Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU1554

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
375481 - HA ZA 10-3284
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:4678, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak komt allereerst de vraag aan de orde of koelwagens die zich op het terrein van een slachthuis bevinden vallen onder de definitie van 'slachthuis' in Verordening 853/2004. Tevens komt aan de orde of de door Ekro gehanteerde koelprocedure, waarbij karkassen worden doorgekoeld in op het terrein van het slachthuis geplaatste koelwagens, in overeenstemming is met de voornoemde Verordening. Tot slot wordt geoordeeld over de vraag of de Voedsel en Waren Autoriteit onrechtmatig jegens Ekro heeft gehandeld door over te gaan tot strikte controle en handhaving van de Europese regelgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2012/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 375481 / HA ZA 10-3284

Vonnis van 6 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EKRO B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. drs. K.J. Defares te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN LNV),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. R.J.M. van den Tweel te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Ekro en de Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding d.d. 3 september 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 8 december 2010;

- de beschikking van 23 februari 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1. Ekro is een kalfsvleesproducent en is onderdeel van de VanDrie Group. De VanDrie Group ontplooit activiteiten in alle stadia van de productieketen van kalfsvlees.

2.2. Bij de productie en verwerking van kalfsvlees is Ekro gebonden aan in communautaire regelgeving vastgelegde hygiënevoorschriften. Overeenkomstig de hierna onder 3 nog te bespreken communautaire regelgeving moet de postmortemkeuring onmiddellijk worden gevolg door koeling van het vlees in het slachthuis om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan 7 °C te verzekeren. Het vlees moet die temperatuur tijdens de opslag in het slachthuis hebben bereikt en mag pas daarna worden vervoerd.

2.3. Ekro slacht ruim 1.500 kalveren per dag. Na de postmortemkeuring doorlopen de karkassen een koelketen. De temperatuurbeheersing in de ruimtes waarlangs de slachtlijn voert, zorgt voor een geleidelijke en voortdurende daling van de temperatuur van de karkassen. Aan het einde van de slachtlijn worden de karkassen in een koelcel gehangen die zich in hetzelfde gebouw bevindt waar ook het slachten en uitslachten plaatsvindt. De temperatuur in de koelcel bedraagt tussen de 0 en 2 °C.

2.4. Sinds 1997 zijn er bij de VanDrie Group problemen met het koelen van de karkassen tot 7 °C.

2.5. De VanDrie Group heeft vanaf 1998 een procedure toegepast waarbij het doorkoelen van de karkassen met een temperatuur tussen de 7 en 9,5 °C plaatsvindt in een koelwagen op het eigen bedrijfsterrein van Ekro. Deze procedure is opgenomen in het HACCP-hygiëneplan van Ekro. HACCP staat voor "Hazard Analysis and Critical Control Points".

2.6. De procedure houdt thans het volgende in. Karkassen met een temperatuur tussen de 7 en 9,5 °C worden in de koelwagens geladen. Daartoe rijden de koelwagens met hun achterzijde naar een laaddeur in het dok van de slachterij, waar de temperatuur 2 °C is. Er is een rubberafdichting tussen de laaddeur en koelwagen om te zorgen dat de gekoelde lucht niet kan ontsnappen. De koelwagens worden geladen met vijf rijen karkassen van 20 stuks per rij. Als de koelwagen is geladen, worden de deuren van de koelwagen gesloten en rijdt de koelwagen naar één van de parkeerplaatsen op het terrein van Ekro en wacht daar tot de karkassen een temperatuur van 7 °C hebben bereikt. Volgens de procedure mag de koelwagen pas daarna vertrekken.

2.7. Het bereiken van de juiste temperatuur voor het verlaten van het bedrijfsterrein van Ekro wordt niet vastgesteld aan de hand van temperatuurmetingen, maar op basis van een door Ekro gehanteerde ervaringsregel van 1 °C temperatuurdaling per uur. Dat betekent dat als de temperatuur van de karkassen bij het inladen van de koelwagen 9,5 °C is, nog 2,5 uur koeling nodig is voordat de koelwagen mag vertrekken. Slechts steekproefsgewijs wordt aan de hand van temperatuurmetingen gecontroleerd of de voorgeschreven temperatuur van 7 °C is bereikt.

