Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU2120

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
09/755078-08 en 09/862512-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer zes jaren een groot aantal vermogensdelicten gepleegd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan een tweetal rechtspersonen ([M B.V.], een bedrijf dat voor internetwinkels goederen naar klanten vervoerde en Stiching [D], een stichting die de remboursgelden van dit bedrijf beheerde), welke rechtspersonen meermalen goederen en gelden hebben verduisterd door goederen niet af te leveren, door beschadigde goederen niet terug te geven aan de internetwinkels en door remboursgelden aan te wenden voor de eigen bedrijfsvoering. [M B.V.] heeft de goederen deels doorverkocht aan derden. [M B.V.] heeft onder leiding van verdachte tevens fiscale fraude gepleegd. Voorts heeft verdachte samen met zijn medeverdachte een aanzienlijk geldbedrag, een woning, twee auto's en een boot witgewassen. Tot slot heeft verdachte faillissementsfraude gepleegd, verdovende middelen en wapens voorhanden gehad en zijn ex-vriendin mishandeld. Redelijke termijn overschreden. De straf die passend en geboden is wordt met tien procent gematigd. Gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/755078-08 en 09/862512-09 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 27 oktober 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 maart 2009, 29 mei 2009, 3 juli 2009, 10 juli 2009, 26 mei 2010, 7 oktober 2010, 8 september 2011 en 12 en 13 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. Egberts en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.P. Stipdonk, advocaat te Leiden, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging ter terechtzitting van de tenlastelegging met parketnummer 09/755078-08 - ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 09/755078-08:

feit 1

[M B.V.] en/of Stichting [D] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december 2006 tot en met [datum] 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4]r, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk remboursgeld(en), althans (een) geldbedrag(en), en/of wit- en/of bruingoed,

in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een of meer (internet)verkoopbedrij(f)(ven) en/of koper(s) van wit- en/of bruingoed (o.a. [internetwinkel 1] en/of [internetwinkel 2] en/of [internetwinkel 3] en/of [internetwinkel 4] en/of [internetwinkel 5] en/of [internetwinkel 6] en/of [internetwinkel 7] en/of [internetwinkel 8] en/of [X Holding] en/of [internetwinkel 9] en/of [internetwinkel 10]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [M B.V.] en/of Stichting [D],

welke goed(eren) en/of geldbedrag(en) die [M B.V.] en/of Stichting [D] anders dan door misdrijf onder zich had(den), zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend,

immers heeft/hebben [M B.V.] en/of Stichting [D] en/of haar/hun mededader(s)

- dat/deze goed(eren), die [M B.V.] had ontvangen van voornoemd(e) (internet)verkoopbedrij(f)(ven), als zijnde (een) goed(eren) dat/die

moest(en) worden afgeleverd en/of bezorgd bij (een) koper(s) van dat/die goed(eren), en/of

- dat/deze goed(eren), die [M B.V.] retour had ontvangen van (een) koper(s) van dat/die goed(eren) teneinde dit/deze terug te geven aan voornoemd(e) (internet)verkoopbedrij(f)(ven), en/of

- dat/deze geldbedrag(en), die [M B.V.] en/of Stichting [D] (contant en/of op een rekening ten name van Stichting [D] en/of per pinbetaling) had(den) ontvangen van voornoemde koper(s), als zijnde de betaling(en) ter zake een of meer (tevoren) bij die (internet)verkoopbedrij(f)(ven) geplaatste bestelling(en),

althans welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) die [M B.V.] en/of Stichting [D] anders dan door misdrijf onder zich had(den),

opgenomen en/of doen opnemen en/of weggenomen en/of doen wegnemen en/of onder zich gehouden en/of ten eigen bate aangewend en/of niet teruggegeven en/of niet afgestaan aan dat/die (internet)verkoopbedrij(f)(ven),

en/of zulks terwijl hij, verdachte, als (feitelijk) bestuurder van genoemde besloten vennootschap en/of stichting tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van [datum] 2008 tot en met 18 juli 2008 te [plaats 2] en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) als (feitelijke) bestuurder/directeur van de rechtspersoon [M B.V.], welke op [datum] 2008 door de arrondissementsrechtbank te Haarlem in staat van faillissement is verklaard en wettelijk opgeroepen om inlichtingen te geven aan de curator in dat faillissement, (telkens) opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven,

immers heeft hij, verdachte, naar aanleiding van (onder meer) het verzoek van de curator in dat faillissement van 19 juni 2008 opzettelijk medegedeeld dat hij, verdachte, (het grootste deel van het jaar) in Lima verbleef, althans in Peru, althans niet in Nederland;

feit 3

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 november 2008 te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten:

a) een of meer geldbedrag(en), te weten

- een geldbedrag van (ongeveer) 51.000 euro, welk geldbedrag op of omstreeks 19 december 2002 is overgemaakt van de (giro)rekening met rekeningnummer [nummer 1] (rekening [A] B.V.) naar de (bank)rekening ten name van [notarissen] notarissen (AH/121) en/of

- (een) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 175.000 euro, welk(e) geldbedrag(en) in de periode van 21 mei 2003 tot en met 6 juni 2003 is/zijn overgemaakt van de (giro)rekening met rekeningnummer [nr 2] (rekening op naam van [ex-vriendin]) naar de (bank)rekening ten name van [notarissen] notarissen (AH/12 en AH/157) en/of

- (een) geldbedrag(en) van (telkens) (ongeveer) 966,66 euro, welk(e) geldbedrag(en) (telkens) (maandelijks) (op een of meer tijdstip(pen)) in de periode van 01 juli 2006 tot en met 30 april 2007 werd(en) overgemaakt van rekeningnummer [nummer 3] (rekening [verdachte]) naar de (bank)rekening ten name van [B-financiering] (AH/11 en AH/71) en/of

- (een) geldbedrag(en) van (telkens) (ongeveer) 966,66 euro, welk(e) geldbedrag(en) (telkens) op een of meer tijdstip(pen)) in de periode van 1 juli 2003 tot en met 1 januari 2004 werd(en) overgemaakt van rekeningnummer [nr 2] (rekening op naam van [ex-vriendin]) naar de (bank)rekening ten name van [B-financiering] (AH/12) en/of

- (een) geldbedrag(en) van (telkens) (ongeveer) 1.300 euro, welk(e) geldbedrag(en) (telkens) (maandelijks) (op een of meer tijdstip(pen)) in de periode van 02 juli 2007 tot en met 31 augustus 2008 werd(en) overgemaakt van de (giro)rekening met rekeningnummer [nummer 3] (rekening [verdachte]) naar de (bank)rekening ten name van [B-financiering] (AH/11 en AH/71) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 19.680 euro, welk geldbedrag op of omstreeks 5 september 2007 (contant) is gestort op de (giro)rekening met rekeningnummer [nummer 4] (rekening op naam van [partner van verdachte]) (AH/65) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 23.206,19 euro, welk geldbedrag op of omstreeks 27 juni 2008 (contant) is gestort op de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 5] (rekening [verdachte]) (AH/50) en/of

- (een) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 16.789 euro, welk(e) geldbedrag(en) in de periode van 5 januari 2007 tot en met 30 augustus 2007 is/zijn overgemaakt van de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 6] (rekening [MB] B.V.) naar de (bank- en/of giro-) rekening(en) met nummer(s) [nummer 3] en/of [nummer 5] (rekening(en) [verdachte]) (AH/158) en/of

- (een) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 42.840 euro, welk(e) geldbedrag(en) in de periode van 11 januari 2008 tot en met 7 maart 2008 (contant) is/zijn opgenomen van de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 7] (rekening [M B.V.]) (AH/115) en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 6.230,03 euro, welk geldbedrag op of omstreeks 20 april 2007 is overgemaakt van de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 6] (rekening [MB] B.V.) naar de (bank)rekening ten name van Reaal verzekeringen (AH/158)

- een geldbedrag(en) (van (in totaal) (ongeveer) 5.262,16 euro, welk(e) geldbedrag(en) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 november 2007 tot en met 7 februari 2008 (maandelijks) werd(en) overgemaakt van de (giro)rekening met nummer [nummer 8] (rekening Stichting

[Stichting D]) naar de (bank)rekening ten name van Autoplanning (AH/70 en AH 114, bijlage 6) en/of

- (een) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 12.000 euro, welk(e) geldbedrag(en) op of omstreeks 1 februari 2008 (contant) is/zijn opgenomen van de (giro)rekening met nummer [nummer 8] (rekening van Stichting [D]) en/of

- een geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 13.152,13 euro, welk(e) geldbedrag(en) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 november 2007 tot en met 1 augustus 2008 (maandelijks) werd(en) overgemaakt van de (giro)rekening met nummer [nummer 8] (rekening Stichting [D] en/of de (bank)rekening met nummer [nummer 9] (rekening [A] B.V.) naar de (bank)rekening ten name van Autoplanning (AH/70, AH/72 en AH 114)

en/of

b) een woning (te weten de woning op het adres [adres 1]) en/of

c) twee, althans een of meer auto('s), te weten een Porsche Boxster (met het kenteken [kenteken 1]) en/of een Ssang Yong (met het kenteken [kenteken 2]) en/of

d) een boot (te weten een Sea Ray met registratieteken [registratieteken]) (AH/112, bijlage 2)

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat die/dat geldbedrag(en) en/of woning en/of auto('s) en/of boot - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

feit 4

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 11 februari 2008 te [plaats 1] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) de bedrijfsadministratie van [M B.V.] - zijnde die bedrijfsadministratie een geschrift, bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of heeft laten opmaken en/of vervalsen,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

bestaande dat valselijk opmaken en/of vervalsen en/of valselijk laten opmaken en/of laten vervalsen van die bedrijfsadministratie uit het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk (doen) verwerken en/of opnemen van valselijk opgemaakte en/of vervalste geschrift(en) in de (bedrijfs)administratie, te weten (een) vals(e) of vervalst(e)

A: (kopie) factu(u)r(en) (voor verrichtte werkzaamheden) van [bedrijf C] (AH/89 bijlage 2A, 3A, 4A, bijlage 5 (uitdraai Cash-programma 2006) en bijlage 7 (uitdraai Cash programma 2007) en/of

B: (kopie) factu(u)r(en) (voor verrichtte werkzaamheden) van [bedrijf E]. (AH/89 bijlage 12 (uitdraai Cash-programma 2006) en bijlage 13 (uitdraai Cash programma 2007) en/of AH/90 bijlage 1, 2, 3, Bijlage 4 (uitdraai Cash-programma 2008),

bestaande die valsheid van voornoemde (digitale) factu(u)r(en) van [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. hierin dat daarop (telkens) opzettelijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - is opgenomen/ingevuld dat door [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. (vervoers- en/of transport-)werkzaamheden zijn uitgevoerd voor/in opdracht van [M B.V.] en/of

bestaande die valsheid van voornoemde (digitale) factu(u)r(en) van [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. hierin dat deze (telkens) opzettelijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven-

zijn voorzien van:

- het/de logo('s) en/of gegevens van [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. en/of

- de aantekening en/of boeking dat deze factu(u)r(en) en/of het/de factuurbedrag(en) is/zijn voldaan en/of

- een handtekening en/of paraaf (zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en)),

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 11 februari 2008 te [plaats 1] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meerdere geschrift(en) te weten:

A:

- een factuur voorzien van nummer 7/2006-49 gedateerd 01-12-2006 van [bedrijf C] aan [M B.V.] inzake (transport)werkzaamheden week 48 voor een bedrag incl. 19% BTW van € 1.785,00 (AH-089, bijlage 2A);

- een factuur voorzien van nummer 7/2007-11 gedateerd 16-03-2007 van [bedrijf C] aan [M B.V.] inzake (transport)werkzaamheden week 11 voor een bedrag incl. 19% BTW van 1.785,00 (AH-089, bijlage 3A);

- een factuur voorzien van nummer 7/2007-29 gedateerd 20-07-2007 van [bedrijf C] aan [M B.V.] inzake (transport)werkzaamheden week 29 voor een bedrag incl. 19% BTW van € 1.785,00 (AH-089, bijlage 4A);

B:

- een factuur voorzien van nummer 72496 gedateerd 24-12-2007 van [bedrijf E] BV aan [M B.V.] inzake transportwerkzaamheden week 51 conform bijlage voor een bedrag incl. 19% BTW van € 12.954,34 (bijlage 1 AH-090);

- een factuur voorzien van nummer 81016 gedateerd 14-1-2008 van [bedrijf E] BV aan [M B.V.] inzake transportwerkzaamheden week 02 conform bijlage voor een bedrag incl. 19% BTW van € 11.571,56 (bijlage 3 AH-090);

- een factuur voorzien van nummer 81048 gedateerd 11-2-2008 van [bedrijf E] BV aan [M B.V.] inzake transportwerkzaamheden week 06 conform bijlage voor een bedrag incl. 19% BTW van € 5.119,38 (bijlage 2 AH-090);

