Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3365

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
AWB 09/48419
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens ontbreken geldige mvv. Artikel 20 VWEU. Arrest Hof van Justitie van de EU van 8 maart 2011 in de zaak Ruiz Zambrano.

Gelet op het vorenoverwogene is er naar het oordeel van de rechtbank van uit te gaan dat de weigering eiser een verblijfsvergunning te verlenen ertoe zal leiden dat zijn kinderen zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Immers zal de weigering tot gevolg hebben dat eisers partner en zijn kinderen eiser zullen volgen naar Turkije om te voorkomen dat het risico van psychotische ontregeling van eiser bij scheiding van zijn gezin, en daarmee een medische noodsituatie op korte termijn, zich verwezenlijkt. In die omstandigheid zullen de kinderen naar het oordeel van de rechtbank in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn beslissing om eiser niet de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen, de kinderen niet het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzegt. Verweerder heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze zaak een zuiver interne situatie betreft waarop het Unierecht niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/48419 EINDUITSPRAAK

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1974,

nationaliteit Turkse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.J. Driessen,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde: mr. X.J. Polak

<b>Procesverloop</b>

De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 8 september 2010.

Verweerder heeft bij brief van 17 januari 2011 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het in de tussenuitspraak van 8 september 2010 geconstateerde gebrek te herstellen.

Eiser heeft bij brief van 21 februari 2011 zijn zienswijze gegeven.

De zaak is behandeld op de zitting van 29 september 2011, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank heeft in genoemde tussenuitspraak overwogen dat het besluit van verweerder van 21 december 2009 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en heeft verweerder opgedragen een nader advies aan het Bureau Medische Advisering (BMA) te vragen, waarin nogmaals wordt bezien of het voor eiser verantwoord is om naar zijn thuisland te reizen en daar zijn mvv-aanvraag af te wachten. Het BMA diende in het advies in te gaan op de brief van 19 oktober 2009 van de behandelend psychiater van eiser, waarin is vermeld dat scheiding van eiser van zijn echtgenote en kinderen schadelijke gevolgen kan hebben voor eiser, in welk kader met name aandacht diende te worden besteed aan de vraag of eiser afhankelijk is van mantelzorg (van zijn echtgenote). Voorts diende verweerder alsnog te motiveren of hij zich er van heeft vergewist dat wordt voldaan aan de reisvoorwaarde dat eiser tijdens de reis wordt begeleid door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.

2. Verweerder heeft in zijn, naar aanleiding van de tussenuitspraak overgelegde, brief van 17 januari 2011 aangegeven dat uit het nadere advies van het BMA van 3 januari 2011 is gebleken dat eiser afhankelijk is van mantelzorg. Voorts heeft verweerder aangegeven dat volgens paragraaf B 8/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 een vreemdeling, voor zover hij stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, gegevens en bescheiden dient te overleggen waaruit dat blijkt. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Turkije niet over een mantelzorgnetwerk beschikt. Voorts blijkt volgens verweerder uit het nieuwe BMA-advies weliswaar dat scheiding van eiser van zijn gezin nadelig kan zijn voor eiser nu dit een psychotische ontregeling in gang zou kunnen zetten, maar kan van de echtgenote van eiser verlangd worden dat zij met eiser naar Turkije terugkeert. Verweerder heeft hierbij verwezen naar hetgeen hij in het bestreden besluit in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft overwogen. Ten aanzien van de vergewisplicht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat om aan te nemen dat eiser bij de daadwerkelijke verwijdering niet begeleid kan worden door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Voorts heeft verweerder toegezegd dat de Dienst Terugkeer en Vertrek zal toezien op de naleving van deze voorwaarde.

