Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3302

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
377151 - HA ZA 10-3565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkheid van opvolgend bestuurder krachtens artikel 2:180 lid 2 sub b BW wegens schending volstorting bij oprichting vennootschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 11
Burgerlijk Wetboek Boek 2 180
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2012/15
RO 2012/11
JONDR 2011/511
JOR 2011/326 met annotatie van mr. drs. C.J. Groffen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 377151 / HA ZA 10-3565

Vonnis van 17 augustus 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALUMINIUMCONSTRUCTIES VAN [A] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Ede,

tegen

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INSIDE THE BUILDING B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARLEST BEHEER B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

3.[gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J. Pluis te Gouda.

Partijen zullen hierna ook [eiseres], ITB, Arlest en [gedaagde 3] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding d.d. 30 september 2010, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 15 december 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 4 april 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Bewijskracht van in het geding gebrachte bankafschriften

2.1.[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stellingen bankafschriften van een gefailleerde besloten vennootschap in het geding gebracht, waarvan gedaagden bij gebrek aan wetenschap betwisten dat [eiseres] die bankafschriften rechtmatig heeft verkregen. Naar het oordeel van gedaagden mogen de bankafschriften niet tot bewijs dienen. [eiseres], crediteur van de bewuste besloten vennootschap, heeft ter comparitie aangegeven dat zij de bankafschriften heeft opgevraagd bij de curator in het faillissement van de besloten vennootschap.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] de bankafschriften niet onrechtmatig verkregen door deze op te vragen bij de curator, zodat de rechtbank bij de vaststelling van de feiten en de verdere beoordeling de bankafschriften zal betrekken.

3.De feiten

3.1.Op of omstreeks september/oktober 2008 heeft [eiseres] een overeenkomst gesloten met De GeusPro B.V. (hierna: De GeusPro) in verband waarmee [eiseres] aluminium puien en zonweringslamellen heeft geleverd en gemonteerd ten behoeve van het project Revitalisering Winkelcentrum Stadshart Zoetermeer.

3.2.Van de door [eiseres] aan De GeusPro gezonden facturen heeft De GeusPro een bedrag van EUR 77.170,31 niet betaald. De GeusPro is op 25 augustus 2009 gefailleerd.

3.3.Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen [eiseres] en De GeusPro was ITB enig bestuurder en enig aandeelhouder van De GeusPro. ITB werd op dat moment bestuurd door Arlest, welke vennootschap op haar beurt werd bestuurd door [gedaagde 3].

3.4.De GeusPro is op 8 februari 2001 door Datho Beheer B.V. en [B] Beheer B.V opgericht onder de statutaire naam Mike Audio B.V. De slotbepalingen van de akte van oprichting bepalen onder meer:

"dat in het kapitaal van de vennootschap wordt deelgenomen voor een bedrag van achttienduizend euro (euro 18.000,00), en wel door de oprichter sub 1, Datho Beheer B.V. voornoemd, voor negentig (90) aandelen, en door de oprichter sub 2, [B] Beheer B.V. voornoemd, voor negentig (90) aandelen, zulks onder de verplichting tot volstorting à pari in Nederlands geld, welke volstorting heeft plaatsgevonden en door de vennootschap is aanvaard."

3.5.De aan de akte van oprichting gehechte bankverklaring van ING Bank N.V., d.d. 31 januari 2001, vermeldt dat de door Mike Audio aangehouden bankrekening (hierna: de bankrekening) per 31 januari 2001 een creditsaldo had van EUR 18.151,21.

3.6.Op 30 januari en 1 februari 2001 zijn bedragen van NLG 20.000,00 op de bankrekening gestort met als omschrijving "storting aandelen" respectievelijk "storting aandelen kap.". Op 31 januari 2001 is van het totaalbedrag van EUR 18.151,21 (NLG 40.000,00) een bedrag afgeschreven van NLG 104,13, waarna een bedrag resteerde van EUR 18.103,96. Op 8 februari 2001 is vervolgens een bedrag van NLG 39.000,00 overgeschreven naar [B] B.V., waarna een saldo van EUR 406,53 resteerde. Op 14 februari 2001 is een bedrag van NLG 10.000,00 bijgeschreven door Datho Beheer B.V., zodat het saldo van de bankrekening per 15 februari 2001 EUR 4.944,33 bedroeg. Ten slotte hebben de heer [B1] en mevrouw [B2] op 23 februari 2001 elk een bedrag van NLG 20.000,00 gestort onder de vermelding "lening", zodat op 26 maart 2001 het saldo op de bankrekening was gestegen tot EUR 24.294,87.

3.7.Met ingang van 16 oktober 2007 is de handelsnaam van Mike Audio B.V. gewijzigd in De GeusPro. Met ingang van 21 februari 2008 is ITB enig aandeelhouder en bestuurder geworden van De GeusPro.

4.Het geschil

4.1.[eiseres] vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van EUR 77.170,31, vermeerderd met rente en kosten.

4.2.[eiseres] legt aan haar vordering jegens ITB ten grondslag dat niet is voldaan aan de volstorting van de aandelen voortvloeiend uit de oprichtingsakte van De GeusPro. Op grond van artikel 180 lid 2 sub b BW zijn in dat geval de bestuurder naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden. Nu ITB bestuurder was van De GeusPro ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met [eiseres], is ITB op grond van voornoemd artikel hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de vordering van [eiseres]. Volgens [eiseres] rust diezelfde aansprakelijkheid op grond van artikel 2:11 BW eveneens op Arlest en [gedaagde 3].

4.3.Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.Het meest verstrekkende verweer van gedaagden is dat de vordering van [eiseres] op grond van artikel 3:307 lid 1 BW is verjaard. Volgens vaste rechtspraak verjaart de vordering tot volstorting voortvloeiend uit de oprichtingsakte op grond van artikel 3:307 lid 1 BW na vijf jaar. Volgens gedaagden zou blijken van een onjuiste uitleg van artikel 2:180 lid 2 sub b BW, wanneer bestuurders op grond van dat artikel aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden voor het niet volstorten van aandelen nadat de verplichting tot volstorting van die aandelen reeds is verjaard.

5.2.Naar het oordeel van de rechtbank dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de vordering tot volstorting en de hoofdelijke aansprakelijkheid van elke bestuurder voor de tijdens zijn bestuur namens de vennootschap verrichte rechtshandelingen als bedoeld in artikel 2:180 BW. Aangezien de bestuurdersaansprakelijkheid voortvloeit uit de wet geldt daarvoor de verjaringstermijn van twintig jaar en niet de termijn van vijf jaar. Bestuurders kunnen op grond van artikel 2:180 lid 2 sub b BW dan ook aansprakelijk worden gehouden voor het niet volstorten van aandelen, nadat de verplichting tot volstorting van die aandelen is verjaard.

5.3.Uit de bankafschriften van de bankrekening omstreeks de oprichting van Mike Audio, zoals weergegeven onder r.o. 2.6., blijkt dat op de datum van oprichting op 8 februari 2001 het saldo van de bankrekening EUR 406,53 was. Daaruit volgt dat ten tijde van de oprichting van Mike Audio niet was voldaan aan de in de oprichtingsakte neergelegde stortingsplicht.

5.4.Vervolgens dient de vraag zich aan of op een later moment alsnog aan de stortingsplicht is voldaan. Gedaagden hebben gesteld dat door de storting van NLG 40.000,00 op 23 maart 2001 alsnog aan de stortingsplicht was voldaan. Zulks is echter onjuist. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan niet worden gesproken van volstorting van de aandelen, indien het bedrag dat daarvoor door de oprichter wordt bestemd, niet door of namens deze daadwerkelijk aan de rechtspersoon ter beschikking is gesteld. De op 23 maart 2001 naar de bankrekening overgemaakte bedragen zijn niet betaald door de oprichters, doch door derden. Bovendien zijn de bedragen overgemaakt als lening, terwijl de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het verstrekken van een lening niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige volstorting.

5.5.Gedaagden hebben nog gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat op een later tijdstip volstorting van de aandelen kan hebben plaatsgevonden. In verband daarmee hebben zij [eiseres] verzocht om alle bij haar in bezit zijnde afschriften van de bankrekening in het geding te brengen. De bewijslast met betrekking tot de volstorting rust uiteraard op gedaagden. De rechtbank begrijpt de stelling van gedaagden aldus dat zij een beroep doen op bewijsnood. Daarvan kan in het onderhavige geval echter geen sprake zijn. ITB is bestuurder en enig aandeelhouder van De GeusPro en had uit die hoofde de beschikking en inzage in de door haar bedoelde bankafschriften. Bovendien heeft [eiseres] ter comparitie gesteld dat zij de bankafschriften van de curator heeft gekregen. Als de curator over de bankafschriften kon beschikken, moet ook bestuurder ITB daarover de beschikking hebben gehad, althans had zij die positie kunnen hebben. Onder de gegeven omstandigheden hadden gedaagden zelf de bankafschriften bij de curator moeten opvragen en hun stelling, voor zover mogelijk, aan de hand van die bankafschriften moeten onderbouwen. Nu zij dit hebben nagelaten, hebben zij hun verweer dat volstorting van de aandelen op een later tijdstip heeft plaatsgevonden onvoldoende onderbouwd. Om die reden wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

5.6.Nu van een rechtsgeldige volstorting niet is gebleken, kan ITB als bestuurder van De GeusPro op grond van artikel 2:180 lid 2 sub b BW aansprakelijk worden gehouden voor elke rechtshandeling die tijdens diens bestuur met ingang van 21 februari 2008 is verricht en waardoor De GeusPro is verbonden.

5.7.Gedaagden hebben in verband hiermee nog als verweer gevoerd dat zij als opvolgend bestuurders niet op de hoogte konden zijn van het ontbreken van een rechtsgeldige volstorting. Gedaagden mochten volgens eigen zeggen vertrouwen op de statuten en de bankverklaring. Dit verweer van gedaagden slaagt niet. Artikel 2:180 BW voorziet uitdrukkelijk niet in een disculpatiemogelijkheid, ook niet voor opvolgend bestuurders. In beginsel is dus irrelevant of ITB een verwijt kan worden gemaakt dat zij er niet mee bekend is dat geen volstorting heeft plaatsgevonden.

5.8.Maar zelfs wanneer de rechtbank er van uit zou gaan dat ITB een beroep kan doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 BW, dan is daartoe ten minste vereist dat ITB geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij er niet mee bekend was dat de volstorting op de aandelen niet had plaatsgevonden. Zulks is - in tegenstelling tot de door gedaagden aangehaalde uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2004, LJN: AR7332 - hier niet aan de orde. De rechtbank stelt voorop dat de statuten en de bankverklaring geen garantie vormen dat aan de stortingsplicht is voldaan en gedaagden mochten daarop onder de gegeven omstandigheden niet vertrouwen. ITB had immers, als opvolgend bestuurder, evenals [eiseres] aan de hand van de beschikbare afschriften van de bankrekening van De GeusPro eenvoudig kunnen constateren dat niet aan de stortingsplicht was voldaan. Uit het feit dat de curator van De GeusPro momenteel over de bankafschriften beschikt, volgt dat ITB die mogelijkheid ook moet hebben gehad op het moment dat zij opvolgend bestuurder van De GeusPro werd. Bovendien hebben gedaagden ter comparitie erkend dat zij in het geheel geen onderzoek hebben gedaan en volledig hebben vertrouwd op hun accountant van wie ITB De GeusPro volgens eigen zeggen heeft overgenomen.

5.9.Gedaagden hebben nog betoogd dat het causaal verband tussen het niet voldoen aan de stortingsplicht en het faillissement van De GeusPro ontbreekt. Zulks is voor de aansprakelijkheid van ITB op grond van artikel 2:180 lid 2 sub b BW echter geen voorwaarde.

5.10.Tot slot hebben gedaagden nog een beroep gedaan op het wetsvoorstel tot vereenvoudiging en flexibilisering van het B.V.-recht en verzoeken zij de rechtbank op dit wetsvoorstel, waarin artikel 2:180 lid 2 sub b BW wordt geschrapt, te anticiperen. Dit verzoek is echter prematuur. Het wetsvoorstel is momenteel aangenomen door de Tweede Kamer, en is ingediend bij de Eerste Kamer ter schriftelijke behandeling. Daarmee is het wetvoorstel nog geen geldend recht.

5.11.Nu ITB op grond van artikel 2:180 lid 2 sub b BW jegens [eiseres] aansprakelijk is, zijn Arlest en [gedaagde 3] op grond van artikel 2:11 BW eveneens hoofdelijk jegens [eiseres] aansprakelijk.

5.12.Ter comparitie hebben gedaagden bestreden dat de gevorderde facturen onbetaald zijn gebleven. Zij hebben dit verweer echter op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat en aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Voorts hebben gedaagden nog betoogd dat het werk door [eiseres] ondeugdelijk is uitgevoerd. Ook dit verweer hebben gedaagden op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank ook aan dit verweer voorbij gaat.

5.13.Nu De GeusPro de vordering van [eiseres] onvoldoende (gemotiveerd) heeft bestreden, zal de rechtbank het bedrag van EUR 77.170,31 toewijzen. Met betrekking tot de gevorderde rente hebben gedaagden nog betoogd dat niet de wettelijke handelsrente doch de wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd is. De rechtbank is echter van oordeel dat gedaagden naast De GeusPro hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen uit hoofde van de tussen De GeusPro en [eiseres] gesloten overeenkomst. Nu die ziet op het leveren van goederen of diensten tegen betaling, zoals vereist voor een geslaagd beroep op artikel 6:119a BW, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke handelsrente toewijzen.

5.14.Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- explootkosten EUR 73,89

- griffierecht EUR 1.700,00

- salaris advocaatEUR 1.788,00 (2,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.561,89

5.15.De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6.De beslissing

De rechtbank

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van EUR 77.170,31, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over EUR 68.425,00 vanaf 28 mei 2009 en over EUR 8.745,31 vanaf 5 juni 2009,

5.2.veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 3.561,89,

5.3.verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2011.