Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU1303

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
299343 - HA ZA 07-3628
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling schade bij aanvaring tussen een binnenschip en een wrakkenponton van Rijkswaterstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 299343 / HA ZA 07-3628

Vonnis van 3 augustus 2011 (bij vervroeging)

in de zaak van

de onderlinge waarborgmaatschappij

VERENIGING ORANJE, ONDERLINGE VERZEKERING VAN SCHEPEN U.A.,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

advocaat mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Vereniging Oranje en de Staat worden genoemd.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 september 2008, waartegen Vereniging Oranje hoger beroep heeft ingesteld;

- het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 9 november 2010, waarbij het genoemde tussenvonnis is bekrachtigd;

- de akte van de zijde van de Staat van 4 mei 2011;

- de antwoordakte van de zijde van Vereniging Oranje van 1 juni 2011.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. Twee van de drie rechters die het tussenvonnis van 24 september 2008 hebben gewezen, zijn thans niet meer werkzaam in de sector civiel recht en kunnen daardoor niet meewerken aan dit volgende vonnis. Mede hierdoor is de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de rechtbank.

2.De verdere beoordeling

2.1.Een bij Vereniging Oranje verzekerd vrachtschip, [naam schip], heeft op of omstreeks 19 januari 2004 een wrakkenvaartuig van Rijkswaterstaat, orgaan van de Staat, aangevaren (hierna: "het wrakkenvaartuig"en "de aanvaring"). Na de aanvaring heeft de Staat de kosten voor herstel van het wrakkenvaartuig begroot op € 120.000. Op grond van het bepaalde in artikel 9 Wet beheer Rijkswaterstaatwerken ("WBR") heeft Vereniging Oranje in januari 2004 een bedrag van € 120.000 aan de Staat betaald. Tevens heeft zij een garantieverklaring voor een bedrag van € 120.000 aan de Staat doen toekomen. Deze garantieverklaring liep tot 19 januari 2006. In februari 2007 heeft Vereniging Oranje de Staat verzocht het bedrag van € 120.000 terug te storten omdat de garantietermijn was verlopen. In de zomer van 2007 heeft de Staat, na de reparatie van het vaartuig, van het bedrag van € 120.000 een bedrag van € 2.229,58 (inclusief € 122,85 rente) aan Vereniging Oranje terugbetaald. In deze procedure vordert Vereniging Oranje onder meer dat de Staat het totale bedrag van € 120.000 aan haar terugbetaalt omdat de garantiestelling is vervallen.

2.2.In het tussenvonnis van 24 september 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat het vervallen van de garantiestelling niet leidt tot het door Vereniging Oranje ingeroepen rechtsgevolg van restitutie van het door haar aan de Staat betaalde bedrag. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft in zijn arrest van 9 november 2010 dit tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd. Partijen hebben tegen dit arrest geen cassatieberoep ingesteld, waardoor het in kracht van gewijsde is gegaan. Hierdoor staat thans vast tussen partijen dat de Staat het door Vereniging Oranje gestorte bedrag van € 120.000 niet behoeft terug te betalen op de grond dat de garantiestelling was vervallen.

2.3.Vereniging Oranje heeft subsidiair de door de Staat gestelde schade betwist en uit dien hoofde aanspraak gemaakt op restitutie van het gehele bedrag van € 120.000, althans van een hoger bedrag dan de Staat heeft terugbetaald. In het tussenvonnis van 24 september 2008 heeft de rechtbank zonder voorbehoud geoordeeld dat de Staat de aanspraak van Vereniging Oranje uit hoofde van artikel 9 lid 3 WBR als zodanig niet heeft bestreden en de Staat in de gelegenheid gesteld feiten te bewijzen waaruit de werkelijke omvang van de schade blijkt. Daartoe kan de Staat bewijs leveren van de posten die zijn genoemd in de ter comparitie in geding gebrachte specificatie van de schade.

Subsidiaire stelling tardief?