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of heeft laten opmaken en/of vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid -

- in deze factu(u)r(en) (over de periode 1 december 2006 tot en met 11 februari 2008) (valselijk) opgenomen/ingevuld en/of doen opnemen/invullen dat door [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. (vervoers- en/of transport-)werkzaamheden zijn uitgevoerd voor/in opdracht van [M B.V.] en/of

- deze factu(u)r(en) opgemaakt op briefpapier van [bedrijf C] en/of [bedrijf E] en/of

- deze factu(u)r(en) voorzien van het/de logo('s) en/of gegevens van [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. en/of

- op dat/deze factu(u)r(en) vermeld dat het/de factuurbedrag(en) is/zijn voldaan en/of

- deze factu(u)r(en) voorzien van een handtekening en/of paraaf (zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en)),

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[M B.V.] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 11 februari 2008 te [plaats 1] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meerdere valse en/of vervalste geschriften, te weten:

A:

- een factuur voorzien van nummer 7/2006-49 gedateerd 01-12-2006 van [bedrijf C] aan [M B.V.] inzake (transport)werkzaamheden week 48 voor een bedrag incl. 19% BTW van € 1.785,00 (AH-089, bijlage 2A);

- een factuur voorzien van nummer 7/2007-11 gedateerd 16-03-2007 van [bedrijf C] aan [M B.V.] inzake (transport)werkzaamheden week 11 voor een bedrag incl. 19% BTW van 1.785,00 (AH-089, bijlage 3A);

- een factuur voorzien van nummer 7/2007-29 gedateerd 20-07-2007 van [bedrijf C] aan [M B.V.] inzake (transport)werkzaamheden week 29 voor een bedrag incl. 19% BTW van € 1.785,00 (AH-089, bijlage 4A);

B:

- een factuur voorzien van nummer 72496 gedateerd 24-12-2007 van [bedrijf E] aan [M B.V.] inzake transportwerkzaamheden week 51 conform bijlage voor een bedrag incl. 19% BTW van € 12.954,34 (bijlage 1 AH-090);

- een factuur voorzien van nummer 81016 gedateerd 14-1-2008 van [bedrijf E] aan [M B.V.] inzake transportwerkzaamheden week 02 conform bijlage voor een bedrag incl. 19% BTW van € 11.571,56 (bijlage 3 AH-090);

- een factuur voorzien van nummer 81048 gedateerd 11-2-2008 van [bedrijf E] aan [M B.V.] inzake transportwerkzaamheden week 06 conform bijlage voor een bedrag incl. 19% BTW van € 5.119,38 (bijlage 2 AH-090);

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat een of meer van die geschriften is/zijn opgenomen in de administratie van [M B.V.] en/of (vervolgens) is/zijn overgelegd aan en/of ingeleverd bij de curator (in het faillissement van [M B.V.])

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- in deze factu(u)r(en) (over de periode 1 december 2006 tot en met 11 februari 2008) (valselijk) was opgenomen/ingevuld dat door [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. (vervoers- en/of transport) werkzaamheden zijn uitgevoerd voor/in opdracht van [M B.V.] en/of

- deze factu(u)r(en) was/waren opgemaakt op briefpapier van [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. en/of

- dat deze factu(u)r(en) was/waren voorzien van het/de logo('s) en/of gegevens van [bedrijf C] en/of [bedrijf E]. en/of

- op deze factu(u)r(en) was vermeld dat het/de factuurbedrag(en) is/zijn voldaan en/of

- dat deze factu(u)r(en) was/waren voorzien van een handtekening en/of paraaf (zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en),

en/of zulks terwijl hij, verdachte, als (feitelijk) bestuurder van genoemde besloten vennootschap tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 5

[M B.V.] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 24 juli 2007 te [plaats 1] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) opzettelijk als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot:

- het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt en/of

- het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt,

(een) valselijk opgemaakte factu(u)r(en) van [bedrijf C] aan [M B.V.] (bijlage 2B, 3B en 4B bij proces-verbaal AH-089) aan de Belastingdienst heeft verstrekt ten behoeve van de starterscontrole bij [M B.V.] (om zodoende onder meer de voorbelasting omzetbelasting aan te tonen), terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven,

en/of zulks terwijl hij, verdachte, als (feitelijk) bestuurder van genoemde besloten vennootschap tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 6

[M B.V.] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 te [plaats 1] en/of Kesteren en/of Dodewaard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

- een of meer aangifte(n) voor de omzetbelasting betreffende het tweede kwartaal van 2007 ten name van [M B.V.] (bijlage 2 AH-107) en/of

- (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het derde kwartaal van 2007 ten name van [M B.V.] (bijlage 4 AH-107),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan (bij de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst), terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe heeft/hebben gestrekt dat te weinig belasting wordt geheven,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan (bij de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst), terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe heeft/hebben gestrekt dat te weinig belasting wordt geheven,

immers heeft [M B.V.] (telkens) opzettelijk op de/het bij de Belastingdienst/ Centrale Administratie te Apeldoorn ingeleverde/ingezonden aangifte(n) onjuiste en/of onvolledige gegevens omtrent voorbelasting vermeld, althans heeft doen of laten vermelden door in de/het aangiftebiljet(ten) over dat/die kwarta(a)l(en) (telkens) een onjuist bedrag aan omzetbelasting en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te hoog bedrag aan totaal terug te vragen belasting te vermelden,

tot het plegen van welk feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven, danwel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 09/862512-09:

feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 november 2008 tot en met 27 november 2008 te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- drie, althans een of meer tablet(ten), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC), en/of

- een hoeveelheid van (ongeveer) 2,24 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, en/of

- een hoeveelheid van (ongeveer) 420 milliliter GHB (gammahydroxyboterzuur/4-hydroxyboterzuur), zijnde 4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2007 tot en met 24 november 2008 te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (een) wapen(s) van categorie II, te weten:

- een stroomstootwapen en/of

- een busje CS-gas, althans een busje traangas,

voorhanden heeft gehad;

feit 3

hij op of omstreeks 27 februari 2007 te [plaats 2], althans in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [ex-vriendin])

- één of meermalen (krachtig) tegen/op/aan het lichaam en/of het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of geduwd en/of getrokken en/of

- één of meermalen (krachtig) tegen/op het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt en/of getrapt,

waardoor voornoemde [ex-vriendin] (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn heeft ondervonden.

3. Het bewijs

3.1 Inleiding

Deze zaak heeft betrekking op de verdenking van onder andere verduistering en belastingfraude, gepleegd door [M B.V.] (hierna: [M B.V.]) en/of Stichting [D] (hierna: [Stichting D]), aan welke feiten verdachte feitelijk leiding zou hebben gegeven. Uit de stukken in het dossier kan het volgende worden afgeleid. Verdachte is enig aandeelhouder en sinds 11 december 2001 bestuurder van [A] B.V. Deze rechtspersoon was samen met [F] B.V. aandeelhouder van [G] B.V. (hierna: [G] B.V.). Verdachte was van 11 juni 2004 tot en met 1 juli 2004 bestuurder van [G] B.V. Deze rechtspersoon hield zich bezig met het transporteren van goederen van internetleveranciers naar afnemers en is per 20 december 2006 in staat van faillissement verklaard. [M B.V.] heeft de activiteiten overgenomen van [G] B.V. De aandelen van [M B.V.] zijn sinds 29 september 2006 in handen van Stichting [H] (hierna: Stichting H). Deze stichting is vanaf 29 september 2006 tot 8 juni 2007 bestuurder van [M B.V.] geweest. Vanaf 8 juni 2007 is [partner verdachte] bestuurder van [M B.V.] Stichting [H] is voorts sinds 16 november 2006 enig bestuurder van [Stichting D]. Verdachte is sinds 3 november 2006 bestuurder van de Stichting [H].

De verdenkingen onder parketnummer 09/755078-08 komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

- [M B.V.] en/of [Stichting D] samen met een ander remboursgelden en/of wit- en bruingoed hebben verduisterd, aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven (feit 1);

- verdachte tussen 18 maart 2008 en 18 juli 2008 faillissementsfraude heeft gepleegd door de faillissementscurator te melden dat hij het grootste deel van het jaar in Lima (Peru) verbleef (feit 2);

- verdachte tussen 1 januari 2002 en 20 november 2008 samen met een ander geldbedragen, een woning, twee auto's en een boot heeft witgewassen (feit 3);

- verdachte tussen 1 december 2006 en 11 februari 2008 samen met een ander valsheid in geschriften heeft gepleegd door de bedrijfsadministratie van [M B.V.], meer in het bijzonder diverse facturen, te vervalsen of valselijk op te maken (feit 4 primair) of door diverse facturen te vervalsen of valselijk op te maken (feit 4 subsidiair), welk feit meer subsidiair is ten laste gelegd als het gebruik maken van valse of vervalste facturen door [M B.V.], aan welke strafbare gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

- [M B.V.] tussen 1 juli 2007 en 24 juli 2007 samen met een ander belastingfraude heeft gepleegd door aan de Belastingdienst onjuiste inlichtingen te verstrekken, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven (feit 5);

- [M B.V.] tussen 1 juli 2007 en 31 december 2007 samen met een ander belastingfraude heeft gepleegd door onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting te doen, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven (feit 6).

De verdenkingen onder parketnummer 09/862512-09 komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- samen met een ander tussen 24 november 2008 en 27 november 2008 in [plaats 2] in het bezit was van XTC, cocaïne en GHB, welk bezit is strafbaar gesteld in de Opiumwet (feit 1);

- samen met een ander tussen 1 mei 2007 en 24 november 2008 in [plaats 2] in het bezit was van een stroomstootwapen en een busje traangas, welk bezit is strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie (feit 2);

- op 27 februari 2007 in [plaats 2] [ex-vriendin] heeft mishandeld (feit 3).

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het bij parketnummer 09/755078-08 onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde en het bij parketnummer 09/862512-09 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2011 betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van de feiten van parketnummer 09/755078-08, zodat voor deze feiten vrijspraak dient te volgen. Met betrekking tot feit 3 van parketnummer 09/862512-09 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het veroorzaken van pijn en letsel niet kan worden bewezen, waardoor verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken. De feiten 1 en 2 van dit parketnummer kunnen volgens de raadsman wel bewezen worden verklaard.

3.4 De beoordeling van de tenlasteleggingen

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 09/755078-08

3.4.1 Feit 1

3.4.1.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 26 februari 2008 deed het bedrijf [internetwinkel 1], een internetwarenhuis, aangifte van verduistering door [M B.V.], het bedrijf dat voor [internetwinkel 1] goederen bij hun klanten bezorgde. Op 20 februari 2008 had [M B.V.] zeventien goederen bij [internetwinkel 1] opgehaald, die uiterlijk op 25 februari 2008 bezorgd hadden moeten worden. Dit is echter niet gebeurd.2

Een dag later, op 27 februari 2008, deed een andere klant van [M B.V.], het bedrijf [internetwinkel 2]., aangifte van verduistering van goederen door [M B.V.] De eigenaar van dit bedrijf was op 11 februari 2008 naar de loods van [M B.V.] in [plaats 1] gegaan om beslag te laten leggen op de goederen van [internetwinkel 2] die daar stonden opgeslagen, maar ter plaatse bleken deze goederen niet meer aanwezig te zijn. Van zijn klanten hoorde de eigenaar van [internetwinkel 2] dat door hen bij [internetwinkel 2] gekochte goederen niet waren geleverd.3 Op 22 september 2008 heeft de eigenaar van [internetwinkel 2] zijn aangifte nog aangevuld.4

Op 9 maart 2008 deed een derde bedrijf aangifte van verduistering van goederen door [M B.V.], namelijk de internetwinkel [internetwinkel 3]. Op 25 februari 2008 ontdekte de eigenaar van dit bedrijf dat [M B.V.] gesloten was, terwijl [M B.V.] nog diverse goederen van [internetwinkel 3] onder zich had om bij klanten van [internetwinkel 3] te bezorgen. Deze goederen stonden echter niet meer in het pand van [M B.V.] in [plaats 1].5

Op 10 maart 2008 werd de politie door de eigenaars van [internetwinkel 2] en [internetwinkel 3] op de hoogte gesteld van het feit dat zij van een medewerker van [M B.V.] hadden vernomen dat er met een busje goederen van de [adres 2] naar de [adres 3] werden vervoerd en dat het mogelijk om goederen ging waarvan [internetwinkel 2] en [internetwinkel 3] de eigenaren waren.6 Op 13 maart 2008 zijn de betreffende locaties doorzocht. Aan [adres 2] werden ongeveer tachtig stuks witgoed en flatscreens in beslag genomen.7 Deze goederen waren daar in opdracht van verdachte opgeslagen.8 Aan de [adres 3] werden ongeveer twintig stuks witgoed en flatscreens in beslag genomen. De eigenaar van dat pand, de heer [eigenaar], verklaarde desgevraagd dat hij de goederen had gekocht van verdachte.9

