eventueel privacygevoelige persoonsgegevens van consumenten zoals die zouden kunnen blijken uit de geluidsopnamen kan Pretium die desgewenst anonimiseren, mits een en ander voor de wederpartij Tros en voor de rechtbank maar verifieerbaar, begrijpelijk en compleet blijft. De rechtbank zal de (aan partijen en hun advocaten grotendeels al lang bekende) persoonsgegevens van de in opdracht van Pretium door het CPM-callcentrum op 15 en 16 september 2008 telefonisch benaderde consumenten, van de CPM-cursusleider A en van de Tros-infiltrant B in haar vonnissen vanaf nu ook anonimiseren.

7. Ook de incidentele vordering van Tros ex art. 843a Rv zal dus door de rechtbank worden toegewezen, met ditmaal veroordeling van Pretium in de forfaitaire proceskosten van € 904,- als de in dit tweede exhibitie-incident in het ongelijk gestelde partij. Zoals verzocht zal de rechtbank aan Pretium een ruimere termijn vergunnen dan door Tros gevorderd om te voldoen aan het gebod door de rechtbank. Ook zal de rechtbank de gevorderde dwangsom maximeren op gelijke wijze zoals dat in het eerste exhibitie-incident bij vonnis van 2 februari jl. aan de andere zijde ook is gedaan.

8. Tenslotte zal de rechtbank ook dit tweede incidenteel vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren gelet op de eisen van een goede maar voldoende voortvarende en praktische procesorde in eerste aanleg. Tussentijds appel zal de rechtbank als hoofdregel niet toestaan. Een uitzondering maakt de rechtbank in het algemeen naar vast beleid en naar de bedoelingen van de wetgever sinds 2002 overigens slechts in zeer uitzonderlijke situaties, waarvan in het eerste exhibitie-incident slechts sprake was omdat behalve de toen in het ongelijk gestelde partij Tros na aanvankelijk verweer ook partij Pretium de rechtbank uiteindelijk om tussentijds hoger beroep verzocht. Daardoor was in dit uitzonderlijke geval uiteindelijk sprake van een eenstemmig verzoek om tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis van 2 februari 2011, dat bij rolbeslissing van 13 april 2011 door de rechtbank bij wijze van uitzondering op de hoofdregel is gehonoreerd.

De beoordeling van de resterende procedurele verzoeken in de hoofdzaak en de voortgang daarvan

9. De advocaat van Tros heeft herhaaldelijk verzocht om schorsing van de hoofdzaak, kort gezegd vooral gelet op het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 25 februari 2011, op de gevreesde precedentwerking van het vonnis van 2 februari 2011, op de geproduceerde partij-opinie van professor [A], en op de rolbeslissing van het Haagse Hof van 26 juli 2011. De advocaat van Pretium heeft herhaaldelijk bezwaar gemaakt tegen de verzochte schorsing, vooral gelet op de rovv. 3.24 en 3.25 van het vonnis van 2 februari 2011 en op de beschikking van 9 februari 2011 van de rechtbank, op rovv. 6 en 7 van het arrest van het Haagse Hof van 21 juni 2011, en op de gevolgen van het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 5 juli 2011.

10. Juridisch gezien bestaat er geen grond voor schorsing van de procedure, gelet op de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het door Tros gewraakte vonnis van 2 februari 2011 en op de desbetreffende wetsartikelen 225-228 Rv en 350-351 Rv. In al hetgeen de advocaat van Tros na de beschikking met voorlopige oordelen van 9 februari 2011 nog heeft aangevoerd, ziet de rechtbank ook geen grond voor schorsing. Dat de rechtbank bij rolbeslissing van 13 april 2011 op eenstemmig verzoek alsnog tussentijds hoger beroep heeft toegestaan, kan daar niet aan afdoen. Datzelfde geldt voor alle procedurele verwikkelingen na 2 februari 2011 bij de voorzieningenrechter en bij het Haagse Hof.

11. Ook praktisch en feitelijk gezien ziet de rechtbank onvoldoende zwaarwegende redenen om desondanks toch de verzochte schorsing (of dogmatisch beter: aanhouding) van de procedure in de hoofdzaak toe te staan in afwachting van verdere beslissingen door Hoge Raad en Gerechtshof over de gerezen rechtsvraag over ruw beeldmateriaal en art. 10 EVRM. Van precedentwerking behoort uit de aard der zaak en gelet op de taak van de eerstelijns bodemrechter in dit concrete specifieke geval geen sprake te zijn, hetgeen professor [A] onder meer lijkt te miskennen in diens geproduceerde partij-opinie. Ook heeft de rechtbank - anders dan de academische wereld en anders dan de rechtspraak in hoger beroep en in cassatie - tot taak om te zorgen voor een goede en faire, maar ook voldoende voortvarende en praktische procesgang in de civiele eerstelijns rechtspraak. In dit feitelijk al sinds september 2008 bestaande en steeds verder escalerende conflict bestaat er ook in dat licht naar het oordeel van de rechtbank alle aanleiding om er nu naar te streven dat er in deze bodemprocedure uiterlijk in december 2011 door de rechtbank een eindvonnis in eerste aanleg kan worden gewezen.