2.4.De Staat stelt in zijn akte van 4 mei 2011 allereerst dat Vereniging Oranje te laat is met haar subsidiaire betoog aangaande de hoogte van de schade. De rechtbank volgt dit verweer van de Staat niet. Zij heeft in het tussenvonnis van 24 september 2008 overwogen zoals onder 2.3 is weergegeven. Nu dit vonnis door het gerechtshof is bekrachtigd, staat het de rechtbank niet vrij hiervan terug te komen. Dit betekent dat zij voorbijgaat aan deze stelling van de Staat. Hij had dit in de appelprocedure kunnen aanvoeren. Hij is daarmee in dit stadium te laat.

Specificatie reparatiekosten

2.5.De Staat heeft bij akte van 4 mei 2011 de naar aanleiding van de aanvaring gemaakte kosten gespecificeerd en toegelicht. Vereniging Oranje heeft hierop bij antwoordakte van 1 juni 2011 gereageerd. De rechtbank zal de vordering van Vereniging Oranje tot terugbetaling post voor post beoordelen, waarbij zij ook zal ingaan op de verklaringen van partijen tijdens de comparitie van partijen op 19 maart 2008.

Reparatiewerkzaamheden door Van der Hoeven

2.6.Na de aanvaring heeft Rijkswaterstaat aan Van der Hoeven Scheepsreparatie B.V. (hierna: "Van der Hoeven") gevraagd een offerte op te stellen voor de reparatiekosten. Van der Hoeven heeft bij brief van 24 januari 2004 de werkzaamheden voor een bedrag van € 75.740 exclusief BTW geoffreerd. Daarna heeft de Staat Vereniging Oranje gevraagd een bedrag van € 120.000 te storten of voor dit bedrag een garantie af te geven.

2.7.In een telefax van 30 januari 2004 heeft Vereniging Oranje de Staat gevraagd om, gezien de hoogte van de offerte van Van der Hoeven, nog drie door haar aangewezen werven te benaderen. Ook Van der Hoeven mocht opnieuw offreren. Van deze drie voorgestelde werven heeft slechts één werf een offerte uitgebracht, en wel tot een bedrag van € 110.665 exclusief BTW. Van der Hoeven heeft haar eerdere offerte van 24 januari 2004 bevestigd, maar wel opgemerkt dat zij offertekosten in rekening zou brengen tot een bedrag van € 2.850 exclusief BTW indien de opdracht niet aan haar werd gegund. Voorts heeft Van der Hoeven bij e-mail van 12 februari 2004 meerwerk geoffreerd tot een bedrag van € 7.620 in verband nog niet eerder geconstateerde schade.

2.8.Bij telefax van 13 februari 2004 heeft expertise- en taxatiebureau v/h Van Pelt & Co (hierna: "Van Pelt") namens Vereniging Oranje gereageerd op de offerte van Van der Hoeven. Zij heeft een zeer klein gedeelte van de offerte, tot een bedrag van € 5.520, geaccepteerd en te kennen gegeven dat zij van de groep elektra nog de dagwaarde wilde vaststellen. Hetzelfde geldt voor de dagwaarde van het gehele vaartuig, uitgaande van de situatie van vóór de aanvaring. Van het geoffreerde meerwerk heeft zij een bedrag van € 7.020 geaccepteerd. Zij heeft haar telefax besloten met de woorden dat zij na overeenstemming met betrekking tot de totale schadekosten en/of dagwaarden geheel sans prejudice zou rapporteren aan Vereniging Oranje.

2.9.Vereniging Oranje stelt dat vervolgens op 12 november 2004 nog een bespreking heeft plaatsgevonden bij Rijkswaterstaat, waarbij een medewerker van Rijkswaterstaat zou hebben gezegd dat de eigenaar dan wel de verzekeraar van het schip dat de aanvaring heeft veroorzaakt opdracht moest geven voor de reparatie van het wrakkenvaartuig. Hierop zou een medewerker van Vereniging Oranje hebben geantwoord dat dit niet mogelijk was omdat in het licht van de geschatte reparatiekosten ook nog over de dagwaarde dan wel restwaarde van het wrakkenvaartuig moest worden gesproken. Afgesproken zou zijn dat Rijkswaterstaat hierop bij Vereniging Oranje zou terugkomen.

