Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3391

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
10/40833
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het ambtsbericht van juni 2007 kan worden afgeleid dat de feitelijke situatie ten tijde van het besluit tot vergunningverlening op de d-gornd zodanig was dat de centrale overheid haar burgers niet tegen willekeurig geweld kon beschermen. Door verweerder is niet gemotiveerd weerlegd waarom de feitelijke situatie in Bagdad ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning op de d-grond aan eiseres op 24 september 2007, niet kan worden aangemerkt als een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 10/40833

Uitspraak in het geschil tussen:

[naam],

geboren op [datum],

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiseres,

gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders, advocaat te Groningen,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

voorheen de Staatssecretaris van Justitie respectievelijk de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. aan ’t Goor, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 17 september 2007 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Bij besluit van 24 september 2007 heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en aan eiseres met ingang van 17 september 2007 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 verleend, geldig tot 17 september 2012.

1.2. Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft verweerder besloten om de aan eiseres verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 in te trekken, met ingang van 22 november 2008.

1.3. Op 25 november 2010 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld. Op 24 december 2011 heeft eiseres de gronden van beroep ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Bij brief van 28 juli 2011 heeft verweerder schriftelijk verweer uitgebracht.

1.5. Bij brief van 18 augustus 2011 heeft eiseres de gronden van beroep aangevuld, voorzien van twee bijlagen.

1.6. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 2 september 2011. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Aan haar asielaanvraag van 17 september 2007 heeft eiseres – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is oorspronkelijk afkomstig uit de provincie Kirkuk in Irak. Van 1960 tot 1991 heeft zij met haar gezin in Koeweit gewoond. Vanaf 1991 is eiseres woonachtig geweest in Bagdad. Haar echtgenoot is in 1997 uit Irak gevlucht. In juli 2007 zag eiseres dat mensen in haar straat naar een onthoofd lichaam in een plastic zak keken. Enkele dagen later zag eiseres in haar straat een stoffelijk overschot liggen waar de ogen en de neus van waren weggesneden. Na een kleine week kwamen er ’s-avonds twee gemaskerde mannen bij eiseres aan de deur. Zij eisten dat eiseres en haar twee dochters hun huis binnen enkele dagen zouden verlaten. Als eiseres dit niet zou doen, zou zij worden onthoofd, aldus de mannen. Daarop heeft eiseres haar woning verlaten en is zij bij haar broer gaan wonen, in een andere wijk in Bagdad. Vervolgens heeft eiseres besloten Irak te ontvluchten. Op 15 augustus 2007 is zij uit Irak vertrokken en op 22 augustus 2007 is eiseres in Nederland aangekomen.

2.2. In aanvulling op haar asielrelaas heeft eiseres in “het gehoor naar aanleiding van het voornemen tot intrekken van de verblijfsvergunning asiel” van 31 maart 2010 verklaard dat het niet veilig is in Irak. Zij heeft aangevoerd dat in Irak, en met name in de provincie Kirkuk, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn). Verder heeft zij naar voren gebracht dat zij diverse medische klachten heeft waarvoor zij in Irak niet behandeld kan worden. Bovendien heeft zij aangevoerd dat zij in 2008 is gescheiden van haar echtgenoot en dat de positie van alleenstaande vrouwen in Irak bijzonder slecht is. Zij kan daarom niet terugkeren naar Irak.

2.3. Verweerder heeft de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000. Verweerder heeft overwogen dat hij bij brief van 12 september 2008 de Tweede Kamer heeft bericht dat is besloten om het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak te beëindigen. De Tweede Kamer heeft op 9 oktober 2008 ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging, waarna bij WBV 2008/28 (publicatiedatum 20 november 2008 en datum beleidswijziging 22 november 2008) de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak van kracht is geworden. Op grond van deze ontwikkelingen heeft verweerder geconcludeerd dat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is komen te vervallen.