2.8. In de jaren 1997, 1998, 1999, 2002, 2003, 2004, 2008 en 2009 is door de rechtsvoorgangster van de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: de VWA), de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (hierna: de RVV) en later door de VWA tijdens diverse controles geconstateerd dat de temperatuur van het vlees (bij het verladen) in de koelwagens te hoog was (namelijk hoger dan 7 °C).

2.9. Gelet op de frequente overtredingen van de temperatuurnorm bij het verladen van het vlees in de koelwagens, niet alleen door Ekro, maar door diverse marktpartijen, heeft de VWA in 2009 besloten prioriteit te geven aan de handhaving van deze norm en is zij daarop ook strikter gaan toezien. De VWA heeft bij brief van 17 juli 2009, gericht aan de Nederlandse roodvleesslachterijen, medegedeeld dat de temperatuurvoorschriften voor vlees bij afvoer van een slachthuis per 15 oktober 2009 strikt gehandhaafd zouden worden. In de brief wordt gewezen op het feit dat het de eigen verantwoordelijkheid is van de levensmiddelenbedrijven passende maatregelen te treffen, opdat zij conform de voorschriften handelen. Tevens is in deze brief aangegeven dat levensmiddelenbedrijven slechts onder voorwaarden mogen afwijken van deze temperatuurvoorschriften wanneer daarvoor schriftelijk toestemming is gevraagd aan en verkregen van VWA.

2.10. In reactie op deze aankondiging heeft de heer [A] van de VanDrie Group bij brief van 30 september 2009 aan de VWA geschreven dat het voor Ekro niet mogelijk is ervoor te zorgen dat de karkassen bij verlading al een temperatuur van 7 °C hebben. Handhaving van die eis zou tot gevolg hebben dat vlees niet langer in koelwagens mag worden gekoeld waardoor de capaciteit van het slachtbedrijf aanzienlijk zou worden gereduceerd, hetgeen tot welzijnsproblemen voor de dieren en economische schade voor het bedrijf zou leiden. De heer [A] vermeldt dat bij de VanDrie Group altijd de indruk heeft bestaan dat haar werkwijze bij de VWA - bezien vanuit het oogpunt van voedselveiligheid - als adequaat beoordeeld werd.

2.11. Bij brief van 15 oktober 2009 heeft de VWA de roodvleesslachterijen nader geïnformeerd over de uit te voeren inspecties. De inspecties hebben vervolgens plaatsgehad in vier weken vanaf 15 oktober 2009. Tijdens deze periode is driemaal per dag de temperatuur van het vlees gemeten. Wanneer bij een bedrijf op vijf slachtdagen meer dan drie overtredingen werden geconstateerd, was sprake van 'structurele problemen' en werden door de VWA verdere maatregelen genomen. Bij de inspecties op de slachterij van Ekro zijn gedurende deze inspectieperiode geen structurele problemen geconstateerd.

2.12. In de periode van 20 november tot en met 31 december 2009 werden bij uitgevoerde inspecties bij Ekro wel weer overtredingen geconstateerd: bij 23 uitgevoerde controles werden 17 temperatuuroverschrijdingen vastgesteld. Naar aanleiding daarvan heeft de VWA Ekro bij brief van 26 januari 2010 een waarschuwing gegeven en gemeld dat zij maatregelen zal treffen indien wederom niet wordt voldaan aan de wettelijke norm.

2.13. Tijdens controle van de VWA bij Ekro op 29 en 30 juni 2009 en 22 februari en 1 juni 2010 werd wederom geconstateerd dat het vlees bij het verladen in de koelwagens warmer was dan 7 °C.

2.14. Bij brief van 17 juni 2010 heeft de advocaat van Ekro de VWA gesommeerd om schriftelijk te bevestigen dat er niet langer handhavend zou worden opgetreden tegen Ekro.

2.15. Bij brief van 24 juni 2010 heeft de VWA aan Ekro medegedeeld dat de door Ekro gehanteerde koelprocedure niet overeenkomstig de communautaire voorschriften is. Volgens de VWA dient het koelen tot de vereiste maximumtemperatuur van 7 °C in het slachthuis zelf plaats te vinden en niet in koelwagens.