2.10.Met een ongedateerde brief, die Rijkswaterstaat in ieder geval na 10 november 2004 heeft verzonden - in de brief wordt verwezen naar een e-mail van Van der Hoeven van 10 november 2004 -, is de opdracht tot herstel van het wrakkenvaartuig aan Van der Hoeven gegund.

2.11.Anders dan Vereniging Oranje heeft verklaard tijdens de comparitie van partijen, is zij betrokken geweest bij de offertes en heeft de Staat op haar verzoek drie werven gevraagd te offreren. Van der Hoeven heeft de laagste offerte uitgebracht. De rechtbank begrijpt het verslag van Vereniging Oranje van de bespreking van 12 november 2004 aldus dat op dat moment nog in geschil was wat de dagwaarde van het wrakkenvaartuig was, maar niet voor welk bedrag dit vaartuig moest worden gerepareerd. Mede gelet hierop acht de rechtbank het niet relevant dat de Staat nog niet heeft kunnen reageren op de stellingen van Vereniging Oranje met betrekking tot dit gesprek. Ook in de antwoordakte heeft Vereniging Oranje de hoogte van de door Van der Hoeven geoffreerde en gemaakte kosten niet betwist.

2.12.Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de Staat op goede grond de herstelopdracht aan Van der Hoeven heeft gegund en een bedrag van € 99.198,40 aan Vereniging Oranje in rekening heeft gebracht.

2.13.Aan het verwijt van Vereniging Oranje tijdens de comparitie van partijen dat Rijkswaterstaat de reparatiewerf de hoogte van de borgsom als budget geeft, gaat de rechtbank voorbij. Dit verwijt mist bij deze aanvaring feitelijke grondslag, nu uit de stukken blijkt dat de hoogte van de borgsom is gebaseerd op de door Van der Hoeven uitgebrachte offerte en niet andersom. Ook de door Vereniging Oranje geuite irritatie over het feit dat Rijkswaterstaat verzekeringsmaatschappijen niet betrekt bij het herstel mist ten aanzien van deze aanvaring feitelijke grondslag. Uit het procesdossier blijkt dat Vereniging Oranje is betrokken bij de offertes en dat ook in november 2004 kennelijk nog een bespreking heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan, zonder verdere gegevens, niet beoordelen wat er na 12 november 2004 is gebeurd, maar constateert in het algemeen wel dat in dergelijke lopende contacten communicatie van beide kanten noodzakelijk is om elkaar op de hoogte te houden. Mede gelet hierop, kan Vereniging Oranje niet alleen de Staat verwijten dat zij na 12 november 2004 kennelijk niets meer van de Staat heeft gehoord.

Dagwaarde wrakkenponton

2.14.Vereniging Oranje stelt dat de technische waarde van het wrakkenvaartuig ten tijde van de aanvaring € 39.500 was, maar dat deze waarde na de reparatie veel hoger ligt. Het verschil tussen die twee moet volgens Vereniging Oranje, op grond van artikel 6:100 van het Burgerlijke Wetboek ("BW") verrekend worden met de door de Staat gestelde schade: "aftrek nieuw voor oud". Vereniging Oranje stelt niet wat de hoogte van de technische waarde na het herstel is.

2.15.De Staat verzet zich hiertegen. Hij stelt met de reparatie niet beter af te zijn, omdat (i) een hersteld wrakkenvaartuig zwakker is dan een vaartuig dat geen herstelwerkzaamheden heeft ondergaan en (ii) een wrakkenvaartuig maatwerk is en derhalve niet eenvoudig te vervangen of te repareren. Derhalve is het onmogelijk, aldus de Staat, om te werken met restwaarden of een aftrek nieuw voor oud.