Voorts heeft verweerder – in het voornemen van 28 oktober 2009 – overwogen dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres, omdat zij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van haar asielrelaas. Gelet hierop moet van het asielrelaas van eiseres een positieve overtuigingskracht uitgaan. Ten aanzien daarvan heeft verweerder overwogen dat het asielrelaas van eiseres weliswaar geloofwaardig is, maar dat eiseres niet wordt aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag). De door eiseres geschetste problemen kunnen volgens verweerder niet gerelateerd worden aan één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Dat zij door twee gemaskerde mannen is bedreigd en gemaand haar huis te verlaten is onvoldoende om haar in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel.

Voorts heeft verweerder overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het (Europees) Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden gedraging. Niet gebleken is verder dat zij zich bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte, waarvoor zij in Irak niet behandeld kan worden. Evenmin is gebleken dat eiseres bij terugkeer naar Irak door niemand zal worden opgevangen. Zij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat haar broer en haar dochter niet langer in leven zijn, zoals zij veronderstelt. Bovendien kan eiseres zich als alleenstaande vrouw in Irak staande houden. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat haar echtgenoot al in 1997 uit Irak is vertrokken en dat eiseres vervolgens tien jaar zonder hem heeft geleefd.

2.4. Ten aanzien van het beroep van eiseres op subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Irak aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt slachtoffer te worden van dat geweld. In aanvulling op de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder in het schriftelijke verweer van 28 juli 2011 gewezen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van onder meer 2 maart 2011, 200908672/1, waarin de AbRS heeft geoordeeld dat ten aanzien van de provincie Kirkuk geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiseres heeft de rechtbank verzocht hetgeen in de zienswijzen van 10 en 14 december 2009 is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. In de nadere gronden van beroep van 18 augustus 2011 heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning op de d-grond van artikel 29 Vw 2000 in Irak sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Volgens eiseres had verweerder daarom bij de intrekking van de verblijfsvergunning asiel moeten toetsen aan artikel 16 van de Definitierichtlijn. Aan de intrekkingvoorwaarden die in dit artikel staan is niet voldaan, nu verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden die zo ingrijpend en niet voorbijgaand zijn, dat eiseres niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 11 juli 2011. Voorts heeft eiseres verwezen naar een rapport van Amnesty International van april 2010, het jaarverslag van Amnesty International van 15 mei 2011 en naar het rapport van de Special Inspector General for Irak Reconstruction van 30 juli 2011. Voorts heeft eiseres benadrukt dat uit het algemeen ambtsbericht van 27 oktober 2010 blijkt dat de positie van alleenstaande vrouwen in Irak kwetsbaar is.

Beoordeling van het beroep

2.6. Ingevolge artikel 29, eerste lid, Vw 2000, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.7. Verweerder heeft geoordeeld dat eiseres verwijtbaar geen documenten heeft overgelegd ter ondersteuning van haar identiteit, nationaliteit en reisroute. Verweerder heeft echter overwogen dat positieve overtuigingskracht uitgaat van haar verklaringen over haar identiteit en de gestelde problemen. Gelet hierop betreffen verweerders overwegingen over het ontbreken van documenten in de voorliggende zaak geen dragende overwegingen van het bestreden besluit. De rechtbank zal dan ook niet verder ingaan op de door eiseres aangevoerde gronden gericht tegen verweerders overwegingen over het ontbreken van documenten en de verklaringen hieromtrent.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden de gebeurtenissen die in de straat van eiseres hebben plaatsgevonden, alsmede de bedreiging door twee gemaskerde mannen, op zichzelf en in onderling verband, onvoldoende heeft geacht om vluchtelingschap aan te nemen. Door eiseres is dit standpunt niet gemotiveerd bestreden.

2.9. Verweerder heeft eveneens terecht en op goede gronden zich op het standpunt gesteld dat de positie van alleenstaande vrouwen over het algemeen kwetsbaar is, onvoldoende grond vormt voor de conclusie dat eiseres persoonlijk aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verweerder heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is dat de broer en dochter van eiseres in Irak niet langer in leven zijn en zij daar niemand meer heeft die voor haar zou kunnen zorgen.