3.Het wettelijk kader

3.1. In 2004 hebben de Raad en het Europees Parlement een zogenoemd "hygiënepakket" aangenomen, dat bestaat uit een aantal verordeningen waarin hygiënevoorschriften voor levensmiddelen zijn vastgesteld. Het hygiënepakket strekt ertoe een allesomvattend communautair beleid ter bescherming van de hygiëne van alle levensmiddelen vast te leggen. Voor de onderhavige zaak zijn de Verordeningen 852/2004, 853/2004 en de niet tot het hygiënepakket behorende Verordening 882/2004 relevant.

3.2. Verordening 852/2004 bevat algemene hygiënevoorschriften voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven. Artikel 2 lid 1 sub c bepaalt dat onder 'inrichting' wordt verstaan 'elke eenheid van een levensmiddelenbedrijf'.

3.3. Verordening 853/2004 (hierna: de Verordening) bevat specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Artikel 4 schrijft voor dat exploitanten alleen producten van dierlijke oorsprong in de handel mogen brengen, die zijn vervaardigd in inrichtingen die voldoen aan de vereisten zoals vastgelegd in de bijlagen van Verordening 852/2004. Onder 1.16 van Bijlage I bij de Verordening staat dat onder 'slachthuis' wordt verstaan 'een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie'.

3.4. Hoofdstuk VII van Sectie I van Bijlage III bij de Verordening heeft betrekking op de opslag en het vervoer van vlees. De voor deze zaak relevante bepalingen luiden als volgt:

"1.a)Tenzij andere specifieke bepalingen in een andere regeling voorzien, moet de postmortemkeuring onmiddellijk worden gevolgd door koeling in het slachthuis om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan (...) 7 °C voor (...) vlees te verzekeren. (...)

(...)

2.Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt en moet die temperatuur behouden tijdens de opslag.

3.Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt alvorens het kan worden vervoerd, en moet die temperatuur tijdens het vervoer behouden. (...)"

3.5. Op grond van de Regeling vleeskeuring is de VWA belast met de krachtens Verordening 882/2004 voorgeschreven officiële controles op de naleving van de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn.

4.Het geschil

4.1. Ekro vordert - samengevat - een verklaring voor recht:

1. dat het begrip slachthuis in de Verordening tevens de voorzieningen op het terrein van een slachterij omvat, waaronder op het terrein van een slachterij geplaatste koelwagens, althans

2. dat het koelen in koelwagens op het terrein in overeenstemming is met het doel en de strekking van de temperatuurnorm van Bijlage III, hoofdstuk VII., punt 1, van de Verordening, althans

3. dat de beleidswijziging van de VWA ten aanzien van de handhaving van de temperatuurnorm onrechtmatig is jegens Ekro.

4.2. Ekro legt aan haar primaire en subsidiaire verklaringen voor recht ten grondslag dat de door haar gehanteerde koelprocedure in overeenstemming is met de communautaire regelgeving. Met betrekking tot de meer subsidiaire verklaring voor recht betoogt Ekro dat de VWA eerder heeft ingestemd met de koelprocedure van Ekro en dat zij geen objectieve rechtvaardiging heeft voor de beleidswijziging, ook niet door de inwerkingtreding van de Verordening.

4.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1. Het geschil dat partijen verdeeld houdt spitst zich allereerst toe op de vraag of de door Ekro gehanteerde procedure van het doorkoelen van karkassen in koelwagens op het terrein van Ekro, nog voordat die karkassen een temperatuur van 7 °C hebben bereikt, in overeenstemming is met de communautaire regelgeving. Ekro stelt zich op het standpunt dat het doorkoelen van karkassen in koelwagens op haar terrein in overeenstemming is met de communautaire regelgeving terwijl de Staat zulks betwist.

Vallen koelwagens onder de definitie 'slachthuis' van de Verordening?