Tussen 14 maart 2008 en 30 oktober 2008 deden [internetwinkel 4], [internetwinkel 5], [internetwinkel 6], [internetwinkel 7], [internetwinkel 8], [internetwinkel 9] (onderdeel van [X Holding] B.V.) en [internetwinkel 10], onder meer naar aanleiding van de door de politie in [plaats 3] en [plaats 4] aangetroffen goederen, aangifte van verduistering van goederen (wit- en bruingoed) door [M B.V.] Het ging om goederen die niet bij klanten afgeleverd waren, alsmede om goederen die een defect hadden en door [M B.V.] aan aangevers geretourneerd hadden moeten worden.10 Zo bleek er een groot aantal retourgoederen niet door [M B.V.] aan [internetwinkel 6] te zijn geretourneerd in de periode waarin [internetwinkel 6] zaken deed met [M B.V.] (vanaf 21 november 2006).11

Op 29 april 2008 heeft de politie naar aanleiding van een CIE-bericht een pand aan de [adres 4] doorzocht. In dit pand was een internetwinkel gevestigd van de heer [eigenaar]. Er werden vier goederen in beslag genomen.12 De heer [eigenaar] verklaarde dat deze vier goederen afkomstig waren van verdachte. [eigenaar] had deze goederen van [M B.V.] gekregen ter compensatie voor een verloren koffiezetapparaat en schade aan goederen.13

Een gedeelte van de op de diverse locaties aangetroffen goederen bleek afkomstig te zijn van de aangevers. De meerderheid van de in beslag genomen goederen is herkend door aangevers [internetwinkel 1], [internetwinkel 8], [X Holding] / [internetwinkel 9], [internetwinkel 7] en [internetwinkel 2] of is anderszins te herleiden tot de diverse aangiftes, waaronder die van [internetwinkel 6], [internetwinkel 4], [internetwinkel 8], [internetwinkel 2] en [internetwinkel 1].14

Op [datum] 2008 is [M B.V.] door de rechtbank in Haarlem failliet verklaard en is mr. [curator] als curator benoemd.15 De curator heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verdachte heeft gevraagd waar alle goederen waren gebleven. Verdachte heeft hem toen meegedeeld dat alles was gestolen.16

In het dossier bevinden zich voorts de volgende relevante tapverslagen van telefoongesprekken tussen verdachte ("verdachte") en zijn broer ("broer"):

- 12-02-2008

[broer]: Ga je stoppen met [M B.V.]?

[verdachte]: Ja. (...)

[broer]: Failliet laten verklaren.

[verdachte]: Tuurlijk, poen pakken, wegwezen, oprotten.

[broer]: Staat wel op je eigen naam of niet.

[verdachte]: Tuurlijk niet, en eeeh witte boorden criminaliteit hè?

[broer]: Jij praat zoveel door de telefoon altijd hè.

[verdachte]: (...) Ik denk bij mij, dat ik er een stuk beter van word.17

- 18-02-2008

[verdachte]: Heb je niet voor jezelf nog een leuk plasmatelevisietje nodig?

[broer]: Jajaja, ja, is goed. (...) Ik kom morgen wel bij je langs.18

- 21-02-2008

[broer]: Ik had net die [naam] (...) aan de lijn. Die is wel geïnteresseerd in die wasmachine.

[verdachte]: Is het een goede klant van je? (...) Want Zanussi is rotzooi he?

[broer]: Ja, maar goed, het zijn wasmachines van vier à vijfhonderd euro zei je tegen mij net.

[verdachte]: Ja, ik heb verschillende wasmachines, ik pak effe mijn lijstje, moment. (...) Die Zanussi's, tweehonderd euro.19

- 02-03-2008

[broer]: [verdachte], hoeveel 50 inches heb je nog?

[verdachte]: Twee, een Samsung en een LG.

[broer]: We willen ze allebei hebben. (...)

[verdachte]: Wat wil je afspreken, ik kom straks langs [plaats].20

[internetwinkel 1], [internetwinkel 4], [internetwinkel 8], [X Holding] / [internetwinkel 9] en [internetwinkel 10] hebben behalve van verduistering van goederen aangifte gedaan van verduistering van remboursgelden door [M B.V.] Het gaat hierbij om gelden die door de kopers van de goederen bij aflevering aan chauffeurs van [M B.V.] werden betaald en die [M B.V.] krachtens zogeheten remboursovereenkomsten21 op de dag volgend op de dag van aflevering op de rekening van [Stichting D] moest storten, waarna de accountant van [Stichting D], de heer [accountant] - de enige gemachtigde ten aanzien van de bankrekening van [Stichting D] - deze gelden binnen vier werkdagen moest overmaken naar de internetwinkels. Voornoemde aangevers stellen dat zij niet alle remboursgelden van [M B.V.] terug gekregen hebben.22

Over de remboursgelden heeft verdachte verklaard dat hij deze in het begin van de bedrijfsvoering van [M B.V.] gebruikte voor het doen van investeringen, zoals het aanschaffen van vrachtwagens. Verdachte had met zijn klanten afgesproken dat de remboursgelden binnen enkele dagen na ontvangst zouden worden terugbetaald, maar heeft dit enkele keren moeten uitstellen.

3.4.1.2 Overwegingen en tussenconclusie van de rechtbank

Verdachte heeft ontkend dat [M B.V.] de goederen en de remboursgelden heeft verduisterd. Ten aanzien van de goederen die op diverse plaatsen zijn aangetroffen, heeft verdachte zich beroepen op zijn retentierecht. Volgens verdachte mocht hij zich de goederen toe-eigenen en deze doorverkopen, omdat de internetbedrijven hun facturen niet betaalden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij een deel van de goederen in de periode rondom het faillissement van [M B.V.] veiligstelde in de loods aan de [adres 2], omdat er in die periode veel goederen uit de loods van [M B.V.] in [plaats 1] gestolen werden. Verdachte stelt deze gang van zaken te hebben besproken met de curator, mr. [curator]. Verdachte stelt zich voorts op het standpunt dat [M B.V.] de remboursgelden mocht gebruiken om te investeren, zolang de gelden uiteindelijk maar aan de klanten van [M B.V.] werd terugbetaald. De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit.

De rechtbank overweegt als volgt. Het retentierecht houdt in dat een schuldeiser goederen van zijn schuldenaar onder zich mag houden tot het moment dat de schuldenaar zijn schuld bij de schuldeiser aflost. Het toe-eigenen van goederen en het vervolgens doorverkopen daarvan, valt niet onder het retentierecht. Verdachtes beroep op dit 'recht' faalt derhalve. De verklaring van verdachte dat hij de goederen wilde veiligstellen in verband met diefstallen uit de loods in [plaats 1], acht de rechtbank - gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in het bijzonder de hierboven aangehaalde tapgesprekken tussen verdachte en zijn broer en de verklaring van de curator hierover bij de rechter-commissaris - volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de remboursgelden het volgende. Volgens de remboursovereenkomsten die [M B.V.] met haar klanten had gesloten, moesten de remboursgelden die contant werden voldaan aan (de chauffeurs van) [M B.V.] op de eerste werkdag volgend op de dag waarop de aflevering van de goederen plaatsvond, worden gestort op de rekening van [Stichting D]. Een derde - accountant [accountant] - had die gelden vervolgens binnen vier werkdagen via de rekening van [Stichting D] moeten overmaken aan de klanten. De rechtbank stelt vast dat de door [M B.V.] ontvangen remboursgelden, gelet op de verklaring van verdachte, niet steeds op de rekening van [Stichting D] werden gestort. In plaats daarvan werden de gelden aangewend voor investeringen in [M B.V.] Het op andere wijze aanwenden van ontvangen gelden heeft op zichzelf genomen geen invloed op de (juridische) verplichtingen die voor [M B.V.] jegens haar opdrachtgevers ontstonden op het moment van het in ontvangst nemen van remboursgelden ten behoeve van de opdrachtgevers. In dit geval heeft [M B.V.] de remboursgelden zonder toestemming van de opdrachtgevers aangewend voor de financiering van de bedrijfsvoering van de onderneming. Die bestemming kan onder omstandigheden een wederrechtelijk karakter verkrijgen. Daarvan is sprake indien de financiële bedrijfsvoering structureel en substantieel is gebaseerd op deze gelden. Deze financieringswijze is immers op termijn alleen vol te houden wanneer de dagelijkse stroom aan remboursgelden een omvang heeft die het mogelijk maakt om enerzijds in de directe financieringsbehoefte van [M B.V.] te voorzien en anderzijds om steeds op korte termijn aan de verplichtingen jegens de opdrachtgevers te blijven voldoen. Indien op enigerlei wijze deze stroom van remboursgelden vermindert of geheel opdroogt, kan niet meer aan de verplichtingen worden voldaan. In dit geval staat vast dat enige weken voor het faillissement [M B.V.] een grote achterstand in de afdrachtverplichting is ontstaan. [M B.V.]] heeft het financiële risico daarmee afgewenteld op haar opdrachtgevers, die grote bedragen aan remboursgelden niet hebben teruggekregen. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank de wederrechtelijkheid vast.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank bewezen dat in de ten laste gelegde periode sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van goederen en remboursgelden die toebehoorden aan voornoemde internetbedrijven en die [M B.V.] en [Stichting D] in eerste instantie rechtmatig onder zich hadden.

3.4.1.3 Nadere overwegingen van de rechtbank: toerekening van de gedragingen aan [M B.V.] en [Stichting D]

Nu met het voorgaande is komen vast te staan dat er verduisteringen zijn gepleegd, ziet de rechtbank zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gesteld voor de vraag of die gedragingen redelijkerwijs aan de rechtspersonen [M B.V.] en [Stichting D] kunnen worden toegerekend. Zij overweegt daarover als volgt.

[M B.V.] en [Stichting D] zijn rechtspersonen als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad23 is het voor de beantwoording van de vraag of een gedraging redelijkerwijs aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, van belang vast te stellen of deze gedragingen zijn verricht 'in de sfeer van' die rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon is sprake als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

* het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

* de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

* de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf;

* de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt:

* zoals uit het onder 3.4.1.1 overwogene reeds volgt, bestonden de diensten van [M B.V.] uit het opslaan, transporteren en afleveren van wit- en bruingoed voor internetbedrijven en het - in voorkomende gevallen - innemen van beschadigd wit- en bruingoed;

* voor een aantal van die bedrijven inden de chauffeurs van [M B.V.] de remboursgelden die de klant moest betalen voor de goederen;

* het onder zich houden van wit- en bruingoed respectievelijk remboursgelden paste in de normale bedrijfsvoering van [M B.V.] en [Stichting D];

* het onder zich houden van wit- en bruingoed en remboursgelden werd gedaan door personen die - al dan niet in dienstbetrekking - werkzaam waren voor [M B.V.] en [Stichting D];

* voornoemde gedragingen zijn [M B.V.] en [Stichting D] dienstig geweest in het door hen uitgeoefende bedrijf.

Nu aldus aan één of meer van voornoemde omstandigheden is voldaan, kan de conclusie geen andere zijn dan dat de ten laste gelegde gedragingen - het zich wederrechtelijk toe-eigenen van goederen en gelden die [M B.V.] en [Stichting D] in eerste instantie rechtmatig onder zich hadden - redelijkerwijs aan [M B.V.] en [Stichting D] kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat [M B.V.] en [Stichting D] kunnen worden aangemerkt als daders van de ten laste gelegde verduisteringen.

3.4.1.4 Nadere overwegingen van de rechtbank: feitelijk leiding geven aan [M B.V.] en [Stichting D] en toerekenen van het opzet van verdachte aan die rechtspersonen

Nu de officier van justitie er in deze zaak voor heeft gekozen niet [M B.V.] en/of [Stichting D] te vervolgen, maar verdachte en zijn levenspartner, ziet de rechtbank zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte als feitelijk leidinggever strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het strafbare handelen van de rechtspersonen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Vast staat, dat verdachte in de ten laste gelegde periode 'op papier' geen (directe) zeggenschap had over de twee genoemde rechtspersonen. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad24 hoeft dit aan strafrechtelijke aansprakelijkheid als feitelijk leidinggever echter geenszins in de weg te staan. Relevant is immers niet zozeer hoe de zaken in een bedrijf 'juridisch organisatorisch' geregeld zijn, als wel of een natuurlijke persoon het - al dan niet samen met anderen - ten aanzien van bepaalde activiteiten 'voor het zeggen' had, of in elk geval zwaarwegende invloed had.