2.10. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat uitzetting naar Irak in verband met haar medische situatie zal leiden tot schending van artikel 3 EVRM, is de rechtbank van oordeel dat eiseres dit betoog onvoldoende (met medische stukken) heeft onderbouwd. De door eiseres overgelegde patiëntenkaart van 3 maart 2010 en de brief van de huisarts van 18 augustus 2011 bieden onvoldoende aanknopingspunten om eiseres te volgen in haar stelling. Niet gebleken is dat zij zich bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte, waarvoor zij in Irak niet behandeld kan worden.

2.11. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat in haar geval sprake is van bijzondere redenen van humanitaire aard, gelet op de omstandigheid dat zij alleenstaand en hulpbehoevend is en dat zij in Irak niemand meer kent die voor haar kan zorgen, overweegt de rechtbank dat verweerders beleid inzake bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard is neergelegd in onderdeel C2/4.3 Vc 2000. Volgens dat beleid kunnen individuele klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000. Het dient daarbij te gaan om zodanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht zijn ontstaan na haar vertrek uit Irak en dus geen verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst.

2.12. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht en op juiste gronden op het standpunt gesteld dat eiseres noch ten tijde van de verleende vergunning op de d-grond van artikel 29 Vw 2000, noch op het moment van het bestreden besluit, vanwege individuele redenen aanspraak had op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000.

2.13. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, kan een onderdaan van een derde land voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen indien er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade die bestaat uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig

geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, Definitierichtlijn komt een onderdaan van een derde land of staatloze niet meer in aanmerking voor de subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend, niet langer bestaan, of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is.

Ingevolge het tweede lid nemen de lidstaten, bij de toepassing van het eerste lid, in aanmerking of de wijziging van de omstandigheden zo ingrijpend en niet-voorbijgaand is dat de persoon die in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt.

2.14. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning op grond van het categoriale beschermingsbeleid tevens sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn en dat verweerder in het bestreden besluit had moeten motiveren waarom artikel 16 Definitierichtlijn van toepassing is, overweegt de rechtbank ten eerste, en in lijn met voornoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 juli 2011, dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 een verleningsgrond voor een verblijfsvergunning asiel op nationale gronden is. Uit niets blijkt dat verweerder onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 destijds ook de bescherming van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn heeft gebracht. Het enkele feit dat aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is verleend, betekent dus niet dat de vergunning ook vanwege artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn is verleend.

2.15. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning in Irak sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, heeft verweerder zich allereerst op het standpunt gesteld dat eiseres in haar zienswijze niet heeft aangevoerd dat ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning op grond van het categoriale beschermingsbeleid tevens sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. In de aanvullende gronden van beroep van 18 augustus 2011 heeft eiseres hier voor het eerst een beroep op gedaan, aldus verweerder.

Voor zover verweerder hiermee heeft betoogd dat eiseres dit aspect te laat in het geding heeft gebracht, wijst de rechtbank op de uitspraak van AbRS van 9 mei 2011 (zaaknummer 201001143/1/V2, LJN BQ4615) waarin is overwogen dat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep beroepsgronden worden betrokken die een vreemdeling na het nemen van het besluit heeft aangevoerd en die hij niet als zodanig in een zienswijze naar voren heeft gebracht. De rechtbank ziet geen reden om deze beroepsgrond uit een oogpunt van goede procesorde buiten beschouwing te laten en betrekt daarbij dat eiseres reeds in de beroepsprocedure tegen de aanvankelijke weigering van de vergunning heeft gewezen op de slechte veiligheidssituatie in Irak en eiseres zowel in het gehoor naar aanleiding tot het voornemen tot intrekken van de verblijfsvergunning asiel op 28 oktober 2009 als in de zienswijze tegen het voornemen tot intrekking, een beroep heeft gedaan op bescherming krachtens artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Bovendien betreft het hier een ambtshalve genomen besluit, waarbij verweerder gehouden was zowel te beoordelen of er reden was voor vergunningverlening op één van de andere gronden genoemd in artikel 29 Vw 2000 ten tijde van het verlenen van de vergunning als ten tijde van het besluit tot intrekking.

