Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU2047

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/4496
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indien een parkeercontroleur met behulp van zijn handterminal vast stelt dat op het kenteken van een auto een parkeervergunning is betaald en afgegeven, dient hij dit gelijk te stellen aan een vaststelling die is gebaseerd op visuele waarnemening van een achter de voorruit geplaatste geldige vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/1160 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N Vandaag 2011/2642
V-N 2011/64.30 met annotatie van Redactie
FutD 2011-2615 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4496

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 oktober 2011 van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 18 mei 2011 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011.

Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

Overwegingen

1. Op 7 mei 2011 omstreeks 14:31 uur stond de auto van eiseres - met kenteken

[kenteken] - geparkeerd aan de Zuidsingel te Leiden. Deze locatie is door het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden aangewezen als plaats waar mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting.

2. Tijdens een controle op voormelde plaats, datum en tijdstip heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat in de auto van eiseres geen geldig parkeerkaartje of geldige vergunning aanwezig was. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag aan eiseres opgelegd.

3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat aan de belastingplicht is voldaan omdat het voor de parkeervergunning voor het tweede kwartaal verschuldigde bedrag reeds op 9 maart 2011 is betaald en dat zij derhalve beschikt over een geldige parkeervergunning. Deze vergunning heeft zij op 1 april 2011 duidelijk zichtbaar achter de voorruit geplaatst. Dat op de door verweerder overgelegde foto's die vergunning niet zichtbaar is heeft zij ter zitting verklaard met het vermoeden dat de vergunning korte tijd voor de controle is ontvreemd. Uit de foto's kan immers ook worden afgeleid dat het portier kennelijk niet was afgesloten. Zij heeft inmiddels een duplicaat-vergunning aangevraagd en gekregen.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat er geen parkeerkaart of parkeervergunning zichtbaar achter de voorruit was aangebracht. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat bij de invoer van het kenteken van de auto in een handterminal, de parkeercontroleur wordt geattendeerd op het feit dat voor het desbetreffende voertuig een vergunning is verleend. In zo'n geval wordt door de opsporingsambtenaar het voertuig nogmaals nauwkeurig gecontroleerd. De parkeerwachters hebben de vergunning echter niet in de auto aangetroffen. Nu de vergunning niet in de auto aanwezig was, is niet voldaan aan één van de voorwaarden die aan die vergunning zijn verbonden zodat geen sprake is van parkeren met een vergunning. Verweerder heeft in dit verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, nr. 32 834, LJN: AA3336 (hierna:het arrest van de HR).

6. Artikel 2 van de Verordening parkeerbelastingen 2009 (de Verordening) luidt als volgt: "Belastbaar feit

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze (hierna: de parkeerbelasting, rechtbank);

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze (hierna: parkeervergunningbelasting, rechtbank)."

7. Zoals is overwogen onder 1, is voor het parkeren op de onder 1 genoemde plaats en tijd parkeerbelasting verschuldigd. Naar volgt uit Onderdeel II sub 2 van de bij de Verordening behorende Tarieventabel bedraagt de verschuldigde parkeerbelasting € 12. Klaarblijkelijk is het stelsel van de Verordening dat de parkeerbelasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een geldige vergunning en tevens wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. Dit stelsel brengt, gelet op het arrest van de Hoge Raad, mee dat de belanghebbende die wel over een geldige parkeervergunning beschikt maar bij het parkeren niet voldoet aan de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden, voor het parkeren parkeerbelasting moet betalen. In dit geval is met name van belang de voorwaarde dat de parkeervergunning op een van buitenaf leesbare plaats achter de voorruit van de geparkeerde auto dient te zijn geplaatst (hierna: de voorwaarde). Uit de tekst van de voorwaarde en wat verweerder daarover heeft opgemerkt, leidt de rechtbank af dat de strekking van de voorwaarde is dat de parkeercontroleur ter plaatse kan vaststellen dat de parkeerder ten tijde van het parkeren over een geldige parkeervergunning beschikt.

8. Sedert het arrest van de HR heeft de techniek zich evenwel verder ontwikkeld. Uit de gedingstukken en hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard blijkt dat de parkeercontroleur in het voorliggende geval ten tijde van de controle, door invoering van het kenteken van de auto van eiseres in zijn handterminal onmiddellijk wist dat voor de desbetreffende auto een parkeervergunning op kenteken is afgegeven welke op die plaats en voor dat tijdstip geldig is en dat de daarvoor verschuldigde parkeervergunningbelasting is voldaan. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank aan de voorwaarde voldaan. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de voorwaarde overeenkomstig haar onder 7 vermelde strekking moet worden toegepast. Door raadpleging van zijn handterminal heeft de parkeercontroleur onmiddellijk ter plaatse kunnen vaststellen dat eiser ten tijde van het parkeren over een geldige parkeervergunning beschikte. Deze vaststelling dient naar het oordeel van de rechtbank te worden gelijkgesteld aan een vaststelling die is gebaseerd op visuele waarneming van een achter de voorruit geplaatste geldige parkeervergunning. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van Gerechtshof 's-Gravenhage, 13 november 2009, LJN: BL3550.

9. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet is gesteld of gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.