In dit verband is relevant, dat verdachte in contacten met zakenrelaties optrad als directeur van [M B.V.].25 Verdachte zag zichzelf ook als de baas van die rechtspersoon. Hij droeg kennis van het reilen en zeilen van de vennootschap, was zeer actief betrokken bij haar bedrijfsvoering en trad 'van de eerste tot de laatste dag' op als haar feitelijk leidinggevende.26 Ook in de ogen van derden - werknemers27 en zakenrelaties28 - was verdachte binnen [M B.V.] onbetwist degene die de leiding had. Ten aanzien van de rechtspersoon [Stichting D] was dit niet anders, getuige bijvoorbeeld het feit dat de voor deze rechtspersoon uiterst belangrijke remboursovereenkomsten steeds door verdachte werden aangegaan en ondertekend.29

Uit het voorgaande kan worden afgeleid, dat de feitelijke positie van verdachte binnen de beide rechtspersonen van dien aard was dat hij in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als feitelijk leidinggevende van die rechtspersonen. Dat betekent dat hij als feitelijk leidinggevende voor de door die rechtspersonen gepleegde verduisteringen verantwoordelijk te houden is.

Volledigheidshalve stelt de rechtbank nog vast dat - gezien de sleutelrol die verdachte binnen de beide rechtspersonen vervulde - het opzet van verdachte op de verboden gedragingen ook aan de beide rechtspersonen moet worden toegerekend.

3.4.1.5 Slotsom

De rechtbank acht gezien het voorgaande het onder 1 ten laste gelegde feitelijk leiding geven aan verduisteringen van remboursgelden en goederen wettig en overtuigend bewezen.

3.4.2 Feit 2

3.4.2.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Op [datum] 2008 is [M B.V.] door de rechtbank in Haarlem failliet verklaard en is de heer mr. [curator] als curator benoemd.30 Op 19 juni 2008 stuurde hij verdachte een brief waarin hij verdachte verzocht hem bepaalde specifieke informatie te verschaffen betreffende het faillissement. De curator heeft verdachte in deze brief gewezen op zijn plicht als feitelijk leidinggevende van [M B.V.]31 om informatie te verstrekken.32 Bij brief van 18 juli 2008, die opgesteld zou zijn in 'Amsterdam/Lima', heeft verdachte gereageerd op de brief van de curator van 19 juni 2008. In die brief schreef verdachte dat hij mee zou werken aan informatieverstrekking, dat hij het grootste gedeelte van het jaar in Lima (Peru) woonde en dat het verzenden van post naar de [adres 1] onnodig was, omdat hij daar niet woonde.33

Op 26 januari 2009 - nadat hij had vernomen dat verdachte in 2008 niet in Lima (Peru) woonde, maar op de [adres 1] - heeft de curator aangifte gedaan van het verstrekken van onjuiste inlichtingen door verdachte.34 Bij de rechter-commissaris heeft de curator verklaard dat verdachte bij hem de indruk heeft gewekt dat hij niet in Nederland woonde, omdat verdachte hem had verteld dat hij voor een Spaanstalig bedrijf ging werken. Ook heeft de curator verklaard dat verdachte wel bereikbaar was, maar op enig moment uit beeld is verdwenen.35

Verdachte heeft verklaard dat hij nooit in Peru heeft gewoond en dat hij in de ten laste gelegde periode op de [adres 1] woonde.36

3.4.2.2 Overwegingen en conclusies van de rechtbank

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het 'opzettelijk wegblijven' door een bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, strafbaar is. Een enkel verzuim kan echter niet tot een veroordeling voor dit feit leiden, zodat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de curator in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 5 oktober 2010 heeft verklaard dat verdachte wel degelijk bereikbaar was, in elk geval per e-mail. Voorts beschikte de curator over alle voor het faillissement relevante informatie.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman niet en acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt hiertoe dat artikel 194, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht een drietal gedragingen strafbaar stelt, te weten: (1) het zonder geldige reden opzettelijk wegblijven, (2) het weigeren de vereiste inlichtingen te geven of (3) het opzettelijk verkeerde inlichtingen geven. Het is op zichzelf juist dat een enkel verzuim niet maakt dat sprake is van het 'zonder geldige reden opzettelijk wegblijven' (ad 1). Verdachte wordt echter niet verweten dat hij zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven, maar dat hij opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven (ad 3), te weten dat hij het grootste deel van het jaar in Peru woonde en dat hij niet aan de [adres 1] woonde.

De feitelijke onjuistheid van die informatie kan uit bovengenoemde bewijsmiddelen zonder meer worden afgeleid. De omstandigheid dat verdachte voor de curator mogelijk wel per e-mail wel bereikbaar was, doet - nog daargelaten dat diezelfde curator verklaart dat verdachte op enig moment geheel uit beeld is geraakt - aan de strafbaarheid van het handelen van verdachte niet af.

3.4.3 Feit 3

3.4.3.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt vast dat de in de tenlastelegging opgenomen bedragen zijn overgemaakt, dan wel contant gestort en/of opgenomen, zoals in onderstaande tabel weergegeven.

contant en/of opgenomen bedragen

Ambtshalve merkt de rechtbank over dit feit op dat zij heeft geconstateerd dat onder a, achtste gedachtestreepje een foutief rekeningnummer staat vermeld. In plaats van [nummer 10] had daar het rekeningnummer [nummer 6] - zoals ook genoemd onder het tiende gedachtestreepje - moeten zijn ten laste gelegd. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat bij verdachte geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem op dit punt wordt verweten, houdt de rechtbank het ervoor dat het openbaar ministerie als gevolg van een kennelijke misslag in de tenlastelegging een foutief rekeningnummer heeft opgenomen. De rechtbank zal - nu gezien het voorgaande niet kan worden geoordeeld dat verdachte hierdoor in zijn verdediging wordt geschaad - de tenlastelegging met herstel van deze misslag lezen.

De betalingen onder de nummers 1 tot en met 5 hebben betrekking op de woning aan de [adres 1]. Deze woning is op [datum] 2003 gekocht door en geleverd aan [ex-vriendin], destijds de partner van verdachte. Op [datum] 2007 is de woning in eigendom overgegaan naar [partner verdachte], op dat moment de partner van verdachte. Tussen verkoper [ex-vriendin] en koper [partner van verdachte] is intern een bedrag verrekend van € 209.810,05. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de bedragen die aan [notarissen] Notarissen zijn overgemaakt - de onder 1 en 2 genoemde bedragen van € 51.000,00 en € 175.000,00 - één op één afkomstig waren van [A] B.V. Dit geld was in de voorliggende periode verdiend met de bedrijfsactiviteiten van [A] B.V. Verdachte heeft deze bedragen als inkomen genoten, maar heeft daarvan nimmer aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat de eigendomsovergang van de woning op [datum] 2007 met gesloten beurzen heeft plaatsgevonden.

De betalingen onder de nummers 3 tot en met 5 en 10 betreffen steeds termijnbetalingen voor de hypothecaire geldlening.

De betalingen onder 11 blijken tevens geheel onder de betalingen onder 13 te zijn tenlastegelegd. Dat betekent dat de betalingen onder 11 twee keer in de tenlastelegging zijn opgenomen. De rechtbank acht de dagvaarding waar het de betalingen onder 11 betreft in onbegrijpelijk en zal de dagvaarding in zoverre - te weten voor zover het betreft de betaling van een geldbedrag van € 5.262,16 in de periode van 2 november 2007 tot en met 7 februari 2008 - nietig verklaren.

De betalingen onder 13 betreffen leasetermijnen voor de Porsche Boxster met kenteken [kenteken 1]. Deze auto is oorspronkelijk geleased door [I] B.V. van Autoplanning op 3 november 2005. Daarbij is een bedrag van € 15.000 aanbetaald.37 Het leasecontract is per 17 januari 2007 overgenomen door [J] en [Q] B.V.38 Per 17 september 2007 heeft [M B.V.] het leasecontract overgenomen.39 De betalingen aan Autoplanning zijn afkomstig van de bankrekening van [Stichting D] en [A] B.V.

De auto SsangYong met kenteken [kenteken 2] is gefinancierd met ingang van 1 juni 2007 op naam van [partner van verdachte].40 De betaling van de leasetermijnen vond plaats vanaf de bankrekeningen van Stichting [H] en [M B.V.]

De boot Sea Ray ([registratieteken]) is op 23 januari 2008 op naam gesteld van [partner van verdachte]. Verdachte heeft verklaard dat hij de boot heeft gekocht. Op 26-11-2007 vond een overboeking plaats van € 21.003,50 aan [J], onder vermelding van SR230. Deze betaling vond plaats vanaf de bankrekening van [M B.V.] ([nummer 7]).41

3.4.3.2 Overwegingen en conclusies van de rechtbank

De Hoge Raad (23 november 2010, LJN BN0578) heeft uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 420bis en 420quater WvSr als bedoeling van de wetgever afgeleid dat de wetgever het met het oog op een effectieve bestrijding van het witwassen noodzakelijk achtte om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. Daarbij is erop gewezen dat het ruime toepassingsbereik dat aldus aan de witwasbepalingen is gegeven, in het bijzonder ertoe strekt het witwassen ook in zijn latere fasen te kunnen treffen. De wetgever heeft het aan het Openbaar Ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Voorts kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als "mede" of "deels" uit misdrijf afkomstig.

Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen - en nadien elke betaling daaruit - wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.

Ten aanzien van het delictsbestanddeel "uit enig misdrijf afkomstig" is geen direct bewijs noodzakelijk. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 201042 (LJN BM0787) volgt dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, dit delictsbestanddeel niettemin bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs bij te brengen waaruit dergelijke feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Van de verdachte mag vervolgens worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Blijft een dergelijke verklaring uit, dan kan witwassen bewezen worden.

Voorts is van belang dat wanneer geld is verkregen doordat een fiscaal delict is gepleegd het betreffende geld daardoor een criminele herkomst heeft (Hoge Raad 7 oktober 2008, LJN BD2774).

Deze uit de wetsgeschiedenis en de arresten van de Hoge Raad afgeleide toetsingskaders brengen de rechtbank tot de volgende overwegingen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor vermelde vaststaande feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde bedragen en voorwerpen in de tenlastegelegde periode heeft verworven, voorhanden heeft gehad en in een aantal gevallen tevens heeft overgedragen.

Vervolgens heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van enig misdrijf waaruit de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen en geldbedragen middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn en of verdachte en zijn mededader daarvan op de hoogte waren.

Uit het dossier en hetgeen daarover tijdens de terechtzitting is besproken kan worden afgeleid dat de aankoop van de woning [adres 1] in 2003 voor een bedrag van € 510.000,00 door [ex-vriendin] heeft plaatsgevonden door enerzijds een hypothecaire financiering tot een bedrag van € 290.000,00 en anderzijds middels de inbreng door verdachte van een bedrag van ongeveer € 220.000,00. Betaling van dit laatste bedrag heeft plaatsgevonden op de wijze als in de hiervoor vermelde tabel onder de nummers 1 en 2 is weergegeven. Verdachte heeft hierover verklaard dat dit bedrag van € 51.000,00 respectievelijk € 175.000,00 één op één is verkregen uit [A] B.V. Over dit bedrag is blijkens de verklaring van verdachte geen inkomstenbelasting betaald, terwijl het wel is aan te merken als inkomen van verdachte. Gelet op het feit dat daarmee deze verdiensten, voor zover het niet betaalde inkomstenbelasting betreft, als geld met een criminele herkomst kan worden aangemerkt is het enkele verwerven en voorhanden hebben ervan als witwassen aan te merken. Zulks geldt ook voor het vervolgens aanwenden van deze geldbedragen voor de aankoop van de woning in 2003 en de betaling van hypothecaire termijnbetalingen, zoals vermeld in de tabel onder 3 en 4.

De rechtbank bezigt de verklaring van verdachte dat hij van het in de periode van 2001 tot en met 2008 verdiende geld geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan tevens als bewijs voor het ontstaan van zogenaamd besmet vermogen, nu verdachte op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij op enigerlei andere legale wijze inkomen en/of vermogen heeft verkregen. Uit de informatie van de Belastingdienst is weliswaar gebleken dat verdachte in 2004 een jaarloon van bruto € 17.341 en in 2005 van € 4.352 heeft genoten uit zijn dienstbetrekking bij [bedrijf K], maar dat verklaart geenszins de omvang van het vermogen dan wel de geldstromen in deze en latere jaren. Naar het oordeel van de rechtbank is het gehele vermogen van verdachte zoals hij daar sinds 2001 over heeft kunnen beschikken door vermenging met crimineel geld aan te merken als besmet vermogen.

