Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU2066

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
09/748802-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Daarnaast wordt het openbaar ministerie gedeeltelijk niet ontvankelijk verklaard in de vervolging terzake feit 1.B. en volgen overigens voor dat feit vrijspraken op onderdelen. Ook van de feiten 5 en 6 wordt verdachte vrijgesproken. verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; het als leider deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege is verboden; medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Gevangenisstraf voor duur van 5 jaar. Verdachte was de leider van de TCC in Nederland. De TCC is één van de vele organisaties die onder het internationaal secretariaat van de LTTE op Sri Lanka vielen en maakte daarmee onderdeel uit van de criminele en verboden organisatie, de LTTE. De LTTE heeft de Tamildiaspora gebruikt voor het inzamelen van gelden, welke gelden deze organisatie gebruikte voor haar doelstellingen op Sri Lanka. Verdachte heeft met zijn werkzaamheden onderdeel uitgemaakt van de criminele organisatie in Nederland. Deze organisatie hield zich voornamelijk bezig met fondsenwerving onder de eigen Tamilmensen. Dit deed de organisatie op een zeer gestructureerde wijze door lijsten bij te houden van de in Nederland wonende Tamils, waarin werd bijgehouden wie aan de financiële verplichtingen voldeden en wie niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/748802-09

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte [D]],

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] (Ceylon),

wonende [adres],

thans gedetineerd.

Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 augustus 2010, 22 oktober 2010,

19 januari 2011, 24 januari 2011, 14 april 2011, 10 juni 2011, 8 juli 2011,

15 september 2011, 16 september 2011, 19 september 2011, 20 september 2011,

21 september 2011, 23 september 2011, 27 september 2011, 29 september 2011,

30 september 2011, 3 oktober 2011, 4 oktober 2011, 5 oktober 2011, 7 oktober 2011 en

21 oktober 2011.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden mr. T.M.D. Buruma, mr. V.L. Koppe en mr. G.K. Sluiter, advocaten te Amsterdam, is, met uitzondering van 10 juni 2011, op de terechtzitting verschenen en gehoord.

De officieren van justitie mr. M.J.M. Nieuwenhuis en W.N. Ferdinandusse hebben gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder de feiten 1.A, 1.B, 2., 3., 4., 5. en 6. tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

12 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officieren van justitie hebben voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen niet teruggegeven voorwerpen -hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt A, aan dit vonnis is gehecht- onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard. De officieren van justitie hebben subsidiair gevorderd dat de inbeslaggenomen merchandise, het propagandamateriaal en de administratie aan het verkeer zullen worden onttrokken.

Verwijzingen in het vonnis

In dit vonnis zal verwezen worden naar verklaringen ter zitting, processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden. Dit zal geschieden in de tekst zelf.

Indien dit betreft een proces-verbaal opgemaakt door de politie is dit steeds een door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal. De verwijzing zal aldus zijn dat wordt vermeld "pv ..."; op de plaats van de puntjes zal de betreffende bladzijde vermeld worden van het strafdossier, waar dit proces-verbaal te vinden is.

Indien dit betreft een verklaring van verdachte ter terechtzitting zal de verwijzing zijn "ttz ..."; op de plaats van de puntjes zal de betreffende dag van de terechtzitting waarop de verklaring is afgelegd worden vermeld. Indien dit betreft een ander schriftelijk stuk is dit steeds een bijlage van een proces-verbaal opgemaakt door de politie. De verwijzing zal aldus zijn dat wordt vermeld "stuk ..."; op de plaats van de puntjes zal de betreffende bladzijde vermeld worden van het strafdossier, waar dit stuk te vinden is.

Indien dit betreft een proces-verbaal opgemaakt door een rechter-commissaris, samen met een of meer griffiers is dit steeds een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door een rechter-commissaris van de rechtbank 's-Gravenhage belast met de behandeling van strafzaken en een of meer griffiers. Indien het betreft een proces-verbaal van een verhoor door een rechter-commissaris is de verwijzing aldus dat wordt vermeld "rc ..."; op de plaats van de puntjes zal de betreffende bladzijde vermeld worden van de bundel processen-verbaal van verhoren opgemaakt door een rechter-commissaris, waar de verklaring te vinden is.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting van 19 januari 2011 ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.) - hetgeen is vermeld in die nadere omschrijving tenlastelegging. De rechtbank heeft bij de feiten 1., 4. en 6. bij de verschillende onderdelen letters aangebracht, waarna de tenlastelegging luidt:

Feit 1. De internationale criminele organisatie

1.A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6], en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld, (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [B] en/of [C] en [A] en/of [E] en/of V. Pirabaharan (alias V. Prabakharan) en/of V. Manivannan (alias Castro) en/of Amirthap (alias Amuthab) en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven (zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht)

[zaaksdossier B00] te weten:

a) het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of 5 van de Wet wapens en munitie) [zaaksdossier B04] en/of

b) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een •ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

c) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 WvSr) (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

d) doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

e) de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning tot eerdervermelde misdrijven en/of

f) samenspanning tot moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07],

(artikel 140a Wetboek van Strafrecht)

en/of

1.B.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6], en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld. (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [B] en/of [C] en/of [A] en/of [E] en/of V. Pirabaharan (alias V. Prabakharan) en/of V. Manivannan (alias Castro) en/of Amirthap (alias Amuthab) en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B00], te weten:

a) het werven voor gewapende strijd (op Sri Lanka), zonder toestemming van de Koning (zoals bedoeld in artikel 205 Wetboek van Strafrecht. met ingang van 10 augustus 2004) en/of

b) het onder de wapenen roepen en/of in militaire dienst nemen en/of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden van kinderen beneden de vijftien jaar in een niet-internationaal gewapend conflict (op het grondgebied van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub f van de Wet internationale misdrijven) [zaaksdossier B05] en/of

c) het gevangennemen en/of ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid (van burgers in Sri Lanka) in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 sub e van de Wet internationale misdrijven) [zaaksdossier B05] en/of

d) het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en/of 31 lid 1 en 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie) [zaaksdossier B04] en/of

e) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

f) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

g) doodslag, (zoals bedoeld in artikel 287 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

h) moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

i) de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2. De nationale criminele organisatie

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland. (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [B] en/of [C] en/of [A] en/of [E] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten:

a) het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 131 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of

b) het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 132 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of

c) overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 juncto Sanctieregeling Terrorisme 2002 [zaaksdossier B02] en/of

d) (gewoonte)witwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of

e) overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen [zaaksdossier B03] en/of

f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of

g) afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of

h) de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven;

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

Feit 3. Voortzetting verboden organisatie

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland, (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [B] en/of [C] en/of [A] en/of [E] en/of een of meer ander(en ), althans alleen, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (pbEG L 344) [zaaksdossier B01];

(artikel 140 lid 2 en 3 Wetboek van Strafrecht jo. Art. 5b Wet Conflictenrecht Corporaties)

Feit 4. Overtreding van de Sanctiewet

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6], en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [B] en/of [C] en/of [A] en/of [E] en/of een of meer ander( en), althans alleen, (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 lid 2 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 lid 1 van de Sanctieregeling Terrorisme 2002 juncto artikel 2, eerste en tweede lid en 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344) [zaaksdossier B02]

(onder meer) inhoudende

- het verbod om aan of ten behoeve van de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een (rechts)persoon, groep of entiteit als bedoeld in de bij Verordening nr. 2580/2001 behorende lijst, direct of indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking te stellen

- het verbod om financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van die LTTE

- het verbod om willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect, eerdergenoemde verboden worden ontdoken en/of de bevriezing van tegoeden, andere financiële activa en/of economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door die LTTE wordt ontdoken (telkens)

a) heeft deelgenomen aan bijeenkomsten en/of bijeenkomsten heeft georganiseerd die tot doel hadden

om geld te genereren voor de LTTE en/of

b) voor en/of aan en/of ten behoeve van de LTTE geld heeft gegeven en/of uitgeleend en/of gecollecteerd en/of ingezameld, en/of loten heeft verkocht en/of loterijen (met winstoogmerk) heeft georganiseerd, en/of goederen (met winstoogmerk) heeft verkocht en/of

c) geld heeft beheerd en/of een financiële administratie heeft gevoerd ten behoeve van de LTTE en/of

d) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of andere financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan en/of financiële diensten heeft verricht voor de LTTE;

(Artikel 2 Sanctiewet 1977 jo artikel 1 lid 1 Sanctieregeling Terrorisme 2002 jo artikel 2 lid 1 en 2 en

artikel 3 van Verordening 2580/2001)

Feit 5. Opruiing

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te [plaats 1] en/of Oosterbeek en/of [plaats 4] en/of Amsterdam, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [B] en/of [C] en/of [E] en/of een of meer ander(en), althans alleen, in het openbaar de volgende (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan:

a)

"Overal ontploffen bommen, maar als die niet ontploffen krijgt de Tamil geen tijd van verlichting ( ... )

Gisteren is er een schip tot ontploffing gebracht en in stukken uiteen gevallen. Als onze jongens iets doen, doen ze het goed. "

(op of omstreeks 9 juli 2005 te Oosterbeek: B09-0036)

b)

"Tamil Eelam zal zegevierend geboren worden en alle vijanden zullen onder onze voeten vertrapt worden" en/of

"Onder het leiderschap van onze leider Pirabakaran en zijn tijgermacht zal het land herwonnen worden" en/of

"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.

Kom, kom, kom, lijdt nog maar meer nederlagen

Waarom, waarom, waarom, wil je niet leven?

Zie, zie, zie onze moed

Het is het land waarin wij leven'

Op zee zullen tijgerschepen komen met kracht;

In de lucht zullen Tamil vliegtuigen komen als een verassing.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen

Willen jullie nog steeds oorlog? Kom dan maar op

"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken

Denken jullie dat het jullie huis is?

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen.

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen"

(op of omstreeks 25 juli 2007 te Amsterdam: B09-0040/41, 1505/1510)

c)

"Sluit nu uw ogen, denk aan de grote strijders. Houd uw ogen strak gesloten en breng deze goddelijke zielen naar voren in uw gedachten. Want dat ideaal waar u voor heeft geleefd, dat ideaal waarvoor u een heroïsche dood heeft omarmd. dat ideaal zullen wij bereiken. Om uw dromen waar te maken, zullen wij uw plichten uitvoeren als de onzen. Doe deze belofte stil in uw hart. U bent niet gestorven U leeft en u vervult ons hart. De plichten die u op uw schouders heeft genomen, zullen wij doen als de uwe, tot ons einde. Doe de belofte dat we voor altijd de nationale leider zullen steunen Dit is geen tijd om te huilen, dit is een tijd om ons opnieuw toe te wijden" en/of

"Deze grote helden zijn niet gestorven. We moeten onszelf aan hun plichten herinneren en onszelf opnieuw vertellen dat we ons deel zullen doen. Organisatoren zoals wijzelf kunnen worden gearresteerd. Wij kunnen zelfs vandaag de dood vinden. Maar wanneer er bij u aan de deur wordt geklopt, verzaak dan niet uw plicht voor het moederland. (..)

Daarom, ongeacht wat - hard werk en bloedvergieten - kunnen wij alleen ervoor werken en onze vrijheid verkrijgen. Niemand anders zal dat voor ons doen. Dus, denk hieraan en ga verder met het doen van uw plicht. Die grootse mensen zijn niet dood. We moeten alleen oppakken waar zij gebleven waren en het goede werk voortzetten Laat ons dat bevestigen."

en/of

"Nee, een echt eerbetoon betekent onze plicht doen die we hem verschuldigd zijn. Zijn onvoltooide werk afmaken is de beste hommage die we hem kunnen brengen. Daarom, mijn dierbaren, open uw deuren voor deze onafgemaakte plichten- laat de deuren open. De natie heeft zich nog steeds niet geopenbaard. De vijand heeft de oorlog verklaard en werpt bommen. Of we het leuk vinden of niet, we moeten de oorlog onder ogen zien Dit is wat de geschiedenis ons heeft opgelegd, deze historische onvermijdelijkheid en onze plicht. Niemand kan daarvan weglopen. Het is niet een soort van sport waarvan we kunnen zeggen 'daar hebben we geen belangstelling voor'.

Moeilijke familie omstandigheden kunnen geen excuus worden, want het gaat hier over het leven van velen. Zie dit als uw belangrijkste zorg, ons belangrijkste probleem, houdt de deur van uw huis open, open de deur en doe uw plicht."

(op of omstreeks 4 november 2007 te Utrecht: B09-0039/40, B02-01253/1254, B02-1280)

d)

"Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen" en/of

"Er is geen andere weg dan te strijden" en/of

"Wij zullen zeker winnen . Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen."

(op of omstreeks 22 juni 2008 te Den Haag: B09-0037/38,1318/1319)

e)

"Vandaag is de heldendag. De dag waarop de helden worden geprezen voor de opofferingen die zij gedaan hebben. Deze opofferingen zijn niet voor niets geweest, de droom van de helden zal uitkomen. Tamil Eelam zal zeker ontstaan. ( .... ) De droom van de helden zal zeker uitkomen. Daar moeten wij in de diaspora allemaal voor werken."

(op of omstreeks 27 november 2009 te Utrecht: B09-0032)

althans woorden van gelijke strekking, zijnde uitlatingen waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka)

(Artikel 131 Wetboek van Strafrecht)

Feit 6. Verspreiding ter opruiing

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] en/of [plaats 8], en/of elders in Nederland, (telkens ) tezamen en in vereniging met [B] en/of [C] en/of [E] en/of een of meer ander(en), althans alleen, de/het volgende geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en) heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld (op internet en/of op zogenaamde Heldendagen en/of Zwarte Tijgerdagen en/of andere(LTTE/Tamil)herdenkingsdagen en/of andere (LTTE/Tamil)bijeenkomsten) en/of, om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden, in voorraad heeft gehad:

a) een affiche voor Heldendag op 27 november 2009 te [plaats 1] met (onder andere) de tekst "Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in hel vuur van het ware doel"

(B09-35/36, 1262/1263) en/of

b) Een kalender van het jaar 2010 waarop geweldplegingen door de LTTE worden beschreven(B07-67/69, 75, 81, 1688/2065; B09-531/535, 566) en/of

c) DVD Levend wapen, versie 7 (B09-22/23, 605/610) en/of

d) DVD Levend wapen, versie 8 (B09-22/23, 611/621) en/of

e) DVD Levend wapen, versie 9 (B09-22/23, 622/629)

zijnde (een) geschift(en) en/of (een) afbeelding(en) waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam

(Artikel 132 Wetboek van Strafrecht)

Enige uitgangspunten bij de beoordeling van de tenlastelegging

Inleiding

Onder 1.A. van de tenlastelegging wordt de verdachte verweten deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Er worden wel enkele misdrijven opgesomd die, gelet op de definitie in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr), geen terroristisch misdrijf opleveren (bijvoorbeeld in 1.A.b. het brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is), maar de steller van de tenlastelegging heeft, gelet op de aanhef van het onder 1.A. tenlastegelegde, niet de bedoeling gehad deze onderdeel uit te laten maken van het strafbare feit.

Onder 1.B. van de tenlastelegging wordt verdachte verweten deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en gewone misdrijven.

Feit 2 van de tenlastelegging betreft deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van gewone misdrijven.

Feit 3 betreft het voortzetten van de werkzaamheid van een verboden organisatie.

Feit 4 ziet op overtreding van de Sanctiewet 1977 (hierna: Sanctiewet).

In feit 5 is omschreven opruiing tot strafbare feiten en tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag van Sri Lanka en in feit 6 het verspreiden en daartoe in voorraad hebben van geschriften en afbeeldingen die opruien tot dergelijke feiten.

Achtergrond

In 1976 werd door Vellupillai Pirabaharan (ook bekend als V. Prabakharan) de Liberation Tigers of Tamil Eelam opgericht, verder te noemen LTTE. Pirabaharan was vanaf het begin tot aan zijn dood in 2009 leider van de LTTE. De LTTE werd opgericht als gevolg van een onder de Tamil minderheid op Sri Lanka in de jaren 1960/1970 groeiend gevoel dat zij werd achtergesteld ten opzichte van de Singalese meerderheid op Sri Lanka. Er kwamen ook andere groeperingen, maar uiteindelijk bleef de LTTE als enige dominante groepering over.

Er ontstond een conflict dat escaleerde en uitgroeide tot een guerillaoorlog tussen de LTTE en het Singalese leger.

De doelstelling van de LTTE was gedeeltelijke dan wel gehele zelfstandigheid van de Tamilbevolking te bereiken.

Vanaf 1990 verwierf de LTTE een door haar beheerst gebied in het Noordelijke en Oostelijke gedeelte van Sri Lanka. De LTTE fungeerde voor de bevolking daar als een soort overheid. De LTTE beschikte onder andere over eigen strijdkrachten (landstrijdkrachten, zeestrijdkrachten en beperkte luchtstrijdkrachten), een eigen politie en een eigen rechtspraak. De strijdkrachten van de LTTE droegen uniformen en kenden een commandostructuur met militaire rangen. Verder had de LTTE een eigen belastingstelsel. Mede door dit belastingstelsel was de LTTE in staat de gewapende strijd tegen het Singalese leger te blijven financieren.

Nadat al eerder de Verenigde Staten van Noord-Amerika en India de LTTE op de lijst van verboden terroristische organisaties hadden geplaatst, volgden in mei en juni 2006 de Europese Unie en Canada.

Het vorenstaande acht de rechtbank feiten van algemene bekendheid. Een en ander blijkt uit de zich in het dossier bevindende openbare bronnen. De rechtbank heeft dit tijdens haar zitting van 14 april 2011 en 15 september 2011 ter sprake gebracht en dit is niet door de officier van justitie of de verdediging bestreden.

Beoordelingskader

Gedurende het onderzoek ter terechtzitting is door partijen veel naar voren gebracht over de verschrikkingen, de achtergronden en de complexiteit van het conflict op Sri Lanka. De rechtbank geeft echter in algemene zin geen oordelen, laat staan waardeoordelen, over dat conflict, over de partijen bij dat conflict of over hun handelen. Zij is, als Nederlands rechtscollege, enkel geroepen de strafzaken van verdachte en de andere verdachten te beoordelen, strikt aan de hand van de hun tenlastegelegde feiten en met toepassing van Nederlands en internationaal recht.

Elke beslissing van de rechtbank moet in dat kader worden gezien en eventuele oordelen over de laakbaarheid van enig handelen beperken zich tot hetgeen tegen verdachte bewezen wordt verklaard.

De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

Er is bepleit dat de dagvaarding op een aantal gronden en al dan niet partieel nietig moet worden verklaard.

Zo zou de tenlastelegging van de feiten 1.A. en 1.B. innerlijk tegenstrijdig zijn omdat daarin zowel terroristische als andere misdrijven zijn ten laste gelegd, welke naar de mening van de verdediging niet naast elkaar kunnen bestaan. De tenlastelegging sub 1.B. is naar de mening van de verdediging partieel nietig wegens innerlijke tegenstrijdigheid ten aanzien van het bestaan van enerzijds een gewapend conflict op Sri Lanka en anderzijds het werven voor de gewapende strijd zonder toestemming van de Koning als bedoeld in artikel 205 Sr. waarop de organisatie het oogmerk zou hebben gehad. Voorts zou de tenlastelegging onvoldoende feitelijk zijn omdat het openbaar ministerie de misdrijven waarop de organisatie waaraan verdachte zou hebben deelgenomen het oogmerk had, niet nader heeft uitgewerkt maar slechts heeft verwezen naar de delictsomschrijving en de onderliggende zaaksdossiers.

Dit verweer is ook voor wat betreft de tenlastelegging van feit 2. gevoerd. De verdediging heeft voorts nog betoogd dat de tenlastelegging voor wat betreft de feiten 1.A., 1.B. en 2. partieel nietig is omdat zonder enige nadere uitwerking is ten laste gelegd dat de organisatie waaraan zou zijn deelgenomen het oogmerk had op het voorbereiden of bevorderen van dan wel samenspannen tot al dan niet terroristische misdrijven, hetgeen te vaag is.