2.16.Op dit punt heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie. Het wrakkenvaartuig is voor een relatief hoog bedrag gerepareerd. De stellingen van Vereniging Oranje impliceren dat het vaartuig na de reparatie een langere levensduur heeft dan ervoor, omdat het door de reparatie is vernieuwd. De stellingen van de Staat impliceren dat van een langere levensduur geen sprake is omdat het vaartuig door de reparaties eerder is verzwakt. Zijn stellingen op dit punt formuleert de Staat echter in het algemeen: "Sterker nog, een herstelde zaak is in de regel minder dan een zaak die geen noodzakelijke herstelwerkzaamheden heeft ondergaan". De Staat licht niet toe waarom deze algemene stelling ook op het gerepareerde wrakkenvaartuig van toepassing is. Voorts is voor de rechtbank niet duidelijk of de Staat, indien wel sprake is van een langere levensduur, hiervan voordeel heeft, bijvoorbeeld doordat het wrakkenvaartuig over een langere periode kan worden afgeschreven. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen haar hierover nader in te lichten.

Werkzaamheden waterbouwkundig laboratorium

2.17.Tegen deze kosten heeft Vereniging Oranje zich niet inhoudelijk verzet, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat Vereniging Oranje de specificatie van de Staat op dit punt accepteert. De vordering van Vereniging Oranje zal ten aanzien van dit gedeelte, zijnde een bedrag van € 1.034,11, dan ook worden afgewezen.

Arbeidsloon rijkspersoneel

2.18.Vereniging Oranje stelt (i) dat zij niet kan beoordelen of de door de Staat opgevoerde uren werkelijk zijn gemaakt en (ii) dat de door de Staat opgevoerde uurtarieven veel te hoog zijn in verhouding tot het maandsalaris dat geldt voor de schaal van de opgevoerde werknemers.

2.19.Aan het eerste verwijt van Vereniging Oranje gaat de rechtbank voorbij. De Staat heeft in bijlage 11 bij de akte van 4 mei 2011 de uren gespecificeerd die de medewerkers naar aanleiding van de aanvaring in januari 2004 hebben gewerkt. De Staat heeft daarbij aanvang en einde van de werkzaamheden opgegeven. Deze gedetailleerde specificatie heeft Vereniging Oranje onvoldoende betwist. Zij stelt slechts in het algemeen dat zij de gewerkte uren niet kan controleren omdat niet duidelijk is wat de medewerkers precies hebben gedaan. De rechtbank acht het aantal opgevoerde uren redelijk in verhouding tot de aanvaring. Zolang het aantal opgevoerde uren in redelijke verhouding staat tot het incident kan van de Staat, zonder dat daarvoor een specifieke reden wordt opgevoerd, niet worden verlangd dat hij per tijdseenheid verantwoording aflegt van wat er precies is gedaan.

2.20.Met Vereniging Oranje is de rechtbank wel van oordeel dat de opgevoerde uurtarieven hoog zijn in verhouding tot het salaris dat de desbetreffende medewerkers bij Rijkswaterstaat verdienen, gegeven de schaal die op hen van toepassing was. Ook op dit punt heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen.

Meetvaartuig en vervangend wrakkenvaartuig

2.21.De Staat stelt dat Rijkswaterstaat in de periode van 21 januari tot en met 30 januari 2004 vervangende vaartuigen - eerst een tijdelijk meetvaartuig en vervolgens een vervangend wrakkenvaartuig - op de plaats van de aanvaring in gebruik heeft gehad om de werkzaamheden van het aangevaren wrakkenvaartuig over te nemen.