De rechtbank heeft voorts op basis van het strafrechtelijk onderzoek in dit vonnis bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan verduistering en het plegen van valsheid in geschrifte. Deze feiten hebben plaatsgevonden in de periode van 1 december 2006 tot en met 18 maart 2008. Met het begaan van deze feiten heeft verdachte binnen de daarbij betrokken rechtspersonen een criminele geldstroom gecreëerd. De bedragen die hiermee gemoeid waren, zijn aanzienlijk, te weten een bedrag van bijna een half miljoen euro.43 Daarmee staat vast dat verdachte in deze periode zijn al geheel als besmet aangemerkte vermogen verder heeft gevoed en vermengd met gelden en voorwerpen welke onmiddellijk afkomstig waren uit de opbrengsten van strafbare feiten. Zulks brengt met zich dat alle betalingen die uit dit vermogen werden gedaan zijn aan te merken als betalingen die (middellijk) van enig misdrijf afkomstig zijn. De in de hiervoor weergegeven tabel opgenomen betalingen onder de nummers 5 tot en met 13 vallen geheel binnen de genoemde periode van 1 december 2006 tot en met 18 maart 2008. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat al deze betalingen kunnen worden aangemerkt als (middellijk) geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat verdachte in de tenlastegelegde periode de beschikking heeft gehad over een woning, twee kostbare auto's, een boot en aanzienlijke geldbedragen. Hieruit komt naar voren dat verdachte er een levensstijl op na hield die op generlei wijze is te rijmen met het niet doen van aangiften inkomstenbelasting over een reeks van jaren. Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek, noch tijdens de behandeling ter terechtzitting een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring voor de genoemde uitgaven en het verkregen vermogen gegeven. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte in zijn geschetste levensonderhoud heeft kunnen voorzien en de woning, de auto's en de boot heeft kunnen verkrijgen door zijn inkomsten buiten het zicht van de fiscus te houden en voorts door gelden en goederen te onttrekken aan [M B.V.] en [Stichting D], waarbij de onttrekking van gelden voor een substantieel gedeelte administratief werd afgedekt door middel van valse facturen.

Ten aanzien van het medeplegen van dit feit merkt de rechtbank op dat het onder de genoemde omstandigheden ook voor zijn respectievelijke partners duidelijk moet zijn geweest dat sprake was van criminele gelden, derhalve afkomstig uit enig misdrijf. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zijn respectievelijke partners door zich onder de genoemde omstandigheden niet te bekommeren over de herkomst van het geld en de financiering van aanzienlijke vermogensbestanddelen, terwijl er wel concrete omstandigheden waren die een nader onderzoek vergden, ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verkregen voorwerpen en geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren. Daarmee is het opzet van de mededaders en daarmee het medeplegen gegeven.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

3.4.4 Feiten 4, 5 en 6

3.4.4.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 24 juli 2007 heeft de Belastingdienst in het kader van een startersonderzoek op het kantoor van [M B.V.] in [plaats 1] van verdachte de administratie van [M B.V.] ontvangen, met daarbij de mededeling van verdachte dat hij sinds medio juni 2007 geen directeur meer was van [M B.V.], zodat de medewerkers van de Belastingdienst hun vragen in het vervolg aan medeverdachte [partner van verdachte] moesten stellen.44 In de administratie bevonden zich onder meer facturen van de bedrijven [bedrijf C] en [bedrijf E]. Op 10 juli 2008 is op het kantoor van mr. [curator], de curator van [M B.V.], nogmaals de administratie van [M B.V.] ingezien. Hierin bevonden zich onder meer de hierna in de tabel opgenomen drie facturen van [bedrijf C] en drie facturen van [bedrijf E].45:

facturen

De drie in deze tabel genoemde facturen van [bedrijf C] werden ook in de administratie van [M B.V.] aangetroffen tijdens het voornoemde startersonderzoek op 24 juli 2007. Bij deze facturen viel het de opsporingsambtenaren van de FIOD op dat op de facturen als nummer van de Kamer van Koophandel van [bedrijf C] '[nummer Kvk 1]' genoemd staat, terwijl het juiste nummer van de Kamer van Koophandel van [bedrijf C] '[nummer Kvk 2]'46 is. Voorts stond op de facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. hetzelfde bankrekeningnummer, namelijk ABN-AMRO nummer '[nummer 11]'.47 Op 27 februari 2007 is het laatste rekeningafschrift verstrekt en vanaf diezelfde datum is het bankrekeningnummer niet meer opgenomen in de administratie van actieve ABN-AMRO bankrekeningen.48

[L], eigenaar van zowel [bedrijf C] als [bedrijf E], heeft onder meer het volgende verklaard:

* dat hij de enige was die actief was in het bedrijf [bedrijf C] en [bedrijf E]. en dat hij geen personeel had in beide bedrijven;

* dat hij niemand een machtiging heeft gegeven om uit naam van [bedrijf C] of [bedrijf E]. handel te drijven;

* dat hij in de periode van 5 juni 2007 tot en met 14 januari 2008 gedetineerd was;

* dat het bedrijf [bedrijf C] bij de Kamer van Koophandel is uitgeschreven op het moment dat hij gedetineerd raakte;

* dat het bedrijf [bedrijf E]. vanaf februari 2007 niet meer actief was;

* dat hij zijn facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. altijd met de hand uitschreef op een uitgeprinte lay-out;

* dat hij nooit blanco facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. aan derden heeft verstrekt;

* dat hij nog nooit gehoord heeft van [verdachte] of [partner van verdachte];

* dat hij de hem getoonde facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. niet herkent, dat hij deze facturen niet heeft opgemaakt en dat hij de daarop vermelde werkzaamheden niet heeft uitgevoerd.49

Op 15 juni 2007 is de inschrijving van [bedrijf C] wegens opheffing van de onderneming door de Kamer van Koophandel ambtshalve doorgehaald.50 Op 8 februari 2007 is [bedrijf E]. bij de Kamer van Koophandel opgeheven.51

[planner], planner van de ritten voor de chauffeurs bij [M B.V.], heeft verklaard dat hij [bedrijf C] niet kent. Van het bedrijf [bedrijf E]. heeft hij wel eens gehoord, al weet hij niet meer in welke context. De facturen van de bedrijven [bedrijf C] en [bedrijf E]. kent hij niet. Hij zou de bedrijven zeker kennen als zij voor [M B.V.] zouden hebben gereden. [bedrijf E]. en [bedrijf C] zouden - gezien het totaalbedrag van de facturen - elke dag voor [M B.V.] gereden moeten hebben, hetgeen volgens [planner] niet het geval is geweest.52

[administratief medewerker], administratief medewerker bij [M B.V.], verzorgde onder meer de afhandeling als de chauffeurs binnen kwamen en boekte facturen in. Zij heeft verklaard dat zij het bedrijf [bedrijf C] niet kent. Over [bedrijf E]. heeft zij verklaard dat zij heeft gezien dat de lege facturen van dit bedrijf in de bureaula van [partner van verdachte] lagen en dat de facturen van [bedrijf E]. door [partner van verdachte] of door verdachte werden uitgedraaid.53

Verdachte heeft de voornoemde facturen van [bedrijf C] herkend en verklaard dat deze facturen, alsmede de facturen van [bedrijf E]. op vrijdagen contant door hem werden uitbetaald, waarna op de facturen een aantekening werd gemaakt. Verdachte herkende zijn paraaf op een factuur van [bedrijf E]. van 8 januari 2007.54 Ook medeverdachte [partner van verdachte] heeft de voornoemde facturen van [bedrijf C] herkend, alsmede de voornoemde facturen van [bedrijf E]. Zij heeft deze facturen in de boekhouding van [M B.V.] gezien. Ook heeft zij wel eens een factuur van [bedrijf E]. geparafeerd.55

3.4.4.2 Tussenconclusie van de rechtbank

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [M B.V.] de facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. ontving van ene [N] die namens beide bedrijven handelde met [M B.V.] (processen-verbaal van verhoor verdachte V02-04). De rechtbank komt hieronder nog op deze verklaring terug. Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 oktober 2011 echter verklaard dat [M B.V.] zelf de facturen van [bedrijf E]. en [bedrijf C] uitdraaide, omdat [M B.V.] ten aanzien van [bedrijf E]. en [bedrijf C], zijnde subcontractors van [M B.V.], werkte met een zogenoemd 'self-billing' systeem. Dit houdt in dat degene die de facturen moet betalen (in dit geval [M B.V.]) zelf de facturen opmaakt voor de werkzaamheden van de subcontractors (in dit geval [bedrijf C] en [bedrijf E]). Verdachte stelt dat de facturen niet vals zijn, omdat de werkzaamheden daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de detentie van [L] contact onderhield met voornoemde [N]. De rechtbank komt hieronder nog op deze verklaring terug.

De raadsman heeft zich ten aanzien van deze feiten primair op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de facturen vals zijn. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft ontkend dat de facturen voor [bedrijf C] en [bedrijf E]. valselijk werden opgemaakt, aangezien de facturen middels een 'self-billing' systeem werden opgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend vast komen te staan dat de in de tenlastelegging genoemde facturen door verdachte en medeverdachte [partner van verdachte] valselijk zijn opgemaakt op de onder feit 4 primair genoemde wijze en dat door het opnemen van de facturen in de bedrijfsadministratie van [M B.V.] deze bedrijfsadministratie is vervalst, zodat verdachte voor het onder 4 primair tenlastegelegde als medepleger zal worden veroordeeld. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat sprake was van een 'self-billing' systeem ongeloofwaardig. Niet alleen is de verklaring geheel tegenstrijdig met de verklaringen die verdachte over dit onderwerp bij de politie heeft afgelegd, ook wordt de verklaring van verdachte zoals hij die ter terechtzitting heeft afgelegd in ruime mate weersproken door de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen.

3.4.4.3 Vervolg56 vaststaande feiten en omstandigheden

[O], directeur van [P] B.V. (hierna: [P B.V.]) gevestigd te [plaats], het bedrijf dat voor [M B.V.] de boekhouding verzorgde57, heeft verklaard dat [P B.V.] de aangifte omzetbelasting betreffende het tweede kwartaal van 2007 op 30 juli 2007 elektronisch bij de Belastingdienst heeft ingediend. Voor de aangifte omzetbelasting betreffende het derde kwartaal van 2007 gebeurde dit op 26 oktober 2007. [P B.V.] heeft hiervoor toestemming gekregen van verdachte. De gegevens die op de aangiften vermeld staan, werden door [M B.V.] via een bestandje uit het boekhoudprogramma Cash via de mail aan [P B.V.] toegezonden.58

Op door [O] overgelegde uitdraaien van [P B.V.] van de aangiftes omzetbelasting van [M B.V.] van het tweede kwartaal van 2007 is te zien dat de omzet in dit kwartaal € 206.368,00 was, dat de verschuldigde omzetbelasting € 39.210,00 bedroeg, dat de voorbelasting € 34.252,00 bedroeg en dat een te betalen bedrag van € 4.958,00 resteerde.59 Op door [O] overgelegde uitdraaien van [P B.V.] van de aangiftes omzetbelasting van het derde kwartaal van 2007 is te zien dat de omzet in dit kwartaal € 398.226,00 was, dat de verschuldigde omzetbelasting € 75.663,00 bedroeg, dat de voorbelasting € 78.274,00 bedroeg en dat een terug te vragen bedrag van € 2.611,00 resteerde.60

Uit de uitdraaien uit het boekhoudprogramma Cash waarin door [M B.V.] de facturen werden geboekt61, betreffende de facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. van het tweede en derde kwartaal van 200762, alsmede de hierboven genoemde informatie uit de aangiftes omzetbelasting van deze kwartalen, kunnen de volgende schema's worden afgeleid63:

Aangifte tweede kwartaal 2007

aangifte tweede kwartaal 2007

Aangifte derde kwartaal 2007

aangifte derde kwartaal 2007

3.4.4.4 Nadere overwegingen en conclusies van de rechtbank

De raadsman heeft bepleit dat de feiten 5 en 6, ook als wel sprake zou zijn van valse facturen, niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat bij verdachte het opzet ten aanzien van deze feiten ontbreekt, nu hij niet degene was die binnen [M B.V.] de administratie en belastingaangiftes verzorgde.

De rechtbank stelt op grond van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat [M B.V.] de voornoemde valselijk opgemaakte facturen van [bedrijf C] op 24 juli 2007 opzettelijk aan de Belastingdienst heeft verstrekt ten behoeve van de starterscontrole. Deze handeling levert belastingfraude op zoals onder feit 5 ten laste is gelegd. De rechtbank acht - gelet op hetgeen in paragraaf 3.4.1.4 over de feitelijke rol van verdachte binnen [M B.V.] is beschreven - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan deze gedraging van [M B.V.] feitelijk leiding heeft gegeven.

Tot slot concludeert de rechtbank op grond van de voornoemde bewijsmiddelen dat de aangiften omzetbelasting van het tweede en derde kwartaal van 2007 in opdracht van [M B.V.] zijn gedaan met door [M B.V.] aangeleverde onjuiste informatie, waardoor een te hoge voorbelasting in de aangiften werd vermeld. Ook hier acht de rechtbank bewezen dat verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven. Hierbij doet niet ter zake dat verdachte de facto niet degene was die de administratie en de BTW-aangiftes verzorgde.