3. Bij brief van 21 februari 2011 heeft eiser zijn zienswijze gegeven op voormelde brief van verweerder. In deze zienswijze heeft eiser een verklaring overgelegd van zijn ouders, waarin zij verklaren dat zij hun zoon lange tijd niet gezien hebben en geen contact meer met hem hebben. Ook zou eiser geen contact meer hebben met zijn nog in Turkije wonende broers en zussen. Tevens verklaren zijn ouders dat zij niet in staat zijn voor eiser te zorgen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Vooreerst overweegt de rechtbank dat eiser zich in het kader van het beroep op artikel 8 van het EVRM op het standpunt heeft gesteld dat van zijn Nederlandse echtgenote en hun nog jonge Nederlandse kinderen niet kan worden verlangd dat zij hem volgen naar Turkije. De rechtbank heeft deze beroepsgrond mede opgevat als een beroep op artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en in verband hiermee op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 8 maart 2011 in de zaak Ruiz Zambrano (JV 2011/146).

6. De rechtbank verwijst in dit verband ten eerste naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 8 juli 2011 (LJN: BR0795). In die zaak heeft de rechtbank (onder meer) het volgende overwogen, welke overwegingen de rechtbank tot de hare maakt:

<i>“De rechtbank leidt uit de arresten Zambrano en McCarthy af dat geen sprake is van een zuiver interne situatie indien nationale maatregelen tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan deze status ontleende rechten (of zoals in de respectievelijk Franse en Engelse taal versies staat vermeld: ‘la jouissance effective de <u>l’essentiel des droits</u> conférés’ en ‘the genuine enjoyment of <u>the substance of the rights</u>’). Voorts leidt de rechtbank uit het arrest Zambrano af dat voor zover nationale maatregelen een dergelijk gevolg hebben, artikel 20 VWEU zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert. Feitelijk komt dit erop neer dat de staatsburger van een derde staat in die situatie een van zijn kinderen afgeleid recht heeft op verblijf in de lidstaat waar deze kinderen verblijven. Aan dit recht mogen, anders dan in de situatie dat de burger van de Unie zich samen met een derdelander begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat, niet de voorwaarden worden gesteld dat de bestaansmiddelen toereikend zijn en dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. In zoverre gaat het om een onvoorwaardelijk recht.

Het Hof heeft in zijn rechtspraak niet geëxpliciteerd wat de belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten zijn (…). In het in het tweede deel van het VWEU opgenomen artikel 20, waarin het burgerschap van de Unie is geregeld, is bepaald dat de burgers van de Unie de rechten genieten en de plichten hebben die bij de Verdragen zijn bepaald en is vermeld dat zij onder andere het recht hebben zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Uit het arrest Zambrano (…) en het arrest McCarthy (…), leidt de rechtbank af dat het Hof in situaties als in die arresten aan de orde vooral dit laatstgenoemde recht en meer in het bijzonder het daaruit voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Europese Unie te verblijven op het oog heeft gehad als belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten.”</i>

7. In het arrest Zambrano heeft het Hof overwogen dat de situatie waarin burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van de burger van de Unie ontleende rechten ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven, en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven. Volgens het Hof is er van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, volgens het Hof het risico niet over voldoende middelen van bestaan te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheid, aldus het Hof, zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen.

8. Evenals in de zaak die heeft geleid tot het arrest Zambrano gaat het in de onderhavige zaak om een staatsburger van een derde staat en om jonge kinderen, burgers van de Unie.

9. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat van een met het arrest Zambrano vergelijkbare situatie geen sprake is, omdat de partner van eiser de Nederlandse nationaliteit heeft en dus net als de kinderen Unieburger is. Volgens verweerder valt uit het BMA-advies van 3 januari 2011 niet op te maken dat bij weigering van de gevraagde verblijfsvergunning de echtgenote van eiser en zijn kinderen eiser vanwege zijn medische gesteldheid dienen te volgen naar Turkije, nu de voor eiser noodzakelijke behandeling in Turkije aanwezig is. Eiser heeft dit standpunt onder verwijzing naar hetzelfde BMA-advies betwist.

