Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU1410

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
09/925518-10 en 09/412518-09 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen bij ouderen. Als pedicure had zij toegang tot de woningen van haar slachtoffers; daar heeft zij geld en goederen ontvreemd. Het jongste slachtoffer van verdachte had de leeftijd van 70 jaar. Met haar handelen heeft verdachte mensen die door hun leeftijd vaak minder weerbaar en emotioneel kwetsbaar zijn schade berokkend. Deze schade bestond niet alleen uit financiële maar ook uit emotionele schade. Betrokkenen waren veelal hulpbehoevend en verdachte heeft het vertrouwen dat haar slachtoffers in de hulpverleners hadden ernstig geschaad.

Taakstraf 200 uur waarvan 100 voorwaardelijk. Schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers 09/925518-10 en 09/412518-09 (TUL)

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 oktober 2011.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. G.V. van der Bom, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. M. Visser heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar onder 8 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het haar onder 1 tot en met 7 en 9 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:

- volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A.];

- volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [B.]

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [C.]tot een bedrag van € 540,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige;

- volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [D.];

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [E.] tot een bedrag van € 34,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige;

- volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [F.].

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat:

- van een bedrag groot € 134,50, subsidiair 2 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.];

- van een bedrag groot € 50,-, subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B.];

- van een bedrag groot € 540,-, subsidiair 10 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [C.];

- van een bedrag groot € 85,-, subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [D.];

- van een bedrag groot € 34,-, subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [E.];

- van een bedrag groot € 100,-, subsidiair 2 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [F.].

De officier van justitie heeft voorts gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 april 2009 voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 04 juni 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning op de [adres] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (een of meerdere (bank)pas(jes) en/of 50 euro, althans enig geldbedrag en/of een of meerdere strippenkaart(en)) en/of een zegelboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 23 april 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen 50 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 07 juni 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (40 euro, althans enig geldbedrag) en/of een enveloppe met 500 euro, althans met enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan W.Wensveen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op of omstreeks 23 april 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een lopersleutel (merk: Dom, kleur: zilverkleurig), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [D.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

5.

zij op of omstreeks 24 maart 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (een of meerdere (bank)pasjes en/of 30 euro, althans enig geldbedrag), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [E.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

6.

zij op of omstreeks 31 maart 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een (rechthoekige) koektrommel, althans een kistje met inhoud (een (Engels) paspoort en/of 350 euro en/of 50 Engelse ponden, althans enig geledbedrag en/of Pensioenpapieren en/of een (Engels) spaarbankboekje), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [E.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

7.

zij op of omstreeks 21 juni 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de Nassaulaan 581 heeft weggenomen drie, althans een of meerdere portemonnee(s) met inhoud (Identiteitspapieren en/of diverse (bank)pasjes en/of 40 euro, althans enig geldbedrag), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [G.] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

8.

zij op of omstreeks 7 mei 2010 en/of 8 mei 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (een id bewijs, diverse (bank)passen en/of 100 euro, althans enig(e) geldbedrag(en)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [H.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

9.

zij op of omstreeks 10 mei 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portefeuille en/of een portemonnee met inhoud (100 euro, althans enig(e) geldbedrag(en)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [F.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 8 is ten laste gelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de onder 1 tot en met 7 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

1.

zij op 04 juni 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning op de [adres] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (bankpasjes en 50 euro en strippenkaarten) en een zegelboekje toebehorende aan [A.];

2.

zij op 23 april 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen 50 euro toebehorende aan [B.];

3.

zij op 07 juni 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (40 euro) en een enveloppe met 500 euro toebehorende aan [C.];

4.

zij op 23 april 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een lopersleutel (merk: Dom, kleur: zilverkleurig) toebehorende aan [D.];

5.

zij op 24 maart 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (bankpasjes en 30 euro) toebehorende aan [E.];

6.

zij op 31 maart 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een (rechthoekige) koektrommel, met inhoud (een Engels paspoort en 350 euro en 50 Engelse ponden en Pensioenpapieren en een Engels spaarbankboekje) toebehorende aan [E.];

7.

zij op 21 juni 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen drie portemonnees met inhoud (identiteitspapieren en bankpasjes en enig geldbedrag) toebehorende aan [..];

9.

