Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3508

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
380674 - HA ZA 10-4044
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhaal op schadeveroorzaker door verzekeraar op grond van artikel 15 WAM. Feit van algemene bekendheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 380674 / HA ZA 10-4044

Vonnis van 12 oktober 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.C. Meijroos te Den Haag,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. A.J.F. Gonesh te Den Haag.

Partijen zullen hierna Delta Lloyd en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding d.d. 5 november 2011, met producties 1 t/m 11;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 20 april 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 23 augustus 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Mevrouw [A] (hierna: [A]) was (mede)eigenaresse van een BMW, model 318 ci cabrio met kenteken [nummer] (hierna: de BMW). [A] heeft de BMW op 7 maart 2008 aan mevrouw [B] (hierna: [B]) uitgeleend. [gedaagde] heeft, al dan niet met toestemming van [B], de beschikking gekregen over de autosleutels.

2.2.Op 8 maart 2008 heeft [gedaagde] met de BMW schade veroorzaakt. Hij heeft op de parkeerplaats bij discotheek Players te Zoetermeer de heer [C] (hierna: [C]) aangereden, waardoor laatstgenoemde een beenfractuur heeft opgelopen (hierna: ongeval 1). In de daaropvolgende rit, waarbij [C] door [gedaagde] naar het ziekenhuis werd vervoerd, is [gedaagde] met de BMW tegen een lichtmast gebotst ter hoogte van de [A-straat te plaats A] (hierna: ongeval 2; ongevallen 1 en 2 hierna tezamen: de ongevallen). Op het moment dat [gedaagde] de BMW bestuurde en de ongevallen veroorzaakte, was hem de rijbevoegdheid ontzegd.

2.3.Ten behoeve van de BMW is door [A] bij Delta Lloyd een autoverzekering afgesloten. De bij de verzekering behorende algemene voorwaarden autoverzekering bepalen, voor zover relevant:

"UITSLUITINGEN

ARTIKEL 9

ALGEMENE UITSLUITINGEN

Uitgesloten is vergoeding van schade veroorzaakt of ontstaan:

(...)

ARTIKEL 9.6

ONGELDIG RIJBEWIJS

Als de feitelijk bestuurder van het motorrijtuig geen houder is van een rijbewijs dat in Nederland voor dat motorrijtuig geldig is. Of als hem de rijbevoegdheid is ontzegd, een rijverbod is opgelegd of als hij niet heeft voldaan aan de bijzondere bepalingen, die op zijn rijbewijs vermeld staan."

3.Het geschil

3.1.Delta Lloyd vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 26.014,47, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.Delta Lloyd legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op grond van artikel 15 van de WAM de door haar uitgekeerde schade op [gedaagde] kan verhalen.

3.3.[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.[gedaagde] heeft erkend dat hij ten tijde van de ongevallen niet beschikte over een geldig rijbewijs. Op grond van het onder 2.2. aangehaalde artikel 9.6 van de verzekeringsovereenkomst bood de verzekering derhalve geen dekking en was Delta Lloyd niet gehouden om tot uitkering van de schade ten gevolge van de ongevallen over te gaan. Indien een verzekeraar desondanks overgaat tot vergoeding van schade van de benadeelde, heeft hij op grond van artikel 15 lid 1 van de WAM voor het bedrag van de schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon.

4.2.De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagde], dat hij er op vertrouwde dat de schade door Delta Lloyd zou worden uitgekeerd en dat hij niet bekend was met de in artikel 9.6 van de Voorwaarden Autoverzekering opgenomen uitsluiting, aldus dat hij een beroep doet op de tweede volzin van artikel 15 lid 1 van de WAM. Daarin is bepaald dat verhaal niet mogelijk is ten aanzien van de aansprakelijke persoon die niet is de verzekeringnemer. Nog los van het feit dat [gedaagde] niet heeft gesteld, laat staan heeft bewezen, dat hij als verzekerde onder de verzekeringsovereenkomst kan worden aangemerkt, bepaald de tweede volzin van artikel 15 lid 1 van de WAM dat verhaal op een verzekerde (niet zijnde de verzekeringnemer) wel mogelijk is wanneer die verzekerde niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [gedaagde] niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid onder de verzekeringsovereenkomst was gedekt. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer iemand de rijbevoegdheid is ontzegd en hij bovendien niet beschikt over een (in Nederland) geldig rijbewijs, hij niet verzekerd is voor door hem veroorzaakte schade. Bekendheid van [gedaagde] met de daarmee verband houdende, in de polis opgenomen, uitsluiting, is derhalve niet relevant. Het verweer van [gedaagde] faalt derhalve en Delta Lloyd kan de door haar uitgekeerde schade in beginsel op [gedaagde] verhalen.

4.3.Met betrekking tot de door Delta Lloyd gevorderde schadeposten heeft [gedaagde] betoogd dat sprake is van eigen schuld van [A] en [C]. Zulks brengt volgens [gedaagde] mee dat de aan hen verrichtte uitkeringen betreffende de schade aan de BMW, respectievelijk een voorschot op het verlies aan arbeidsvermogen, door Delta onverschuldigd zijn betaald en dat Delta Lloyd daarvoor geen verhaal op hem heeft. Delta Lloyd heeft betwist dat sprake is van eigen schuld van [A] en [C].