De rechtbank acht verdachte dus eveneens schuldig aan de hem onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 09/862512-09

3.4.5 Feiten 1 en 2

3.4.5.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 24 november 2008 werd de woning van verdachte en medeverdachte [partner van verdachte] aan de [adres 1] doorzocht in verband met het onderzoek naar de feiten onder parketnummer 09/755078-08. In de woning werden onder meer 2,24 gram cocaïne, 3 tabletten met MDMA (XTC pillen), zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet64, een stroomstootwapen en een busje traangas, zoals strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie65, aangetroffen.66

Op 27 november 2008 werd de woning van verdachte en medeverdachte [partner van verdachte] aan de [adres 1] nogmaals doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werd een hoeveelheid van 420 milliliter GHB (gammahydroxyboterzuur/4-hydroxyboterzuur), zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet67, aangetroffen.68

3.4.5.2 Overwegingen en conclusies van de rechtbank

Verdachte heeft bekend dat hij en medeverdachte [partner van verdachte] de voornoemde wapens en drugs in hun woning aanwezig hadden.69 Deze bekennende verklaring, bezien in samenhang met het onder 3.4.5.1. aangehaalde forensische bewijs, maakt dat de rechtbank deze feiten wettig en overtuigend bewezen acht.

3.4.6 Feit 3

3.4.6.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 27 februari 2007 was verdachte in de woning van aangeefster [ex-vriendin], de ex-vriendin van verdachte, in [plaats 2]. Er ontstond een woordenwisseling tussen verdachte en aangeefster.70 Op een bepaald moment heeft verdachte aangeefster met haar hoofd in een wurggreep naar de woonkamer getrokken en haar daar op de grond geduwd. Terwijl aangeefster op de grond lag, heeft verdachte haar meermalen tegen haar hoofd en bovenlichaam geschopt en op haar hoofd gestompt en geslagen.71

Aangeefster heeft hierdoor pijn geleden.72 Voorts heeft de huisarts van aangeefster op 28 februari 2007 bij haar het volgende letsel geconstateerd:

- een hematoom op de thorax73;

- striemen in de nek.74

3.4.6.2 Overwegingen en conclusies van de rechtbank

Verdachte bekent dat hij aangeefster tijdens de voornoemde woordenwisseling heeft geduwd en dat zij daardoor op de grond is gevallen. Verdachte ontkent echter dat hij aangeefster geschopt en geslagen heeft of aan haar nek heeft getrokken.

De rechtbank overweegt dat de medische verklaring, die onder meer spreekt over striemen in de nek - letsel dat goed past bij de door aangeefster beschreven wurggreep - de verklaring van aangeefster wat betreft het gedeelte van het feitencomplex dat verdachte ontkent, in voldoende mate ondersteunt. De rechtbank verklaart dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld op de wijze zoals zij heeft verklaard.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

Ten aanzien van 09/755078-08

Feit 1

[M B.V.] en/of Stichting [D] op tijdstippen in de periode van 20 december 2006 tot en met 18 maart 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4]r, tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk remboursgelden, en/of wit- en/of bruingoed,

toebehoorden aan (internet)verkoopbedrijven of kopers van wit- en/of bruingoed (o.a. [internetwinkel 1] en [internetwinkel 2]. en [internetwinkel 3]. en [internetwinkel 4] en [internetwinkel 5] en [internetwinkel 6] en [internetwinkel 7] en [internetwinkel 8] en [X Holding] of [internetwinkel 9] en [internetwinkel 10]), welke goederen en geldbedragen die [M B.V.] en/of Stichting [D] anders dan door misdrijf onder zich hadden, zich wederrechtelijk hebben toegeëigend,

immers hebben [M B.V.] en/of Stichting [D]

- deze goederen, die [M B.V.] had ontvangen van voornoemde (internet)verkoopbedrijven, als zijnde goederen die moesten worden afgeleverd en/of bezorgd bij (een) koper(s) van die goederen, en/of

- deze goederen, die [M B.V.] retour had ontvangen van (een) koper(s) van die goederen teneinde deze terug te geven aan voornoemde (internet)verkoopbedrijven, en/of

- deze geldbedragen, die [M B.V.] en/of Stichting [D] (contant en/of op een rekening ten name van Stichting [D] en/of per pinbetaling) hadden ontvangen van voornoemde koper(s), als zijnde de betaling(en) ter zake een of meer (tevoren) bij die (internet)verkoopbedrijven geplaatste bestelling(en),

opgenomen en/of doen opnemen en/of weggenomen en/of doen wegnemen en/of onder zich gehouden en/of ten eigen bate aangewend en/of niet teruggegeven en/of niet afgestaan aan dat/die (internet)verkoopbedrijven,

en zulks terwijl hij, verdachte, als (feitelijk) bestuurder van genoemde besloten vennootschap en stichting tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 18 maart 2008 tot en met 18 juli 2008 te [plaats 2] en/of Amsterdam, als feitelijke bestuurder van de rechtspersoon [M B.V.], welke op [datum] 2008 door de arrondissementsrechtbank te Haarlem in staat van faillissement is verklaard en wettelijk opgeroepen om inlichtingen te geven aan de curator in dat faillissement, opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven, immers heeft hij, verdachte, naar aanleiding van het verzoek van de curator in dat faillissement van 19 juni 2008 opzettelijk medegedeeld dat hij, verdachte, (het grootste deel van het jaar) in Lima verbleef;

Feit 3

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 november 2008 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met anderen, telkens voorwerpen, te weten:

a) geldbedragen, te weten

- een geldbedrag van 51.000 euro, welk geldbedrag op 19 december 2002 is overgemaakt van de (giro)rekening met rekeningnummer [nummer 1] (rekening [A] B.V.) naar de (bank)rekening ten name van [notarissen] notarissen en

- geldbedragen van in totaal 175.000 euro, welke geldbedragen in de periode van 21 mei 2003 tot en met 6 juni 2003 zijn overgemaakt van de (giro)rekening met rekeningnummer [nr 2] (rekening op naam van [ex-vriendin]) naar de (bank)rekening ten name van [notarissen] notarissen en

- geldbedragen van telkens 966,66 euro, welke geldbedragen in de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 april 2007 werden overgemaakt van rekeningnummer [nummer 3] (rekening [verdachte]) naar de (bank)rekening ten name van [B-financiering] en

- geldbedragen van telkens 966,66 euro, welke geldbedragen in de periode van 1 augustus 2003 tot en met 1 januari 2004 werden overgemaakt van rekeningnummer [nr 2] (rekening op naam van [ex-vriendin]) naar de (bank)rekening ten name van [B-financiering] en

- geldbedragen van telkens 1.300 euro, welke geldbedragen in de periode van 2 juli 2007 tot en met 31 augustus 2008 werden overgemaakt van de (giro)rekening met rekeningnummer [nummer 3] (rekening [verdachte]) naar de (bank)rekening ten name van [B-financiering] en

- een geldbedrag van 19.680 euro, welk geldbedrag op 5 september 2007 contant is gestort op de (giro)rekening met rekeningnummer [nummer 4] (rekening op naam van [partner van verdachte]) en

- een geldbedrag van 23.206,19 euro, welk geldbedrag op 27 juni 2008 contant is gestort op de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 5] (rekening [verdachte]) en

- geldbedragen van in totaal 16.789 euro, welke geldbedragen in de periode van 5 januari 2007 tot en met 30 augustus 2007 zijn overgemaakt van de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 6] (rekening [MB] B.V.) naar de (bank- of giro-) rekeningen met nummers [nummer 3] of [nummer 5] (rekeningen [verdachte]) en

- geldbedragen van in totaal 42.840 euro, welke geldbedragen in de periode van 11 januari 2008 tot en met 7 maart 2008 contant zijn opgenomen van de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 7] (rekening [M B.V.]) en

- een geldbedrag van 6.230,03 euro, welk geldbedrag op 20 april 2007 is overgemaakt van de (bank)rekening met rekeningnummer [nummer 6] (rekening [MB] B.V.) naar de (bank)rekening ten name van Reaal verzekeringen en

- geldbedragen van in totaal 12.000 euro, welke geldbedragen op 1 februari 2008 contant zijn opgenomen van de (giro)rekening met nummer [nummer 8] (rekening van Stichting [D]) en

- geldbedragen van in totaal 13.152,13 euro, welke geldbedragen in de periode van 2 november 2007 tot en met 1 augustus 2008 werden overgemaakt van de (giro)rekening met nummer [nummer 8] (rekening Stichting [D] of de (bank)rekening met nummer [nummer 9] (rekening [A] B.V.) naar de (bank)rekening ten name van Autoplanning en

b) een woning (te weten de woning op het adres [adres 1]) en

c) twee auto's, te weten een Porsche Boxster (met het kenteken [kenteken 1]) en/of een SsangYong (met het kenteken [kenteken 2]) en

d) een boot (te weten een Sea Ray met registratieteken [registratieteken])

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of van genoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat die geldbedragen en/of woning en/of auto's en/of boot - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 4 primair

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2006 tot en met 11 februari 2008 te [plaats 1],

tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, de bedrijfsadministratie van [M B.V.] - zijnde die bedrijfsadministratie een geschrift, bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen - telkens heeft vervalst of heeft laten vervalsen,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken,

bestaande dat vervalsen of laten vervalsen van die bedrijfsadministratie uit het door hem, verdachte, of zijn mededader telkens opzettelijk (doen) verwerken en opnemen van valselijk opgemaakte geschriften in de (bedrijfs)administratie, te weten valse

A: facturen (voor verrichte werkzaamheden) van [bedrijf C] en

B: facturen (voor verrichte werkzaamheden) van [bedrijf E].,

bestaande die valsheid van voornoemde facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. hierin dat daarop telkens opzettelijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - is opgenomen/ingevuld dat door [bedrijf C] of [bedrijf E]. (vervoers- en/of transport-)werkzaamheden zijn uitgevoerd voor/in opdracht van [M B.V.] en

bestaande die valsheid van voornoemde facturen van [bedrijf C] en [bedrijf E]. hierin dat deze telkens opzettelijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - zijn voorzien van:

- het logo en de gegevens van [bedrijf C] of [bedrijf E]. en

- de aantekening en/of boeking dat deze facturen en/of de factuurbedragen zijn voldaan en

- een handtekening of paraaf (zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van die geschriften;

Feit 5

[M B.V.] op 24 juli 2007 te [plaats 1] opzettelijk als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot:

- het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze onjuist verstrekt en

- het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze in valse vorm voor dit doel beschikbaar stelt,

valselijk opgemaakte facturen van [bedrijf C] aan [M B.V.] aan de Belastingdienst heeft verstrekt ten behoeve van de starterscontrole bij [M B.V.] (om zodoende onder meer de voorbelasting omzetbelasting aan te tonen), terwijl dat feit er toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven,

en zulks terwijl hij, verdachte, als feitelijk bestuurder van genoemde besloten vennootschap aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 6

[M B.V.] op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 te [plaats 1] en [plaats], opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

- een aangifte voor de omzetbelasting betreffende het tweede kwartaal van 2007 ten name van [M B.V.] en

- een aangifte voor de omzetbelasting over het derde kwartaal van 2007 ten name van [M B.V.],

onjuist heeft gedaan (bij de Belastingdienst),

terwijl die feiten ertoe hebben gestrekt dat te weinig belasting wordt geheven,

immers heeft [M B.V.] opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingeleverde/ingezonden aangiften onjuiste gegevens omtrent voorbelasting vermeld, althans heeft doen of laten vermelden door in de aangiftebiljetten over die kwartalen een te hoog bedrag aan te vermelden,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van 09/862512-09

Feit 1

hij op tijdstippen in de periode van 24 november 2008 tot en met 27 november 2008 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- drie tabletten van een materiaal bevattende MDMA (XTC), en

- een hoeveelheid van 2,24 gram cocaïne,

zijnde MDMA en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en

- een hoeveelheid van 420 milliliter GHB (gammahydroxyboterzuur/4-hydroxyboterzuur), zijnde 4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2007 tot en met 24 november 2008 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie II, te weten een stroomstootwapen en een busje traangas, voorhanden heeft gehad;

Feit 3

hij op 27 februari 2007 te [plaats 2], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [ex-vriendin])

- één of meermalen (krachtig) tegen/op/aan het lichaam en/of het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of geduwd en/of getrokken en

- meermalen (krachtig) tegen het lichaam en het hoofd heeft geschopt,

waardoor voornoemde [ex-vriendin] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

5.1 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het bij parketnummer 09/755078-08 onder feit 5 en 6 tenlastegelegde, heeft de raadsman bij wijze van subsidiair betoog - namelijk indien de feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard - bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van overmacht, nu verdachte - gelet op achtereenvolgens het aanstaande faillissement van [M B.V.], het daadwerkelijke faillissement van [M B.V.] (waardoor verdachte geen beschikking meer had over de administratie van die rechtspersoon) en zijn voorarrest - niet in staat is geweest om de belastingaangiftes te corrigeren, een omstandigheid die ingevolge artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) het vervallen van de strafbaarheid met zich brengt.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte tot aan zijn voorarrest wel degelijk voldoende tijd heeft gehad om de onrechtmatige toestand te herstellen, nu zijn aanhouding ongeveer een jaar na de ten laste gelegde periode plaatsvond.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Het derde lid van artikel 69 Awr luidt: "Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden."