12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om schorsing (en/of aanhouding) van deze bodemprocedure afwijzen.

13. De advocaat van Pretium heeft verzocht om toepassing van art. 22 Rv door de rechtbank. De advocaat van Tros heeft zich daartegen verzet.

14. Uit het tussenvonnis van 2 februari 2011 in het eerste exhibitie-incident en uit de rechtsoverwegingen 4 t/m 6 in dit tussenvonnis van 7 september 2011 in het tweede exhibitie-incident volgt al dat de rechtbank de belangen van de waarheidsvinding en van een faire maar ook voldoende voortvarende procesgang in de eerste aanleg wenst te laten prevaleren boven de andere door de advocaten van beide partijen aangevoerde belangen. Daardoor ziet de rechtbank aanleiding om in dit specifieke geval zekerheidshalve beide partijen en hun advocaten op de voet van art. 22 Rv - dus naast de op grond van art. 843a Rv aan beide zijden door de rechtbank al gegeven geboden - te bevelen om in deze procedure kort gezegd enerzijds (Pretium) de volledige geluidsopnamen en anderzijds (Tros) het volledige ruwe beeldmateriaal van de CPM-cursus aan de rechtbank over te leggen op de hierna in het dictum nader bepaalde wijze en termijn. Dit vanzelfsprekend met kopie aan de advocaat van de wederpartij en desgewenst in geanonimiseerde vorm, mits een en ander voor de wederpartij en de rechtbank maar verifieerbaar, begrijpelijk en compleet blijft. Vrij vertaald naar Ekelmans, Advocatenblad 2011, bladzijden 17 t/m 19 : de rechtbank wenst te weten hoe het zit en vraagt zich af wat beide partijen met hun verweren tegen exhibitie in dit specifieke geval over en weer in deze procedure willen verbergen. De rechtbank zal dus ambtshalve art. 22 Rv toepassen door een bevel te geven aan zowel Pretium als Tros.

15. De advocaat van Pretium heeft gemotiveerd verzocht om pleidooi in de hoofdzaak. De advocaat van Tros heeft zich daar - voor zover de rechtbank nu kan terugvinden in het buitengewoon omvangrijke griffiedossier - niet expliciet tegen verzet.

16. De rechtbank ziet alle aanleiding om een pleidooi in de hoofdzaak te gelasten en zal daartoe in dit zeer specifieke geval extra mankracht, tijd en zittingsruimte beschikbaar maken in oktober of november 2011, zodat daarna nog in december 2011 een eindvonnis in eerste aanleg kan worden gewezen in deze langlopende bodemprocedure. De rechtbank zal bepalen dat de algemeen directeuren van zowel Pretium als Tros (of desnoods hun beslissingsbevoegde en goed ingevoerde plaatsvervangers) bij dit pleidooi aanwezig moeten zijn, zowel met het oog op eventuele nadere feitelijke inlichtingen aan de rechtbank als met het oog op een schikkingpoging door de rechtbank bij pleidooi.

17. De rechtbank verzoekt aan beide advocaten en aan de algemeen directeuren van beide partijen dan ook dringend om tijd vrij te maken voor dit pleidooi in de eigen agenda's of in die van hun plaatsvervanger. De rechtbank bepaalt de datum van dit pleidooi in de hoofdzaak nu ambtshalve op dinsdag 4 oktober 2011 om 09.30 uur. Bij onverhoopte onmogelijkheid aan de eigen zijde om op dat dagdeel tijd vrij te maken moet de desbetreffende advocaat dat uiterlijk 21 september 2011 via de civiele griffie aan de zaakrechter mr. H. Wien per brief hebben bericht. Dit vanzelfsprekend met gelijktijdige kopie aan de andere advocaat en (na vooroverleg met deze andere advocaat) onder opgave van de dinsdagochtenden en/of donderdagmiddagen in oktober en november 2011 waarop men aan beide zijden in dat onverhoopte geval wel tijd kan vrijmaken voor dit pleidooi in de hoofdzaak. Een nader uitstel zal de rechtbank niet verlenen.

18. De rechtbank zal voorafgaand aan het pleidooi de CD's van Pretium met het volledige geluidsmateriaal en de DVD's van Tros met het volledige beeldmateriaal van de CPM-cursus van 15 en 16 september 2008 zorgvuldig beluisteren en bekijken, evenals nogmaals de al bij antwoord in de hoofdzaak geproduceerde DVD van de uitzending van Tros Radar van 29 september 2008. Daarom en om redenen van tijdgebrek heeft de rechtbank geen behoefte en geen gelegenheid om bij pleidooi al dit geluidsmateriaal en beeldmateriaal nogmaals geheel of gedeeltelijk te beluisteren en te bekijken samen met partijen en hun advocaten. Beide advocaten kunnen ermee volstaan bij hun pleitnota - die de rechtbank aan beide zijden verwacht - te melden welke relevante conclusies zij trekken uit al dit beeld- en geluidsmateriaal in onderlinge samenhang bezien, zo nodig onder verifieerbare verwijzing naar de desbetreffende passages op die CD's en DVD's.