5.2. Ekro stelt zich in dit verband primair op het standpunt dat de definitie 'slachthuis' van de Verordening tevens de voorzieningen op het terrein van een slachthuis omvat en dat koelwagens als zodanige voorzieningen dienen te worden aangemerkt. Zij beroept zich daartoe op bepalingen van Verordening 852/2004 en de Verordening en de definitie van 'slachthuis' in Richtlijn 93/119 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden. De Staat stelt zich, met een beroep op dezelfde regelgeving, op het standpunt dat koelwagens niet onder de definitie 'slachthuis' vallen. Volgens de Staat hebben koelwagens niet de koeling van vlees, maar het vervoer van vlees tot zelfstandig doel en vormen zij geen permanent onderdeel van het terrein dat tot het slachthuis behoort.

5.3. Krachtens artikel 2 van de Verordening gelden voor de toepassing van deze verordening de definities van Bijlagen I t/m III bij de Verordening, alsmede de definities van Verordeningen 178/2002 en 852/2004. In Bijlage I van de Verordening wordt een 'slachthuis' omschreven als "een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie". Onder 'inrichting' wordt krachtens artikel 2 lid 1 aanhef en sub c van Verordening 852/2004 verstaan 'elke eenheid van een levensmiddelenbedrijf'. De definitie van 'levensmiddelenbedrijf', zoals opgenomen in Verordening 178/2002, kwalificeert Ekro als zodanig. Een slachthuis is derhalve de eenheid van een levensmiddelenbedrijf welke dient ter slachting of uitslachting van dieren. Dat betekent dat een koelwagen, slechts dan onder de definitie van 'slachthuis' valt, indien deze kan worden beschouwd als (onderdeel van) een eenheid van een levensmiddelenbedrijf welke dient ter slachting of uitslachting van dieren. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval.

5.4. Weliswaar volgt uit Bijlage III van de Verordening, sectie I, hoofdstuk II, met het opschrift "voorschriften voor slachthuizen" dat onder de definitie 'slachthuis' mede bepaalde, in dat hoofdstuk genoemde, voorzieningen worden verstaan die zich bevinden op het terrein van het levensmiddelenbedrijf dat het slachthuis exploiteert, maar daaruit volgt nog niet dat koelwagens die zich op dat terrein bevinden zijn aan te merken als voorzieningen die deel uitmaken van het slachthuis in de zin van de Verordening. In het betreffende hoofdstuk, waarin de voorzieningen met naam worden genoemd, wordt immers geen melding gemaakt van (mobiele) koelwagens. Bovendien hebben de genoemde voorzieningen niet rechtstreeks betrekking op het slachtproces, maar zijn zij daaraan ondersteunend (zoals stallen, voorzieningen voor de opslag van mest en een lokaal voor gebruik door de veterinaire dienst). Voorts bevinden de koelwagens die door Ekro gebruikt worden in haar hierboven omschreven koelprocedure zich slechts gedurende een korte periode op het terrein van Ekro en zijn deze - in tegenstelling tot alle in Bijlage III van de Verordening genoemde voorzieningen - geen permanente voorzieningen, zodat van een eenheid met het levensmiddelenbedrijf Ekro niet kan worden gesproken. Dit alles in onderling verband bezien maakt dat naar het oordeel van de rechtbank (mobiele) koelwagens niet kunnen worden aangemerkt als (voorzieningen op het terrein van) het slachthuis in de zin van (hoofdstuk II van sectie I van Bijlage III van) de Verordening.

5.5. Ook uit het feit dat artikel 16.6 van de Verordening uitdrukkelijk voorschrijft dat koeling "in het slachthuis" dient plaats te vinden en daar niet staat dat die koeling dient plaats te vinden op het terrein van het slachthuis c.q. het levensmiddelenbedrijf, is een duidelijke indicatie dat het vlees moet worden gekoeld in hetzelfde gebouw als waar het slachten en uitslachten plaatsvindt. In dit verband is relevant dat het slachthuis van Ekro ook beschikt over koelcellen in hetzelfde gebouw als waar het slachten en uitslachten plaatsvindt. Artikel 16.6 van de Verordening laat dan ook onvoldoende ruimte om aan te nemen dat koelwagens onder de definitie van 'slachthuis' kunnen worden geschaard.