2.22.Vereniging Oranje betwist in de eerste plaats dat de vervangende werkzaamheden voor de gestelde periode van 21januari 2004 tot en met 30 januari 2004 noodzakelijk waren. Ter toelichting stelt zij dat niet duidelijk is of het zogenaamde Autonoom Meet Frame, dat aan het aangevaren wrakkenvaartuig was vastgemaakt, ook vóór de aanvaring dagelijks uit het water moest worden gehaald, zoals de Staat stelt. Voorts stelt zij de opgegeven uren niet te kunnen controleren. Dit betoog van Vereniging Oranje volgt de rechtbank niet. Tegenover de stelling van de Staat dat de werkzaamheden moesten worden overgenomen voor de opgegeven periode, volstaat niet de enkele stelling dat niet duidelijk is geworden waarom. Uitgangspunt mag zijn dat het aangevaren wrakkenvaartuig zich niet voor niets op de plaats van het ongeval bevond. Als het na het ongeval vervolgens zodanig is beschadigd dat het moet worden verwijderd, althans zijn werkzaamheden niet meer kan vervullen, dienen deze te worden overgenomen. Vereniging Oranje had feiten of omstandigheden moeten stellen waarom dit in deze situatie niet het geval was. Dit geldt temeer nu de Staat de vervangende vaartuigen voor een relatief korte periode van ruim tien dagen in rekening heeft gebracht. Nu Vereniging Oranje dit niet heeft gedaan, passeert de rechtbank haar stellingen op dit punt.

2.23.Vereniging Oranje betwist nog de bedragen die de Staat met de vervanging in rekening brengt omdat niet duidelijk is hoe de tarieven tot stand zijn gekomen. Dit betoog verdient nader onderzoek, nu de Staat, op welke partij hier de bewijslast rust, geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt hoe deze bedragen tot stand zijn gekomen. De rechtbank zal de Staat op dit punt in de gelegenheid stellen aanvullende bescheiden over te leggen ter toelichting op de door haar opgevoerde kosten.

Staaldraad

2.24.Vereniging Oranje betwist dat twintig meter staaldraad € 1.000 kost. Daartoe legt zij een offerte over met een aanbod voor twintig meter staaldraad voor € 360. Ook dit betoog verdient nader onderzoek, nu de Staat, op welke partij hier de bewijslast rust, ook ten aanzien van dit staaldraad geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij deze kosten werkelijk heeft gemaakt. De rechtbank zal de Staat in de gelegenheid stellen aanvullende bescheiden over te leggen ter toelichting op het door haar opgevoerde bedrag.

Autokosten

2.25.De Staat vordert € 112 in verband met 400 gereden kilometers per auto. Vereniging Oranje bestrijdt niet dat de door de Staat opgevoerde medewerkers - in ieder geval vijf (personeel meetdienst minimaal twee, een medewerker schaal 8, een medewerker schaal 6 en een medewerker schaal 5) - bij de afhandeling van de aanvaring betrokken zijn geweest. Gezien dit aantal en gezien het aantal opgegeven kilometers van 400 (80 per medewerker, terwijl de afstand tussen het kantoor van Rijkswaterstaat in Dordrecht en de plaats van het ongeval ongeveer 30 kilometer bedraagt), is de rechtbank van oordeel dat Vereniging Oranje voor het bestrijden van deze post niet kan volstaan met een enkele betwisting. Nu zij echter geen feiten en of omstandigheden heeft aangevoerd die serieuze twijfel oproepen met betrekking tot de vraag waarom deze kosten door de Staat niet gemaakt zouden (kunnen) zijn, gaat de rechtbank aan dit betoog van Vereniging Oranje voorbij. De vordering van Vereniging Oranje zal ten aanzien van dit gedeelte, zijnde een bedrag van € 112, worden afgewezen.

Administratiekosten

2.26.De Staat voert administratiekosten op tot een bedrag van 3% van de totale door haar gemaakte kosten. Ter toelichting verwijst zij naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bepaald dat 3% voor overige (administratie)kosten niet bovenmatig is geacht.