10. De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit het naar aanleiding van de tussenuitspraak van 8 september 2010 opgestelde BMA-advies van 3 januari 2011 blijkt dat de behandelend psychiater van eiser de steun van de familie als onmisbaar heeft benoemd. Volgens hem is het wenselijk en noodzakelijk dat eiser verblijft in een vertrouwde omgeving en is scheiding van vrouw en kinderen nadelig voor zowel eiser als zijn gezin. Volgens het BMA, zo blijkt uit het advies, gold de steun die eiser van zijn echtgenote ontvangt zeker gedurende een bepaalde periode als mantelzorg en is dit ook voor de toekomst een reële optie. Scheiding van zijn gezin kan volgens het BMA nadelig zijn voor eiser. De voorgeschiedenis van eiser heeft volgens het BMA geleerd dat eiser onder stressvolle omstandigheden psychotisch kan worden. Scheiding van zijn gezin zou volgens het BMA een dergelijke psychotische ontregeling opnieuw in gang kunnen zetten. Ook het staken van de behandeling, die bestaat uit steunende gesprekken en medicatie, zal volgens het BMA, behalve tot een toename van de depressieve klachten en de angstklachten, mogelijk leiden tot een psychotische ontregeling bij eiser. Ernstige geestelijke schade is dan te verwachten, zodat het uitblijven van behandeling zal kunnen leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Het BMA acht eiser in staat te reizen indien hij tijdens de reis door een psychiatrisch verpleegkundige wordt begeleid en indien hij het gebruik van medicatie tijdens de reis voortzet. Tevens dient eiser (alsook zijn medische gegevens) direct na de reis te worden overgedragen aan de behandelaar ter plaatse. Volgens het BMA is de voor eiser benodigde behandeling door een psychiater in Turkije mogelijk en is de door eiser gebruikte medicatie in Turkije aanwezig.

11. De rechtbank overweegt dat uit genoemd BMA-advies blijkt dat scheiding van eiser van zijn echtgenote en kinderen een psychotische ontregeling in gang kan zetten. Verder leidt de rechtbank uit dit BMA-advies af dat een psychotische ontregeling bij eiser kan leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Hieruit leidt de rechtbank af dat, ter voorkoming van een medische noodsituatie op korte termijn bij eiser, het noodzakelijk is dat eiser niet wordt gescheiden van zijn gezinsleden. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat het terugkeren naar Turkije zonder zijn gezin niet het risico voor eiser met zich brengt dat op korte termijn een medische noodsituatie zal ontstaan. De omstandigheid dat eiser in Turkije kan worden behandeld voor zijn medische problematiek, zoals verweerder heeft betoogd, doet aan dit oordeel niet af. Immers is in genoemd BMA-advies niet vermeld dat middels voortzetting van de medische behandeling kan worden voorkomen dat het risico van een psychotische ontregeling bij scheiding van eiser van zijn gezin zich verwezenlijkt.

12. Gelet op het vorenoverwogene is er naar het oordeel van de rechtbank van uit te gaan dat de weigering eiser een verblijfsvergunning te verlenen ertoe zal leiden dat zijn kinderen zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Immers zal de weigering tot gevolg hebben dat eisers partner en zijn kinderen eiser zullen volgen naar Turkije om te voorkomen dat het risico van psychotische ontregeling van eiser bij scheiding van zijn gezin, en daarmee een medische noodsituatie op korte termijn, zich verwezenlijkt. In die omstandigheid zullen de kinderen naar het oordeel van de rechtbank in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn beslissing om eiser niet de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen, de kinderen niet het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzegt. Verweerder heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze zaak een zuiver interne situatie betreft waarop het Unierecht niet van toepassing is en zal dit alsnog moeten doen in een nieuw te nemen besluit.

13. Met het oog op een finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank voorts als volgt.

14. Met betrekking tot de in voormeld BMA-advies vermelde reisvoorwaarden, en dan met name ten aanzien van de feitelijke overdracht van eiser aan een behandelaar in het land van herkomst, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat in het land van herkomst een behandelaar bekend is, aan wie de zorg van eiser bij terugkeer kan worden overdragen. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat alvorens eiser Nederland verlaat, contact wordt opgenomen met deze behandelaar, opdat de overdacht van eiser in het land van herkomst is gegarandeerd. Mocht een goede overdacht niet kunnen worden gegarandeerd, dan zal eiser volgens verweerder niet worden uitgezet. Gelet op het in de brief van verweerder van 17 januari 2011 vermelde en de nadere toelichting ter zitting, is de rechtbank, anders dan eiser heeft betoogd, van oordeel dat verweerder aan de op hem rustende vergewisplicht heeft voldaan. De beroepsgrond van eiser dat verweerder geen juiste invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht slaagt derhalve niet. Gelet hierop komt eiser niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000.