5.6. De in Richtlijn 93/119 gegeven definitie van het begrip slachthuis doet, in tegenstelling tot hetgeen partijen betogen, niet ter zake, nu in de Verordening de definities van die Richtlijn niet uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard en de Verordening eigen definities ter zake hanteert. Bovendien strekt Richtlijn 93/199 uitsluitend tot bescherming van dieren bij het slachten of doden en ziet deze niet op hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Blijkens artikel 1 van de Richtlijn is deze uitsluitend van toepassing op behandeling van te slachten dieren tot aan het slachten en doden. Op de periode daarna, waarvan ook het koelen en de opslag als bedoeld in artikel 16.6 van de Verordening onderdeel uitmaakt, heeft de Richtlijn geen betrekking. Gezien het voorgaande mag de definitie van 'slachthuis' in de Verordening niet worden uitgelegd aan de hand van de definitie die in Richtlijn 93/119 wordt gegeven.

5.7. Concluderend stelt de rechtbank vast dat een redelijke uitleg van de Verordening meebrengt dat onder de definitie 'slachthuis' van die verordening niet vallen de op het terrein van een levensmiddelenbedrijf geplaatste koelwagens. De primair gevorderde verklaring voor recht wijst de rechtbank af.

Is de koelprocedure van Ekro in overeenstemming met Verordening?

5.8. Ekro betoogt voorts dat de toepasselijke regelgeving zich niet verzet tegen de door Ekro gehanteerde koelprocedure, omdat de koelwagens het terrein van Ekro pas verlaten wanneer de karkassen een temperatuur van 7 °C hebben bereikt. Pas op dat moment begint volgens Ekro het vervoer. De Staat stelt zich daarentegen op het standpunt dat het doorkoelen in de koelwagens niet in overeenstemming is met de communautaire regelgeving, in het bijzonder niet met de eis onder 1.a) van Hoofdstuk VII van Sectie I van Bijlage III van de Verordening dat doorkoeling dient plaats te vinden 'in het slachthuis' (zie r.o. 2.4).

5.9. De rechtbank stelt voorop dat krachtens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU in geval de in Europese (secundaire) regelgeving vastgestelde normen voor verschillende uitleg vatbaar zijn, de uitleg die de nuttige werking van de bepaling kan verzekeren moet worden verkozen. Bovendien mag de uitleg van een bepaling geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid of geldigheid van die bepaling en van het daaraan ten grondslag liggende beginsel.

5.10. Het oordeel van de rechtbank dat koelwagens die zich op het terrein van Ekro bevinden niet onder de definitie 'slachthuis' in de Verordening vallen, heeft tot gevolg dat het in de Verordening voorgeschreven vereiste dat de koeling "in het slachthuis" dient plaats te vinden, reeds meebrengt dat koeling in koelwagens niet voldoet aan de eisen van de Verordening.

5.11. Bovendien wordt onder 1.a) van Hoofdstuk VII van Sectie I van Bijlage III van de Verordening uitsluitend toestemming verleend om tijdens het koelen van het vlees over te gaan tot het versnijden en uitbenen van het vlees. Andere manipulaties, zoals het verladen van het vlees in koelwagens - al dan niet ter voortzetting van het koelproces - staat de Verordening niet toe. Ook dit is een indicatie dat het koelen van de karkassen in koelwagens in strijd is met de Verordening.

5.12. Ter comparitie is duidelijk geworden dat een nauwkeurige temperatuurscontrole van de karkassen na het inladen in de koelwagens niet mogelijk is, omdat uitsluitend van de eerste twee rijen karkassen de temperatuur kan worden gecontroleerd. Het controleren van de temperatuur van de overige rijen karkassen is om arbotechnische redenen niet mogelijk zonder de karkassen uit te laden. Ekro heeft erkend dat zij op basis van een ervaringsregel bepaalt hoe lang in een koelwagen moet worden doorgekoeld en dat zij de temperatuur van de karkassen in de koelwagens slechts steekproefsgewijs controleert.