2.27.Vereniging Oranje betwist primair dat in het kader van de aanvaring administratiekosten zijn gemaakt en subsidiair dat die in de door de Staat gestelde omvang zijn gemaakt.

2.28.De rechtbank gaat aan het primaire betoog van Vereniging Oranje voorbij. De aanvaring heeft tot werkzaamheden geleid bij Rijkswaterstaat, waaronder maatregelen die zijn genomen in verband met de situatie op de plaats van de aanvaring. Rechtstreeks met dergelijke werkzaamheden samenhangende administratiekosten kunnen als schade worden verhaald. Daarbij behoeven deze administratiekosten niet te worden gespecificeerd, maar kan worden uitgegaan van een forfaitair bedrag. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verrichte werkzaamheden en de genomen maatregelen tot administratiekosten hebben geleid.

2.29.Zij acht het tevens redelijk dat de Staat voor administratiekosten een percentage van 3% als forfaitair bedrag in rekening brengt, zodat ook het hier vermelde subsidiaire betoog van Vereniging Oranje niet slaagt. Zo heeft de Staat geen aparte kosten in rekening gebracht voor het begeleiden van Van der Hoeven bij de uitvoering van de reparatiewerkzaamheden. Daar zal de Staat echter wel kosten voor hebben gemaakt. Het is derhalve redelijk dat ook over deze kosten een percentage wordt berekend.

2.30.Gelet op dit een en ander acht de rechtbank het aanvaardbaar dat de Staat 3% administratiekosten over het totale schadebedrag in rekening brengt. Dit is het bedrag van de vastgestelde schade, voordat daarop voor het wrakkenvaartuig mogelijk een aftrek wegens "nieuw voor oud" in mindering is gebracht.

Samenvattend

2.31.Vereniging Oranje dient aan de Staat de door Van der Hoeven gemaakte reparatiekosten (ten bedrage van € 99.198,40 inclusief BTW) te vergoeden, alsmede de kosten van het waterbouwkundig laboratorium (ten bedrage van € 1.034,11 inclusief BTW), de autokosten (ten bedrage van € 112 inclusief BTW) en 3% van de totale schadesom als administratiekosten. Tevens dient Vereniging Oranje de door de Staat opgevoerde uren te vergoeden.

2.32.De rechtbank wenst nadere inlichtingen (i) met betrekking tot de stelling van Vereniging Oranje dat met een voordeel voor de Staat rekening moeten worden gehouden (2.16), (ii) over het voor de medewerkers opgevoerde uurtarief (2.20), (iii) over de kosten van het meetvaartuig en het vervangende wrakkenvaartuig (2.23) en (iv) over de kosten van het staaldraad (2.24). De rechtbank zal daartoe een comparitie gelasten, waarin partijen hun standpunten kunnen toelichten. In verband hiermee verzoekt de rechtbank de Staat uiterlijk vier weken voor de comparitiedatum eventuele bescheiden ter toelichting op haar standpunt door middel van een brief aan de rechtbank en aan Vereniging Oranje in te zenden, waarna Vereniging Oranje nog een termijn heeft van twee weken om met een brief op deze stukken te reageren.

2.33.Tijdens de comparitie zal de rechtbank tevens de mogelijkheid van een minnelijke schikking onderzoeken.

2.34.De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

3.De beslissing

De rechtbank:

3.1.beveelt een persoonlijke verschijning van partijen zelf, met hun advocaten, met de onder 2.32 en 2.33 vermelde doeleinden, ter zitting van mr. H.F.M. Hofhuis op woensdag 26 oktober 2011 om 14.00 uur in het gebouw van de rechtbank, Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage;

3.2.beveelt dat indien één van partijen op de onder 3.1 vermelde datum verhinderd mocht zijn, deze partij dit binnen een maand na heden aan de rechtbank dient te berichten, onder opgave van haar verhinderdata en die van de wederpartij op de dinsdagen en de woensdagen in de maanden november en december 2011;

3.3.houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2011.