Naar de mening van de verdediging is de tenlastelegging van de feiten 1.A., 1.B. en 2. eveneens nietig omdat het openbaar ministerie heeft nagelaten de organisatie waaraan verdachte zou hebben deelgenomen bij naam te noemen zodat niet voldaan is aan de informatiefunctie die de dagvaarding heeft.

Tot slot is nog betoogd dat in de tenlastelegging van de feiten 1.A en 1.B is opgenomen dat de feiten ook "elders in de wereld" gepleegd zouden zijn, hetgeen te vaag is zodat de tenlastelegging partieel nietig is.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat de tenlastelegging voldoet aan de eisen die wet en jurisprudentie daaraan stellen en heeft daarom tot verwerping van deze verweren geconcludeerd.

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging miskent dat bij de tenlastelegging betreffende de feiten 1.A. en 1.B. sprake is van een zogenaamde cumulatief alternatieve tenlastelegging die aan de rechtbank de keuze biedt hetzij één van hetzij beide alternatieven bewezen te verklaren.

Van innerlijke tegenstrijdigheid is om die reden dan ook geen sprake, ook niet door de verwijzing in feit 1.B. onder a naar het werven voor de gewapende strijd (op Sri Lanka) zonder toestemming van de Koning. De stelling dat een gewapend conflict en werven voor de gewapende strijd niet tegelijkertijd kunnen plaatsvinden, vindt geen steun in het recht zoals door de officier van justitie bij repliek onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011, LJN BO9998 terecht is betoogd.

Geen rechtsregel verplicht het openbaar ministerie de organisatie waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen bij naam te noemen. De tenlastelegging dient te worden gelezen in samenhang met het dossier en het verhandelde ter terechtzitting en om die reden kan er geen sprake van zijn dat verdachte niet heeft begrepen dat het bij de feiten 1.A., 1.B. en 2 om de LTTE ging, temeer niet daar het openbaar ministerie in de tenlastelegging ook de namen van verdachte's vermeende mededaders heeft vermeld.

Het oogmerk van de organisatie waaraan zou zijn deelgenomen, hoeft volgens wet en jurisprudentie evenmin in de tenlastelegging te worden uitgewerkt aangezien oogmerk naast kwalificatieve betekenis voldoende feitelijke betekenis heeft. Datzelfde geldt ten aanzien van de verwijzing naar de al dan niet terroristische misdrijven waarop de organisatie het oogmerk zou hebben gehad. Het openbaar ministerie mag volstaan met verwijzing naar de delictomschrijving van die misdrijven, omdat het bij een op artikel 140 of 140a Sr gestoelde tenlastelegging immers niet gaat om gepleegde maar om beoogde misdrijven. De tenlastelegging is voldoende duidelijk, temeer daar het openbaar ministerie ook nog verwezen heeft naar de onderscheiden zaaksdossiers. De rechtbank betrekt bij deze overwegingen nog dat zij bij de behandeling van de zaak geen moment de indruk heeft gekregen dat verdachten niet begrepen wat hun werd verweten, integendeel. Iedere verdachte bleek uitstekend op de hoogte van de inhoud van het omvangrijke dossier.

De rechtbank gaat, behoudens hetgeen zij hierna zal overwegen over de geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van de onderdelen a. en d. van het onder 1.B. ten laste gelegde feit, voorbij aan mogelijke nietigheid van de dagvaarding voorzover onder 1.A. en 1.B. is ten laste gelegd "elders in de wereld" omdat zij een verderstrekkende beslissing zal nemen en verdachte daarom geen rechtens te respecteren belang bij dit verweer heeft.

Verzoek om aanhouding

Door de verdediging is bepleit dat er een drietal redenen is om de zaak aan te houden.

Naar de mening van de verdediging dient te worden afgewacht wat het oordeel van de minister van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties is met betrekking tot de ingediende klacht ex artikel 83 lid 2 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna ook: WIV) over het onderzoek van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna ook: AIVD) dat heeft geleid tot het uitbrengen van een ambtsbericht aan de landelijk officier van justitie, aangezien dat oordeel van belang is voor de beoordeling van de zaak tegen verdachte en zijn vermeende medeplegers.

Voorts stelt de verdediging dat dient te worden gewacht op het oordeel van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie in Luxemburg (hierna ook: het Gerecht) op het door mr. Koppe namens de LTTE in april 2011 ingediende verzoek om de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst onrechtmatig te verklaren. Als het oordeel van dit Gerecht immers zou zijn dat de plaatsing van de LTTE op die lijst onrechtmatig is en vernietigd moet worden, heeft dat gevolgen voor de bewijsbaarheid dan wel de strafbaarheid van de onder 2., 3. en 4 ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht zelf een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg (hierna ook: het Hof) te stellen ten aanzien van de toepasselijkheid van anti-terrorismemaatregelen in de context van een gewapend conflict.

Tenslotte meent de verdediging dat de zaak moet worden aangehouden om alsnog de getuige [getuige 1] op te roepen teneinde hem te ondervragen over zijn zogenaamde plea bargain en de bij hem aangetroffen stukken van overtuiging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af.

AIVD

Zelfs al zou de AIVD bij zijn onderzoek zijn boekje te buiten zijn gegaan -de rechtbank heeft daarvoor in het dossier overigens geen enkele aanwijzing gevonden- en het oordeel van de minister negatief voor de AIVD uitvallen, dan nog hoeft dat geen gevolgen voor deze zaak te hebben nu de strafrechter niet aan dat oordeel gebonden is. De AIVD houdt zich immers niet bezig met opsporing en verricht geen strafrechtelijk onderzoek. Er is dus geen reden om de zaak aan te houden.

Procedure Gerecht

De rechtbank zal de zaak ook niet aanhouden in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het Gerecht in Luxemburg.

De rechtbank overweegt dat de LTTE is geplaatst op de lijst bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001. Gelet op het tenlastegelegde is de eerste relevante plaatsing geschied bij besluit 2007/445/EG van de Raad van Europese Unie (hierna ook: de Raad) van 28 juni 2007, welk besluit door bekendmaking in werking trad op 29 juni 2007. De LTTE staat vermeld onder 18 van rubriek 2 van bedoelde lijst. Sindsdien is die plaatsing, ook voor wat betreft het nummer op de lijst, telkens opnieuw geschied in de besluiten van de Raad van 20 december 2007 (2007/868/EG), 15 juli 2008 (2008/583/EG), 26 januari 2009 (2009/62/EG), in de verordening (EG) van de Raad van 15 juni 2009 (501/2009) en de uitvoeringsverordening (EU) van de Raad van 22 december 2009 (1285/2009). Bij die beslissingen en verordeningen is telkens tevens het voorgaand besluit/de voorgaande verordening ingetrokken Bij uitvoeringsverordening (EU) van de Raad van 12 juli 2010 (610/2010) is de plaatsing van de LTTE op de lijst herhaald (onder punt 17) en de uitvoeringsverordening van 22 december 2009 ingetrokken. Eerst in 2011 heeft mr. Koppe zijn verzoek ingediend bij het Gerecht.

Elk van de plaatsingen die voor de tenlastelegging van belang zijn -dus die van 29 juni 2007 tot en met die van 22 december 2009- heeft formele rechtskracht gekregen. Er is geen grond om aan te nemen dat het Gerecht de plaatsingsbesluiten/-verordeningen die vóór het verzoek al waren ingetrokken met terugwerkende kracht hun geldigheid zal ontzeggen. Van al die besluiten/verordeningen was immers kenbaar dat de LTTE op de lijst stond en wat de redenen daarvoor waren. Daartegen is telkens niet opgekomen, terwijl er geen gronden zijn om te oordelen dat dat - kort gezegd: anders dan in het arrest van het Hof van 29 juni 2010, C-550/09 - niet (eerder) mogelijk was. Zou het Gerecht komen tot een opheffing, waaraan naar haar aard geen terugwerkende kracht toekomt, dan zal dat geen van de plaatsingen die voor de tenlastelegging van belang zijn raken, zodat een aanhouding met het oog daarop evenmin aan de orde is.

Prejudiciële vraag

Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen over de aard van het conflict en de toepasselijke rechtsregels alsmede bij de beoordeling van het onder 1.A. ten laste gelegde feit, ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak aan te houden om zelf een prejudiciële vraag te stellen.

[getuige 1]

De rechtbank zal de behandeling evenmin aanhouden voor verhoor van de getuige [getuige 1]. De verdediging heeft bij het horen van deze getuige geen belang meer, nu de rechtbank de bij hem aangetroffen stukken van overtuiging niet voor het bewijs zal gebruiken. Voorts kan een verklaring van deze getuige over zijn plea bargain op geen enkele wijze relevant worden geacht voor enige door de rechtbank in deze zaak te nemen beslissing zodat verdachte door het achterwege laten van dit verhoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Schorsing der vervolging

De verdediging heeft schorsing der vervolging verzocht. Voor een schorsing der vervolging is, reeds gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het verzoek van mr. Koppe aan het Gerecht in Luxemburg, evenmin grond.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

Er is bepleit dat er een aantal gronden is om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging.

Daartoe is aangevoerd dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest omdat er jegens de verdachten een onderzoek is geweest van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna ook: AIVD) dat ten onrechte gepresenteerd is als een onderzoek naar de LTTE op grond van de zogenaamde A-taak van de AIVD als bedoeld in artikel 6 lid 2 onder a van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna ook: WIV) maar in feite een onderzoek betrof om het starten van een strafrechtelijk onderzoek te faciliteren of te vergemakkelijken, hetgeen naar het oordeel van de verdediging onacceptabel is. Bovendien valt niet uit te sluiten dat de AIVD bij zijn onderzoek heeft samengewerkt met of informatie heeft ontvangen van de Sri Lankaanse inlichtingendiensten, die als een discutabele bron hebben te gelden. Voorts heeft het openbaar ministerie, nadat het AIVD-onderzoek al was afgesloten, aan de AIVD gevraagd actief onderzoek te verrichten aan door het openbaar ministerie aan de AIVD ter beschikking gestelde DVD's, waardoor naar het oordeel van de verdediging de door de Hoge Raad gestelde grenzen tussen opsporings- en inlichtingenwerk verder zijn afgebrokkeld.

Voorts is aangevoerd dat er sprake is van discriminatoire vervolging, omdat het onderzoek eenzijdig gericht is geweest op de verdachten maar geen onderzoek naar wreedheden begaan door het Sri Lankaanse regime heeft plaatsgevonden.

Verder is bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat op verregaande wijze is samengewerkt met de autoriteiten van Sri Lanka, die naar de mening van de verdediging een discutabele reputatie op het gebied van mensenrechtenschendingen hebben. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het uit Sri Lanka afkomstige bewijsmateriaal -in het bijzonder schriftelijke bescheiden die bij zogenaamde affidavits zijn overgelegd alsmede getuigenverklaringen- dient te worden beschouwd als voortkomend uit marteling. Naar het oordeel van de verdediging is het belang van het absoluut verbod op marteling dusdanig groot, dat dit op zich al de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie rechtvaardigt. Voorts werd het door de Sri Lankaanse autoriteiten aan de verdediging niet toegestaan bij het verhoor door de rechter-commissaris van in Sri Lanka verblijvende getuigen aanwezig te zijn. Omdat de rechter-commissaris volgens de verdediging niet al het mogelijke heeft gedaan er voor te zorgen dat deze getuigen toch in bijzijn van de verdediging konden worden gehoord dan wel onvoldoende compensatoire maatregelen heeft geboden, dient ook om die reden niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie te volgen.

Naar de mening van de verdediging dient het feit dat openbaar ministerie zich heeft schuldig gemaakt aan zogenaamde parallelle opsporing door in Noorwegen de getuige [getuige 2] te horen op een moment dat het verhoor van die getuige door de verdediging was gevraagd en was toegewezen eveneens te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien de verdediging daardoor op achterstand is gezet.

Tenslotte is nog betoogd dat Nederland geen rechtsmacht heeft over een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van commune of terroristische misdrijven in het buitenland, in het bijzonder als sprake is van sterk afwijkende omstandigheden in vergelijking met de Nederlandse rechtsorde, zoals een gewapend conflict en/of een niet democratische rechtsorde waarin sprake is van repressie en mensenrechtenschendingen, hetgeen eveneens dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.

Het oordeel van de rechtbank

De eerste vier niet-ontvankelijkheidsverweren komen er in de kern op neer dat er naar het oordeel van de verdediging sprake is van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. in het voorbereidend onderzoek. Ingevolge artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder vormverzuimen wordt verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen (artikel 132a Sv).

Beoordelingskader

Artikel 359a Sv luidt voorzover hier van belang als volgt:

1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

(....);

c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Naar vaste jurisprudentie (arrest Hoge Raad van 30 maart 2004, NJ 2004, 376, LJN AM2533, en recent nog herhaald in arrest Hoge Raad van 20 september 2011, LJN BR0554) heeft het voorbereidend onderzoek uit artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

Voorts heeft artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op onherstelbare vormverzuimen. Ingeval het vormverzuim is hersteld of alsnog kan worden hersteld, is deze bepaling niet van toepassing. Indien binnen bovenstaande grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

De eerste factor is 'het belang dat het geschonden voorschrift dient'.

De tweede factor is 'de ernst van het verzuim'. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.

De derde factor is 'het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt'. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Vooropgesteld zij dat -gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv- het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen. Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht, en biedt mede in het licht van de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld, de mogelijkheid af te zien van het toepassen van een van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van artikel 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte (vergelijk Hoge Raad 23 januari 2001, NJ 2001, 327).

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank zal de gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren per onderdeel binnen het hierboven geschetste kader beoordelen en beslissen.

Het AIVD-onderzoek

De rechtbank stelt voorop dat ambtenaren van de AIVD geen "met opsporing of vervolging belaste ambtenaren" zijn en dat de AIVD geen opsporingsonderzoek naar strafbare feiten verricht. De controle op het werk van de AIVD ligt om die reden niet bij de strafrechter maar bij de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie beperkingen in/aan de eigen opsporingsbevoegdheden of aan die bevoegdheden verbonden waarborgen heeft omzeild door de AIVD zijn bevoegdheden ten behoeve van de strafvordering te laten uitoefenen en de resultaten daarvan via een ambtsbericht aan de landelijk officier van justitie voor terrorismebestrijding in het strafrechtelijk onderzoek te laten inbrengen. Ook is niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie op enig moment bewust gebruik heeft gemaakt van mogelijk onbevoegd door de AIVD verkregen informatie. Dat de AIVD onderzoek heeft verricht aan door het openbaar ministerie aan die dienst aangeleverde DVD's maakt dat niet anders. Het betrof hier immers DVD's die rechtmatig, te weten tijdens doorzoekingen onder leiding van diverse rechters-commissaris, in beslag waren genomen en geen rechtsregel belet het openbaar ministerie voor onderzoek daaraan de bijstand van de AIVD te vragen.

Het verweer moet dus worden verworpen.

Discriminatoire vervolging

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Nog daargelaten dat vervolging van een vreemde mogendheid afstuit op volkenrechtelijke immuniteit, heeft te gelden dat het, gelet op het in Nederland geldende opportuniteitsbeginsel, de officier van justitie is die na een opsporingsonderzoek de belangenafweging verricht of en zo ja wie waarvoor vervolgd dient te worden. De wijze waarop -in geval van vervolging- deze belangenafweging heeft plaatsgevonden staat in zijn algemeenheid niet ter beoordeling van de rechter. Dit beginsel leidt slechts uitzondering in het geval waarin het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten of wanneer anderszins sprake is van strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. De verdediging heeft weliswaar gesteld dat het openbaar ministerie bij de beslissing om deze verdachten te vervolgen heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur, het evenredigheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces, maar heeft deze stelling niet op rechtens relevante wijze onderbouwd. De rechtbank heeft voor een dergelijke handelwijze in het dossier ook geen enkele aanwijzing gevonden. Het verweer wordt verworpen.

Samenwerking met de autoriteiten van Sri Lanka

De rechtbank is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat in de periode voorafgaand aan het aantreffen en vervolgens in beslag nemen van bewijsmateriaal, dat naderhand na een daartoe strekkend rechtshulpverzoek aan de Nederlandse opsporingsambtenaren is overhandigd, door de Sri Lankaanse autoriteiten in het gebied waar dat bewijsmateriaal is aangetroffen ernstige mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden en dat daarbij mogelijk sprake is geweest van marteling of foltering. Het is echter niet aannemelijk geworden dat de inhoud van dat bewijsmateriaal is verkregen door marteling of foltering en evenmin blijkt van enige relatie tussen marteling of foltering en het overleggen van dat bewijsmateriaal. Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van verklaringen van getuigen die in aanwezigheid van de Nederlandse officier van justitie of door de Nederlandse rechter-commissaris op Sri Lanka zijn gehoord.

De rechtbank betreurt met het openbaar ministerie en de verdediging dat de Sri Lankaanse autoriteiten geen toestemming hebben gegeven voor hun aanwezigheid bij de getuigenverhoren door de rechter-commissaris op Sri Lanka. De rechter-commissaris heeft echter al het mogelijke in het werk gesteld om die aanwezigheid te realiseren en heeft vervolgens duidelijk uitgelegd waarom dit helaas toch niet lukte. Vervolgens heeft de rechter-commissaris voldoende compensatoire maatregelen geboden door het openbaar ministerie en de verdediging in de gelegenheid te stellen schriftelijke vragen op te geven. De rechter-commissaris heeft zorgvuldig gemotiveerd waarom hij niet alle opgegeven vragen heeft gesteld.

Er is geen sprake van dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Parallelle opsporing

De rechtbank heeft bij de pro formazitting van 14 april 2011 overwogen dat het ten aanzien van getuigen die door de rechter-commisaris of de rechtbank reeds zijn toegewezen in algemene zin niet wenselijk is dat getuigen die door de rechter-commissaris gehoord gaan worden vóór die tijd in een parallel opsporingsonderzoek gehoord worden. De getuige [getuige 2] is als reeds toegewezen getuige in een parallel opsporingsonderzoek gehoord. Er is, wat er verder ook zij van de wenselijkheid, geen specifieke rechtsregel die zich tegen een dergelijk verhoor verzet, terwijl het ook in algemene zin niet aannemelijk is geworden dat dit horen is geschied met het vooropgezette doel verdachte in zijn verdediging te schaden. Ook dit verweer wordt dus verworpen.

Ontbreken rechtsmacht

De rechtbank volgt de verdediging niet in de niet nader onderbouwde stelling dat het openbaar ministerie geen rechtsmacht zou hebben ten aanzien van een internationale criminele organisatie, die het oog heeft op het plegen van terroristische misdrijven als ten laste gelegd onder feit 1.A. of een nationale criminele organisatie als ten laste gelegd onder feit 2 die als oogmerk heeft het plegen van commune misdrijven (al dan niet in het buitenland), in het bijzonder als sprake is van sterk afwijkende omstandigheden in vergelijking met de Nederlandse rechtsorde, zoals een gewapend conflict en/of een niet democratische rechtsorde waarin sprake is van repressie en mensenrechtenschendingen, aangezien deze stelling geen steun vindt in het recht.

Ten aanzien van de internationale criminele organisatie als genoemd in feit 1.B. die het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven als bedoeld in de Wim en gewone misdrijven, die blijkens de kennelijke strekking van de tenlastelegging zijn gepleegd op Sri Lanka gedurende een gewapend conflict, zal de rechtbank hierna haar oordeel uiteen zetten.