2.16. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar betoog dat ten tijde van het verlenen van de vergunning sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn er op gewezen dat verweerder in zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 2 april 2007 het categoriale beschermingsbeleid inzake Irak destijds als volgt heeft toegelicht in de Tweede Kamer:

“Blijkens het ambtsbericht is de veiligheidssituatie in Centraal-Irak ten opzichte van april 2006 verder verslechterd. De centrale overheid heeft in grote delen van het land geen geweldsmonopolie en kan haar burgers niet tegen willekeurig geweld, dat aan de orde van de dag is, beschermen. Het geweld dat zich voordoet lijkt ongericht in de zin dat een ieder er het slachtoffer van kan worden. Wat betreft de mate van geografische spreiding van het geweld dient te worden opgemerkt dat het geweld zich grotendeels voordoet in het soennitische midden van Irak. Noord-Irak is relatief veilig.”

Eiseres heeft hieraan toegevoegd dat verweerder de Tweede Kamer daarbij heeft gewezen op het standpunt van de UNHCR. Eiseres stelt dat deze bewoordingen in grote mate overeenkomen met de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft gegeven aan artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

2.17. In het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn en de situatie in Centraal Irak uitsluitend overwegingen gewijd die zien op de veiligheidssituatie ten tijde van het bestreden besluit van 28 oktober 2010. Verweerder heeft daarin niet expliciet getoetst of ten tijde van de verlening van de vergunning op 28 juni 2007 sprake was van een situatie als bedoeld in dat artikel. Verweerder heeft in reactie op de aanvullende gronden van beroep ter zitting opgemerkt dat de algehele situatie in Irak ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning op de d-grond van artikel 29 Vw 2000 niet zodanig was dat sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in de Definitierichtlijn. Dat verweerder destijds in het kader van de invoering van het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Irak bewoordingen heeft gebruikt die overeenkomen met die in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, staat los van de discretionaire bevoegdheid van verweerder om dit zogenoemde d-beleid te voeren. Er bestond destijds echter geen reëel en voorzienbaar risico als bedoeld in artikel 15 Definitierichtlijn en de minister heeft daarom geen aanleiding gezien om een vergunning te verlenen op de b-grond van artikel 29 Vw 2000, aldus verweerder.

2.18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de uitlatingen van de verweerder destijds en het standpunt van de UNHCR dat daarbij is betrokken, met het bestreden besluit en de daarop ter zitting gegeven toelichting, mede bezien in het licht van het algemeen ambtsbericht inzake Irak van juni 2007 en WBV 2007/9, onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning op de d-grond aan eiseres op 24 september 2007, in Bagdad geen sprake was van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Het standpunt van verweerder ter zitting dat verweerder de uitspraken destijds heeft gedaan in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef onder d, Vw 2000, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu deze uitspraken zien op de feitelijke situatie in Irak in 2007, die ook van belang is voor de vraag of eiseres bescherming toekomt op grond van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Uit het ambtsbericht van juni 2007 kan worden afgeleid dat de feitelijke situatie ten tijde van het besluit tot vergunningverlening zodanig was dat de centrale overheid haar burgers niet tegen willekeurig geweld, dat aan de orde van de dag was, kon beschermen. Door verweerder is niet gemotiveerd weerlegd waarom deze feitelijke situatie niet kan worden aangemerkt als een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

2.19. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit is, in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

2.20. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,= (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,= en een wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,= en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Schothorst, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2011.

w.g. De griffier w.g. De rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Awb, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.