19. Gelet op de aard en omvang van de procedure maar ook op de schaarse beschikbare tijd en zittingsruimte zal de rechtbank aan de advocaten aan beide zijden ieder één uur spreektijd bij pleidooi toestaan, met het verzoek zich zo veel mogelijk te beperken tot de relevante kern van de resterende geschilpunten in eerste aanleg. Na een korte schorsing van de zitting na die eerste twee uren zal de rechtbank vervolgens gedurende het derde en laatste uur van de zitting gelegenheid geven voor a) een korte mondelinge repliek en dupliek door de advocaten, voor b) het zo nodig op eventuele vragen van de rechtbank nadere mondelinge inlichtingen verstrekken door de directeuren van beide partijen en voor c) het met deze directeuren van partijen (of zo nodig hun beslissingsbevoegde plaatsvervangers) bespreken van de redenen van escalatie van dit conflict en van de al dan niet bestaande wensen en mogelijkheden tot alsnog een eventuele, voor beide zijden acceptabele schikking. Dit in plaats van jarenlang verder procederen tot en met de Hoge Raad in deze bodemprocedure, zoals dat tussen deze partijen ook al in kort geding het geval geweest is (zie www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BP6165). De rechtbank zal geen gelegenheid meer geven tot eventuele nieuwe producties bij pleidooi. Die acht zij in dit specifieke geval als zijnde te laat geproduceerd in strijd met de goede procesorde in eerste aanleg. De rechtbank heeft ook geen behoefte aan een extra procesdossier (schaduwdossier) in deze zaak, zodat zij de procedure niet meer naar de rol zal verwijzen voor het fourneren van een in dit geval overbodig schaduwdossier voor pleidooi, zoals nog door de advocaat van Pretium verzocht.

De beslissingen

De rechtbank in het tweede exhibitie-incident:

- gebiedt Pretium om op grond van art. 843a Rv uiterlijk 21 september 2011 aan de advocaat van Tros te hebben afgegeven afschriften op CD van alle volledige door Pretium en/of CPM vervaardigde geluidsopnamen van de door cursusleider A en infiltrant B gevoerde volledige telefonische telemarketeergesprekken tijdens de CPM/Pretium-cursus op (zoals na eiswijziging gevorderd) 16 september 2008, desgewenst in geanonimiseerde vorm als door de rechtbank bepaald in rov. 6;

- bepaalt dat Pretium een dwangsom verbeurt van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij geen gevolg geeft aan het voorgaande gebod van de rechtbank, tot een maximum dwangsom van € 500.000,- in totaal;

- veroordeelt Pretium in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van Tros begroot op € 904,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit incidenteel vonnis tot zover zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het door Tros in dit tweede exhibitie-incident meer of anders gevorderde af;

De rechtbank in de hoofdzaak:

- beveelt de advocaat van Pretium om op grond van art. 22 Rv uiterlijk 21 september 2011 bij brief aan de civiele griffie van de rechtbank (ter attentie van de zaakrechter mr. H. Wien) met gelijktijdige kopie aan de advocaat van Tros te hebben geproduceerd afschriften op CD van de volledige geluidsopnamen van alle door cursusleider A en infiltrant B gevoerde volledige telefoongesprekken met consumenten tijdens de CPM-cursus voor Pretium op 15 en 16 september 2008, desgewenst in geanonimiseerde vorm als door de rechtbank bepaald in rov. 14;

- beveelt de advocaat van Tros om op grond van art. 22 Rv uiterlijk 21 september 2011 bij brief aan de civiele griffie van de rechtbank (ter attentie van de zaakrechter mr. H. Wien) met gelijktijdige kopie aan de advocaat van Pretium te hebben geproduceerd afschriften op DVD van het volledige beeld- en geluidsmateriaal dat zij heeft opgenomen bij de infiltratie met verborgen camera tijdens de CPM-cursus voor Pretium op 15 en 16 september 2008, desgewenst in geanonimiseerde vorm als door de rechtbank nader bepaald in rov. 14;

- bepaalt en gelast een pleidooi in de hoofdzaak op dinsdag 4 oktober 2011 om 09.30 uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie te Den Haag ten overstaan van de zaakrechter mr. H. Wien, met inachtneming van al hetgeen de rechtbank over dat pleidooi nader heeft bepaald in de voorgaande rovv. 16 t/m 19;

- verklaart dit vonnis tot zover zo veel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af al hetgeen de advocaten van partijen meer of anders hebben verzocht;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit tussenvonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 september 2011.