Aard van het conflict en toepasselijke rechtsregels

De onder 1.A. en 1.B. ten laste gelegde feiten zijn gebaseerd op de artikelen 46, 83, 83a, 83b, 140 en 140a Sr. De tekst van deze artikelen, gemerkt B, is aan dit vonnis gehecht.

Ingevolge het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2002/475/JBZ) heeft Nederland de betreffende regelgeving in haar wetgeving opgenomen. De onder 1.A. in de tenlastelegging vermelde feiten betreffen de in het kaderbesluit omschreven regelgeving. In de overwegingen die tot dit kaderbesluit hebben geleid is onder 11 opgenomen:

"Dit kaderbesluit is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch is het van toepassing op de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voorzover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht."

Op 27 december 2001 is door de Raad Verordening (EG) nr. 2580/2001 vastgesteld inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme. Deze verordening betreft het nemen van maatregelen om te verbieden dat tegoeden en andere financiële of economische middelen aan bepaalde personen en entiteiten ter beschikking worden gesteld en om te verbieden dat financiële of andere verwante diensten aan deze personen en entiteiten worden verleend (overweging 4 van de verordening). In artikel 2 van die verordening is de lijst opgenomen van personen en entiteiten jegens welke dergelijke maatregelen worden genomen. Op 27 december 2001 heeft de Raad een gemeenschappelijk standpunt ingenomen betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme. Sinds 26 mei 2006 houdt het gemeenschappelijk standpunt van de Raad in dat in de lijst van groepen en entiteiten is vermeld "Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)". De 24 gebeurtenissen die hebben geleid tot plaatsing en handhaving van de LTTE op de lijst hebben plaatsgevonden in de periode van 12 augustus 2005 tot en met 12 juni 2010 (stuk A08-0573/0574). Tot het indienen door de LTTE, gevestigd te Herning in Denemarken met mr. V.L. Koppe als gemachtigde, van een verzoek van 11 april 2011 aan de Raad om de plaatsing van de LTTE op de lijst ongedaan te maken en om te bepalen dat de Verordening (EG) nr. 2580/2001 niet van toepassing is op de LTTE is er geen rechtsmiddel ingesteld tegen de plaatsing van de LTTE op de lijst.

In de wetsgeschiedenis van de Wet internationale misdrijven (verder: Wim) is onder meer het navolgende vermeld:

Memorie van Toelichting

bladzijde (verder: blz.) 12:

"Het vaststellen van het bestaan van een gewapend conflict vereist een analyse van de feitelijke situatie, gebaseerd op de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen worden verricht.

...

Deze analyse is moeilijker te maken in het geval van een niet-internationaal gewapend conflict. Het zou immers onwenselijk zijn indien personen die het oneens zijn met hun regering, handelingen die geoorloofd zijn als oorlogsdaad, maar strafbaar onder het recht dat van toepassing is onder normale omstandigheden, door het uiten van al dan niet ideologische doelstellingen buiten het bereik van het toepasselijke strafrecht kunnen brengen. Omgekeerd zou het evenzo onwenselijk zijn indien een staat door het ontkennen van een gewapend conflict zich niet belemmerd zou hoeven te voelen door de toepasselijke regels van het humanitair oorlogsrecht in het bestrijden van de tegenpartij in een burgeroorlog. Protocol II en het Statuut van het Internationale Strafhof bevatten dan ook enige aanknopingspunten voor de afweging en beoordeling of een situatie een niet-internationaal gewapend conflict is."

blz.13:

"Uit het bovenstaande blijkt dat al dan niet gewapende handelingen van groeperingen in het kader van bijvoorbeeld de (georganiseerde) misdaad niet snel te kwalificeren zullen zijn als een niet-internationaal gewapend conflict, zij het dat een en ander afhankelijk is van de doelstelling van de groeperingen. Legitieme gevechtshandelingen van vrijheidsstrijders in het kader van het recht op zelfbeschikking kunnen daarentegen uiteraard wel aanleiding geven tot een dergelijke kwalificatie."

Voorlopig verslag van de vaste commissie voor justitie (Eerste Kamer):

blz.4:

"In de memorie van toelichting wordt voorts opgemerkt, dat al dan niet gewapende handelingen van groeperingen in het kader van bijvoorbeeld georganiseerde misdaad niet snel kunnen kwalificeren als een niet-internationaal gewapend conflict. Denkend aan de al jarenlang voortdurende situatie in Columbia, vroegen de leden van het CDA-fractie of dit niet een voorbeeld is van een land dat binnen zijn grenzen een organisatie kent, de FARC, die vanwege de bindingen met drugshandel en andere vormen van georganiseerde criminaliteit in de regio, met name in het Caraïbisch gebied, zich toch wel degelijk kwalificeert als een organisatie waarvan handelingen onder de werking van in ieder geval artikel 6 van het onderhavige wetsvoorstel zou kunnen worden gebracht."

Memorie van antwoord:

blz.5:

"De leden van de CDA-fractie vragen zich af welke betekenis uitspraken van internationale of regionale organisaties kunnen hebben bij de beslissing dat een gewapend conflict bestaat. De regering is van mening dat zulke uitspraken uiteraard een belangrijke indicatie vormen van hoe de internationale gemeenschap een conflict beschouwt, niettemin zijn zulke uitspraken niet definitief en moet de behandelende instantie daarover zelf een beslissing nemen. De enige uitzondering op deze stelling zou kunnen zijn uitspraken van de Veiligheidsraad onder hoofdstuk VII van het VN Handvest.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de FARC in Colombia kan kwalificeren als een organisatie waarvan de handelingen onder de werking van artikel 6 zouden kunnen worden gebracht. De regering blijft van mening dat al dan niet gewapende handelingen van groeperingen in het kader van georganiseerde misdaad niet snel kunnen kwalificeren als een niet-internationaal gewapend conflict. Met betrekking tot de situatie in Colombia, acht de regering het voorts niet verstandig om over specifieke situaties thans haar mening te geven."

Voor de beoordeling van de onder 1.A. en 1.B. ten laste gelegde feiten is dus van belang wat de aard van het conflict tussen de strijdkrachten van de Singalese regering en de strijdkrachten van de LTTE was en dient de Nederlandse rechter dit in beginsel zelfstandig vast te stellen. De Nederlandse rechter is op dit punt dan ook niet gebonden aan hetgeen de Raad hierover heeft geoordeeld.

De rechtbank hecht er aan reeds hier op te merken dat dit niet geldt voor de onder 3. en 4. ten laste gelegde feiten, omdat het daar gaat om Nederlandse wetgeving, waarbij de gegeven verbodsbepaling rechtstreeks afhankelijk is gesteld van hetgeen de Raad beslist.

De strijdkrachten van de LTTE waren vergelijkbaar met die van regeringsstrijdkrachten. De strijd droeg niet de kenmerken van interne ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadisch voorkomende daden van geweld en andere handelingen van soortgelijke aard, die niet zijn te beschouwen als gewapende conflicten.

Het ging hier dus om een gewapend conflict.

Zoals eerder is vastgesteld was de doelstelling van de LTTE gedeeltelijke of gehele zelfstandigheid van de Tamilbevolking te bereiken en beschikte de LTTE over een eigen gebied met bevolking waarover zij effectieve controle uitoefende, eigen strijdkrachten, een eigen rechterlijke macht en een eigen belastingheffingsysteem. Het bezat eigenlijk alle kenmerken van een zelfstandige staat, behoudens een relevante internationale erkenning als zodanig.

De conclusie is dat het hier een niet-internationaal gewapend conflict betrof, tenzij -zoals door de verdediging bepleit- de toenmalige regering van Sri Lanka behoort tot "racist régimes" in de zin van artikel 1, vierde lid, van het aanvullend Protocol I van 8 juni 1977 (verder Protocol I) behorend bij de Conventies van Genève van 12 augustus 1949.

Artikel 1, vierde lid, van Protocol I luidt:

"The situations referred to in the preceding paragraph include armed conflicts in which peoples are fighting against colonial domination and alien occupation and against racist régimes in the exercise of their right of self-determination, as enshrined in the Charter of the United Nations and the Declaration on Principles of International Law concerning Friendly Relations and Co-operation among States in accordance with the Charter of the United Nations."

In de door het Nederlandse Rode Kruis in 2006 uitgegeven Nederlandse vertaling:

"De situaties, bedoeld in het voorgaande lid, omvatten mede gewapende conflicten waarin volkeren vechten tegen koloniale overheersing en vreemde bezetting en tegen racistische regimes, in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking zoals neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties en in de Verklaring betreffende de beginselen van het volkenrecht inzake vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen de Staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties."

Protocol I geeft geen definitie van een "racistisch regime". Ook de conventies zelf en de commentaren geven geen nadere omschrijving. Wel is enige verduidelijking te vinden op de website van het International Committee of the Red Cross bij de uitleg van dit artikel in het slot van paragraaf 112, waar is vermeld:

"finally, the expression "racist régimes" covers cases of régimes founded on racist criteria. ... The third implies, if not the existence of two completely distinct peoples, at least a rift within a people which ensures hegemony of one section in accordance with racist ideas."

Het internationaal recht kent wel een definitie van "rassendiscriminatie". Daaronder wordt verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming die ten doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid, van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, of op andere terreinen van het openbare leven, teniet te doen of aan te tasten, dan wel de tenietdoening of aantasting daarvan ten gevolge heeft. (Artikel 1 lid 1, Internationaal verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, 1965)

Niet elke rassendiscriminatie door een staat kan echter leiden tot het oordeel dat er sprake is van een racistisch regime in de zin van artikel 1, vierde lid, van Protocol I. De verdragsluitende partijen hadden bij deze bepaling een hogere drempel voor ogen.

In 1973, enkele jaren voor het aannemen van Protocol I werd in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 3103 (XXVIII) aangenomen, getiteld "Basic principles of the legal status of the combatants struggling against colonial and alien domination and racist régimes". Deze resolutie plaatst een racistisch regime in het kader van apartheid en raciale onderdrukking. Dit blijkt uit de preambule, waarin staat "Stressing that the policy of apartheid and racial oppression has been condemned by all countries and peoples, and that the pursuing of such policy has been recognized as an international crime," en ook uit de omstandigheid dat in dezelfde Algemene Vergadering het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding en bestraffing van de misdaad van apartheid werd aangenomen.

Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat er sprake was van rassendiscriminatie tegen Tamils op Sri Lanka, maar de verdediging heeft niet voldoende onderbouwd dat de staat Sri Lanka aan te merken was als een racistisch regime en dit is ook overigens niet aannemelijk geworden. Ook door verschillende toezichthoudende organen van VN-verdragen is wel rassendiscriminatie van Tamils vastgesteld (zie bijvoorbeeld de concluding observations van het VN-comité voor het vrouwenverdrag in 2002, A/57/38, paragraaf 268 en de concluding observations van het VN-comité voor het verdrag inzake rassendiscriminatie in 2001, A/56/18, paragraaf 332 t/m 338), maar wordt niet de conclusie getrokken dat sprake was van een "racistisch regime". Protocol I is dan ook niet van toepassing.

Dit heeft tot gevolg dat op het conflict en de gevoerde strijd van toepassing zijn het gemeenschappelijk artikel 3 van de Conventies van Genève van 12 augustus 1949 alsmede van het aanvullend Protocol II van 8 juni 1977 (verder Protocol II). De regering van Sri Lanka heeft de Conventies op 28 februari 1957 geratificeerd. Zij heeft weliswaar Protocol II niet geratificeerd en is niet toegetreden daartoe, maar zij is daaraan wel gebonden, omdat de daarin opgenomen regels inmiddels internationaal gewoonterecht zijn. Ook de LTTE was en is aan die regels gebonden. Dit laatste wordt ondersteund door niet bestreden openbare bronnen, waaruit blijkt dat de LTTE op 24 februari 1988 een verklaring bij het hoofdkwartier van de Verenigde Naties en het Internationale Comité van het Rode Kruis heeft afgelegd dat zij de Geneefse Conventies en de aanvullende Protocollen accepteerde (zie het op 14 april 2011 door mr. Buruma aan de rechtbank overgelegde memo met bijlagen, dat zich in het dossier bevindt).

Nederland heeft de Geneefse Conventies op 3 augustus 1954 en de beide aanvullende Protocollen op 26 juni 1987 geratificeerd.

Beoordeling van het onder 1.A. ten laste gelegde feit

Gevolg van de toepasselijke rechtsregels

Nu in het tenlastegelegde onder 1.A. feiten omschreven zijn die alle verband houden met het niet-internationaal gewapend conflict kan er geen sprake zijn van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. Het is weliswaar mogelijk dat incidenteel bepaalde gewelddadige acties, uitgevoerd door leden van de LTTE, alle kenmerken van een terroristisch misdrijf vertonen en tevens niet of onvoldoende verband houden met het gewapend conflict (dergelijke acties zijn op grond van het dossier niet komen vast te staan), zodat dergelijke acties mogelijk terroristische misdrijven opleveren, maar dergelijke incidentele acties hebben niet tot gevolg dat de LTTE reeds daardoor als een terroristische organisatie moet worden beschouwd. Zou dit anders zijn dan zouden de in de Geneefse Conventies en Protocol II toegekende rechten ten onrechte aan personen kunnen worden onthouden. Verdachte dient daarom van het onder 1.A. tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Beoordeling van het onder 1.B. ten laste gelegde feit

Geldigheid van de dagvaarding

De onderdelen van het onder 1.B. ten laste gelegde betreffen met uitzondering van de punten a. (het werven voor gewapende strijd (op Sri Lanka), zonder toestemming van de Koning) en d. (het voorhanden hebben en/of dragen van één of meer wapens en/of munitie van de categorieën II en of III) misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven als bedoeld in de Wim en gewone misdrijven, die blijkens de kennelijke strekking van de tenlastelegging zijn gepleegd op Sri Lanka gedurende het gewapend conflict.

Met betrekking tot de onderdelen a. en d. is de tenlastelegging te vaag voor zover het betreft het ten laste gelegde "elders in de wereld", omdat op deze wijze niet getoetst kan worden of deze onderdelen voldoen aan de eis van dubbele strafbaarheid. In zoverre is er sprake van nietigheid van de tenlastelegging die nietigheid van de dagvaarding in dit opzicht meebrengt.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ten aanzien van de andere onderdelen dient de rechtbank de ontvankelijkheid van de officier van justitie te onderzoeken. Hierbij is in de eerste plaats van belang het bepaalde in artikel 6 van Protocol II.

Artikel 6 van Protocol II

Artikel 6, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b, van Protocol II luidt:

"Art 6. Penal prosecutions

1. This Article applies to the prosecution and punishment of criminal offences related to the armed conflict.

2. No sentence shall be passed and no penalty shall be executed on a person found guilty of an offence except pursuant to a conviction pronounced by a court offering the essential guarantees of independence and impartiality.

In particular:

...

(b) no one shall be convicted of an offence except on the basis of individual penal responsibility;

...".

In de door het Nederlandse Rode Kruis in 2006 uitgegeven Nederlandse vertaling:

"Strafrechtelijke vervolgingen

1. Dit artikel is van toepassing op de vervolging en de bestraffing van strafbare feiten, verband houdende met het gewapend conflict.

2. Geen veroordeling mag worden uitgesproken en geen straf mag ten uitvoer worden gelegd met betrekking tot een persoon die schuldig wordt bevonden aan een strafbaar feit, behalve op grond van een voorafgaand vonnis, gewezen door een rechtbank die essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt. In het bijzonder:

...

b. mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid;

..."

In het Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 of the Geneva Conventions of 12 August 1949, afkomstig van het International Committee of the Red Cross, is hierover te lezen:

"Sub-paragraph' (b) - The principle of individual responsibility

4603 This sub-paragraph lays down the fundamental principle of individual responsibility; a corollary of this principle is that there can be no collective penal responsibility for acts committed by one or several members of a group. This principle is contained in every national legislation. It is already expressed in [p.1399] Article 33 of the fourth Convention, where it is more elegantly worded as follows: "No protected person may be punished for an offence he or she has not personally committed". The wording was modified to meet the requirement of uniformity between the texts in the different languages and, in this particular case, with the English terminology ("individual penal responsibility"). Article 75, paragraph 4(b), of Protocol I, lays down the same principle."

In de Official Records of the Diplomatic Conference on the Reaffirmation and Development of International Humanitarian Law Applicable in Armed Conflicts, Geneva (1974 - 1977), VolumeVII, is ten aanzien van artikel 6 van Protocol II in de paragrafen 56 tot en met 102 op de bladzijden 92 tot en met 97 verslag gedaan van de discussie omtrent dit artikel (in het concept nog artikel 10) en de implicaties van deze bepaling voor de verschillende nationale wetgevingen. Het huidige artikel 6 is vervolgens in consensus aanvaard. Nederland heeft alleen met betrekking tot artikel 5 van het concept een stemverklaring afgegeven (zie bladzijde 101).

De rechtbank leidt hieruit af dat de aan de conferentie deelnemende staten, waaronder Nederland, onder ogen hebben gezien dat door artikel 6, tweede lid aanhef en onder b, van Protocol II mogelijk inbreuk wordt gemaakt op de nationale regelgeving met betrekking tot de mogelijkheid om bepaalde strafbare feiten te vervolgen en dat dit vervolgingsbeletsel is aanvaard.

Deze bepaling heeft tot gevolg dat iemand voor met het gewapend conflict verband houdende strafbare feiten wél kan worden vervolgd voor door hem begane strafbare feiten, indien deze door hem zelf zijn gepleegd dan wel in een of andere vorm van deelneming, waaronder begrepen de aansprakelijkheid van de meerdere (de zogenaamde command responsibility), zijn gepleegd, maar níet voor strafbare feiten waarvoor dit niet geldt.

In het onder 1.B. tenlastegelegde wordt verdachte niet verweten dat hij zelf of in een of andere vorm van deelneming de daarin opgenoemde onderdelen heeft gepleegd. Er is daarom ten aanzien van het onder 1.B. tenlastegelegde op grond van het in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b., van Protocol II bepaalde in beginsel sprake van een vervolgingsbeletsel voor het openbaar ministerie.

De officier van justitie heeft met juistheid aangevoerd dat het lidmaatschap van een criminele organisatie een individuele verantwoordelijkheid is, tegen de vervolging waarvan artikel 6, tweede lid, van Protocol II zich naar de letter niet verzet. Het sanctioneren van een vervolging op basis van artikel 140 Sr. betreffende een organisatie die het oogmerk heeft misdrijven te plegen (dus enkel op basis van het individuele besluit lid te worden of te blijven van een dergelijke organisatie), welke misdrijven verband houden met een niet-internationaal gewapend conflict, zonder dat verder enige individuele aansprakelijkheid voor het begaan van de betreffende misdrijven is vereist, zou echter in wezen een omzeiling van en dus een inbreuk op het hiervoor in artikel 6 van Protocol II beoogde vervolgingsverbod betekenen. Een dergelijke inbreuk kan niet worden aanvaard.

Ten aanzien van de onderdelen a. en d. ligt dit anders voor zover deze onderdelen in Nederland zouden zijn gepleegd, nu Nederland in geen enkel opzicht partij in dit gewapend conflict is geweest en het hier misdrijven betreft die rechtstreeks de Nederlandse rechtsorde raken.

De rechtbank heeft verder nog onderzocht of er op grond van de Nederlandse regelgeving in de Wim of naar aanleiding van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof in samenhang met de rechtspraak van internationale tribunalen aanleiding zou kunnen zijn om tot de conclusie te komen, dat ondanks afwezigheid van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid, toch tot vervolging voor misdrijven samenhangend met een niet-internationaal gewapend conflict kan worden overgegaan.