15. De rechtbank volgt voorts verweerders standpunt, met de door hem in het bestreden besluit gegeven motivering, dat van schending van artikel 3 van het EVRM geen sprake is.

16. Aangaande het beroep op artikel 8 van het EVRM heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote en minderjarige kinderen, maar dat van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan geen sprake is omdat de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan, er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in staat stelde. In het kader van de vervolgens te maken belangenafweging tussen het belang van eiser op uitoefening van familie- of gezinsleven en het belang van de Nederlandse overheid, heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat afweging van die belangen er in dit geval niet toe leidt dat een positieve verplichting bestaat eiser verblijf in Nederland toe te staan. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat in het ter zake gevoerde beleid reeds in zijn algemeenheid een afweging is gemaakt tussen het belang van eiser op uitoefening van familie- of gezinsleven en het belang van de Nederlandse overheid. Voorts is volgens verweerder niet gebleken van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Volgens verweerder is de omstandigheid dat eiser met zijn echtgenote en kinderen in Nederland woont en dat zijn echtgenote fulltime voor hem zorgt omdat hij medische problemen heeft, niet voldoende om een objectieve belemmering aan te nemen. Volgens verweerder heeft eiser niet met objectieve verifieerbare bescheiden aangetoond dat het voor hem en zijn gezin niet mogelijk is om zich in Turkije te vestigen. Verweerder heeft voorts meegewogen dat de echtgenote van eiser naast de Nederlandse nationaliteit tevens de Turkse nationaliteit heeft. Volgens verweerder zijn de drie kinderen van eiser, in de leeftijd van een, vijf en zeven jaar oud, nog jong, zodat het redelijk is om te veronderstellen dat het opbouwen van een bestaan in Turkije niet al te veel problemen voor hen zal opleveren. Verder is meegewogen dat eiser in 2001 is getrouwd en zijn gezinsleven is gestart, terwijl hij op dat moment niet in het bezit was van een verblijfsvergunning. Volgens verweerder komen de gevolgen van het ontstane gezinsleven daarom voor rekening van eiser. Ook heeft verweerder meegewogen dat eiser gedurende zijn gestelde meer dan twintig jaar durende verblijf nimmer rechtmatig verblijf heeft genoten. Samenvattend heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom de echtgenote van eiser en zijn drie kinderen zich niet samen met eiser in Turkije zouden kunnen vestigen om invulling te geven aan het gezinsleven met eiser. Volgens verweerder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is van een positieve verplichting tot verblijfsaanvaarding. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder hieraan toegevoegd dat niet is aangetoond dat de echtgenote van eiser niet kan werken in Turkije en evenmin dat zij daar geen beroep kan doen op sociale voorzieningen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het bovenstaande, alle bij hem bekende relevante belangen van eiser meegewogen in de door hem in het kader van de toets aan artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging en is verweerder binnen de hem bij deze belangenafweging toekomende ‘certain margin of appreciation’ gebleven. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt daarom niet.

18. Gelet op al het vorenoverwogene is de rechtbank tevens van oordeel dat in het geval van eiser geen sprake is van een situatie waarin verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vasthouden aan het mvv-vereiste in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het beroep op artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 slaagt daarom niet.

19. Gelet op het in de tussenuitspraak en het in rechtsoverweging 12 overwogene, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

20. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekent dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorafgaande blijkt dat de rechtbank een aantal beroepsgronden ondubbelzinnig heeft verworpen. Indien eiser zich niet kan verenigen met de verwerping van deze beroepsgronden en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal hij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

21. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.311,00. Dit bedrag is als volgt samengesteld.

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 16 juni 2010;

• 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze;

• 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 20 september 2011

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

22. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,00 dient te vergoeden.

23. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 150,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten, vastgesteld op € 1.311,00.

Aldus gedaan door mr. M. van den Brink als rechter in tegenwoordigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: