Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3104

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
1108007 \ EJ VERZ 11-83676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van schoolbestuur om de arbeidsovereenkomst met leraar ex art. 7:685 te ontbinden wordt afgewezen. Nadat de leraar bekend had gemaakt dat hij zijn relatie met zijn echtgenote had beëindigd en dat hij, hoewel strikt genomen nog getrouwd, was gaan samenwonen met een man, is de school een openhartig en inhoudelijk gesprek over de vraag of de leraar onder die omstandigheden nog als geloofwaardig identiteitsdrager van de school zijn werkzaamheden zou kunnen voortzetten, uit de weg gegaan en is op voorhand door de school aangenomen dat zijn vertrek onvermijdelijk was. De school heeft zich er onvoldoende van vergewist of de door de leraar gemaakte keuzes meebrachten dat hij niet meer achter de grondslag van de school zou kunnen staan. Aldus handelend heeft de school niet voldaan aan de maatstaf van goed werkgeverschap. ‘Bijkomende omstandigheden’ die een onderscheid ten aanzien van homoseksuele gerichtheid kunnen rechtvaardigen, ontbreken. Het op voorhand en zonder behoorlijk inhoudelijk overleg in twijfel trekken van de geschiktheid van de leraar vanwege het enkele feit van zijn homoseksuele gerichtheid en het samenwonen met een homoseksuele relatie is strijdig met het in de Algemene Wet Gelijke Behandeling neergelegde verbod van onderscheid. Dat de leraar de publiciteit heeft gezocht en de wijze waarop hij zich in de media heeft uitgelaten is niet zodanig dat dit grond voor ontbinding vanwege een verstoorde verhouding oplevert. Op dit moment geen voldoende gronden aanwezig om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Algemene wet gelijke behandeling
Algemene wet gelijke behandeling 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2011/305 met annotatie van mr. W. Lindeboom
AR-Updates.nl 2011-0899
RAR 2012/21
Prg. 2012/8
JAR 2011/305 met annotatie van mr. W. Lindeboom

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie Leiden

jm

Rep.nr.: 1108007 \ EJ VERZ 11-83676

Datum: 2 november 2011

Beschikking in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Gereformeerd Primair Onderwijs West Nederland,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. S.O. Voogt,

tegen

[X],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigden: mr. I.L. Gerrits en mr. E.C. Berkhouwer.

Partijen worden aangeduid als "GPO-WN" en "[X]".

1. Procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 7 oktober 2011, heeft GPO-WN de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [X] ex art. 7:685 BW te ontbinden. [X] heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 oktober 2011 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats gevonden. Daarbij zijn door beide partijen pleitaantekeningen overgelegd.

2 Feiten

De kantonrechter gaat op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van het volgende uit.

2.1 [X], thans 44 jaar, is sinds 1 december 2005 bij GPO-WN in dienst, aanvankelijk als onderwijsassistent en PR medewerker en laatstelijk in de functie van leraar tegen een salaris van € 3.553,60 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). Het afgelopen schooljaar was [X] als leraar van groep 4 werkzaam bij de Gereformeerde Basisschool Dr. K. Schilder te Oegstgeest. Op de arbeidsverhouding is van toepassing de CAO Primair Onderwijs (CAO-PO).

2.2 GPO-WN is een vereniging met diverse gereformeerde basisscholen in de wijde regio, waaronder de Dr. K. Schilder school te Oegstgeest. Krachtens haar statuten heeft GPO-WN tot doel het geven van gereformeerd onderwijs overeenkomstig de Heilige Schrift als het onfeilbaar Woord van God. Daarbij onderschrijft zij geheel en onvoorwaardelijk de Drie Formulieren van Eenheid, zoals deze geleerd worden in de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt). Krachtens de statuten moet elk personeelslid belijdend lid zijn van één van de Christelijk Gereformeerde Kerken. [X] heeft een akte van benoeming ondertekend waarin hij instemt met de grondslag van de vereniging.

2.3 Bij e-mailbericht d.d. 26 april 2011 heeft [X] GPO-WN ervan op de hoogte gesteld dat hij en zijn echtgenote kort daarvoor definitief uit elkaar waren gegaan en dat hij een affectieve relatie is aangegaan met een man en daarmee is gaan samenwonen. Vanwege de daaruit voortvloeiende turbulente situatie heeft [X] zich ziek gemeld.

2.4 GPO-WN heeft bij e-mailbericht d.d. 2 mei 2011 gereageerd en onder meer aangegeven zo spoedig mogelijk een openhartig gesprek te willen hebben over de vraag of [X], als identiteitsdrager in de klas, zijn werkzaamheden kan voortzetten. [X] heeft positief op dit e-mailbericht gereageerd en een concrete datum op korte termijn voorgesteld. GPO-WN heeft bij e-mailbericht d.d. 4 mei 2011 op dat punt aangegeven eerst het advies van de arbo-arts af te wachten omtrent werkhervatting alvorens het gesprek aan te gaan.

2.5 In overleg met [X] heeft GPO-WN de ouders van de school kort geïnformeerd over de omstandigheid dat er in zijn privésituatie ernstige problemen zijn, die er toe hebben geleid dat [X] niet meer bij zijn gezin is en dat hij zich vanwege de ontstane spanningen heeft ziek gemeld. [X] heeft bij brief d.d. 17 mei 2011 de ouders van de school uitleg gegeven over zijn situatie, waarbij hij onder meer is ingegaan op de (achtergronden van de) breuk met zijn echtgenote, zijn homoseksuele geaardheid en zijn affectieve relatie met een man, waarmee hij is gaan samenwonen.

2.6 Op 18 mei 2011 is [X] door de arbo-arts arbeidsgeschikt verklaard.

2.7 Bij e-mailbericht d.d. 18 mei 2011 heeft GPO-WN een concrete datum voor een bespreking voorgesteld en voorts zijn ter voorbereiding een aantal gespreksonderwerpen genoemd.

2.8 Op 26 mei 2011 heeft het gesprek tussen partijen plaatsgevonden, waarbij [X] werd bijgestaan door zijn (toenmalige) gemachtigde en zijn (nieuwe) partner. Van de zijde van GPO-WN waren aanwezig de algemeen directeur de heer [algemeen directeur], de locatiedirecteur van de school, een personeelsadviseur en een juriste. Over de precieze inhoud van dat gesprek verschillen partijen op onderdelen van mening. Vaststaat dat GPO-WN op enig moment in dat gesprek heeft aangegeven dat zij niet ziet hoe [X] gezien de door hem gemaakte keuzes binnen GPO-WN voor de klas kon staan. Voorts staat vast dat (verkennend) gesproken is over een beëindigingsregeling en dat overeenstemming is bereikt over een schorsing voor de duur van drie maanden.

2.9 Bij brief d.d. 9 juni 2011 heeft GPO-WN de schorsing aan [X] medegedeeld met de volgende bewoordingen:

"Hierbij bevestigen wij u dat wij u met ingang van heden schorsen als ordemaatregel.

Als GPOWN hebben wij de afgelopen periode intensief overlegd over jouw situatie. We betreuren de ontstane situatie enorm. Een afscheid is echter wat ons betreft onvermijdelijk gezien de keuzes die je gemaakt hebt. Hierover zijn wij met elkaar in gesprek. Op dit moment zijn wij nog niet tot overeenstemming gekomen. Inmiddels heeft de bedrijfsarts geconstateerd dat er geen sprake is van medische arbeidsongeschiktheid.

Op grond hiervan heeft de centrale directie besloten u te schorsen op grond van het feit dat het belang van de instelling dit vordert (art. 3: 13 lid d CAO-PO). Deze maatregel betreft een ordemaatregel die maximaal 3 maanden kan duren en zo mogelijk op grond van artikel 3:15 CAO-PO kan worden voortgezet. Tijdens deze periode behoudt u het recht op loondoorbetaling.

Deze schorsing is vooraf besproken met uw gemachtigde, de heer [toenmalige gemachtigde]. Na overleg met de heer [toenmalige gemachtigde] bent u akkoord met de schorsing. (...)".

2.10 Vanaf het moment van de schorsing tot medio september 2011 hebben (de gemachtigden van) partijen onderhandeld over het bereiken van een (financiële) regeling.

2.11 Bij brief d.d. 7 september 2011 heeft GPO-WN de schorsing met een periode van drie maanden verlengd.

2.12 Bij exploit d.d. 28 september 2011 heeft [X] bij wege van voorlopige voorziening onmiddellijke tewerkstelling gevorderd bij de kantonrechter te Leiden. Voorts is door [X] een klacht ingediend bij de Commissie Gelijke Behandeling.

2.13 De behandeling van de vordering tot tewerkstelling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het nadien door GPO-WN ingediende onderhavige verzoek. In verband met de behandeling van het (principiële) geschil tussen partijen in de onderhavige procedure is de gevraagde voorlopige voorziening ten tijde van de mondelinge behandeling ingetrokken.

2.14 Vanaf 29 september 2011 is het geschil tussen partijen uitgebreid via de media (TV, radio, landelijke en regionale kranten) in de openbaarheid gebracht. [X] heeft daarin een actieve rol gespeeld. GPO-WN heeft zich bewust in de media buiten de discussie gehouden.

3. Verzoek

3.1 GPO-WN is van oordeel dat er om meerdere redenen sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7: 685 lid 2 BW, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Daartoe wordt het volgende aangevoerd.

3.2 Primair: er is sprake van een onwerkbare en verstoorde verhouding, waardoor een vruchtbare samenwerking in de toekomst niet meer tot de mogelijkheden behoort. Ter onderbouwing van die grond beroept GPO-WN zich op het volgende.

3.2.1 GPO-WN volgt de lijn van de Synode van Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) en interpreteert haar grondslag voor wat betreft de seksuele moraal aldus dat seksualiteit een gave van God is, bedoeld voor een duurzame huwelijksrelatie tussen man en vrouw en gebaseerd op onderlinge trouw en liefde. Echtbreuk en overspel, en daarvan is in deze situatie sprake, worden afgewezen.

3.2.2 De door [X] gemaakte keuzes zijn problematisch. Niet alleen omdat hij samenwoont met een homoseksuele man, maar vooral omdat hij openlijk aan ouders en anderen heeft aangegeven dat hij tijdens zijn huwelijk een relatie met een ander is aangegaan en met deze derde (ongehuwd) is gaan samenwonen.

3.2.3 Hoewel de opvattingen van partijen over de interpretatie van de grondslag lijnrecht tegenover elkaar staan verdedigt [X] publiekelijk dat zijn keuzes wel degelijk verenigbaar zijn met de gereformeerde grondslag.

3.2.4 Gezien de verschillen in interpretatie van de grondslag is het zo evident dat een verdere samenwerking niet meer mogelijk is, dat ook [X] - zo blijkt uit verschillende van zijn e-mailberichten - van meet af aan en tot voor kort daarvan is uitgegaan. Er heeft in juni 2011 een afscheidsfeestje met de klas plaatsgevonden en [X] heeft zijn spullen bij de school opgevraagd. Per het nieuwe leerjaar zijn de klassen met een nieuwe leerkracht gestart.

3.2.5 De verschillen tussen partijen hebben zich verdiept doordat [X] een mediaoffensief is gestart, waarbij geen juiste weergave is gegeven over de zorgvuldige wijze waarop binnen de gereformeerde gezindte met het onderwerp homoseksualiteit wordt omgegaan en over hoe GPO-WN met [X] is omgegaan.

3.3 Subsidiair: vanwege een cluster van gedragingen en (publiekelijke) uitlatingen, waaruit blijkt dat [X] zich niet kan vinden in de seksuele moraal zoals deze volgens GPO-WN volgt uit haar grondslag, is [X] niet meer geloofwaardig als identiteitsdrager van de school.

3.3.1 De publiekelijk geventileerde opvatting van [X] wijkt af van de wijze waarop GPO-WN de grondslag interpreteert, zonder dat sprake is van een situatie, waarin betrokkene berouw toont en zich conformeert aan de gereformeerde leer, althans zijn keuzes ter discussie stelt. [X] wilde de dialoog over zijn gemaakte keuzes uitdrukkelijk niet aangaan.

3.3.2 GPO-WN is van oordeel dat geen sprake is van strijdigheid met de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) omdat in deze zaak sprake is van 'bijkomende omstandigheden'. Onderscheid is immers mogelijk wanneer door de leefwijze van de betrokkene en zijn uitlatingen blijkt dat hij de grondslag niet meer geloofwaardig kan uitdragen. Het gaat in deze zaak om gedragingen en uitlatingen, die bij de ouders, de school en de leerlingen, maar ook bij een breder publiek door [X] bekend zijn gemaakt.

3.4 De reden voor de ontbinding ligt niet in de risicosfeer van GPO-WN en is niet aan haar verwijtbaar. Er is geen grond voor toekenning van een vergoeding. Voorts wijst GPO-WN erop dat langdurig over een beëindigingsregeling is onderhandeld, waarbij het salaris van [X] is doorbetaald. Bovendien geldt dat krachtens het Besluit Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling voor Onderwijspersoneel (BBWO) het inkomensverlies van [X] op kosten van GPO-WN langdurig en ruimschoots wordt gecompenseerd. GPO-WN heeft aangeboden [X] van werk naar werk te begeleiden, welk aanbod [X] heeft afgewezen. Tenslotte wordt van belang geacht dat GPO-WN en haar medewerkers door de onjuiste berichtgeving in de pers veel schade is toegebracht.

4. Verweer

4.1 [X] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en de kantonrechter verzocht de gevraagde ontbinding af te wijzen.

4.2 [X] heeft aangevoerd dat GPO-WN, ondanks zijn herhaalde verzoeken daartoe, niet open heeft gestaan voor een dialoog over de voortzetting van de werkzaamheden. [X] heeft op geen enkele wijze de kans gekregen om uit te leggen of te laten zien of hij nog als identiteitsdrager van de school zou kunnen functioneren. In het gesprek van 26 mei 2011 heeft GPO-WN al na vijf minuten onomwonden gesteld dat een voortzetting van het dienstverband niet meer mogelijk zou zijn. Het ging alleen nog maar om de vraag hoe de arbeidsovereenkomst beëindigd zou worden.

4.3 Vanwege deze opstelling door GPO-WN en gezien de hectische privé situatie is [X] node akkoord gegaan met een schorsing van drie maanden en het voeren van gesprekken over een beëindigingsregeling. In het gesprek van 26 mei 2011 heeft [X] aangegeven dat de verwijtbaarheid volledig bij GPO-WN lag nu, zonder overleg over de mogelijkheid van voortzetting, door GPO-WN gekozen werd voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.4 [X] heeft in zijn brief aan de ouders vanuit zijn beleving op een correcte wijze verslag gedaan van zijn situatie. Er is respect uitgesproken voor het feit dat GPO-WN bepaalde ideeën zou kunnen hebben over zijn situatie. Voorts heeft [X] in de brief aangegeven nog altijd overtuigd christen te zijn en steun te zoeken bij God. Er is geen sprake van een persoffensief. Op enig moment was evident dat de zaak niet langer stil kon worden gehouden. [X] heeft er toen voor gekozen zelf invloed te houden op de berichtgeving, juist om daarmee te borgen dat die berichtgeving secuur zou zijn. In zijn uitlatingen heeft [X] zich gehouden aan de feiten. Betwist wordt dat GPO-WN of haar grondslag door [X] in een verkeerd daglicht zijn geplaatst.

4.5 Op GPO-WN rust de verantwoordelijkheid om zich als goed werkgever aan de wet- en regelgeving te houden, los van de eventuele geloofsovertuiging die de school aanhangt en uitdraagt. De stellingen van GPO-WN doen voorts geen recht aan de pluriforme gedachtevorming waarvan op dit moment sprake is binnen het gereformeerde geloof. Ten slotte voert de school geen consequent beleid ten aanzien van de 'zonden' waaraan de school zwaar zegt te tillen en is onduidelijk waarom de ene 'zonde' leidt tot zekere stellingnames en de andere niet; echtbreuk, overspel en buitenechtelijke zwangerschappen hebben in andere situaties binnen GPO-WN nimmer tot ontslag aanleiding gegeven.

Het onderschrijft eens temeer dat de homoseksuele geaardheid en het samenwonen met zijn nieuwe relatie de reden hebben gevormd voor de opstelling van GPO-WN. De mededelingen van [X] kunnen, bezien vanuit de wet- en regelgeving, vanuit het gereformeerde geloof én vanuit de praktijk binnen GPO-WN niet een zo rigide opstelling van GPO-WN rechtvaardigen.

4.6 [X] heeft in april 2011 de relatie met zijn echtgenote materieel beschouwd beëindigd omdat er, na een langdurige problematische periode, geen andere optie meer was. Dat was geen keuze, het kon niet anders. Dat [X] ongehuwd is gaan samenwonen met een man kan geen grond voor ontbinding opleveren. [X] betwist dat een scheiding of beëindiging van een relatie in strijd komt met de grondslagen van de school en in de weg zou staan aan zijn functioneren als leerkracht en als identiteitsdrager. Hij onderschrijft de Bijbelse leer - ook nu nog - ten volle, ook naar buiten toe.

4.7 GPO-WN heeft de verstoorde verhoudingen als primaire ontbindingsgrond opgevoerd om te voorkomen dat de discussie zich toespitst op het punt waar het daadwerkelijk om gaat, namelijk het punt van de (on)gelijke behandeling. [X] betwist dat sprake is van een onwerkbare situatie.

4.8 De wetgever heeft instellingen zoals GPO-WN de vrijheid willen laten om eisen te stellen die gelet op hun doel nodig zijn voor de vervulling van een functie. Daarbij mag geen discriminatie op grond van seksuele geaardheid of burgerlijke staat plaatsvinden. Uit de parlementaire geschiedenis van de AWGB blijkt dat een leraar pas mag worden geweigerd als hij de Bijbelse leer verwerpt of belachelijk maakt. Daarvan is geen sprake. Het standpunt van GPO-WN dat [X] niet meer zou kunnen functioneren als identiteitsdrager omdat hij 'anders' zou zijn dan hetgeen volgens de grondslag gangbaar is, zou de zeer onwenselijke situatie met zich brengen dat iedere werknemer die hiermee geconfronteerd wordt, zichzelf zou moeten verloochenen om zijn baan te houden.

4.9 GPO-WN heeft gehandeld in strijd met het wettelijk discriminatieverbod door hem te schorsen en vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken, nadat hij bekend had gemaakt dat hij zijn relatie had verbroken en een nieuwe relatie was aangegaan met een man. Voor zover de gedragingen van GPO-WN binnen de grenzen van de AWGB vallen, doet [X] een beroep op de bescherming van de Europese Richtlijn 2000/78/EG, welke richtlijn een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep heeft gegeven. Tenslotte meent [X] dat een beëindiging van de arbeidsovereenkomst een onaanvaardbare inbreuk zal vormen op een groot aantal grondrechten.

4.10 Het ontbindingsverzoek dient te worden afgewezen. [X] wil zijn baan terug althans dat hem die kans wordt geboden.

5. Beoordeling

5.1 De kantonrechter heeft zich er van vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. Dit is niet het geval.

5.2 Toetsingskader

5.2.1 Op grond van artikel 1 lid 1 en artikel 5 lid 1 AWGB is onderscheid ten aanzien van (onder meer) homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat bij het aangaan of beëindigen van een arbeidsverhouding verboden. Dit verbod laat volgens lid 2 van artikel 5 onverlet de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om eisen te stellen aan de vervulling van een functie die, gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag. Deze eisen mogen echter niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van (onder meer) homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

5.2.2 Onderscheid op gronden genoemd bij het enkele feit kan alsnog worden gerechtvaardigd, indien er bijkomende omstandigheden zijn die geloofwaardig functioneren onmogelijk maken. Het gaat bij bijkomende omstandigheden om de geloofwaardigheid van de verwezenlijking van de godsdienstige grondslag van de instelling: "Het gaat in deze om de opstelling van een leerkracht die zorgt voor twijfel over de vraag of deze leerkracht nog wel achter de grondslag van de school staat en of deze leerkracht nog wel langer in staat is om op een geloofwaardige wijze de grondslag van de school uit te dragen. Het gaat dus om gedragingen die voor de bijkomende omstandigheden zorgen en die zich dus naast het enkele feit voordoen, om gedragingen die afbreuk doen aan het functioneren van een leerkracht op een bepaalde school met een bepaalde opvatting. Het antwoord op de vraag zou per school verschillend kunnen zijn" (Handelingen II, 1993, 47-3514, 47-3516). Of nog weer anders geformuleerd (Memorie van Antwoord voor de Eerste Kamer pagina 10 en 11) "Waar wel rekening mee mag worden gehouden zijn gedragingen en omstandigheden die niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit. Deze gedragingen en omstandigheden kunnen de situatie op de school betreffen, maar ook buiten de school. Een leerkracht die aan de ene kant stelt dat hij de grondslag van die school onderschrijft, maar aan de andere kant deze grondslag tijdens de lessen niet uitdraagt of zelfs blijkt te verwerpen, voldoet niet aan de eisen die door het schoolbestuur aan hem kunnen worden gesteld. Ook indien iemand in het openbaar blijk geeft van een zodanige leefstijl dat hij datgene wat hij op de school uitdraagt in feite verwerpt of zelfs belachelijk maakt, kan daarmee afbreuk doen aan zijn geloofwaardigheid en zijn geschiktheid bij het vervullen van zijn functie in het onderwijs. Het wetsvoorstel belet bijzondere scholen aldus niet om personeelsbeleid te voeren dat aan leerkrachten de eis stelt dat zij de overtuiging van de school meedragen en uitdragen".

5.2.3 Uit de parlementaire behandeling van de AWGB blijkt dat het enkele feit van de seksuele gerichtheid ook ziet op het aangaan van relaties. Een homoseksuele leraar mag niet worden afgewezen of ontslagen vanwege zijn homoseksualiteit en de omstandigheid dat hij een relatie heeft of met die relatie samenleeft. Ook de Commissie Gelijke Behandeling (oordeel 1999-38) oordeelde dat het uiting geven aan homoseksuele gerichtheid en het samenwonen met iemand van hetzelfde geslacht door middel van het enkele feit zijn beschermd en geen grond voor onderscheid mogen vormen.

5.2.4 De wetsgeschiedenis besteedt ook aandacht aan de vraag wanneer de door een instelling te stellen eisen 'nodig zijn' voor de vervulling van een functie. Het is aan de instelling om nauwkeurig na te gaan welke betekenis in het concrete geval toekomt aan grondslag en doel van die instelling en dit deugdelijk te motiveren.

5.2.5 Beoordeeld dient voorts te worden of in de onderhavige situatie voldaan is aan de algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

5.2.6 Tenslotte geldt de toets van artikel 7: 685 lid 2 en lid 8 BW: is er sprake van verandering van omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen en zo ja, is er aanleiding tot toekenning van een vergoeding?

5.3 Bespreking 26 mei 2011

5.3.1 Naar het oordeel van de kantonrechter brengt goed werkgeverschap met zich dat in een situatie als de onderhavige door partijen met elkaar gesproken moet worden op basis van respect en met toepassing van hoor en wederhoor, waarbij het belang van de leraar en het belang van de school worden gewogen. In samenspraak met de leraar zal de school moeten nagaan of het gedrag en de levenswijze van de leraar zodanig zijn dat afbreuk wordt gedaan aan het goede functioneren van de leraar overeenkomstig de grondslag en de doelstelling van de school (aldus brochure "Gereformeerd onderwijs en homoseksualiteit" Landelijke vereniging van gereformeerde scholen, oktober 2010). Als uitgangspunt voor het gesprek dient naar het oordeel van de kantonrechter te gelden de vraag of voortzetting van het dienstverband mogelijk is en dus ook hoe en of - ondanks de 'gemaakte keuzes' - [X] als identiteitsdrager voor de klas kan blijven staan. Tegen die achtergrond wordt voor de beoordeling van dit geschil bijzonder gewicht toegekend aan de bespreking van 26 mei 2011; de eerste en enige bespreking die tussen partijen heeft plaatsgevonden, nadat [X] openheid van zaken heeft gegeven over zijn privé situatie.

5.3.2 Partijen zijn het op onderdelen niet eens over de inhoud van dit gesprek. [X] heeft melding gemaakt van een zonder toestemming van GPO-WN tot stand gekomen geluidsopname van het gesprek. De (inhoud van die) geluidsopname is niet bekend bij de kantonrechter. GPO-WN heeft van het gesprek geen verslag of notities in het geding gebracht. Onder die omstandigheden moet de kantonrechter, nu de onderhavige eenvoudige en op een spoedige beslissing gerichte verzoekschriftprocedure zich niet leent voor nader feitenonderzoek, zich een beeld vormen aan de hand van de door partijen aangedragen informatie en hetgeen over en weer is gesteld en betwist.

5.3.3 Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat GPO-WN een openhartig en inhoudelijk gesprek over de vraag of [X], als geloofwaardig identiteitsdrager in de klas, zijn werkzaamheden zou kunnen voortzetten, uit de weg is gegaan. GPO-WN heeft op voorhand het standpunt ingenomen dat een voortzetting van het dienstverband niet meer mogelijk was gezien de door [X] gemaakte keuzes en heeft, aanhakend bij eerdere uitlatingen van [X] dat hij de consequenties van zijn keuzes in relatie tot de grondslag van GPO-WN onder ogen zag, van meet af aan aangestuurd op een beëindiging van het dienstverband en alleen de (wijze van) beëindiging van het dienstverband bespreekbaar gemaakt. Steun voor dit oordeel vindt de kantonrechter in de motivering van de schorsing, zoals vermeld in de in rechtsoverweging 2.9 genoemde brief.

5.3.4 De uitlatingen van [X] in zijn e-mailberichten en in zijn brief aan de ouders, waarbij hij twijfel uitspreekt over zijn toekomstige positie binnen de school, moeten worden geplaatst tegen de achtergrond van de turbulente fase waarin zijn leven zich op dat moment bevond. De uitlatingen kunnen in ieder geval niet worden geduid als 'duidelijke en ondubbelzinnige op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte verklaringen' en vormen daarom onvoldoende gerechtvaardigde aanleiding voor GPO-WN om een gesprek over de (on)mogelijkheden van voortzetting van de werkzaamheden uit de weg te gaan.

5.3.5 Vastgesteld wordt dat GPO-WN aldus handelend niet voldaan heeft aan de maatstaf van goed werkgeverschap.

5.4 Bijkomende omstandigheden

5.4.1 Het enkele feit dat [X] is uitgekomen voor zijn homoseksualiteit en is gaan samenwonen met een partner van hetzelfde geslacht mag geen aanleiding zijn voor schorsing en ontslag. Onderscheid op die grond is immers verboden, ook voor een bijzondere onderwijsinstelling met een gereformeerde identiteit, die zich conformeert aan de standpunten van kerk en Synode.

5.4.2 Waren er ten tijde van de bespreking zodanige 'bijkomende omstandigheden' die maken dat onderscheid toch gerechtvaardigd zou zijn? De omstandigheid dat [X] openlijk aan ouders en anderen heeft aangegeven dat hij tijdens zijn huwelijk een relatie met een ander is aangegaan en met deze ander is gaan samenwonen, wordt niet als zodanig beschouwd, gezien de openhartige en integere wijze waarop [X] zijn standpunt heeft verwoord. Ook de omstandigheid dat [X] een relatie met een ander is aangegaan, terwijl zijn huwelijk formeel nog bestond, wordt in de onderhavige omstandigheden niet als een bijkomende omstandigheid beschouwd, die geloofwaardig functioneren op voorhand onmogelijk maakt. Door [X] is in dat verband onbetwist gesteld dat hij zorgvuldig is geweest en nog steeds is daar waar het gaat om de beëindiging van zijn vorige relatie. Indicatief voor de juistheid van die stelling is dat ter zitting [X] (ook) was vergezeld door zijn echtgenote. Tenslotte past in de arbeidsrelatie een terughoudende beoordeling van omstandigheden die zozeer in de persoonlijke levenssfeer liggen.

5.4.3 Door een inhoudelijk gesprek uit de weg te gaan heeft GPO-WN zich naar het oordeel van de kantonrechter er onvoldoende van vergewist of de door [X] gemaakte keuzes (zoals GPO-WN stelt) meebrachten dat hij niet meer achter de grondslag van de school zou (kunnen) staan en of hij nog in staat zou zijn op geloofwaardige wijze de grondslag van de school uit te dragen. Het verwerpen of belachelijk maken van die grondslag is niet aan de orde; [X] heeft aangegeven de Bijbelse leer - ook nu nog - ten volle te onderschrijven. Bij GPO-WN was ten tijde van de bespreking slechts bekend dat [X] zijn relatie had beëindigd en dat hij - hoewel hij strikt genomen nog getrouwd was - bij een andere man woonde met wie hij een relatie had. Deze in onderling verband te beschouwen omstandigheden worden bij gebreke van relevante bijkomende omstandigheden gedekt door de AWGB. Het op voorhand en zonder behoorlijk inhoudelijk overleg in twijfel trekken van de geschiktheid van [X] als leraar vanwege het enkele feit van zijn homoseksuele gerichtheid en het samenwonen met een homoseksuele relatie is strijdig met het in de AWGB neergelegde verbod van onderscheid. Aan deze vaststelling wordt doorslaggevend gewicht toegekend bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verandering van omstandigheden, die een ontbinding rechtvaardigen.

5.5 Verandering van omstandigheden

5.5.1 Waar hierboven is vastgesteld dat GPO-WN niet heeft gehandeld als goed werkgever en verboden onderscheid heeft gemaakt, geldt dat er in ieder geval in mei/juni 2011 geen gerechtvaardigde grond bestond voor het treffen van rechtspositionele maatregelen.

5.5.2 Uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de AWGB blijkt dat het de instelling zelf is die zal moeten nagaan welke betekenis in het concrete geval toekomt aan grondslag en doel van de instelling. De vaststelling daarvan ligt primair bij de instelling zelf, uiteraard binnen de door de wet gestelde grenzen. Door GPO-WN is ter onderbouwing van de primaire en de subsidiaire grondslag voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst in dat verband aangevoerd dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan, omdat [X] in zijn communicatie naar de school en ouders verdedigt dat zijn keuzes verenigbaar zijn met de gereformeerde grondslag. De kantonrechter vindt echter onvoldoende grond voor die stelling in de brief aan de ouders en de e-mailberichten aan GPO-WN. Integendeel, [X] geeft zelf aan - worstelend met de situatie - dat er spanning bestaat tussen de identiteit van GPO-WN en de door [X] gemaakte keuzes in zijn privé situatie en dat hij zich realiseert hoe gevoelig de zaak ligt. Dat spanningsveld en de daaruit voortvloeiende vraag of [X] nog als geloofwaardig identiteitsdrager - bijvoorbeeld ten aanzien van de seksuele moraal zoals deze aan leerlingen van GPO-WN wordt geleerd - in de klas zal kunnen optreden kan de kantonrechter in het bestek van deze procedure niet beoordelen en behoort, zoals eerder in deze beslissing aangegeven, punt van behoorlijk overleg tussen partijen te zijn.

5.5.3 De vraag ligt voor of door het verstrijken van de tijd en de gebeurtenissen die plaats hebben gevonden na de schorsing van [X] thans sprake is van een verandering van omstandigheden, die wel een ontbinding rechtvaardigt. Voor de beoordeling wordt het volgende in aanmerking genomen. [X] heeft zich neergelegd bij een langdurige schorsing. Voorts heeft [X] in de maanden juni, juli en augustus 2011 niet een terugkeer naar school nagestreefd maar ingezet op het bereiken van een financiële regeling. Het nieuwe schooljaar is zonder hem gestart en er staat een nieuwe leerkracht voor de klas. Dat alles behoeft echter op zichzelf niet te leiden tot een onomkeerbare situatie of een verstoring van de verhoudingen en daaruit kan evenmin worden afgeleid dat [X] zich had neergelegd bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [X] heeft immers kort na de schorsing (brief d.d. 22 juni 2011) uitdrukkelijk aangegeven de schorsing en het voorgenomen ontslag in strijd te achten met de AWGB en bereid te zijn zo nodig de kwestie voor te leggen aan de Commissie Gelijke Behandeling en de rechter. Het stond [X] daarom vrij na het mislukken van een regeling en na ommekomst van de afgesproken periode van schorsing terugkeer naar zijn werkplek te verlangen. Het geschil tussen partijen heeft zich verdiept door publiciteit, waarin de nuance, zo gaat dat nu eenmaal, van de wederzijdse standpunten niet altijd geheel tot zijn recht is gekomen. Bij het genereren van die publiciteit heeft [X] een actieve rol gespeeld. Hij zal zich hebben gerealiseerd dat daardoor de weg terug naar de klas in deze gevoelige kwestie niet eenvoudiger is geworden. Dat [X] de publiciteit heeft gezocht en de wijze waarop [X] zich in de publiciteit heeft uitgelaten is echter niet zodanig dat dit voldoende grond is voor een vergaande maatregel als ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege verstoorde verhoudingen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in september 2011 sprake was van een voortdurende onzekere situatie voor [X]. Partijen kwamen er in overleg niet uit. Voor verlenging van de schorsing bestond naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende grond of rechtvaardiging, noch is gebleken dat [X] met een verlenging van de schorsing heeft ingestemd. Of en wanneer een procedure tot beëindiging van het dienstverband aanhangig gemaakt zou worden was onduidelijk.

5.5.4 Hoewel de kantonrechter zich realiseert dat de verhoudingen zijn beschadigd als gevolg van de gebeurtenissen van de laatste maanden en dat van partijen veel gevraagd zal worden in het overleg over andere opties dan ontbinding van de arbeidsovereenkomst, worden alles overziend op dit moment geen voldoende gronden aanwezig geacht om de arbeidsovereenkomst op de primaire of de subsidiaire grondslag te ontbinden.

5.6 Gezien de uitslag van het geding ziet de kantonrechter aanleiding om GPO-WN in de proceskosten te veroordelen, welke kosten aan de zijde van [X] conform het liquidatietarief worden begroot op € 400,00 aan gemachtigdensalaris.

6. Beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt GPO-WN in de proceskosten, aan de zijde van [X] begroot op € 400,00 aan gemachtigdensalaris.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.P. Mulder en uitgesproken ter openbare zitting van 2 november 2011.