De rechtbank heeft hiervoor in paragraaf 3.4.1.4 - te lezen in samenhang met paragraaf 3.4.4 - bewezen verklaard dat verdachte als feitelijk leidinggevende van [M B.V.] op 24 juli 2007 respectievelijk in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Verdachte is op 24 november 2008 aangehouden en in verzekering gesteld. Hieruit volgt dat verdachte op deze datum wist dat de onjuistheid in de belastingaangiften bij de hierboven bedoelde ambtenaren bekend was. Verdachte heeft dus, zoals de officier van justitie terecht heeft gesteld, bijna een jaar de tijd én de gelegenheid gehad om de onrechtmatige toestand bij de Belastingdienst te herstellen, maar heeft dit nagelaten. Van een situatie van overmacht is om die reden geen sprake. Dat de administratie zich bij de curator bevond vanwege het faillissement van [M B.V.], maakt dit niet anders.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten, is verdachte strafbaar.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het hem bij dagvaarding 09/755078-08 onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 en 6 en het hem bij dagvaarding 09/862512-09 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2011 een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft bepleit verdachte niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur langer is dan het voorarrest van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer zes jaren een groot aantal vermogensdelicten gepleegd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan een tweetal rechtspersonen ([M B.V.], een bedrijf dat voor internetwinkels goederen naar klanten vervoerde, en [Stichting D], een stichting die de remboursgelden van [M B.V.] beheerde), welke rechtspersonen meermalen goederen en gelden hebben verduisterd door goederen niet af te leveren, door beschadigde goederen niet terug te geven aan de internetwinkels en door remboursgelden aan te wenden voor de eigen bedrijfsvoering. [M B.V.] heeft de goederen deels doorverkocht aan derden. De internetwinkels hebben hierdoor aanzienlijke financiële schade geleden en hebben door het handelen van verdachte bovendien in een enkel geval hun bedrijfsvoering noodgedwongen moeten staken. Hiernaast heeft verdachte ook de kopers van de goederen nadeel berokkend. Zij moesten immers langer wachten op hun aangeschafte goederen. Bovendien is het vertrouwen dat consumenten in het handelsverkeer mogen hebben, fors geschaad.

[M B.V.] heeft onder leiding van verdachte tevens fiscale fraude gepleegd. Met gebruikmaking van facturen die verdachte samen met zijn partner, medeverdachte [partner van verdachte], valselijk heeft opgemaakt, heeft verdachte de bedrijfsadministratie van [M B.V.] vervalst en daardoor heeft [M B.V.] de Belastingdienst onjuiste informatie verschaft. Daarnaast heeft [M B.V.] tweemaal opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften inzake de omzetbelasting gedaan. Dientengevolge is te weinig belasting afgedragen, waarmee de overheid en daarmee de gehele samenleving is benadeeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type delicten lastig op te sporen is en niet alleen tot fiscaal nadeel, maar ook tot ondermijning van de algemene belastingmoraal leidt. Desondanks heeft verdachte getracht op deze wijze hiervan de vruchten te plukken.

Voorts heeft verdachte samen met zijn medeverdachte een aanzienlijk geldbedrag, een woning, twee auto's en een boot witgewassen. Door witwassen worden criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten heeft als onderdeel van een zwartgeldcircuit een ontwrichtende werking. Deze werking wordt versterkt indien dit geld via witwassen als vermeend legaal geld aangewend kan worden in investeringen in de reguliere economie.

Tot slot heeft verdachte faillissementsfraude gepleegd, verdovende middelen en wapens voorhanden gehad en zijn ex-vriendin mishandeld. De mishandeling vond plaats in de woning van het slachtoffer, een omgeving waar zij zich veilig zou moeten voelen. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte onder meer pijn en letsel opgenomen.

Verdachte heeft, kortom, in een lange periode een groot aantal ernstige strafbare feiten gepleegd, waarvoor in de regel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf - zoals geëist door de officier van justitie - passend kan worden geacht. Verdachte heeft bij zijn handelen slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en bovendien geen enkel berouw getoond jegens de vele benadeelden. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte, alsmede op een hem betreffend reclasseringsrapport d.d. 2 februari 2009. De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat de inhoudelijke behandeling van de zaak van verdachte dermate lang op zich heeft laten wachten, dat de redelijke termijn - zoals deze uit artikel 6 EVRM volgt - is overschreden. De rechtbank zal bij de strafmaat met het voorgaande rekening houden, in die zin dat zij - net als de officier van justitie - de straf die in dit geval passend en geboden is, met tien procent zal matigen. Dat betekent dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 27 maanden in plaats van dertig maanden.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, noch in andere omstandigheden, reden om van de eis van de officier van justitie af te wijken. Verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is geëist.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

[internetwinkel 9], [adres], gemachtigde: [gemachtigde], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 369.728,64.

[internetwinkel 3]., [adres], gemachtigde: [gemachtigde], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 7.261,68.

[R] (eigenaar van eenmanszaak [internetwinkel 8]), [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 106.864,53.

[S] (eigenares van eenmanszaak [internetwinkel 10]), [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.911,10.

[M B.V.], [adres], gemachtigde: mr. [curator] (curator), [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.043.947,97.

[internetwinkel 4], [adres], gemachtigde: mr. [gemachtigde], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 70.473,68.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [internetwinkel 9] ([X Holding]).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van:

* de vordering van de benadeelde partij [internetwinkel 3]. tot een bedrag van € 1.712,37 (€ 1.176,99 + € 535,38);

* de vordering van de benadeelde partij [R] ([internetwinkel 8]) tot een bedrag van € 17.127,38 (€ 1.688,00 t.a.v. verduisterde goederen + € 15.439,38 t.a.v. verduisterde remboursgelden);

* de vordering van de benadeelde partij [S] ([internetwinkel 10]) tot een bedrag van € 2.825,28 (€ 545,95 + € 423,68 + € 916,68 + € 938,97);

* de vordering van de benadeelde partij [M B.V.] tot een bedrag van € 95.504,31.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [internetwinkel 4] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen, nu hij de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben niet bewezen acht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren dan wel niet eenvoudig individualiseerbaar zijn. Behandeling door een civiele rechter is daarom zuiverder.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[internetwinkel 9]

De vordering is namens de verdachte niet op inhoudelijke gronden betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve de vordering in zijn geheel toewijzen (€ 369.728,64).

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 369.728,64, ten behoeve van het voornoemde slachtoffer.

[internetwinkel 3].

De vordering is namens de verdachte niet op inhoudelijke gronden betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve de vordering in zijn geheel toewijzen (€ 7.261,68).

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.261,68, ten behoeve van het voornoemde slachtoffer.

[R] ([internetwinkel 8])

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op post nr. 1 ("Schuldovername [G B.V.] restant"), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de schuldovername van [G B.V.] door [M B.V.] niet in de ten laste gelegde feiten terug te vinden is, waardoor op dit punt niet met succes kan worden betoogd dat de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit.

De vordering is namens de verdachte niet op inhoudelijke gronden betwist en is, voor zover deze betrekking heeft op post nr. 2 en de TV/video combinaties van Philips en Panasonic van post nr. 3, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 17.127,38.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de gestelde schade thans onvoldoende is onderbouwd, terwijl aanhouding van de zaak voor nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 17.127,38, ten behoeve van het voornoemde slachtoffer.

[S] ([internetwinkel 10])

De vordering is namens de verdachte niet op inhoudelijke gronden betwist en is, voor zover deze betrekking heeft op de posten 2, 3 en 4, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.279,33.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de gestelde schade thans onvoldoende is onderbouwd, terwijl aanhouding van de zaak voor nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.279,33, ten behoeve van het voornoemde slachtoffer.

[M B.V.]

De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de gestelde schade thans onvoldoende is onderbouwd, terwijl aanhouding van de zaak voor nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

[internetwinkel 4]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post "Vordering ten gevolge van leenovereenkomst", de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de schuldovername van [G B.V.] door [M B.V.] niet in de ten laste gelegde feiten terug te vinden is, waardoor op dit punt niet met succes kan worden betoogd dat de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit.

De vordering is namens de verdachte niet op inhoudelijke gronden betwist en is, voor zover deze betrekking heeft op de overige posten, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 11.316,89.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de gestelde schade thans onvoldoende is onderbouwd, terwijl aanhouding van de zaak voor nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op € 957,93, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 11.316,89, ten behoeve van het voornoemde slachtoffer.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijsten, die als bijlagen I en II aan dit vonnis zijn gehecht) genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard, dan wel, als er ten aanzien van een voorwerp een rechthebbende kan worden aangewezen, dat voorwerp zal worden teruggegeven aan die rechthebbende.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht alle in beslag genomen goederen terug te geven aan verdachte, nu de verdediging voor alle feiten waarop het beslag betrekking heeft vrijspraak heeft bepleit.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal alle op de beslaglijsten I en II genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de bij dagvaarding 09/755078-08 onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen, dan wel met betrekking tot deze voorwerpen de bij dagvaarding 09/755078-08 onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9. Bevel gevangenneming

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd, gelet op het recidivegevaar. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte wederom geen omzetbelasting aan de Belastingdienst heeft afgedragen voor zijn werkzaamheden voor [bedrijf] en dat hij in zijn correspondentie met de Belastingdienst opnieuw valsheid in geschrifte pleegt. Volgens de officier van justitie zijn er tevens voldoende ernstige bezwaren aanwezig.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat in het algemeen zorgvuldig moet worden omgegaan met preventieve detentie. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte geen concreet recidivegevaar kan worden aangetoond.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een verdachte in beginsel het recht heeft om de inhoudelijke behandeling van zijn zaak, ook in hoger beroep, in vrijheid af te wachten. Als uitzondering hierop, kan een verdachte bij een verdenking van betrokkenheid bij een beperkt aantal (ernstige) strafbare feiten in voorlopige hechtenis worden gesteld indien er ernstige bezwaren tegen de verdachte en gronden voor de voorlopige hechtenis aanwezig zijn.

Een bevel tot voorlopige hechtenis kan gezien het bepaalde in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering worden gegeven voor (een deel van) de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank deelt ook de zorgen van de officier van justitie ten aanzien van het gevaar voor recidive bij verdachte.

Echter, gelet op het voornoemd uitgangspunt, de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de zaak van verdachte en de periode die verdachte thans in vrijheid heeft doorgebracht in afwachting van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak, ziet de rechtbank reden om verdachte ook nu de eventuele behandeling van zijn zaak in hoger beroep in vrijheid af te laten wachten. De rechtbank wijst de vordering tot gevangenneming van verdachte dan ook af.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24, 24c, 33, 33a, 36f, 47, 51, 57, 63, 194, 225, 300, 321 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie alsmede 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding met parketnummer 09/755078-08 nietig wat betreft het onder feit 3 sub a, ten elfde, ten laste gelegde ("een geldbedrag(en) (van (in totaal) (ongeveer) 5.262,16 euro [...] ten name van Autoplanning (AH/70 en AH 114, bijlage 6) en/of");

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding 09/755078-08 onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 en 6 en de bij dagvaarding 09/862512-09 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. dagvaarding 09/755078-08, feit 1:

medeplegen van verduistering, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

t.a.v. dagvaarding 09/755078-08, feit 2:

als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, opzettelijk verkeerde inlichtingen geven;

t.a.v. dagvaarding 09/755078-08, feit 3:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

t.a.v. dagvaarding 09/755078-08, feit 4 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

t.a.v. dagvaarding 09/755078-08, feit 5:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken, deze opzettelijk onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

en

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

t.a.v. dagvaarding 09/755078-08, feit 6:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

t.a.v. dagvaarding 09/862512-09, feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

t.a.v. dagvaarding 09/862512-09, feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

t.a.v. dagvaarding 09/862512-09, feit 3:

mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [internetwinkel 9] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde, een bedrag van € 369.728,64;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 369.728,64, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [internetwinkel 9];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 365 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [internetwinkel 3]. toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde, een bedrag van € 7.261,68;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 7.261,68, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [internetwinkel 3].;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 71 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [R] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde, een bedrag van € 17.127,38;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 17.127,38, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [R];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [S] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde, een bedrag van € 2.279,33;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat zij dit gedeelte van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2.279,33, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [S];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 32 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij [M B.V.] niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [internetwinkel 4] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde, een bedrag van € 11.316,89;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 957,93, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 11.316,89, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [internetwinkel 4];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 91 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst I onder a, b, c, d, e en f genummerde voorwerpen, te weten:

a. een wasdroger, merk Bosch, model Maxx 6 sensitive;

b. een wasmachine, merk Bosch, model Maxx 6;

c. een wijnkoeler (kast), merk Bosch;

d. een koel/vriescombinatie, merk LG, model GR-F218JTTA;

e. een plasma TV, merk Philips, model 50PF9631D/01;

f. een Philips home theatre system en vijf speakers;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst II onder 104, 105, 107 en 6 genummerde voorwerpen, te weten:

104. een koffieautomaat, zilver, SAECO Taleatouch;

105. een koffieautomaat, zilver, SAECO talea;

107. bevestigingsmateriaal, VOGELS, TV steun;

6. onroerende registergoederen, woning gelegen aan de [adres 1].