4.4.De eigen schuld van [A] zou er volgens [gedaagde] in zijn gelegen dat zij de BMW aan [B] heeft uitgeleend, zonder daarbij tegen [B] te zeggen de BMW niet (zonder haar toestemming) aan een derde uit te lenen. Het doorlenen van de BMW door [B] aan [gedaagde] kan daarom worden toegerekend aan [A], aldus [gedaagde].

4.5.Nog los van het feit dat Delta Lloyd heeft betwist dat de BMW door [B] aan [gedaagde] is doorgeleend, gaat het verweer van [gedaagde] uit van een verkeerde vooronderstelling. [A] mocht er als uitlener in beginsel op vertrouwen dat [B] de BMW niet zonder haar toestemming zou uitlenen aan derden. Omstandigheden waaruit blijkt dat dit in het onderhavige geval anders is, zijn gesteld noch gebleken, zodat het eigen schuld verweer van [gedaagde] betreffende [A] niet opgaat.

4.6.Volgens [gedaagde] is de eigen schuld van [C] erin gelegen dat hij bij [gedaagde] de indruk heeft gewekt de eigenaar van de BMW te zijn en dat hij toestemming heeft gegeven aan [gedaagde] om de BMW te besturen. Wat daar ook van zij, die omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet mee dat [C] eigen schuld kan worden verweten aan het ontstaan van ongeval 1. Volgens [gedaagde] heeft [C] tevens eigen schuld aan het ontstaan van ongeval 1, omdat hij geheel onnodig achter de BMW is gaan staan, waardoor [gedaagde] hem niet kon zien. Uit de verklaring van [C] uit het strafdossier blijkt echter dat hij ten tijde van de aanrijding naast de bestuurdersportier stond en juist had gevraagd waarom [gedaagde] met de BMW vertrok. In het licht van deze verklaring en bij het ontbreken van enig bewijsstuk dat de stelling van [gedaagde] ondersteund, heeft [gedaagde] zijn stelling onvoldoende onderbouwd, zodat ook dit eigen schuld verweer van [gedaagde] faalt.

4.7.Delta Lloyd heeft de gevorderde schade aan de hand van de nodige stukken voldoende onderbouwd. Met betrekking tot de door Delta Lloyd gevorderde schade heeft [gedaagde] slechts als concreet verweer gevoerd dat het door Delta Lloyd aan [C] uitgekeerde bedrag aan verlies arbeidsvermogen te hoog zou zijn. [gedaagde] betwist dat het gehanteerde uurtarief van EUR 70,00 voor een zelfstandig IT-er te hoog zou zijn. [gedaagde] heeft zijn verweer echter in het geheel niet onderbouwd, bijvoorbeeld door overlegging van stukken waaruit blijkt dat een bedrag van EUR 70,00 te hoog is. De rechtbank passeert het verweer van [gedaagde] wegens onvoldoende onderbouwing.

4.8.Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank, na correctie van een optelfout, van de door Delta Lloyd gevorderde schade een bedrag van EUR 23.744,85 zal toewijzen.

4.9.Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente heeft [gedaagde] zonder enige motivering betwist wettelijke rente verschuldigd te zijn. Onder de gegeven omstandigheden zal de rechtbank wettelijke rente toewijzen met ingang van de data waarop de diverse bedragen door Delta Lloyd zijn uitgekeerd.

4.10.[gedaagde] heeft de hoogte en de verschuldigdheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten betwist. Delta Lloyd heeft in dit verband enkel een drietal schriftelijke aanmaningen van Groenewegen en Partners gerechtsdeurwaarders in het geding gebracht, waaronder een tweetal exploten waarop een bedrag van EUR 69,57 aan explootkosten staat vermeld. Onder de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om als buitengerechtelijke kosten een bedrag van EUR 139,14 (2 x EUR 69,57) toe te wijzen. [gedaagde] heeft zijn betwisting dat die kosten door Delta Lloyd zijn betaald op geen enkele wijze onderbouwd of ten minste aannemelijk heeft gemaakt, terwijl de rechtbank geen aanleiding heeft om eraan te twijfelen dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, bij Delta Lloyd in rekening zijn gebracht, en door haar zijn betaald. Voor het overige heeft Delta Lloyd de gevorderde buitengerechtelijke kosten onvoldoende bewezen, en zal de vordering worden afgewezen.

4.11.[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Delta Lloyd worden begroot op:

- dagvaarding EUR 87,93

- griffierecht 1.165,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.410,93

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.veroordeelt [gedaagde] om aan Delta Lloyd te betalen een bedrag van EUR 23.744,85, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van EUR 1.769,68 met ingang van 10 december 2008, over een bedrag van EUR 10.975,00 met ingang van 25 maart 2009, over een bedrag van EUR 939,72 met ingang van 27 augustus 2009, over een bedrag van EUR 60,24 met ingang van 26 mei 2010 en over een bedrag van EUR 10.000,00 met ingang van 6 januari 2010, in alle gevallen tot aan de dag van volledige betaling,

5.2.veroordeelt [gedaagde] om aan Delta Lloyd te betalen een bedrag van EUR 139,14 aan buitengerechtelijke kosten,

5.3.veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd tot op heden begroot op EUR 2.410,93,

5.4.verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.