Wim

In de wetsgeschiedenis van de Wim is onder meer het navolgende vermeld:

Memorie van Toelichting

blz. 5:

"Voor <<vertaling>> in eigen Nederlandse delictomschrijvingen is voorts niet gekozen, omdat dit het risico in zich zou bergen dat de Nederlandse wet zou afdrijven van de internationaal gehanteerde invulling van de misdrijven. Dit is niet wenselijk. De Nederlandse rechter dient zich dan ook voor de invulling van delictsbestanddelen (objectieve en subjectieve) en voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid te oriënteren op het internationale recht dienaangaande, zoals onder andere neergelegd in het Statuut van het Internationaal Strafhof en de op de voet van artikel 9 van het Statuut van het Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, die dienen als hulpmiddel bij de interpretatie van de misdrijven ..."

blz. 25:

Behoudens enkele uitzonderingen zijn de algemene regels van het commune strafrecht ook van toepassing bij de berechting van de internationale misdrijven (zie ook artikel 91 Sr.). Hierbij wordt in het bijzonder gedoeld op de regels betreffende legaliteitsbeginsel, poging en voorbereiding, deelneming, samenloop, ne bis in idem, verjaring e.d.

...

Over het geheel genomen hebben deze regels van het Statuut eenzelfde strekking en beogen ze dezelfde belangen en rechten te beschermen als de pendanten in ons Wetboek van Strafrecht. Op onderdelen zijn ze echter anders geformuleerd en kunnen de criteria en grenzen iets anders liggen. Op de overeenkomsten en verschillen tussen de beginselen uit het Statuut en de algemene beginselen van het Nederlandse strafrecht wordt hier kort ingegaan.

..."

blz. 26:

"Artikel 25, derde lid, van het Statuut bevat de deelnemings- en onvolkomen delictsvormen die tot individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid ten overstaan van het Strafhof kunnen leiden. Het gaat om:

...

d. opzettelijk bijdragen aan het plegen van misdrijven door een groep;

wat hier nadrukkelijk niet is bedoeld - en door de opstellers van het Statuut zelfs bewust is vermeden - is het algemeen strafbaarstellen van het louter samenspannen tot het plegen van een misdrijf uit het Statuut (de bepaling is te onzent vergelijkbaar met artikel 140, eerste en derde lid, Sr; vervolging van zodanig handelen zal soms ook kunnen worden gebaseerd op een deelnemingsfiguur, bijvoorbeeld medeplichtigheid) (onderstreping van de rechtbank);

..."

blz. 29:

"Het complementariteitsbeginsel eist dat staten hun autoriteiten in staat stellen om de misdrijven zoals omschreven in het Statuut zelf te vervolgen en berechten. Dit beginsel eist naar de mening van de regering niet dat zij aan die berechting dezelfde (formeel- en materieelrechterlijk) voorwaarden en eisen stellen als het Statuut voor de berechting door het Strafhof kent. Dit lijkt ook onwenselijk; het zou onpraktisch zijn en tot onnodige onzekerheid leiden indien de Nederlandse rechter voor de berechting van internationale misdrijven deelnemingsbepalingen en strafuitsluitingsgronden zou moeten toepassen die even iets anders luiden dan de bepalingen waarmee hij is gewend te werken. Ook een rechtstreeks beroep van een verdachte in een Nederlandse strafzaak op een bepaling uit deel 3 van het Statuut, met voorbijgaan aan de desbetreffende Nederlandse bepalingen, is naar het oordeel van de regering niet mogelijk.

...

Een en ander laat overigens onverlet dat de Nederlandse bepalingen in de context van internationale misdrijven, zoals gezegd, soms een wat andere invulling of <<inkleuring>> kunnen krijgen. Dit kan aan de rechter worden overgelaten."

blz. 38/39:

"Artikel 2

...

Het tweede lid ... breidt de rechtsmacht uit tot een aantal delicten, in het buitenland gepleegd, die in nauw verband staan tot een in paragraaf 2 omschreven misdrijf (opruiing tot zo'n misdrijf, aanbod tot medeplichtigheid, heling). Daaraan toegevoegd is nu artikel 140 Sr, het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als omschreven in paragraaf 2. Waar bijvoorbeeld een misdrijf tegen de menselijkheid in het buitenland door wie dan ook begaan hier vervolgbaar wordt, dient naar de mening van de regering hetzelfde te gelden voor het door middel van een criminele organisatie bijdragen aan het plegen van zo'n misdrijf. Verder zijn in het tweede lid de nieuwe artikelen betreffende witwassen toegevoegd (artikel 420bis tot en met 420quater; ...)."

blz. 41:

"Wat moet worden verstaan onder een wijdverspreide of stelselmatige aanval tegen een burgerbevolking ? ... Wel is vereist dat de verdachte op de hoogte moet zijn van de aanval gericht tegen de burgerbevolking."

Nota naar aanleiding van het verslag:

blz. 13:

"Het tweede lid van artikel 2 biedt geen zelfstandige rechtsmachtgrondslag, maar breidt de in het eerste lid vervatte rechtsmachtgrondslagen uit tot een aantal commune delicten die in nauw verband staan tot een internationaal misdrijf (bijvoorbeeld opruiing tot een misdrijf tegen de menselijkheid). De voorwaarden waaronder rechtsmacht kan worden uitgeoefend blijven evenwel gelijk (dat wil zeggen, voor wat betreft onderdeel a, dat de verdachte zich in Nederland bevindt, en wat betreft onder b, dat het slachtoffer een Nederlander is)."

Memorie van antwoord:

blz. 1/2:

"Niets belet de Nederlandse rechter verder om ook rekening te houden met rechtspraak van andere nationale rechters. Wat de Elements of Crimes betreft geldt in dit verband dat zij door de Nederlandse rechter mede bron van oriëntatie zullen kunnen zijn.

...

Hierbij zij aangetekend dat de Elements of Crimes voor het Internationaal Strafhof niet meer (maar ook niet minder) zijn dan hulpmiddelen bij de interpretatie en toepassing van de delictsomschrijvingen in het Statuut ... ."

De Nederlandse wetgever heeft in de Wim dus uitdrukkelijk de doctrine betreffende de joint criminal enterprise (JCE) niet overgenomen. Voorts heeft de vermelding van artikel 140 Sr. in artikel 2 van de Wim slechts de bedoeling de Nederlandse rechtsmacht uit te breiden en niet een nieuwe strafbepaling te formuleren.

Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof

Artikel 25. Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid

1. Het Hof bezit krachtens dit Statuut rechtsmacht over natuurlijke personen.

2. Een persoon die een misdrijf begaat waarover het Hof rechtsmacht bezit is persoonlijk aansprakelijk en strafbaar overeenkomstig dit Statuut.

3.Overeenkomstig dit Statuut is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar voor een misdrijf waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien die persoon:

...

d. op andere wijze meewerkt aan het begaan of een poging tot het begaan van een dergelijk misdrijf door een groep personen die handelt met een gemeenschappelijk doel. Deze medewerking dient opzettelijk te zijn en dient:

i. te worden verleend met het doel de criminele activiteit of het criminele doel van de groep te bevorderen, terwijl een dergelijke activiteit of doel het begaan van een misdrijf betekent waarover het Hof rechtsmacht bezit; of

ii. te worden verleend met kennis van de bedoeling van de groep om het misdrijf te begaan;

...

"Article 25. Individual criminal responsibility

1. The Court shall have jurisdiction over natural persons pursuant to this Statute.

2. Al person who commits a crime within the jurisdiction of the Court shall be individually responsible and liable for punishment in accordance with this Statute.

3. In accordance with this Statue, a person shall be criminally responsible and liable for punishment for a crime within the jurisdiction of the Court if that person:

...

d. In any other way contributes to the commission of attempted commission of such a crime by a group of persons acting with a common purpose. Such contribution shall be intentional and shall either:

i. Be made with the aim of furthering the criminal activity or criminal purpose of the group, where such activity or purpose involves the commission of a crime within the jurisdiction of the Court; or

ii. Be made in the knowledge of the intention of the group to commit the crime;

... ."

In "Commentary on the Rome Statute of the International Criminal Court " onder redactie van Otto Triffterer, tweede druk, Kai Ambos:

blz. 744/747: A. Introduction/General Remarks

"Thus, in contrast to the ILC Draft Codes of Crimes against the Peace and Security of Mankind and the Statutes of the ad hoc Tribunals, paragraph 3 distinguishes between perpetration (subparagraph (a)) and other forms of participation (subparagraphs (b) and (c)), with the latter establishing different degrees of responsibility. This approach confirms the general tendency on comparative criminal law to reject a pure unitarian concept of perpetration (Einheitstätermodell) and to distinguish, at least on the sentencing level, between different forms of participation.

Subparagraphs (d), (e) and (f) provide for expansions of attribution: contributing to the commission or attempted commission of a crime by a group, incitement to genocide, attempt.

Thus, in sum, article 25 para. 3 contains, on the one hand, basic rules of individual criminal responsibility and, on the other, rules expanding attribution (which may or may not still be characterized as specific forms of participation). A grosso modo, an individual is criminally responsible if he of she perpetrates, takes part in or attempts a crime within the jurisdiction of the Court (articles 5-8). It must not be overlooked, however, that criminal attribution in international criminal law has to be distinguished from attribution in national criminal law; while in the latter case normally a concrete criminal result caused by a person's individual act is punished, international criminal law creates liability for acts committed in a collective context and systematic manner; consequently the individual's own contribution to the harmful result is not always readily apparent.

B. Analysis and interpretation of elements

I. Paragraph 1

As far as the jurisdiction over natural persons is concerned, paragraph 1 states the obvious. Already the International Military Tribunal found that international crimes are "committed by men not by abstract entities". However, the decision whether to include "legal" or "juridical" persons within the jurisdiction of the court was controversial. The French delegation argued strongly in favour of inclusion since it considered it to be important in terms of restitution and compensation orders for victims. The final proposal presented to the Working Group was limited to private corporations, excluding states and other public and non-profit organizations. Further, it was linked to the individual criminal responsibility of a leading member of a corporation who was in a position of control and who committed the crime acting on behalf of and with the explicit consent of the corporation and in the course of its activities. Despite this rather limited liability, the proposal was rejected for several reasons which as a whole are quite convincing. The inclusion of collective liability would detract from the Court's jurisdictional focus, which is on individuals. Furthermore, the Court would be confronted with serious and ultimately overwhelming problems of evidence. In addition, there are not yet universally recognized common standards for corporate liability; in fact, the concept is not even recognized in some major criminal law systems. Consequently, the absence of corporate criminal liability in many states would render the principle of complementary (article17) unworkable.

...

III. Paragraph 3

The chapeau repeats paragraph 2 and serves as an introduction to the modes of participation and commission set out in subparagraphs (a) to (f)."

blz. 757:

" (d) "In any other way contributes" to the (attempted) commission ...

"by a group ... acting with a common Purpose"

The whole subparagraph (d) is an almost literal copy of a 1998 Anti-terrorism convention and present a compromise with earlier "conspiracy" provisions, which since Nuremberg have been controversial."

blz. 760:

"(ii) "in the knowledge of the intention of the group"

Alternatively ("or")), the participant must know the intention of the group to commit the crime, i.e., he or she must know that the group plans and wants to commit the crime. The question is whether positive knowledge with regard to the specific crime is required or whether it is sufficient that the participant is aware that a crime will probably be committed. The latter requirement was considered sufficient with regard to aiding and abetting by a Trial Chamber of the ICTY but this precedent is only applicable to subparagraph (c) not to (d) (ii). The subparagraph under examination clearly requires "knowledge of the intention ... to commit the crime", i.e., the participant must be aware of the specific crime intended by the group."

Het Statuut van het Internationaal Strafhof hanteert in artikel 25 lid 3d de rechtsfiguur van de JCE. Deze is ontwikkeld in de jurisprudentie van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sedert 1991 (verder: ICTY), met name in de uitspraak van 15 juli 1999 in de tegen zaak tegen Tadic (overwegingen 227, 228 en 229). Deze rechtspraak over de JCE is verder ontwikkeld en onder meer aan de orde geweest in de uitspraken van het ICTY in de zaken tegen Kvocka (2 november 2001 overwegingen 307, 308, 309; 28 februari 2005 overwegingen 77, 79 tot en met 83 en 86), Krnolejac (15 maart 2002 overwegingen 79 tot en met 83; 17 september 2003 overweging 97) en Brdanin (3 april 2007 overwegingen 427 tot en met 431). Steeds is in die uitspraken vereist een persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten en is de vervolgingsuitsluiting van artikel 6, tweede lid aanhef en onder b, van Protocol II dus niet aan de orde.

Hierboven is reeds overwogen dat er ten aanzien van het onder 1.B. tenlastegelegde op grond van het in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b., van Protocol II bepaalde in beginsel sprake is van een vervolgingsbeletsel voor het openbaar ministerie, behoudens ten aanzien van de onderdelen a. en d. voor zover deze in Nederland zouden zijn begaan en onderdeel c. voor zover deze geen verband houden met het gewapend conflict. Het verder overwogene geeft de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Het openbaar ministerie zal daarom voor het onder 1.B. tenlastegelegde in zijn vervolging niet-ontvankelijk worden verklaard, behoudens ten aanzien van de onderdelen a. en d. voor zover deze in Nederland zouden zijn begaan en onderdeel c. voor zover dit geen verband houdt met het gewapend conflict.

Vrijspraak

Ten aanzien van de onderdelen a. en d. van het onder 1.B. tenlastegelegde voor zover deze in Nederland zouden zijn begaan, heeft de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs aangetroffen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Voor zover het tenlastegelegde onder 1.B.c. ziet op misdrijven tegen de menselijkheid geldt het volgende. Een dergelijk misdrijf kan ook gepleegd worden zonder relatie met een gewapend conflict en in zoverre is de officier van justitie dus ontvankelijk in zijn vervolging. Blijkens het dossier en de toelichting daarop door het openbaar ministerie ter terechtzitting ziet dit onderdeel van de tenlastelegging op het door de LTTE a. vermeende gebruik maken van kindsoldaten, b. vermeende gebruik maken van een zogenaamd menselijk schild en c. vermeende eisen van een financiële bijdrage ingeval iemand het door de LTTE beheerste gebied wenste in te reizen of te verlaten. Met betrekking tot het deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van dergelijke misdrijven is vereist dat er bewijs aanwezig is dat er niet "slechts" sprake is van gebruik maken van kindsoldaten of een zogenaamd menselijk schild (dit zijn oorlogsmisdrijven waarvoor het hierboven omschreven vervolgingsbeletsel van artikel 6, tweede lid aanhef en onder b, van Protocol II geldt) of een financiële bijdrage eisen ingeval van inreizen of uitreizen. In elk geval moet ten aanzien van alle drie de categorieën ook sprake zijn van de in de tenlastelegging omschreven strijd met fundamentele regels van internationaal recht en het gepleegd zijn als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, in dit geval de Tamil burgerbevolking op Sri Lanka. Daarvan heeft de rechtbank onvoldoende overtuigend wettig bewijs gevonden, zodat ook van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.

Beoordeling van de tenlastegelegde opruiingsfeiten

Verdachte wordt in feit 2 verweten dat hij leider/bestuurder of lid was van een criminele organisatie die mede het oogmerk had op - kort gezegd - opruiing en het verspreiden ter opruiing. In feit 5 worden vijf concrete uitlatingen als opruiing tenlastegelegd en in feit 6 wordt een aantal goederen die opruiend zouden zijn en ter verspreiding in voorraad zouden zijn tenlastegelegd. Die laatste feiten zou verdachte tezamen en in vereniging met anderen of alleen hebben gepleegd

Feit 5

Ten aanzien van de uitlatingen onder 5 moet worden geconstateerd dat niet van al die uitlatingen kan worden vastgesteld wat, plegend of medeplegend, verdachtes betrokkenheid daarbij is geweest. Zo zijn de uitlatingen onder b) beschreven als van een mannenstem op de achtergrond (B09-1505) en een via de luidsprekers afgespeeld lied (B09-1508), een en ander tijdens een bijeenkomst op de Dam in Amsterdam (B09-1505). Of verdachte of een van de andere verdachten deze teksten heeft gesproken/gezongen blijkt niet, terwijl evenmin blijkt van enige verantwoordelijkheid voor het op dat moment afspelen van dat lied. Dat de kennisgeving van de bijeenkomst is gedaan door de TKCO (B09-2543) is evenmin voldoende voor het bewijs. Gelet op het navolgende kan dat onderdeel van de bewijsvraag achterwege blijven.

Van een aantal van de uitlatingen moet worden geoordeeld dat ze ontegenzeggelijk een opzwepend karakter hebben. Van de context waarin de uitlatingen gedaan zijn, herdenkingsbijeenkomsten, kan enerzijds gezegd worden dat het herdenken van omgekomen strijders het opzwepend karakter mogelijk versterkt, maar anderzijds ook dat juist dergelijke herdenkingen begrijpelijkerwijs tot enigszins krachtiger taal aanleiding geven. Een directe oproep tot het plegen van strafbare feiten kan daarin niet gevonden worden. Ook de zinsnede 'staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen' kan onder de gegeven omstandigheden, waaronder de geografische, evenmin als zodanig geduid worden. Indien een uitlating begrepen zou kunnen worden als een indirecte aansporing, zal die uitlating tevens moeten worden beoordeeld in het licht van de vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door onder andere artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat de tenlastegelegde uitlatingen, ook die waarin een hoge morele waardering voor geweld wordt uitgesproken, in de gegeven omstandigheden geen van alle dusdanig zijn dat daarmee de grens van de vrijheid van meningsuiting is overschreden en zal verdachte vrijspreken van feit 5.

Feit 6

De inhoud van de drie dvd's en de scheurkalender, vermeld in feit 6, heeft, hoewel daar ook bewondering voor gewelddadigheden en het sterven in een strijd uit blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter. Enige directe of indirecte oproep tot het plegen van strafbare feiten, die ook nog eens de grens van de vrijheid van meningsuiting overschrijdt, kan daarin niet gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de grens van vrijheid van meningsuiting. De rechtbank zal verdachte derhalve ook vrijspreken van feit 6.

Feit 2 sub a en b

Ook de overige uitlatingen en uitingen in het dossier zijn onvoldoende voor het bewijs dat de onder feit 2 bedoelde organisatie het oogmerk had op de strafbare feiten van - kort gezegd - opruiing of verspreiden ter opruiing. Van die onderdelen van feit 2 zal verdachte eveneens worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het bewijs

De verdediging heeft subsidiair een beroep gedaan op artikel 359a lid 2 onder b Sv en heeft bepleit dat bewijsmateriaal dat het resultaat is van en voortkomt uit het onderzoek van de AIVD, het resultaat van de doorzoekingen en telefoontaps daaronder begrepen, van het bewijs dient te worden uitgesloten aangezien het onderzoek van de AIVD onrechtmatig is.

Bewijsuitsluiting als voorzien in genoemd artikel kan slechts aan de orde komen als het bewijsmateriaal door een verzuim bij het voorbereidend onderzoek is verkregen. Een dergelijk verzuim is niet aannemelijk geworden, zoals reeds uiteengezet is bij de beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer met betrekking tot het onderzoek van de AIVD.

De verdediging heeft eveneens bepleit dat het op Sri Lanka inbeslaggenomen bewijsmateriaal alsmede de verklaringen van de aldaar gedetineerde getuigen ([getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7]) van het bewijs dienen te worden uitgesloten aangezien door de Sri Lankaanse autoriteiten bij de verkrijging van dit bewijsmateriaal de mensenrechten op verregaande wijze zijn geschonden en getuigen voorafgaande aan hun verhoor vermoedelijk zijn gemarteld. Ten aanzien van de getuigen [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10], [getuige 11] en [getuige 12], door de verdediging als Sri Lankaanse overheidsgetuigen aangeduid, is betoogd dat hun verklaringen niet gebruikt mogen worden aangezien het vermoeden bestaat dat deze getuigen partijdig en dus onbetrouwbaar zijn.