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mr. M. van Seventer en mr. J.T.W. van Ravenstein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. van Heemst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossiers, betreft dit bijlagen bij het hoofdproces-verbaal genaamd "168 Techno" van de politie Hollands Midden, Fraude Aspect Team, met nummer RF 08-90134.

2 Proces-verbaal van aangifte (AH-014), Zaaksdossier I, blz. 59 en 61.

3 Proces-verbaal van aangifte (AH-015), Zaaksdossier I, blz. 117 en 118.

4 Proces-verbaal van bevindingen (AH-059), Zaaksdossier I, blz. 217 en bijbehorende excelsheet, blz. 220-222.

5 Proces-verbaal van aangifte (AH-016), Zaaksdossier I, blz. 233, 234 en 236.

6 Proces-verbaal van bevindingen (AH-022), Zaaksdossier I, blz. 780.

7 Proces-verbaal van bevindingen (AH-023), Zaaksdossier I, blz. 802; geschrift (een excelsheet genaamd "Lijst van inbeslaggenomen goederen op [adres 2]. Aangetroffen op donderdag 13 maart 2008"), bijlage behorende bij AH-023, Zaaksdossier I, blz. 804-808.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2011.

9 Proces-verbaal van bevindingen (AH-053), Zaaksdossier I, blz. 843; geschrift (een excelsheet genaamd "Lijst van inbeslaggenomen goederen op de [adres 3] . Aangetroffen op donderdag 13 maart 2008"), bijlage behorende bij AH-053, Zaaksdossier I, blz. 845 en 846.

10 Proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 4] (AH-017), Zaaksdossier I, blz. 264-267; proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 5] (AH-018), Zaaksdossier I, blz. 295, 296 en 298; proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 6] (AH-019), Zaaksdossier I, blz. 321-323; proces-verbaal van bevindingen en bijbehorende bijlage (AH-002), Ambtshandelingen dossier deel I (ongenummerd); proces-verbaal van bevindingen en bijbehorende bijlage (AH-003), Zaaksdossier I, blz. 683 en 684; proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 7] (AH-020), Zaaksdossier I, blz. 685 en 688; proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 8] (AH-021), Zaaksdossier I, blz. 697 en 699; proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 10] (AH-076), Zaaksdossier I, blz. 772; proces-verbaal van aangifte [aangever 3] (AH-060), Zaaksdossier I, blz. 762 en 763.

11 Proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 6] (AH-019), Zaaksdossier I, blz. 323 en 323, laatste respectievelijk eerste alinea.

12 Proces-verbaal van bevindingen (AH-027), Zaaksdossier I, blz. 864.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte (V03-01), Verdachtendossier (niet doorgenummerd, zesde bladzijde van verhoor).

14 Proces-verbaal van bevindingen (AH-044), Zaaksdossier I, blz. 818-823; proces-verbaal van verhoor getuige (G12-01), Zaaksdossier I, blz. 63 en 64 ([internetwinkel 1]); proces-verbaal van verhoor getuige (G17-01), Zaaksdossier I, blz. 216 ([internetwinkel 2]); proces-verbaal van verhoor getuige (G16-01), Zaaksdossier I, blz. 691 ([internetwinkel 7]); proces-verbaal van verhoor getuige (G14-01), Zaaksdossier I, blz. 701 ([internetwinkel 8]); proces-verbaal van verhoor getuige (G02-01), Zaaksdossier I, blz. 738 ([X] holding / [internetwinkel 9])).

15 Geschrift (uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, d.d. 7 augustus 2008), bijlage 3 behorende bij AH-095, Zaaksdossier III, blz. 2554.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige mr. [curator], opgemaakt door de rechter-commissaris, d.d. 5 oktober 2010, alinea's 6 en 8.

17 Geschrift (tapgesprek, volgnr. 10329), Zaaksdossier I, blz. 1897.

18 Geschrift (tapgesprek, volgnr. 11319), Zaaksdossier I, blz. 1898.

19 Geschrift (tapgesprek, volgnr. 11803), Zaaksdossier I, blz. 1898 en 1899.

20 Geschrift (tapgesprek, volgnr. 13588), Zaaksdossier I, blz. 1902.

21 In het bijzonder de artikelen 1 onder a alsmede 2 onder a en f van deze overeenkomsten.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige (G12-01), Zaaksdossier I, blz. 63 + bijgevoegde remboursovereenkomst d.d. 21 december 2006, Zaaksdossier I, blz. 65-68; proces-verbaal van verhoor getuige (G15-01), Zaaksdossier I, blz. 269; proces-verbaal van bevindingen (AH-075), Zaaksdossier I, blz. 276; proces-verbaal van verhoor getuige (G14-01), Zaaksdossier I, blz. 701 + bijbehorende mantelovereenkomst d.d. 21 december 2006, Zaaksdossier I, blz. 724-729; proces-verbaal van verhoor getuige (G02-01), Zaaksdossier I, blz. 737 + bijbehorende remboursovereenkomst d.d. 23 april 2007, Zaaksdossier I, blz. 739-742; proces-verbaal van verhoor getuige (G04-01), Zaaksdossier I, blz. 766 en 767.

23 Hoge Raad, 21 oktober 2003, LJN AF7983.

24 Hoge Raad 3 november 1982, LJN AC6941.

25 Proces-verbaal van bevindingen (AH-059), Zaaksdossier I, blz. 218; Bijlage bij proces-verbaal van verhoor verdachte [eigenaar] (V03-01), Verdachtendossier, niet doorgenummerd

26 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2011.

27 Bijvoorbeeld: proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] (G26-01), Getuigendossier, niet doorgenummerd, tweede bladzijde van verhoor.

28 Bijvoorbeeld: proces-verbaal van aangifte [internetwinkel 1] (G12-01), Zaaksdossier I, blz. 63

29 Bijvoorbeeld: proces-verbaal van verhoor getuige (G12-01), Zaaksdossier I, blz. 65-68 (bijlage bij verhoor).

30 Geschrift (uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, d.d. 7 augustus 2008), bijlage 3 behorende bij AH-095, Zaaksdossier III, blz. 2554.

31 Zie hetgeen hierover in paragraaf 3.4.1.4 is overwogen.

32 Geschrift (brief d.d. 19 juni 2008), bijlage 1 behorende bij AH-148, Zaaksdossier III, blz. 2568-2572.

33 Geschrift (brief d.d. 18 juli 2008), bijlage 2 behorende bij AH-148, Zaaksdossier III, blz. 2590-2592.

34 Proces-verbaal van verhoor getuige (G32-01), Zaaksdossier III, blz. 2648 en 2649.

35 Proces-verbaal van verhoor getuige mr. [curator], opgemaakt door de rechter-commissaris, d.d. 5 oktober 2010, alinea's 4 en 13.

36 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2011.

37 Proces-verbaal van bevindingen (AH-114) en bijlage 1 behorende bij dit proces-verbaal, Zaaksdossier V, blz. 4613-4619.

38 Proces-verbaal van bevindingen (AH-114) en bijlage 2 behorende bij dit proces-verbaal, Zaaksdossier V, blz. 4613-4614 en 4620-4622.

39 Proces-verbaal van bevindingen (AH-114) en bijlage 3 behorende bij dit proces-verbaal, Zaaksdossier V, blz. 4613-4614 en 4623-4625.

40 Proces-verbaal van bevindingen (AH-156), en de bijlage behorende bij dit proces-verbaal, Zaaksdossier V, blz. 4565-4575.

41 Proces-verbaal van bevindingen (AH-112), Zaaksdossier V, blz. p. 4418-4420 en 4531.

42 Beter bekend als de 'Air Holland-zaak'.

43 Proces-verbaal van ambtshandeling AH/89, bijlage 14 inzake [bedrijf E]. € 431.975,00, exclusief omzetbelasting en AH/89, bijlage 7, inzake [bedrijf C] € 46.800, exclusief omzetbelasting. Deze bedragen zouden zijn voldaan per kas.

44 Proces-verbaal van bevindingen (AH-089), Zaaksdossier IV, blz. 2753; proces-verbaal van verhoor getuige G21-01, Zaaksdossier IV, blz. 3028; verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2011.

45 Proces-verbaal van bevindingen (AH-089), Zaaksdossier IV, blz. 2754; proces-verbaal van bevindingen (AH-090), Zaaksdossier IV, blz. 2799 en 2800.

46 Geschrift (uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, d.d. 25 juni 2008), bijlage 1 behorende bij AH-095, Zaaksdossier IV, blz. 2871.

47 Proces-verbaal van bevindingen (AH-089), Zaaksdossier IV, blz. 2754.

48 Proces-verbaal van bevindingen (AH-091), Zaaksdossier IV, blz. 2852.

49 Proces-verbaal van verhoor getuige (G09-01), Zaaksdossier IV, blz. 3005-3008.

50 Geschrift (uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, d.d. 25 juni 2008), bijlage 1 behorende bij AH-095, Zaaksdossier IV, blz. 2871.

51 Geschrift (uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, d.d. 4 augustus 2008), bijlage 2 behorende bij AH-095, Zaaksdossier IV, blz. 2872.

52 Proces-verbaal van verhoor getuige (G23-01), Zaaksdossier IV, blz. 3036-3039.

53 Proces-verbaal van verhoor getuige (G31-01), Zaaksdossier IV, blz. 3053-3055; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], opgemaakt door de rechter-commissaris, d.d. 7 juli 2009.

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte (V02-04), Zaaksdossier IV, blz. 3074-3076.

55 Proces-verbaal van verhoor verdachte (V04-02), Zaaksdossier IV, blz. 3118-3121.

56 Hetgeen hiervoor in paragraaf 3.3.5.1. is uiteengezet, wordt tevens meegewogen bij de beoordeling van de feiten 5 en 6.

57 Proces-verbaal van verhoor getuige (G01-01), Zaaksdossier IV, blz. 2972 en 2973.

58 Proces-verbaal van verhoor getuige (G01-02), Zaaksdossier IV, blz. 2978.

59 Proces-verbaal van verhoor getuige (G01-02), Zaaksdossier IV, blz. 2978; geschrift (aangifte omzetbelasting 2e kwartaal 2007), bijlage 2 behorende bij AH-107, Zaaksdossier IV, blz. 2913 en 2914.

60 Proces-verbaal van verhoor getuige (G01-02), Zaaksdossier IV, blz. 2978; geschrift (aangifte omzetbelasting 3e kwartaal 2007), bijlage 4 behorende bij AH-107, Zaaksdossier IV, blz. 2918 en 2919.

61 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2011.

62 Geschrift (overzicht facturen [bedrijf C] 2006 en 2007), bijlage 7 behorende bij AH-089, Zaaksdossier IV, blz. 2768; geschrift (overzicht facturen [bedrijf E]. 2006 en 2007 volgens computeradministratie), bijlage 14 behorende bij AH-089, Zaaksdossier IV, blz. 2787 en 2788.

63 De rechtbank neemt hierbij de bewezenverklaring van de onder feit 4 primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte in aanmerking.

64 Geschrift (Rapport NFI, d.d. 19 december 2008), Zaaksdossier VII, blz. 5046.

65 Proces-verbaal, Zaaksdossier VII, blz. 4910.

66 Proces-verbaal van bevindingen, Lokatiedossier A (deel I), blz. 56; proces-verbaal van bevindingen, Lokatiedossier A (deel I), blz. 393; geschrift (Excel bestand IBG lijst [adres]), Lokatiedossier A (deel I), blz. 44 en 45.

67 Geschrift (Rapport NFI, d.d. 17 december 2008), Zaaksdossier VII, blz. 4921.

68 Proces-verbaal van bevindingen, Zaaksdossier VII, blz. 4917; proces-verbaal van bevindingen, Zaaksdossier VII, blz. 4919.

69 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2011.

70 Proces-verbaal van aangifte (AH-124), Zaaksdossier VI, blz. 4720; verklaring verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2011.

71 Proces-verbaal van aangifte (AH-124), Zaaksdossier VI, blz. 4721.

72 Proces-verbaal van aangifte (AH-124), Zaaksdossier VI, blz. 4721.

73 Een bloeduitstorting op de borstkas, bron: Van Dale online woordenboek; geschrift (een medische verklaring, d.d. 28 februari 2007), AH-125, Zaaksdossier VI, blz. 4725.

74 Geschrift (een medische verklaring, d.d. 28 februari 2007), AH-125, Zaaksdossier VI, blz. 4725.