zij op 10 mei 2010 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portefeuille en een portemonnee met inhoud (ongeveer 100 euro) toebehorende aan [F.].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen bij ouderen. Als pedicure had zij toegang tot de woningen van haar slachtoffers; daar heeft zij geld en goederen ontvreemd. Het jongste slachtoffer van verdachte had de leeftijd van 70 jaar. Met haar handelen heeft verdachte mensen die door hun leeftijd vaak minder weerbaar en emotioneel kwetsbaar zijn schade berokkend. Deze schade bestond niet alleen uit financiële maar ook uit emotionele schade. Betrokkenen waren veelal hulpbehoevend en verdachte heeft het vertrouwen dat haar slachtoffers in de hulpverleners hadden ernstig geschaad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 12 september 2011 betreffende verdachte. Daaruit komt naar voren dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een veroordeling voor meerdere diefstallen en oplichting. Verder zijn de hier bewezen verklaarde feiten in een proeftijd gepleegd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voortgangsverslag, d.d. 3 oktober 2011, opgesteld door M.J.B. van Eck, reclasseringsmedewerker. Daaruit komt naar voren dat zich sinds juli 2010 geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Verdachte is bij De Waag met een behandeling gestart die is gericht op het achterhalen van de oorzaak van de diefstallen. Ook wordt bezien hoe recidive kan worden voorkomen. Tevens blijkt uit het verslag dat verdachte haar afspraken met de reclassering redelijk netjes nakomt. Eind 2010 is verdachte op afroepbasis in dienst gekomen bij een verzorgingstehuis, waar zij werkt als hulp in de huiskamer op de gesloten afdeling. Verdachte heeft aangegeven niet meer de drang te hebben tot stelen en er zijn volgens haar geen spanningen meer geweest die de verleiding tot het stelen hebben geactiveerd. De relatie met haar man is verbeterd en hij is tevens betrokken bij de behandeling van verdachte bij De Waag. De huidige behandelaar, K. Janmaat, is positief over de resultaten van de behandeling. Verdachte is gemotiveerd en stelt zich open op. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en het bestaande toezicht met een jaar te verlengen.

De rechtbank zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van nader te noemen duur.

De vordering van de benadeelde partij [A.].

[A.] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 134,50.

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 134,50.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 4 juni 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 134,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 juni 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.].

De vordering van de benadeelde partij [B.].

[B.] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 50,-.

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 50,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 23 april 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 50,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B.].

De vordering van de benadeelde partij [C.].

[C.]heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 602,50.

De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partij tot een bedrag van € 540,-. Het slachtoffer heeft dit bedrag in haar aangifte opgegeven als het totale bedrag dat bij haar is weggenomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 540,-.

De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de rechtbank niet verwacht dat de benadeelde partij dit deel van de vordering (binnen korte tijd) kan onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 540,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [C.].

De vordering van de benadeelde partij [D.].

[D.] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 85,-.

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 85,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 23 april 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 85,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [D.].

De vordering van de benadeelde partij [E.].

[E.]heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 84,-.

De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partij tot een bedrag van € 34,-. Het slachtoffer heeft in haar aangifte opgegeven dat er een bedrag van € 350,- in het kistje heeft gezeten, in tegenstelling tot het in de vordering vermelde bedrag van € 400,-. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 5 en 6 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 34,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 24 maart 2010 is ontstaan.

De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de rechtbank niet verwacht dat de benadeelde partij dit deel van de vordering (binnen korte tijd) kan onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 5 en 6 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 34,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [E.].

De vordering van de benadeelde partij [F.].

[F.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 100,-.

De vordering is naar het oordeel van de rechtbank grotendeels voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Het slachtoffer heeft bij haar aangifte opgegeven dat ongeveer € 100,- bij haar is weggenomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 9 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering naar redelijkheid en billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 80,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 10 mei 2010 is ontstaan.

De rechtbank zal het overige deel van de vordering afwijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 9 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 80,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [F.].

Vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 27 september 2011 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde taakstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 april 2009, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat zij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Voorts is het toezicht, dat bij dat vonnis is opgelegd, reeds eerder met een jaar verlengd, zodat in weerwil van het advies van de reclassering, geen verlenging van het toezicht meer kan volgen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 8 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 7 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

diefstal, meermalen gepleegd

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 (tweehonderd) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (honderd) dagen;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften haar te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A.] toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A.], een bedrag van € 134,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 juni 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 134,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 juni 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B.] toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [B.], een bedrag van € 50,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 50,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [C.], gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [C.], een bedrag van € 540,-;

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 540,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [C.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [E.]gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [E.], een bedrag van € 34,-,vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 34,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [E.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [D.] toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [D.], een bedrag van € 85,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 85,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 april 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [D.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [F.] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [F.], een bedrag van € 80,-,vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

wijst de vordering voor het overige deel af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 80,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [F.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 april 2009, gewezen onder parketnummer 09/412518-09, te weten een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mrs. A.L. Frenkel en M.W. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2011.

mr. A.L. Frenkel is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.