Ten aanzien van het op Sri Lanka inbeslaggenomen bewijsmateriaal heeft eveneens te gelden dat bewijsuitsluiting slechts aan de orde kan komen als het bewijsmateriaal door een verzuim bij het voorbereidend onderzoek is verkregen. Een dergelijk verzuim is niet aannemelijk geworden, zoals reeds uiteengezet is bij de beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer met betrekking tot de verkrijging van bewijsmateriaal op Sri Lanka.

De rechtbank zal de verklaringen van de getuigen [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10], [getuige 3] en [getuige 7] niet voor het bewijs gebruiken, zodat te hunnen aanzien het verweer geen bespreking behoeft. De rechtbank merkt ten aanzien van de getuigen [getuige 3] en [getuige 7] op dat zij met de officieren van justitie en de verdediging van mening is dat er aanwijzingen zijn dat deze getuigen verklaard hebben onder druk van eerdere martelingen, zodat dit aan gebruik van die verklaringen in de weg staat. Een ander gevolg zal de rechtbank aan bedoelde aanwijzingen niet verbinden.

Dat de getuigen [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] voor hun verhoor gemarteld zouden zijn is onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden, zodat de rechtbank die verklaringen zal kunnen gebruiken.

De rechtbank zal de verklaringen van [getuige 12] en [getuige 11] ook gebruiken, nu de verdediging slechts het vermoeden heeft geuit dat deze getuigen partijdig zijn, hetgeen bezwaarlijk als een deugdelijke onderbouwing van een betrouwbaarheidsverweer kan gelden.

De verdere beoordeling van al deze vijf verklaringen is een kwestie van bewijswaardering. Wel zal de rechtbank bij die waardering de nodige behoedzaamheid betrachten, nu de verdediging niet in staat is geweest deze vijf getuigen rechtstreeks te ondervragen.

De verdediging heeft voorts subsidiair betoogd dat de verklaring van de getuigen [getuige 2] ([getuige 2]), [getuige 13] en [getuige 14] van het bewijs dienen te worden uitgesloten aangezien deze getuigen in een parallel opsporingsonderzoek zijn gehoord hetgeen schending van de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert. De rechtbank zal de verklaringen van [getuige 13] en [getuige 14] niet voor het bewijs gebruiken zodat het verweer te hunnen aanzien niet hoeft te worden besproken.

De rechtbank verwerpt het verweer voor wat betreft de verklaring van [getuige 2] op de gronden zoals hierboven bij de beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer onder parallelle opsporing weergegeven en zal deze verklaring daarom niet van het bewijs uitsluiten.

Tevens is betoogd dat de stukken van overtuiging die onder [getuige 1] in beslag zijn genomen van het bewijs dienen te worden uitgesloten aangezien de verdediging de authenticiteit niet heeft kunnen toetsen. De rechtbank heeft hierboven onder het kopje aanhouding reeds te kennen gegeven dat zij deze stukken niet voor het bewijs zal gebruiken, zodat het bewijsverweer geen bespreking behoeft.

Dit verweer is eveneens gevoerd met betrekking tot de stukken van overtuiging die onder [getuige 15] in beslag zijn genomen. De rechtbank verwerpt dit verweer: het enkele feit dat de verdediging de authenticiteit van die stukken niet heeft kunnen toetsen leidt nog niet tot bewijsuitsluiting, temeer niet nu op geen enkele wijze is aangevoerd dat er gebreken aan (de inbeslagneming van) deze stukken kleven en de rechtbank daarvoor ook geen aanwijzing in het dossier heeft gevonden.

Ten aanzien van de rapporten en verklaringen van de getuigen [getuige 16] en [getuige 17] is bepleit dat deze niet tot het bewijs mogen meewerken omdat -kort samengevat- deze getuigen zich bij hun onderzoek en in hun verklaringen in verregaande mate hebben bezondigd aan gissingen en niet verifieerbare conclusies.

Dit verweer behoeft geen bespreking omdat de rechtbank deze rapporten en verklaringen niet voor het bewijs gebruikt. Wel zij opgemerkt dat het bestrijden van de betrouwbaarheid van stukken en verklaringen in beginsel niet kan leiden tot de conclusie 'bewijsuitsluiting', nu die betrouwbaarheid in beginsel niet de wettigheid van het bewijs raakt. Wel kan een bewijsmiddel dusdanig onbetrouwbaar zijn, dat het niet langer voldoende overtuigend is en om die reden niet voor het bewijs geschikt is.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)

Voor zover van belang voor het beoordelen van de tenlastelegging was de internationale structuur van de LTTE als volgt georganiseerd.

Leiderschap

De getuige [getuige 2] verklaart (rc 819): "Prabhakaran was de leider van LTTE."

De getuige [getuige 6] verklaart als antwoord op de vraag van de rechter-commissaris "Wie was in 2003 of de jaren daarvoor de militaire leider van de LTTE?" (rc 1294): "Prabakaran. ... Waar Prabakaran was, was het hoofdkwartier." Op de vraag van de rechter-commissaris of het ook na 2003 nog het geval was, antwoordt de getuige (rc 1295): "Dat is altijd zo geweest."

De getuige [getuige 11] antwoordt op de vraag van de rechter-commissaris "Wie was de leider van de LTTE tot 2009?"(rc 1348): "Vellupillai Prabakaran. ... Hij had de controle over alles. Hij is de enige persoon. Er is geen centraal comité of adviescomité."

De rechtbank concludeert uit bovenstaande dat de LTTE centraal georganiseerd was en dat Prabhakaran de leider was.

Politieke tak

De getuige [getuige 2] verklaart (rc 822): "Tamilselvan was degene, die de vredesonderhandelingen leidde".

De getuige [getuige 4] verklaart (rc 932): "Ik probeer duidelijk te maken dat ik in het Wanni gebied heb gewerkt. In Wanni hadden ze onder de politieke tak diverse winkels en instanties. Ik moest daar de rekeningen controleren." Op de vraag van de rechter-commissaris "Tamilselvan was hoofd van de politieke afdeling van de LTTE" verklaart deze getuige (rc 935): "Dat klopt".

De getuige [getuige 6] verklaart (rc 1294): "Tamilselvan had de politieke afdeling."

De getuige [getuige 11] verklaart (rc 1349): "Voor de militaire afdeling was ik de verantwoordelijke, Tamilselvan was van de politiek."

De rechtbank concludeert uit bovenstaande dat de LTTE een politieke tak had, waarvan Tamilselvan de leider was.

Buitenlandse betrekkingen

De getuige [getuige 2] verklaart (rc 820) dat hij ook een man kent, die Manivannan heet en als bijnaam Castro heeft.

De getuige [getuige 5] verklaart (rc 1151): "Voor buitenlandse afdelingen waren verschillende afdelingen, onder andere financiën en propaganda. De verantwoordelijke hiervoor was Castro."

De getuige [getuige 6] verklaart (rc 1291): "Castro was de verantwoordelijke voor de internationale afdeling. ... Vòòr 2003 ook. Toen hadden we een kantoor in Madras, Chennai. Toen had Castro de leiding over alles." ... (rc 1304): "Castro ... wordt ook Mannivanam genoemd."

De getuige [getuige 6] verklaart (rc 1294): "Castro had de buitenlandse afdelingen." Op de vraag van de rechter-commissaris "wat is dat voor een afdeling?" antwoordt deze getuige (rc 1304): "Er wonen veel mensen in het buitenland. Het ging over propaganda maken, het overtuigen van de politieke situatie in Sri Lanka, en daarnaast over geld verzamelen."

De getuige [getuige 11] verklaart (rc 1349): "Daarnaast hadden ook een wereldcoördinatiepunt en de leider daarvan was Castro." ... (rc 1355): "Castro had een kantoor en daar worden geleerde jongeren verzameld en zij worden naar het buitenland gestuurd, zoals diplomaten." ... (rc 1356): "Castro's andere naam is Manivannan".

De rechtbank concludeert uit bovenstaande dat de LTTE een afdeling voor het buitenland had, waarvan Manivannan, alias Castro, de leider was.

Structuur op Sri Lanka

De getuige [getuige 2] verklaart (rc 819): "LTTE was daarginds een soort eigen regering. Ze hadden hun eigen politie, rechtssysteem en welzijnsregelingen." ... (rc 821): "LTTE had een eigen militaire macht. Maar een soort burgeradministratie voerde maatregelen uit."

De getuige [getuige 6] verklaart (rc 1294): "In 2003 begonnen de vredesbesprekingen. Toen hadden ze vanuit de Wanni rechtstreekse contacten met de buitenwereld en daardoor konden ze rechtstreeks activiteiten doen. Toen konden ze rechtstreeks alles doen en hadden ze mij niet nodig. ... Er waren heel veel afdelingen. Ik heb het gehoord. ... inlichtingendienst, politieke afdeling, buitenlandse afdelingen, zeetijgers, Imbram Ani militaire afdeling, de afdeling financiën, TRO, de afdeling propaganda, douane/politie, belastingdienst, air wing, military wing, artillerie afdeling, mortar afdeling, pistoolgroep, er zijn er nog meer."

De getuige [getuige 11] antwoordt op de vraag van de rechter-commissaris "welke onderdelen had de LTTE in de jaren vanaf 2000?" (rc 1348): "Militaire afdeling, politieke afdeling, inlichtingendienst, Black Tigers, Sea Tigers, artillerie afdeling, financial section en TRO." ... (rc 1350): "Ik had ongeveer 30.000 strijders onder mij. Een langere periode hadden we er 30.000. In het begin was het aantal niet zo. Dat aantal groeide langzaam. Toen ik afsplitste, was dat het aantal. Binnen de strijders waren verschillende regimenten. Ik kan de belangrijke regimenten noemen: Jentham, Charles Antony, Sothia, een damesafdeling, Malathi, Siruthaikal "leopard' en Anbarasi, ook een damesafdeling en daarnaast nog heel veel afdelingen. De eerste vier waren het belangrijkst. Daarnaast waren er ook heel veel kleine afdelingen, maar die zijn niet belangrijk. Daarnaast was er ook een afdeling van burgers, de grensafdeling. Elke burger moest één week de grens bewaken, maar ze hadden ook militaire training. Dat waren ongeveer 10.000 burgers."

De getuige [getuige 12] verklaart (rc 1370): "Prabakaran is het hoofd. Zij hadden ook een hoofdkwartier. Daaronder is de afdeling financiën, de inlichtingendienst, de politieke afdeling, de ontwikkelingsafdeling. Na 1994 was er een politieafdeling, rechtbanken, media en verschillende aanvalsafdelingen. Er waren veel afdelingen. ... Ze hadden ook een afdeling marine. Ik weet dat er ongeveer 35 afdelingen waren, waaronder ook de medische voorzieningen.

De rechtbank concludeert uit bovenstaande dat de LTTE -in het door de LTTE beheerste gebied in Sri Lanka- een uitgebreide structuur had, met een eigen politie, inlichtingendienst, rechtbanken, afdelingen voor welzijn/ontwikkeling en financiën, en een strijdkracht met een uitgebreide structuur met als onderdelen in ieder geval een zeemacht en een artillerie-eenheid.

TCC

De getuige [getuige 18] verklaart, zakelijk weergegeven (pv B02-791 t/m B02-793): Het klopt dat ik samen met 2 of 3 anderen de TCC heb opgericht. Om mensen te helpen. De LTTE voerde een strijd voor de vrijheid van de Tamils en wij, de TCC, ondersteunden deze strijd. Ik praat nu over de periode van voor 1998. Er was een centrale persoon in Frankrijk, hij was de verantwoordelijke voor alle TCC's in Europa. Met alle TCC's bedoel ik alle organisaties die op dat moment de LTTE steunden vanuit Europa. Er werd geld verzameld, propaganda verspreid, er werd gedemonstreerd, er werden culturele programma's georganiseerd. Een van de bijeenkomsten die georganiseerd werd is heldendag, dat is voor de omgekomen strijders. De culturele programma's zijn voor de gezelligheid. De mensen denken dat de verantwoordelijke in Frankrijk werd aangestuurd door de LTTE in Sri Lanka. Ik denk dat zelf ook. De TCC, TRO, en de TKCO zijn Tamil organisaties die in Nederland zijn opgericht ter ondersteuning van de LTTE.

De getuige [getuige 6] verklaart, zakelijk weergegeven (rc 1305): Prabakaran heeft mij medio jaren '80 en '90 gevraagd naar het buitenland te gaan om te proberen het vertrouwen van de mensen te winnen. Ik heb aanhangers ontmoet in het buitenland. Daarna zouden ze afdelingen begonnen zijn. In het begin waren er geen buitenlandse LTTE afdelingen, alleen Tamil organisaties. In de loop van de tijd zijn de Tijgers zelf naar het buitenland gegaan om dat soort dingen op te richten. Veel mensen kwamen uit het buitenland in 2003 naar Sri Lanka. Ze hebben allemaal met Prabakaran gesproken. Ze hebben gezworen bij Prabakaran dat ze hem zouden helpen. Daarna zijn ze naar het buitenland teruggegaan en daar zouden ze wat opgericht hebben. Vanaf dat moment hebben sommige mensen ook militaire trainingen genomen. (rc 1306): Het klopt dat het een taak was van het internationaal secretariaat vanaf de jaren '90 om in zoveel mogelijk landen Tamil-organisaties te laten ontstaan. In sommige landen is dat ook gelukt. Er waren al Tamil-organisaties in het buitenland. Die organisaties hebben ze onder het internationaal secretariaat gevoegd. Veel landen hadden TRO-afdelingen, scholen, tempels. In ongeveer 20 landen zijn tot 2003 deze Tamil-organisaties gaan functioneren. Deze landen waren Canada, Australië, Amerika, UK, Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Finland, Nederland, Maleisië, Midden-Oosten, Italië, Libanon. In sommige landen opereerden ze onder de naam van de TCC, de Tamil Coordinating Committee en in sommige landen TRO. De organisaties in deze landen vielen rechtstreeks onder het internationaal secretariaat.

De rechtbank concludeert uit bovenstaande dat de LTTE een wereldwijd netwerk had van organisaties die rechtstreeks onder het internationaal secretariaat vielen en die als doel hadden de LTTE te ondersteunen. De Nederlandse TCC was één van die organisaties.

De rol van de verdachten in de organisatie

[A]

De schriftelijke, ter terechtzitting van 15 september 2011 aan de rechtbank overgelegde verklaring van de verdachte [A], welke verklaring op 15 september 2011 ter terechtzitting door de voorzitter geheel is voorgelezen en vervolgens aan de verdediging en de officier van justitie in copie ter beschikking is gesteld, houdt onder meer in (schriftelijke verklaring bladzijde 1): "De EU listing heeft mij verbaasd, ik kon het niet geloven". [...] (schriftelijke verklaring bladzijde 4): "Rond 2002/2003 ben ik benaderd door Joseph, een vroegere vriend van mij op Sri Lanka. Ik woonde vroeger in hetzelfde dorp als hij. Hij heeft mij gevraagd of ik hem wilde helpen om zodoende een positieve bijdrage te leveren voor mijn mensen op Sri Lanka. Ik heb daar toen mee ingestemd. Vanaf dat moment kreeg ik de naam [A] alias [alias]." [...] (schriftelijke verklaring bladzijde 5): "Ik ben in de periode 2002 t/m 2009 een aantal keer op Sri Lanka geweest. Ik heb Joseph daar ontmoet en Joseph heeft mij rondgeleid langs de projecten waar het geld van de opdrachten die ik doorzette naar toe ging. Dit waren allen humanitaire projecten. Tijdens mijn bezoek heeft Joseph mij, via een kennis van hem die dit had voorgesteld en een vertrouweling was van Prabakharan, bij Prabakharan geïntroduceerd. Tijdens één van mijn bezoeken heb ik tevens een keer een gesprek gehad met Mannivanan. [...] Kort gezegd kwamen mijn werkzaamheden er op neer dat ik van Joseph vanuit Sri Lanka een opdracht kreeg om aan land A door te geven dat er een geldbedrag naar land B of persoon B overgemaakt of gebracht diende te worden. Ik kreeg van Joseph gegevens met betrekking tot het land van waaruit dit bedrag betaald diende te worden, de naam van de ontvanger van de gelden alsmede, indien het geld overgemaakt diende te worden per bank, het bankrekeningnummer van de ontvanger van het geld. Ter controle van mijn eigen werkzaamheden ontving ik vervolgens van land A een overzicht waaruit bleek dat zij de opdracht van Joseph die ik hen had doorgegeven correct hadden uitgevoerd. Vervolgens nam ik dit op in mijn administratie en zond ik dit eens per maand naar Joseph. [...] Ter bevestiging zorgde ik ervoor dat ik van de desbetreffende landen maandelijks de overzichten kreeg waaruit bleek dat aan mijn opdracht was voldaan. Daar was ik erg alert op en daar belde ik ook regelmatig achteraan."

De getuige [getuige 5] verklaart, zakelijk weergegeven (rc 1161): Ik heb [A] of [A] in 2003 in de Wanni gezien in het kantoor van Castro met Castro. Hij had iets te maken met de internationale financiën. (rc 1162): Castro heeft toen tegen mij gezegd dat [A] geld zou sturen dat ik zou moeten bewaren.

In een brief gedateerd 16 november 2003 en ondertekend door V. Manivannan staat vermeld (stuk B00-3628): "I hereby inform you that Mr. [A] ([A]) has been appointed as the Director of the finance for foreign branches by the National Leader."

Op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3] zijn de bestanden Parathy, Yarl, LG, Kilyen Kalai aangetroffen. In deze bestanden worden bij de inkomsten diverse landnamen weergegeven met daarachter een valutasoort en bedragen. Deze landnamen zijn onder meer Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, Groot-Brittannië (Londen), Nederland, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Italië, Canada, de Verenigde Staten en Australië (pv B02-2218).

Op 12 en 13 januari 2008 werd in Duitsland een LTTE workshop georganiseerd voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België, waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers en activisten deelnamen. Dit blijkt uit een document, gedateerd 31 januari 2008, met als koptekst "Verantwoordelijke/leider internationale betrekkingen, Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam, Tamil Eelam" (stuk B00-2154). In het stuk staat dat de bijeenkomst volgens plan werd gehouden en een succes was. De workshop stond onder leiding van de heer [A] en de heer [.....].

De verdachte [A], wonende te [plaats 3], heeft over deze bijeenkomst verklaard (pv C01-490): "Ik heb niet de hele vergadering bijgewoond. Ik heb alleen van Joseph te horen gekregen dat ik daar naar toe moest voor twee dingen. Als eerste omdat ik van die landen geen berekeningen krijg en als ik daar naar toe ga, kan ik ze ontmoeten en kan ik overleggen."

Op de computer van de verdachte [E], in beslag genomen in diens woning te [plaats 5], zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3] (pv B02-1590).

Uit bestanden die aangetroffen zijn op een bij verdachte [A] in beslaggenomen USB stick blijkt dat de totale inkomsten in de administratie van verdachte over januari 2005 tot en met juli 2009 136.024.702 euro waren (pv B02-2570).

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de verdachte [A] een hoge positie bekleedde binnen de LTTE. Hij stond in nauw contact met Castro, werd door hem aangesteld als internationaal financieel verantwoordelijke, stelde zich als zodanig op tijdens een internationale bijeenkomst en hield ook daadwerkelijk een financiële administratie bij voor de LTTE, terwijl hij wist van de plaatsing van de LTTE op EU sanctielijst.

[verdachte]

Uit een uittreksel van de kamer van koophandel van de Stichting Tamil Coordinating Committee-Nederland te 's-Gravenhage blijkt dat verdachte [verdachte], wonende te [plaats 4], sinds 1999 staat ingeschreven als secretaris (pv A01-0180).

De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard (ttz 15-09-2011): "Het is juist dat ik leider van de TCC was. [...] In Nederland hebben de TCC en sommige Tamil organisaties het doel van de LTTE ondersteund."

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van Castro overgedragen. Deze documenten betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden en bevatten ondermeer LTTE inschrijfformulieren (pv B00-2339). De titel van deze formulieren is "internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker". Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft de verdachte [verdachte] (stuk B00-2353). Als bijnaam van [verdachte] is vermeld "[bijnaam verdachte]".

In dit formulier betreffende verdachte [verdachte] is onder meer vermeld dat Castro de direct verantwoordelijke van hem was (stuk B00-2359 en B00-2351).

De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting over deze bijeenkomst en dit formulier verklaard (ttz 15-09-2011): "Ik ben bij die workshop geweest en ik heb inderdaad dat formulier ingevuld. Er zijn daarna echter wijzigingen in aangebracht en het is niet mijn handtekening. [...] Het klopt dat ik toen ook met Castro heb gesproken." Later heeft de verdachte ter terechtzitting over deze bijeenkomst verklaard (ttz 21-09-2011): "Tijdens die workshop was er een toespraak van Prabhakaran. Ik heb hem horen spreken."

Zoals hiervoor overwogen werd op 12 en 13 januari 2008 in Duitsland een LTTE workshop georganiseerd voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België, waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers en activisten deelnamen.

De verdachte [verdachte] wordt ook in het eerderbedoelde document genoemd (stuk B00-2155) als "leider/verantwoordelijke (bedoeld wordt de afdeling), [bijnaam verdachte]". Beschreven wordt wat verdachte [verdachte] tijdens de bijeenkomst heeft gezegd: "Hij zei dat het tot en met oktober 2007 helemaal niet goed was gegaan met de geldinzameling en dat het in de maanden november en december goed was verlopen. De medewerkers hadden hiervoor verschillende redenen gehad, zei hij verder. (De groepen hadden als redenen te grote inzamelingsgebieden, de grote afstanden en moeilijkheden bij de heen- en terugreis genoemd.) Toen de medewerkers extra medewerkers ter ondersteuning kregen, liep de inzameling aan het eind van het jaar veel beter, zei hij. Tot nu toe hebben slechts vier van de in totaal acht groepen een dergelijke ondersteuning gekregen. Broeder [bijnaam verdachte] was van plan ook voor de andere vier groepen nieuwe medewerkers te regelen. Broeder [bijnaam verdachte] hoopte in 2008 het streefbedrag te kunnen halen."

Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard (ttz 20-09-2011) dat hij bij die bijeenkomst in Duitsland aanwezig is geweest.

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de verdachte [verdachte] leider was van de TCC. Hij noemt zichzelf zo, wordt door anderen zo genoemd, en stelt zich ook als zodanig op. Nu de verdachte [verdachte] in contact stond met Castro, actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE georganiseerd werden, en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert de rechtbank tevens dat de verdachte [verdachte] lid was van de LTTE.

[B]

De getuige [getuige 19] verklaart, zakelijk weergegeven (rc 161): Ik kende de leiders van de TCC. Ik weet niet of ze ingeschreven zijn, maar ik ken [bijnaam verdachte], [.....], [B], [E], [C], en [.....]. (rc 162): Ik wist dat deze mensen voor de TCC werkten omdat sommigen van het dat tegen mij gezegd hebben. [.....] en [B] hebben tegen mij gezegd dat zij voor de TCC werkten.

Op 4 november 2007 heeft in Utrecht een herdenkingsbijeenkomst plaats gevonden ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder S.P. Tamilselvan, de politiek leider van de LTTE. Op een DVD van deze bijeenkomst (pv B02-00083) is te zien dat de verdachte [B] er een toespraak houdt. Wanneer de verdachte [B] in beeld komt voor zijn speech dan verschijnt er in Tamilschrift een tekst in het beeld. Deze tekst is als volgt vertaald: "Dhr. [B], plaatsvervangend bevelhebber van Nederland, Rapport van de nationale leider".

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn, als gemeld, aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van Castro overgedragen. Deze documenten bevatten ondermeer LTTE inschrijfformulieren (pv B00-2338). De titel van deze formulieren is "internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker". Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft de verdachte [B] (stuk B00-2390).

In het formulier, gedateerd 19 maart 2004, is onder meer vermeld dat [B], wonende te [plaats 3], districtverantwoordelijkheid droeg voor kunst en cultuurorganisatie en onderwijswerk (stuk B00-2397 en B00-2388 en stuk B00-2395 en B00-2386).

In het document betreffende de bijeenkomst in Duitsland op 12 en 13 januari 2008, zoals hiervoor aangehaald, wordt ook verdachte [B] genoemd (stuk B00-2155) als "plaatsvervangend leider van de afdeling in Nederland, de heer [B]". Beschreven wordt wat verdachte [B] tijdens de bijeenkomst heeft gezegd: "Hij zei dat hij in het begin moeite had gehad landgenoten voor het "Nationale plicht fonds" te benaderen omdat in zijn district reeds meerdere mensen waren geworven voor het kredietfonds. Heel langzaam, zo vertelde hij ons, kon hij de mensen overtuigen zodat hij in zijn "alagu" 80 mensen voor dit fonds kon werven. De medewerkers die via de internationale betrekkingen waren gekomen om hem te ondersteunen (d.w.z. de mensen die door [.....] waren gestuurd) hadden hem hierbij erg geholpen. Hij zei verder dat de mensen in zijn district overwegend via de bank hadden betaald. Voor het "Nationale plicht fonds" wordt in zijn gebied/district per "alagu" heel weinig gevraagd."

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de verdachte [B] plaatsvervangend leider was van de TCC. Hij wordt door anderen zo genoemd en stelt zich op bijeenkomsten op als iemand met gezag binnen de organisatie. Nu de verdachte [B] tevens actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE georganiseerd werden en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert de rechtbank tevens dat de verdachte [B] lid was van de LTTE.

[C]

Uit een uittreksel van de kamer van koophandel van de Stichting Tamil Coordinating Committee-Nederland te 's-Gravenhage, blijkt dat verdachte [C], wonende te [plaats 6], sinds 2005 staat ingeschreven als voorzitter (pv A01-0180).

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn, zoals overwogen, aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van Castro overgedragen. Deze documenten betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden en bevatten ondermeer LTTE inschrijfformulieren (pv B00-2338). De titel van deze formulieren is "internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker". Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft de verdachte [C] (stuk B00-2412). Als bijnaam van [C] is vermeld "[C]".

In het formulier gedateerd 3 januari 2004 is onder meer vermeld dat verdachte [C] verantwoordelijke propaganda/sportafdeling, bestuur muziekcomité, fondsenwerving was (stuk B00-2415 en B00-2411). In het formulier gedateerd 12 oktober 2003 is onder meer vermeld dat zijn direct verantwoordelijke I.[bijnaam verdachte] was (stuk B00-2402 en B00-2409).

In het document betreffende de bijeenkomst in Duitsland op 12 en 13 januari 2008 wordt ook verdachte [C] genoemd (stuk B00-2155) als "[C], die voor propaganda/distributie en de sportafdeling verantwoordelijk is". Beschreven wordt wat verdachte [C] tijdens de bijeenkomst heeft gezegd: "Hij verontschuldigde zich voor het feit dat hij het voorgeschreven streefbedrag niet had gehaald. Hij zei hiervoor zelf verantwoordelijk te zijn. (Doordat men de mensen had toegezegd nooit meer bij hen thuis te komen, wist hij niet hoe hij geld moest inzamelen.) Hij had daarom niets ondernomen, maar verzekerde het streefbedrag het komende jaar te halen. Een andere reden was dat hij niemand meer had gehad die hem bij zijn werk kon motiveren aangezien broeder [bijnaam verdachte] niet in Nederland was. Hoewel de heer [B] ook een verantwoordelijke was, was deze ook veel onderweg geweest om geld in te zamelen. Daarom was hij niet in staat geweest advies bij [B] in te winnen resp. hem om ondersteuning te vragen."

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de verdachte [C] een leidinggevende positie had binnen de TCC. Hij vertegenwoordigde de TCC formeel en feitelijk. Nu de verdachte [C] tevens actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE georganiseerd werden en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert de rechtbank tevens dat de verdachte [C] lid was van de LTTE.

[E]

Uit een uittreksel van de kamer van koophandel van de Stichting Tamil Coordinating Committee-Nederland te 's-Gravenhage blijkt dat verdachte [E], wonende te [plaats 5], sinds 1992 staat ingeschreven als bestuurslid (pv A01-0180).

Op de computer van de verdachte [E], in beslag genomen in diens woning te [plaats 5], zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3] (B02-1590).

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van Castro overgedragen. Deze documenten betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden en bevatten ondermeer LTTE inschrijfformulieren (pv B00-2338). De titel van deze formulieren is "internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker". Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft de verdachte [E] (stuk B00-2372).

In het formulier gedateerd 15 oktober 2003 is onder meer vermeld dat verdachte [E] propaganda-man is en dat zijn direct verantwoordelijke [bijnaam verdachte] is (stuk B00-2378/2379 en B00-2369/2370).

In het document betreffende de bijeenkomst in Duitsland op 12 en 13 januari 2008 wordt ook verdachte [E] genoemd (stuk B00-2156) als "financieel verantwoordelijke, [E]". Beschreven wordt wat verdachte [E] tijdens de bijeenkomst heeft gezegd: "Toen ik de medewerkers naar hun wekelijkse resp. maandelijkse inkomsten vroeg, zeiden zij steeds dat ik contact met broeder [bijnaam verdachte] moest opnemen (om dit te vernemen). Zo luidde bijvoorbeeld het antwoord van broeder [C] toen ik hem naar zijn inkomsten vroeg. Wanneer broeder [bijnaam verdachte] niet in het land is, bestaat onder de medewerkers de indruk dat zij geen verantwoording aan mij, broeder [E], verschuldigd zijn. De activisten/medewerkers geven steeds als antwoord dat zij een e-mail aan broeder [bijnaam verdachte] hebben gestuurd. Van onze medewerkers leggen sommigen verantwoording aan [bijnaam verdachte] af, anderen aan mij en een derde groep aan [B]." [E] zei verder dat de geldinzameling door Thettam (kredietfonds), "Fonds voor levenskracht" bij afwezigheid van [bijnaam verdachte] heel goed liep. Maar in 2007 was alles anders. Men wist niet waarom, zei [E]. Broeder [E] zei verder: "Wanneer [bijnaam verdachte] niet hier in het land (Nederland) is, heb ik geen contact met de medewerkers omdat zij niet met mij willen praten. Zij zeggen steeds dat zij alles aan [bijnaam verdachte] hebben gemeld. Ik weet niet hoe ik onder deze omstandigheden moet werken." Wanneer hij door het ontbreken van ondersteuning door de medewerkers het streefbedrag niet mocht halen, zei [E], zou hij een krediet opnemen om het bedrag te suppleren. Hij zei verder dat men geld uit het distributiebudget zou nemen om het resterende bedrag (d.w.z. het gedeelte van het streefbedrag dat niet kon worden ingezameld) in het kader van het inzamelingsproject voor het "Nationale plicht fonds" te suppleren en te betalen. Zelf had hij een krediet van € 10 (bedoeld wordt wellicht een bedrag van € 10.000) opgenomen om het streefbedrag af te rekenen/te vereffenen."

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de verdachte [E] een leidinggevende positie had binnen de TCC. Hij hield de financiële administratie bij voor Nederland. Anderen rapporteerden de inkomsten en uitgaven aan hem en hij rapporteerde de inkomsten en uitgaven aan de internationaal financieel verantwoordelijke van de LTTE, de verdachte [A]. Nu de verdachte [E] tevens actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE georganiseerd werden en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert de rechtbank tevens dat de verdachte [E] lid was van de LTTE.

Het oogmerk van de organisatie

Feit 2 sub c: overtreding van de sanctiewet

Naar aanleiding van de Verenigde Naties Resolutie 1373, van september 2001 is binnen de EU het Gemeenschappelijke Standpunt (GS) 2001 /931 en de Verordening (EG) nr. 2580/2001 opgesteld. Hieraan verbonden is de EU lijst van terroristische organisaties, waarop zoals hierboven al is overwogen sinds 29 mei 2006 onafgebroken de Liberation Tigers of Tamil Eelam - 'LTTE' is geplaatst. Gedragingen strekkende tot (directe of indirecte) financiële of economische ondersteuning van op de EU-lijst geplaatste organisaties worden verboden in Verordening (EG) nr. 2580/2001. Handelingen in strijd met Verordening (EG) nr. 2580/2001 zijn verboden in de Sanctieregeling terrorisme 2002 en strafbaar gesteld als economisch delict middels de Sanctiewet juncto artikel 1, aanhef en onder 1º van de Wet op de economische delicten.

De aan de plaatsing ten grondslag liggende redenen zijn op 29 juni 2007 door de Raad van de Europese Unie verzonden aan de LTTE (stuk A08-290). Vanaf dat moment zijn bovengenoemde handelingen strafbaar.

De getuige [getuige 6] verklaart (rc 1294): "Castro had de buitenlandse afdelingen." Op de vraag van de rechter-commissaris "wat is dat voor een afdeling?" antwoordt deze getuige (rc 1304): "Er wonen veel mensen in het buitenland. Het ging over propaganda maken, het overtuigen van de politieke situatie in Sri Lanka, en daarnaast over geld verzamelen."

In oktober 2003 vond een bijeenkomst plaats in Sri Lanka. In de woning van de verdachte [E] te [plaats 5] werd een DVD van deze bijeenkomst aangetroffen. Hierop is onder meer een toespraak van Prabhakaran te zien, waarop deze zegt (pv B04-279): "Nu kom ik tot de kern van de zaak wat betreft fondsenwerving en hoe wij onze mensen kunnen benaderen. Daarover hoop ik dat ik met jullie kan praten. [...] dankzij uw fondsenwerving in het buitenland, ik denk dat het geld van vijf jaar was, het was een bedrag dat meer dan 4 miljard bedroeg, hebben wij, van dat buitenlandse geld, wapens gekocht in het buitenland die wij voor deze strijd gebruikten." (pv B04-282): "Fondsen werven bij onze mensen moet gebeuren op de feestdagen of in een periode van strijd, anders denken zij dat wij alleen maar om het geld vaak bij hun komen. Dit alleen is niet voldoende om een strijd te voeren. Maar wat ik u aanraad om te doen is het volgende: stel je hebt de beschikking over 1000 gezinnen; wij moeten de 1000 gezinnen benaderen door propaganda. Als wij zulks zouden doen, dan zou dit kunnen zorgen voor een onderlinge relatie en een gevoel kunnen geven van participatie met ons. Stel dat je 10 miljoen per maand aan ons zou overmaken ten behoeve van handel, hoewel dit bedrag is een beetje overdreven, dat zou de relatie tussen de mensen en ons alleen maar verbeteren."

In de woning van de verdachte [verdachte] te [plaats 4] is een brief aangetroffen van de verdachte [C] uit [plaats 6] (de rechtbank begrijpt [C]), gedateerd 17 februari 2007, inhoudende een lijst met namen en telefoonnummers van mensen die geen bijdrage kunnen of willen betalen (B02-228).

Op 27 november 2007 werd een heldendag georganiseerd in Merwestein te Nieuwegein. Op een DVD van deze bijeenkomst is te zien dat de verdachte [E] daar een toneelstuk speelt. Ook is te zien dat er mensen in de zaal lopen met een bakje, waar mensen geld indoen. (pv B02-1726 en 1727). Op de computer van de verdachte [E], in beslag genomen in diens woning te [plaats 5], zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3] (B02-1590). Op de spreadsheet betreffende november 2007 is te zien dat de heldendag 2007 een positief resultaat heeft opgeleverd van € 14.252,92 (B02-1584).

Op 12 en 13 januari 2008 werd, als gemeld, in Duitsland een LTTE workshop georganiseerd voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België, waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers en activisten deelnamen. Dit blijkt uit een document, gedateerd 31 januari 2008, met als koptekst "Verantwoordelijke/leider internationale betrekkingen, Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam, Tamil Eelam" (stuk B00-2154). Uit het verslag blijkt dat de verdachten [A], [verdachte], [C], [B] en [E] daar aanwezig waren en dat zij het geld inzamelen in Nederland bespraken.

Op 27 november 2009 werd een heldendag georganiseerd in zaal Maresca te Utrecht. Verdachte [verdachte] gaf hier een toespraak (pv B02-1744) en ook de verdachte [E] was hier aanwezig (pv B02-1743). Tijdens deze bijeenkomst werden onder meer boeken, kaarten, shawls, vlaggen, riemen en paraplu's verkocht (pv B04-1741).

Op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3], is een document aangevonden genaamd "financieel activiteitenplan 2010" van de LTTE (pv B02-115). Hierin staat onder meer: "Op dit moment hebben wij te maken met een ernstige financiële crisis. Leningen die wij zijn aangegaan moeten zonder uitstel worden terugbetaald. Hiervoor is het noodzakelijk geworden dat wij ons bezighouden met fondsenwerving. Wij vragen u namens onze vrijheidsorganisatie de helpende hand te bieden en royale financiële steun te verlenen."

Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het werven van fondsen vanaf het begin één van de doelen was waarvoor de LTTE zich internationaal organiseerde. Deze fondsenwerving vond ook daadwerkelijk in Nederland plaats en ging onverminderd door, ook na de plaatsing van de LTTE op de sanctielijst in 2007 en na de dood van leider Prabhakaran in 2009. De fondsenwerving vond plaats tijdens bijeenkomsten en door mensen te vragen een bijdrage te betalen. De rechtbank komt daarom tot bewezenverklaring van overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet juncto de Sanctieregeling terrorisme 2002 als een van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.

Feit 2 sub e: overtreding van de Wet op de kansspelen

De getuige [getuige 20] verklaart, zakelijk weergegeven (pv B03-595 en 596): Ik heb wel loten gekocht voor één a twee euro per stuk. De loterijen werden verkocht voor de sport en soms bij de huizen. De kosten zoals scheidsrechters worden daar mee betaald. De loterij wordt gehouden op de heldendag. Omdat ik heb deelgenomen aan de heldendag heeft [bijnaam verdachte] mij gevraagd om bij te houden wie wat verkocht had en dat zou ik hem geven. De gegevens van de loterijboekjes, hoeveel die persoon wel of niet heeft verkocht. Ik moest dat noteren, mijn vrouw heeft genoteerd. Ik zei wat zij moest noteren. Je kan een laptop of een fiets winnen, dat soort dingen.

Op het vestigingsadres van de TCC te 's-Gravenhage zijn vier loten in beslag genomen, voor een loterij die plaats heeft gevonden in 2003 (pv B03-0015).

In de Nederlandse administratie, in beslag genomen zowel in de woning van verdachte [E] te [plaats 5], als in de woning van de verdachte [A] te [plaats 3], staat onder 31 oktober 2007 een bedrag van € 6.100,00 vermeld, met de omschrijving "De loterijgelden aan Sencholai gegeven" (pv B03-359).

De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard (ttz 21-09-2011): "Het klopt dat er op 14 januari 2008 een loterij is georganiseerd. Dit is Pongal Day, Tamil Nieuwjaar."

Namens de verdachten [C], [verdachte] en [B] is het verweer gevoerd dat er geen vergunning nodig was voor het organiseren van de loterijen omdat deze zouden vallen onder de uitzondering van artikel 7c van de Wet op de kansspelen. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu deze uitzondering slechts geldt voor kleine loterijen georganiseerd door Nederlandse verenigingen. De LTTE noch de TCC zijn echter verenigingen naar Nederlands recht.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het overtreden van de Wet op de kansspelen als een van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.

Feit 2 sub f: Dwang

In het pand van de TCC is een brief aangetroffen van 11 februari 2007 van [bijnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) aan de districtsverantwoordelijken (stuk A06-2879, stuk B02-640). [verdachte] schrijft hierin dat zij onmiddellijk de namen, adressen en telefoonnummers van mensen uit hun regio die geen enkele contributie hebben betaald, moeten e-mailen naar Chencholai en Arivucholai verzorgingshuizen en de reden waarom zij niet hebben meegedaan. In genoemd pand is tevens een brief aangetroffen van [naam] (de rechtbank begrijpt: [C]) aan [verdachte] met namen en telefoonnummers van mensen in Midden Nederland die niet hebben meegedaan en niet willen meedoen (stuk B02-232). Voorts is in dit pand een lijst aangetroffen met namen en adressen van vele Tamilgezinnen in Nederland en België, waarbij achter sommige namen is geschreven "no pay" of "negative" (stuk A06-2832 juncto A06-2842 tot en met A06-2875).

[getuige 21], wonende in [plaats 4], heeft zakelijk weergegeven verklaard (pv B06-210): dat haar man in Sri Lanka door de LTTE is meegenomen. (pv B06-211) Haar zoon is [zoon]. (pv B06-212): [getuige 15] vroeg wel eens geld aan haar. Dat was voor weeskinderen. Hij bedreigde haar en zei dat zij een Tamil was en moest betalen voor de ouderen en weeskinderen. Zij zou Sri Lanka niet meer inkomen als zij niet zou betalen. Dit kwam op haar als zeer bedreigend over. Er zat geen regelmaat in de frequentie van betalen. De ene keer kwamen ze maandelijks de andere keer zat er meer tijd tussen. Dit was niet vrijwillig. Zij was bang voor het feit dat zij echt niet terug kon naar haar moederland. Ze zijn wel eens langs geweest voor een groot bedrag, 2,5 duizend euro. Dit heeft hij opgeschreven maar zij heeft dat niet betaald. Zij moest dit bedrag betalen anders mocht zij Sri Lanka niet in. Zij heeft de 30 euro op naam van haar zoon (de rechtbank begrijpt: [zoon getuige 21]) betaald omdat hij zelf nooit zou betalen en al eens ruzie met ze had gemaakt, om hem te beschermen en hem de kans te geven om ooit terug te gaan naar Sri Lanka. (pv B06-213): [getuige 15] heeft haar duidelijk gezegd dat hij een Tijger was en dat hij voor de LTTE werkte. Hij zei ook dat hij informatie door kon spelen aan de LTTE op Sri Lanka zodat zij het land niet meer in zou kunnen komen. Mensen die geen geld wilden geven waren volgens hem de vijanden van de LTTE.

Op 26 april 2010 heeft een doorzoeking (pv B06-180, B06-184) plaatsgevonden op het adres van [getuige 15] te Londen. Daarbij is een brief aangetroffen (stuk B06-188) gedateerd 15 maart 2007 met de volgende inhoud: "[zoon getuige 21], [geboortedatum]1983 uit [plaats 4] wil de vrouw die voor hem is uitgezocht hier naar toe laten halen. Ze zijn daarheen gegaan voor een pas. Ze hebben verteld dat ze dat pas kunnen geven nadat er een antwoord van ons is. [zoon] en de moeder van [zoon] zijn naar me toe gekomen. Hun deelname 2004-2005, totaal € 500,- heb ik ontvangen. In 2006 geen deelname. Voor 2007 heb ik ze ontmoet. Ze hebben geschreven dat ze € 60,- per maand zullen geven. Ik heb een maand 60 euro ontvangen. Mijn mening: als er 2500 gevraagd wordt, zouden we kunnen krijgen. Hoogachtend, [getuige 15]."

[getuige 22], wonend in [plaats 5], heeft zakelijk weergegeven verklaard (pv B06-274) dat de mensen die aan de deur komen zware druk op hem legden. Zij zeiden dat hij zijn land in de steek liet. Met zij bedoelt hij de mensen die aan de deur kwamen; [.....], [E] en nog een paar anderen. (pv B06-275): Als hij naar zijn broer in Sri Lanka wilde had hij een nummer nodig. In Omantha is een controlepost van de LTTE en dan heb je een nummer nodig. Hij moest eerst betalen en dan zou hij een nummer krijgen. Hij heeft geld overgemaakt aan de TCC. Toen is er ook al eens om een groot geldbedrag gevraagd voor de "onophoudelijke golven". Hij kon dat niet betalen en toen is overeengekomen dat hij periodiek zou betalen. Foto 1 ([E]) is [E]; hij woont in [plaats 5]. Hij was tot aan het verlies van de LTTE ervan overtuigd dat hij een nummer nodig had om Sri Lanka in te komen, zo niet dan zouden zij hem vasthouden bij Omantha tot alsnog betaald was. [.....] praat of hij wil slaan. Hij belde soms en vroeg of het geld al klaar lag. Als getuige dan zei van niet, zei [.....] dat hij maar een telefoontje hoefde te plegen. Daaruit begreep getuige dat hij in Sri Lanka problemen kon verwachten. (pv B06-276): [.....] was zijn districtsverantwoordelijke.

[getuige 23], wonend in [plaats 5], heeft zakelijk weergegeven verklaard (pv B06-291) dat zij betaalde omdat zij haar duidelijk maakten dat zij niet naar Sri Lanka kon reizen als zij niet betaalde. Zij kon het geld niet missen omdat haar man al maanden zonder werk zat. Zij sprak over 2005. (pv B06-292): Zij heeft aan [.....] 500 euro betaald. Toen zij maandelijks 25 euro betaalde aan de TCC kwamen ze met zijn drieën aan de deur. Toen zij in 2005 in Sri Lanka was, hield de LTTE drie dagen haar paspoort vast om te controleren of zij wel betaald had. Zij maakte zich zorgen of zij haar paspoort wel terug zou krijgen. Bij die gelegenheid zag zij mensen die huilden en die haar vertelden dat zij niet konden betalen en hun paspoort al een week kwijt waren. Al eerder had deze getuige verklaard (pv B06-286) dat zij enkel had betaald omdat zij anders haar zieke vader in het LTTE gebied niet kon bezoeken.

[getuige 24], wonend in [plaats 7], heeft zakelijk weergegeven verklaard (rc 712) dat zij drie keer is benaderd voor geld, in 2010, in 2009 en een keer daarvoor. [.....] heeft haar benaderd. Hij zei dat hij [.....] heette en verantwoordelijke voor [plaats 7] was voor de geldinzameling. Hij heeft gezegd dat hij van de Tamiltijgers was maar heeft ook "de LTTE" gezegd. (rc 713): De eerste keer kwam [.....] en daarna [.....]. [.....] kent zij van toen zij een winkel in Amsterdam had. Zijn naam is [.....]. (rc 714): [.....] heeft gezegd dat hij verantwoordelijke van de Tijgers is. Hij heeft tegen haar gezegd: "Ik heb wat spullen, je moet iets kopen. Als je helemaal niks koopt, krijg je later problemen". Zij moest minimaal 50 euro geven. Hij ging het geld aan de leider geven. Dat was Prabhakaran, die naam heeft hij genoemd. (rc 715): Hij zei: "Je weet toch over de Tijgers". Zij had vernomen: de Tijgers zijn gevaarlijk. Daarna heeft [.....] een keer telefonisch met haar contact opgenomen en gezegd: ik ga je kinderen ontvoeren. (rc 717): De personen die bij haar kwamen waren nooit alleen. (rc 718): [.....] en [.....] waren boos. Iedereen had al geld betaald. Hij heeft gezegd: "in [plaats 7] zijn er maar drie personen die geen geld betaald hebben". [.....] heeft tegen haar gezegd: hij gaat kinderen ontvoeren. Zij heeft ook van mensen gehoord in Duitsland dat er kinderen werden ontvoerd. (rc 719): Hij zei: "Jouw kinderen". (rc 720): Hij heeft haar verteld dat [....] niet had betaald en dat hij [....] had geslagen. (rc 721): [.....] heeft haar telefonisch bedreigd omdat zij geen geld had betaald.

Uit deze getuigenverklaringen en bescheiden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat door degenen die aan huis geld inzamelden voor de LTTE (waaronder dus begrepen de TCC en andere suborganisaties) een indringend beroep werd gedaan op leden van de Tamilgemeenschap in Nederland om financieel bij te dragen aan de activiteiten en/ of doelstellingen van de LTTE (en suborganisaties). Mensen werden herhaaldelijk door twee of drie leden van de organisatie bezocht, ook al hadden zij laten weten niet te willen bijdragen of het geld niet te kunnen missen. Er was sprake van een minimaal te betalen bijdrage. Er werd nauwkeurig geregistreerd wie wel en wie niet betaalde en deze registratie werd ook aan Sri Lanka doorgegeven. Bij deze huisbezoeken werd mensen te verstaan gegeven dat zij, als zij niet zouden betalen, het onder controle van de LTTE staande gebied in Sri Lanka niet zouden kunnen binnenreizen of daar problemen zouden kunnen ondervinden. In een geval is gedreigd met ontvoering van kinderen. Veel slachtoffers hadden angst voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt. Door dit alles werd zodanig op de slachtoffers ingewerkt en ingepraat dat sprake is van bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in artikel 284 Sr. Deze handelwijze leidde tot zodanige psychische druk dat de slachtoffers hieraan geen weerstand konden bieden en uiteindelijk gingen zij overstag en betaalden. Immers, veel van de slachtoffers wilden de mogelijkheid openhouden om hun moederland, Sri Lanka, te bezoeken of hadden daar nog familie om wier welzijn zij zich zorgen maakten. Zij vreesden dat die mogelijkheid hun zou worden onthouden als zij niet betaalden. Van die angst werd misbruik gemaakt.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot bewezenverklaring van dwang als een van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.

Feit 2 sub d: witwassen

Zoals hierboven omschreven had de organisatie het oogmerk op het verkrijgen van geld door middel van het overtreden van de Sanctiewet, het organiseren van loterijen in strijd met de Wet op de kansspelen en dwang. De organisatie had dus het oogmerk op het verkrijgen van geld door middel van strafbare feiten.

Op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3], is een brief aangetroffen van de verdachte [E], gedateerd 22 maart 2008, waarin hij over het functioneren van een persoon genaamd [.....] schrijft (pv B01-124): "Maar ik ervoer hem als een trouwe en snelle medewerker. In het bijzonder in geldzaken was hij wel te vertrouwen. In mijn geld afdeling maakte ik gebruik van dhr. [.....] om al het geld dat [C] in zijn bezit had, gemakkelijk te verkrijgen. Daarnaast ook voor grote sommen geld vervoer. Dit wist [bijnaam verdachte] wel."

De getuige [getuige 25] verklaart (pv B02-334): " Op het moment dat ik die cd's en dvd's van die mensen thuis geleverd krijg, dan bewaar ik ze thuis tot het moment dat er een bijeenkomst of een ander evenement georganiseerd wordt. Vervolgens neem ik de goederen mee naar het evenement en daar verkoop ik ze aan de bezoekers. Wij hebben wel een vaste prijs voor de goederen maar als de mensen meer willen geven mag dat ook. Omdat de mensen weten waar het geld naartoe gaat en waarvoor het is geven ze vaak meer. [...] Ja ik maak natuurlijk wel winst maar ik heb ook kosten zoals benzine voor mijn auto. Deze winst is natuurlijk niet voor mij maar voor het eerder genoemde doel. Wij sturen het geld naar de LTTE want als wij het geld naar de Sri Lankaanse regering sturen komt het niet bij de mensen aan. [...] Het geld (de winst) gaf ik persoonlijk contant aan iemand anders en die stuurde het geld naar Sri Lanka."

Op de bankrekening van de TCC werd van 5 december 2006 tot en met 19 oktober 2009 een totaalbedrag aan giften bijgeschreven van € 116.276,63. De bankafschriften werden verstuurd naar de verdachte [E] (pv B02-596 en 597). In dezelfde periode hebben er 44 contante geldopnames plaatsgevonden van deze bankrekening, met een totaalbedrag van € 79.260. De pashouders van de bankrekening zijn de verdachten [E] en [verdachte] (pv B02-597 en 598).

Uit vorenstaande blijkt dat de organisatie het verkregen geld contant vervoerde, door gebruik te maken van koeriers. Dit gebeurde gedurende een lange periode en door middel van vele transacties. Uit hetgeen hiervoor werd overwogen over overtreding van de Sanctiewet volgt eveneens dat de organisatie het geld dat voor de LTTE werd ingezameld, en reeds om die reden van misdrijf afkomstig was, op structurele basis voorhanden had. De rechtbank concludeert op basis hiervan dat de organisatie het oogmerk had op het een gewoonte maken van het voorhanden hebben en het verhullen van de verplaatsing van door misdrijf verkregen geld.

Feit 2 sub g en h

Van afpersing als genoemd in feit 2 sub g heeft de rechtbank onvoldoende overtuigend wettig bewijs aangetroffen, zodat de rechtbank verdachte van dat onderdeel zal vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank geen feit bewezen dat met een gevangenisstraf van acht jaar of meer is bedreigd, zodat verdachte ook van feit 2 sub h dient te worden vrijgesproken.

Conclusie criminele organisatie

Op grond van al het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de bevrijdingstijgers van Tamil Eelam één wereldwijde organisatie was, waarin sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband, waar de TCC en de verdachte als leider onderdeel van uitmaakten. De LTTE had naast andere doelen ook het oogmerk op fondsenwerven in strijd met de Sanctiewet in Nederland. Voor deze fondsenwerving overtrad de LTTE de Wet op de kansspelen en dwong de LTTE wederrechtelijk mensen te betalen. Tevens werd door de LTTE een gewoonte gemaakt van het voorhanden hebben en het verhullen van de verplaatsing van door misdrijf verkregen geld. Op al deze misdrijven had de LTTE het oogmerk. Ook na de dood van de leider Prabhakaran bleef de organisatie met dit oogmerk bestaan en de werkzaamheden uitvoeren.

Het bewijs ten aanzien van feit 3

Naar aanleiding van de Verenigde Naties Resolutie 1373, van september 2001 is binnen de EU het Gemeenschappelijke Standpunt (GS) 2001 /931 en de Verordening (EG) nr. 2580/2001 opgesteld. Hieraan verbonden is de EU lijst van terroristische organisaties, waarop zoals hierboven al is overwogen sinds 29 mei 2006 onafgebroken de Liberation Tigers of Tamil Eelam - 'LTTE' is geplaatst. Op grond van artikel 5b van de Wet conflictenrecht corporaties was de LTTE vanaf dat moment in Nederland van rechtswege verboden en niet bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.

De aan de plaatsing ten grondslag liggende redenen zijn op 29 juni 2007 door de Raad van de Europese Unie verzonden aan de LTTE (stuk A08-282). Vanaf dat moment is op grond van artikel 140 lid 2 Sr deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van de LTTE strafbaar.

Uit een uittreksel van de kamer van koophandel, gedateerd 22 september 2009, blijkt dat de Stichting Tamil Coordinating Committee-Nederland te 's-Gravenhage sinds 1985 onafgebroken staat ingeschreven (pv A01-180).

Verdachte [verdachte] is sinds 1 juni 1998 bestuurslid van deze stichting. Verdachte [E] is sinds 10 februari 1989 bestuurslid en [C] sinds 1 januari 2005 (stuk C30-0009).

Op 4 november 2007 heeft in Utrecht een herdenkingsbijeenkomst plaats gevonden ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder S.P. Tamilselvan, de politiek leider van de LTTE. Op een DVD van deze bijeenkomst (pv B02-00083) is te zien dat de verdachte [B] er een toespraak houdt. Wanneer de verdachte in beeld komt voor zijn speech dan verschijnt er in Tamilschrift een tekst in het beeld. Deze tekst is als volgt vertaald: "Dhr. [B], plaatsvervangend bevelhebber van Nederland, Rapport van de nationale leider".

Op de DVD van deze bijeenkomst (B02-00083) is eveneens te zien dat de verdachte [C] de sprekers aankondigt. Wanneer [C] voor de eerste keer in beeld komt verschijnt er in Tamilschrift een tekst in beeld. Deze tekst is als volgt vertaald: "[C], hoofd propaganda Nederland".

Op 27 november 2007 werd een heldendag georganiseerd in zaal Merwestein te Nieuwegein. Op een DVD van deze bijeenkomst is te zien dat de verdachte [E] daar een toneelstuk speelt. Ook is te zien dat er mensen in de zaal lopen met een bakje, waar mensen geld indoen. (pv B02-1726). Op de computer van de verdachte [E], in beslag genomen in diens woning te [plaats 5], zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3] (B02-1590). Op de spreadsheet betreffende november 2007 is te zien dat de heldendag 2007 een positief resultaat heeft opgeleverd van € 14.252,92 (B02-1584).

Op 12 en 13 januari 2008 werd, zoals reeds overwogen, in Duitsland een LTTE workshop georganiseerd voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België, waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers en activisten deelnamen. Dit blijkt uit een document, gedateerd 31 januari 2008, met als koptekst "Verantwoordelijke/leider internationale betrekkingen, Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam, Tamil Eelam" (stuk B00-2154). Uit het verslag blijkt dat de verdachten [A], [verdachte], [C], [B] en [E] daar aanwezig waren en dat zij het geld inzamelen in Nederland bespraken.

De verdachte [A] heeft over deze bijeenkomst verklaard (pv C01-490): "Ik heb niet de hele vergadering bijgewoond. Ik heb alleen van [.....] te horen gekregen dat ik daar naar toe moest voor twee dingen. Als eerste omdat ik van die landen geen berekeningen krijg en als ik daar naar toe ga, kan ik ze ontmoeten en kan ik overleggen."

Op 27 november 2009 werd een heldendag georganiseerd in zaal Maresca te Utrecht. Verdachte [verdachte] gaf hier een toespraak (pv B02-1744) en ook de verdachte [E] was hier aanwezig (pv B02-1743). Tijdens deze bijeenkomst werden onder meer boeken, kaarten, shawls, vlaggen, riemen en paraplu's verkocht (pv B04-1741). Nadat [verdachte] een speech had afgesloten werd in de zaal een collecte gehouden (pv B02-00093).

Op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3], is een document aangevonden genaamd "financieel activiteitenplan 2010" van de LTTE (pv B02-115). Hierin staat onder meer: "Op dit moment hebben wij te maken met een ernstige financiële crisis. Leningen die wij zijn aangegaan moeten zonder uitstel worden terugbetaald. Hiervoor is het noodzakelijk geworden dat wij ons bezighouden met fondsenwerving. Wij vragen u namens onze vrijheidsorganisatie de helpende hand te bieden en royale financiële steun te verlenen."

De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard (ttz 15-09-2011): "Het is juist dat ik leider van de TCC was. ... In Nederland hebben de TCC en sommige Tamil organisaties het doel van de LTTE ondersteund."

Bij de beoordeling van feit 2 heeft de rechtbank op grond van de daar opgenomen bewijsmiddelen al geconcludeerd dat de LTTE, waarvan de TCC een van de suborganisaties was, een criminele organisatie was en dat verdachte als leider samen met anderen aan die organisatie heeft deelgenomen. De rechtbank herhaalt hier die conclusie en verwijst naar hetgeen zij daartoe reeds bij feit 2 heeft overwogen. Uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen, waaronder ook die verder zijn vermeld ten aanzien van feit 2, blijkt dat verdachte ook na 29 juni 2007 als leider voor de LTTE, tezamen en in vereniging met de verdachten [A], [B], [C] en [E], werkzaamheden heeft verricht, onder meer bestaande uit het actief deelnemen aan bijeenkomsten en het inzamelen van geld. Deze werkzaamheden vonden in 2007, 2008 en 2009 nog plaats en uit niets blijkt dat de verdachte er daarna mee gestopt is. In tegendeel, uit het financieel activiteitenplan voor 2010 volgt dat de werkzaamheden onverminderd zijn voortgezet.