5.13. Het feit dat na verlading uitsluitend de temperatuur van de eerste twee rijen karkassen kan worden gecontroleerd, brengt het risico met zich dat overtredingen van de temperatuurnorm niet worden opgemerkt wanneer koelwagens worden geladen met karkassen die op het moment van inladen nog niet een temperatuur van 7 °C hebben bereikt. Van de karkassen die voorin de koelwagen worden gehangen is immers bekend dat daarvan de temperatuur niet meer wordt gecontroleerd. Bij koeling in de koelcel van het slachthuis is daarentegen te allen tijde controle van de temperatuur van alle karkassen mogelijk. Met de door Ekro voorgestane koelprocedure wordt een goede controlemogelijkheid van de temperatuur van het vlees bij aanvang van het vervoer dan ook onvoldoende gewaarborgd, hetgeen in strijd is met het doel en de strekking van de betreffende communautaire regelgeving.

5.14. Uit hetgeen Ekro ter comparitie heeft gesteld, blijkt dat zij wegens bedrijfseconomische redenen een groter aantal kalveren wil slachten dan de (koel)capaciteit van haar slachthuis strikt genomen toelaat. Bij de uitleg van de communautaire regelgeving die betrekking heeft op hygiënemaatregelen, mag uiteraard met dergelijke bedrijfeconomische redenen geen rekening worden gehouden.

5.15. Voor zover Ekro nog heeft betoogd dat bij de uitleg van de Verordening dierenwelzijn in aanmerking moet worden genomen en dat het dierenwelzijn in het gedrang komt wanneer zij de door haar ontwikkelde koelprocedure niet langer mag toepassen, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. Uit het feit dat zij in 2009 gedurende enkele weken in staat is gebleken om zonder problemen de productiecapaciteit aan te passen, volgt eerder dat het welzijn van de dieren niet in het geding is.

5.16. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van de communautaire regelgeving, zoals voorgestaan door het Hof van Justitie EU, niet kan leiden tot het oordeel dat de door Ekro beoogde koelprocedure daarmee in overeenstemming is. De door Ekro gevorderde subsidiaire verklaring voor recht dat het koelen in koelwagens op het terrein van Ekro in overeenstemming is met het doel en de strekking van de temperatuurnorm van Bijlage III, Sectie I, hoofdstuk VII, onder 1. van de Verordening wordt afgewezen.

Heeft de VWA onrechtmatig jegens Ekro gehandeld?

5.17. Ekro heeft tot slot betoogd dat de RVV en later ook de VWA met de door Ekro gehanteerde procedure van doorkoelen in de koelwagens hebben ingestemd en dat er geen rechtvaardiging is voor het afwijken door de VWA van haar beleid van instemming omdat de toepasselijke regelgeving niet is gewijzigd. Door niettemin haar beleid te wijzigen handelt de VWA onrechtmatig jegens Ekro, zo stelt zij. De Staat heeft gemotiveerd betwist dat de RVV en later de VWA met de door Ekro gehanteerde koelprocedure hebben ingestemd.

5.18. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door Ekro in het geding gebrachte producties niet dat de RVV, en later de VWA, de koelprocedure, zoals opgenomen in het handboek van Ekro uitdrukkelijk hebben geaccordeerd of daarmee hebben ingestemd. Maar zelfs wanneer de RVV en later de VWA tot oktober 2009 zouden hebben ingestemd met de door Ekro gehanteerde koelprocedure, staat het de VWA vrij om van dat besluit terug te komen op de wijze zoals zij dat heeft gedaan. De Europese regelgeving eist dat de VWA strikt controleert en handhaaft. De VWA heeft de wijziging van haar beleid - zo daar al sprake van was - bij brief van 17 juli 2009 aan alle Nederlandse roodvleesslachterijen, waaronder Ekro, medegedeeld. De roodvleesslachterijen is vervolgens een termijn van drie maanden gegund om passende maatregelen te nemen. Mede gelet op het feit dat Ekro in staat is gebleken binnen deze termijn haar bedrijfsvoering desgewenst zo aan te passen dat deze in overeenstemming is met het door de VWA gevoerde beleid, is de strengere handhaving door de VWA dan ook niet onrechtmatig jegens Ekro.

5.19. De meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat de beleidswijziging van de VWA ten aanzien van de handhaving van de temperatuurnorm onrechtmatig is jegens Ekro wordt dan ook afgewezen.

5.20. Ekro zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.031,00

6.De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af,

- veroordeelt Ekro in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op EUR 1.031,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na heden,

- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk, mr. I.D. Bellaart en mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.