De rechtbank komt derhalve tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

Het bewijs ten aanzien van feit 4

Naar aanleiding van de Verenigde Naties Resolutie 1373, van september 2001 is binnen de EU het Gemeenschappelijke Standpunt (GS) 2001 /931 en de Verordening (EG) nr. 2580/2001 opgesteld. Hieraan verbonden is de EU lijst van terroristische organisaties, waarop zoals hierboven al is overwogen sinds 29 mei 2006 onafgebroken de Liberation Tigers of Tamil Eelam - 'LTTE' is geplaatst. Gedragingen strekkende tot (directe of indirecte) financiële of economische ondersteuning van op de EU-lijst geplaatste organisaties worden verboden in Verordening (EG) nr. 2580/2001. Handelingen in strijd met Verordening (EG) nr. 2580/2001 zijn verboden in de Sanctieregeling terrorisme 2002 en strafbaar gesteld als economisch delict middels de Sanctiewet 1977 (hierna ook: Sanctiewet) juncto artikel 1, aanhef en onder 1º van de Wet op de economische delicten.

De aan de plaatsing ten grondslag liggende redenen zijn op 29 juni 2007 door de Raad van de Europese Unie verzonden aan de LTTE (stuk A08-282). Vanaf dat moment zijn bovengenoemde handelingen strafbaar.

In oktober 2003 vond een bijeenkomst plaats in Sri Lanka. In de woning van de verdachte [E] te [plaats 5] werd een DVD van deze bijeenkomst aangetroffen. Hierop is onder meer een toespraak van Prabhakaran te zien, waarop deze zegt (pv B04-279): "Nu kom ik tot de kern van de zaak wat betreft fondsenwerving en hoe wij onze mensen kunnen benaderen. Daarover hoop ik dat ik met jullie kan praten. ... dankzij uw fondsenwerving in het buitenland, ik denk dat het geld van vijf jaar was, het was een bedrag dat meer dan 4 miljard bedroeg, hebben wij, van dat buitenlandse geld, wapens gekocht in het buitenland die wij voor deze strijd gebruikten." (pv B04-282): "Fondsen werven bij onze mensen moet gebeuren op de feestdagen of in een periode van strijd, anders denken zij dat wij alleen maar om het geld vaak bij hun komen. Dit alleen is niet voldoende om een strijd te voeren. Maar wat ik u aanraad om te doen is het volgende: stel je hebt de beschikking over 1000 gezinnen; wij moeten de 1000 gezinnen benaderen door propaganda. Als wij zulks zouden doen, dan zou dit kunnen zorgen voor een onderlinge relatie en een gevoel kunnen geven van participatie met ons. Stel dat je 10 miljoen per maand aan ons zou overmaken ten behoeve van handel, hoewel dit bedrag is een beetje overdreven, dat zou de relatie tussen de mensen en ons alleen maar verbeteren."

Op 4 november 2007 heeft in Utrecht een herdenkingsbijeenkomst plaats gevonden ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder S.P. Tamilselvan, de politiek leider van de LTTE. Op een DVD van deze bijeenkomst (pv B02-00082) is te zien dat de verdachten [verdachte], [C] en [B] aanwezig zijn. [C] kondigt de diverse sprekers aan en [verdachte] en [B] houden er een toespraak. Op de computer van de verdachte [E], in beslag genomen in diens woning te [plaats 5], zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3] (B02-1590). Op de spreadsheet betreffende november 2007 is te zien dat deze herdenkingsdag 2007 een positief resultaat heeft opgeleverd van € 1.361,50 (B02-1584).

Op 27 november 2007 werd een heldendag georganiseerd in zaal Merwestein te Nieuwegein. Op een DVD van deze bijeenkomst is te zien dat de verdachte [E] daar een toneelstuk speelt. Ook is te zien dat er mensen in de zaal lopen met een bakje, waar mensen geld indoen. (pv B02-1726). Op de computer van de verdachte [E], in beslag genomen in diens woning te [plaats 5], zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3] (B02-1590). Op de spreadsheet betreffende november 2007 is te zien dat de heldendag 2007 een positief resultaat heeft opgeleverd van € 14.252,92 (B02-1584).

Op 12 en 13 januari 2008 werd in Duitsland een LTTE workshop georganiseerd, voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België, waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers en activisten deelnamen. Dit blijkt uit een document, gedateerd 31 januari 2008, met als koptekst "Verantwoordelijke/leider internationale betrekkingen, Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam, Tamil Eelam" (stuk B00-2154). Uit het verslag blijkt dat de verdachten [A], [verdachte], [C], [B] en [E] daar aanwezig waren en dat zij het geld inzamelen in Nederland bespraken.

Op 27 november 2009 werd een heldendag georganiseerd in zaal Maresca te Utrecht. Verdachte [verdachte] gaf hier een toespraak (pv B02-1744) en ook de verdachte [E] was hier aanwezig (pv B02-1743). Tijdens deze bijeenkomst werden onder meer boeken, kaarten, shawls, vlaggen, riemen en paraplu's verkocht (pv B04-1741). Nadat [verdachte] een speech had afgesloten werd in de zaal een collecte gehouden (pv B02-00093).

Getuige [getuige 25] verklaart op de vraag hoe de verkoop van cd's en dvd's in het werk gaat (pv C18-15): "Op het moment dat ik die cd's en dvd's van die mensen thuis geleverd krijg, dat bewaar ik ze thuis tot het moment dat er een bijeenkomst of een ander evenement georganiseerd wordt. Vervolgens neem ik de goederen mee naar het evenement en daar verkoop ik ze aan de bezoekers. Wij hebben wel een vaste prijs voor de goederen maar als de mensen meer willen geven mag dat ook. Omdat de mensen weten waar het geld naartoe gaat en waarvoor het is geven ze vaak meer.... ik maak natuurlijk wel winst ... Deze winst is natuurlijk niet voor mij maar voor het eerder genoemde doel. Wij sturen het geld naar de LTTE." Over de verkoop (C18-016): "Ik heb dit voor het laatst gedaan op de martelarendag op 27 november 2009 in Utrecht".

Op een USB stick van de verdachte [A], in beslag genomen in diens woning te [plaats 3], is een document aangevonden genaamd "financieel activiteitenplan 2010" van de LTTE (pv B02-115). Hierin staat onder meer: "Op dit moment hebben wij te maken met een ernstige financiële crisis. Leningen die wij zijn aangegaan moeten zonder uitstel worden terugbetaald. Hiervoor is het noodzakelijk geworden dat wij ons bezighouden met fondsenwerving. Wij vragen u namens onze vrijheidsorganisatie de helpende hand te bieden en royale financiële steun te verlenen."

De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard (ttz 15-09-2011): "Het is juist dat ik leider van de TCC was. ... In Nederland hebben de TCC en sommige Tamil organisaties het doel van de LTTE ondersteund."

De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verder verklaard (ttz 21-09-2011): "Het klopt dat er op 14 januari 2008 een loterij is georganiseerd. Dit is Pongal Day, Tamil Nieuwjaar."

Op de eerdergenoemde heldendag in 2009 liep de verdachte [verdachte] in de zaal rond. Hij sprak in de zaal met diverse mensen en was in het bezit van enkele witte enveloppen, waarvan hij er één liet vallen. Gezien werd dat deze was gevuld met euro bankbiljetten (pv B02-1744).

Zoals reeds is geconcludeerd bij feit 2, naar welke conclusie en redengeving de rechtbank verwijst, had de LTTE een wereldwijd netwerk van organisaties die rechtstreeks onder het internationaal secretariaat vielen en die mede als doel hadden de LTTE financieel te ondersteunen en was de Nederlandse TCC één van die organisaties. Uit de hierboven vermelde bewijsmiddelen, waaronder ook die verder zijn vermeld ten aanzien van feit 2, blijkt dat fondsenwerving daadwerkelijk in Nederland plaatsvond en onverminderd doorging, ook na de plaatsing van de LTTE op de sanctielijst in 2007 en na de dood van leider Prabhakaran in 2009. De verdachte [verdachte] organiseerde en nam als leider deel aan bijeenkomsten die tot doel hadden om geld te genereren voor de LTTE. Er werd geld ingezameld, er werden goederen verkocht en loterijen georganiseerd. De verdachte [verdachte] heeft aldus tezamen en in vereniging met de verdachten [B], [C] en [E], de Sanctiewet overtreden.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 tenlastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -met verbetering van in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad- zoals weergegeven in de hieronder vermelde bewezenverklaring. De rechtbank heeft daarbij tevens als een kennelijke omissie ten aanzien van feit 2 betreffende de onderdelen c) en e) ingelezen ",opzettelijk begaan", aangezien deze feiten anders geen misdrijf zouden opleveren en de steller van de tenlastelegging, gelet op de aanhef van dit ten laste gelegde feit, het oog heeft gehad op het ten laste leggen van misdrijven. Ook door deze verbetering is verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

De bewezenverklaring luidt dan: dat

2.

hij in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en [plaats 2] en [plaats 3] en [plaats 4] en [plaats 5] en [plaats 6] en elders in Nederland, als leider telkens tezamen en in vereniging met [B] en [C] en [A] en

[E] en anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

c) overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 juncto Sanctieregeling terrorisme 2002, opzettelijk begaan, en

d) gewoonte witwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en 420bis Wetboek van Strafrecht) en

e) overtreding van artikel 1 van de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan, en

f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht);

3.

hij in de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en [plaats 2] en [plaats 3] en [plaats 4] en [plaats 5] en [plaats 6] en elders in Nederland, als leider telkens tezamen en in vereniging met [B] en [C] en [A] en [E] en anderen, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (pbEG L 344);

4.

hij in de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te [plaats 1] en [plaats 2] en [plaats 3] en [plaats 4] en [plaats 5] en [plaats 6], en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met [B] en [C] en [E] en anderen, telkens opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 lid 2 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 lid 1 van de Sanctieregeling Terrorisme 2002 juncto artikel 2, eerste en tweede lid en 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344)

(onder meer) inhoudende

- het verbod om aan of ten behoeve van de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een (rechts)persoon, groep of entiteit als bedoeld in de bij Verordening nr. 2580/2001 behorende lijst, direct of indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking te stellen

- het verbod om financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van die LTTE

- het verbod om willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect, eerdergenoemde verboden worden ontdoken en/of de bevriezing van tegoeden, andere financiële activa en/of economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door die LTTE wordt ontdoken

telkens

a) heeft deelgenomen aan bijeenkomsten en bijeenkomsten heeft georganiseerd die tot doel hadden om geld te genereren voor de LTTE en

b) ten behoeve van de LTTE geld heeft gecollecteerd en ingezameld, en loten heeft verkocht en loterijen met winstoogmerk heeft georganiseerd, en goederen met winstoogmerk heeft verkocht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van rechtsvervolging dient te worden ontslagen omdat aan de feiten de wederrechtelijkheid ontbreekt vanwege de taken die de LTTE had in het kader van de humanitaire ondersteuning, zodat deze feiten niet strafbaar zijn.

Ook is bepleit dat verdachte niet strafbaar is omdat er sprake is van een noodtoestand; er was immers een grote behoefte aan humanitaire ondersteuning van de Tamilbevolking op Sri Lanka en het was voor verdachte niet mogelijk de Tamilbevolking op Sri Lanka te ondersteunen zonder financiën indirect aan de LTTE ter beschikking te stellen.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 geboden mogelijkheid om machtiging te verzoeken voor -kort samengevat- het vrijgeven van bevroren tegoeden of het ter beschikking stellen van tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen aan de LTTE. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de LTTE om een dergelijke ontheffing heeft verzocht. Nu die mogelijkheid niet eerst is benut, kan reeds om die reden niet worden volgehouden dat er sprake is van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid of van noodtoestand.

Nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden is het bewezenverklaarde volgens de wet strafbaar en is verdachte deswege strafbaar.

Strafmotivering

De rechtbank volgt de verdediging niet in de stelling dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten sprake is van eendaadse samenloop. In de onderhavige situatie gaat het om- kort samengevat- deelneming aan een criminele organisatie, deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie en overtreding van de Sanctiewet. Deze delicten kunnen los van elkaar worden gedacht en elk feit levert op zichzelf een zelfstandig misdrijf van verschillend karakter op, zodat, al kunnen zij zich gedurende een zeker tijdsverloop zeer gemakkelijk ten aanzien van dezelfde dader voordoen, die gelijktijdigheid niet iets wezenlijks is.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het feit dat met de zwaarste straf is bedreigd, namelijk het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Daarnaast wordt het openbaar ministerie gedeeltelijk niet ontvankelijk verklaard in de vervolging terzake feit 1.B. en volgen overigens voor dat feit vrijspraken op onderdelen. Ook van de feiten 5 en 6 wordt verdachte vrijgesproken. Alleen al daarom zal de op te leggen straf lager uitvallen dan door het openbaar ministerie is gevorderd.

Bij de op te leggen straf neemt de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte de leider van de TCC in Nederland was. De TCC is één van de vele organisaties die onder het internationaal secretariaat van de LTTE op Sri Lanka vielen en maakte daarmee onderdeel uit van de criminele en verboden organisatie, de LTTE. De rechtbank heeft tevens vastgesteld dat de LTTE de Tamildiaspora heeft gebruikt voor het inzamelen van gelden, welke gelden deze organisatie gebruikte voor haar doelstellingen op Sri Lanka. Verdachte heeft met zijn werkzaamheden onderdeel uitgemaakt van de criminele organisatie in Nederland. Deze organisatie hield zich voornamelijk bezig met fondsenwerving onder de eigen Tamilmensen. Dit deed de organisatie op een zeer gestructureerde wijze door lijsten bij te houden van de in Nederland wonende Tamils, waarin werd bijgehouden wie aan de financiële verplichtingen voldeden en wie niet.

De organisatie in Nederland heeft op verschillende wijze gelden ingezameld ten behoeve van de LTTE. Zo is op bijeenkomsten geld ingezameld, zijn Tamils thuis bezocht en zijn loterijen met winstoogmerk gehouden. De organisatie heeft hierbij ook het oogmerk gehad dwang uit te oefenen op de Tamils in Nederland om geld te doneren.

Het is verdachte zwaar aan te rekenen dat hij vanuit een ideologische motivatie voor de strijd voor een eigen grondgebied voor de Tamils op Sri Lanka, de vrijheid van de eigen Tamils hier in Nederland uit het oog heeft verloren. Veel Tamils zijn Sri Lanka ontvlucht vanwege de gewapende strijd die al vele jaren duurde en zochten een veilig en rustig bestaan in Nederland. De wijze waarop de organisatie dit heeft verstoord door deze mensen financiële verplichtingen op te leggen en zo bij de strijd betrokken te houden, is verdachte zwaar aan te rekenen.

De organisatie heeft de afgelopen jaren grote geldbedragen in Nederland ingezameld en deze op een 'ondergrondse' wijze ter beschikking gesteld aan de LTTE op Sri Lanka. Ook op dit gewoontewitwassen had de criminele organisatie het oogmerk.Verdachte heeft als leider de belangrijkste rol binnen de criminele organisatie hier in Nederland gehad. Verdachte heeft feitelijke zeggenschap gehad over al hetgeen zich binnen de organisatie van de LTTE in Nederland afspeelde. Verdachte controleerde, coördineerde en stuurde aan. Juist die rol als kopstuk in de Nederlandse tak van de LTTE wordt verdachte ernstig aangerekend.

Verdachte was zich bewust van het feit dat de LTTE op de Europese terrorismelijst stond en dat hun activiteiten verboden waren. Dit heeft verdachte niet weerhouden om zijn functie binnen de LTTE te blijven uitvoeren. Verdachte heeft hiermee zeer bewust zowel de Europese regelgeving als de nationale wetgeving naast zich neergelegd. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang omdat het doel ervan is tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme te komen. Door deze verboden gedurende lange tijd te overtreden heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in Sri Lanka.

De rechtbank heeft geen aanwijzing dat verdachte zich bij zijn verboden handelen heeft laten leiden door persoonlijk gewin. Verdachte heeft steeds verklaard gewerkt te hebben om zijn Tamil bevolking op Sri Lanka te helpen. Verdachte is als vluchteling naar Nederland gekomen en hij heeft verklaard dat hij veel familieleden, onder wie zijn vader, heeft verloren door de strijd op Sri Lanka. Verdachte heeft verklaard om deze reden naar een onafhankelijke Tamil staat te streven. Vanuit deze ideologische motivatie lijkt verdachte zijn strafwaardig handelen te rechtvaardigen.

Hoezeer de rechtbank ook begrijpt dat de persoonlijke verliezen die verdachte heeft geleden tot op de dag van vandaag hun sporen bij hem nalaten, het kan en mag niet worden aanvaard dat verdachte zijn eigen motieven boven de wet stelt of daarin rechtvaardiging zoekt.

Van de straf dient in zaken als deze een duidelijk signaal uit te gaan. Niet alleen dient deze verdachte ingescherpt te worden dat zijn handelen strafbaar en strafwaardig is, ook aan anderen dient duidelijk te zijn dat ideologische motieven geen reden mogen zijn om de norm terzijde te stellen.

De rechtbank heeft begrepen dat de detentie van verdachte zwaar is voor zijn gezin, mede vanwege de slechte gezondheidstoestand van zijn vrouw. Gelet echter op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de leidinggevende functie van verdachte binnen het Nederlandse onderdeel van de LTTE en gezien de manier waarop verdachte op een rechtvaardigende manier tegen zijn strafbaar handelen aankijkt, is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur geboden, ook om verdachte te weerhouden in de toekomst opnieuw vanuit zijn ideologische motivatie de wet- en regelgeving te overtreden.

De voorlopige hechtenis

Nu een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is, voornamelijk gebaseerd op rol van de verdachte en de omvang van de misdrijven, is er na afweging van de strafvorderlijke belangen tegen de persoonlijke belangen van de verdachte geen plaats voor opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis.

De inbeslaggenomen goederen

Gelet op de vrijspraak voor feit 6 kan van merchandise niet worden geoordeeld dat het vanwege direct verband met dat strafbare feit, als bedoeld in de artikelen 33a en 36c Sr., vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, terwijl evenmin vast is komen staan dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Ook over de aard en inhoud van de op de beslaglijst vermelde bescheiden en gegevensdragers is onvoldoende duidelijkheid. Ten aanzien van die en de overige zaken is derhalve evenmin vast komen staan dat deze - kort gezegd - direct verband houden met enig bewezenverklaard feit.

De rechtbank zal derhalve de teruggave aan de verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst onder hem inbeslag

genomen voorwerpen, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op:

- de artikelen 47, 57, 140 van het Wetboek van Strafrecht;

- artikel 1, aanhef en onder 1º, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977;

- artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002;

- artikel 2 van Verordening nr. 2580/2001 van de Raad van Europese Unie van 27

december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen

en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344 van

28.12.2001);

- besluit 2007/445/EG van de Raad van Europese Unie;

- besluit 2007/868/EG van de Raad van Europese Unie;

- besluit 2008/583/EG van de Raad van Europese Unie;

- besluit 2009/62/EG van de Raad van Europese Unie;

- verordening 501/2009 van de Raad van Europese Unie;

- verordening 1285/2009 van de Raad van Europese Unie.

De beslissing

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding partieel nietig voor wat betreft de onderdelen van het onder 1.B. a. en d. ten laste gelegde voor zover het betreft het ten laste gelegde "elders in de wereld";

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 1.B.a. -voor zover niet in Nederland begaan-, feit 1.B.b., feit 1.B.c. -voor zover verband houdend met het gewapend conflict-, feit 1.B.d. -voor zover niet in Nederland begaan- en feit 1.B.e., f., g., h. en i;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1.A. en 1.B.a. -voor zover in Nederland begaan-,1.B.c. -voor zover geen verband houdend met het conflict- en 1.B.d. -voor zover in Nederland begaan-, 2 sub a, b, g en h, 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 3:

het als leider deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege is verboden;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen goederen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A.C. van Rossum, voorzitter,

mrs G.H.M. Smelt en M.T. Renckens, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs F.A. Haijer en N. Bouda, griffiers.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2011.