Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8929

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
FT RK 11-2261 en 11-2261
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing omdat het minnelijk traject niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 288 lid 2 aanhef en onder b. Overwegingen ten overvloede in verband met onvoldoende kwaliteit minnelijk traject en het voornemen de onderneming voort te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rekestnummer: FT RK 11-2261 en 11-2262

nummer verklaring: DHG1011107570

uitspraakdatum: 7 november 2011

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoeker en verzoekster],

beiden wonende te,

[adres]

[postcode en woonplaats],

verzoekers,

hebben op 11 augustus 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is op 3 oktober 2011 behandeld. De verzoekers zijn verschenen en gehoord. Tevens is verschenen en gehoord mevr. B. van der Meer van SVF Den Haag.

Uit de stukken en het behandelde ter zitting komt het volgende naar voren.

1. Verzoekers zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Verzoeker exploiteert vanaf 2001 een metselbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Verzoekers presenteren een schuldpositie van € 248.965,57 verdeeld over 46 schuldeisers. Hierin is begrepen een schuld van € 99.858 aan de belastingen, een schuld van € 61.702,49 aan de ING, een schuld van € 41.373,46 aan de Nationale Nederlanden en een schuld aan het Ziekenfonds van € 10.727,48.

2. Verzoekers verklaren dat zij het minnelijk traject hebben doorlopen bij SVF Den Haag. Desgevraagd geeft mevr. Van der Meer namens SVF aan dat SVF voor het WSNP-traject geen vergoeding heeft ontvangen en dat zij na het mislukken van het minnelijk traject de stukken aan Den Haag OpMaat hebben overhandigd. Deze heeft de stukken gecontroleerd, is akkoord gegaan en zou zich geconformeerd hebben aan de uitkomst. Vervolgens heeft Den Haag OpMaat de verklaring ex 285 lid 1 onder f opgemaakt.

3. In het 285 formulier wordt aangegeven dat het minnelijk traject is mislukt omdat 8 van de 39 schuldeisers niet akkoord zijn. De verklaring is namens de gemeente Den Haag opgemaakt door Den Haag OpMaat. In het 285 formulier geeft Den Haag OpMaat aan dat het alleen de WSNP-verklaring gemaakt heeft en dat het, omdat het minnelijk traject is gedaan door een andere instantie, van een aantal schulden niet weet of deze zijn meegenomen in het minnelijk traject. Blijkens de verdere toelichting zijn een aantal schulden ontstaan tijdens het minnelijk traject over 2011. Den Haag OpMaat heeft verzoekers er op gewezen dat zij het toetsingsinkomen van de belastingtoeslagen dienen te wijzigen i.v.m. inkomsten uit arbeid van verzoekster.

4. Verzoekers verklaren dat zij in het verleden zowel zakelijk als privé hoge schulden zijn aangegaan terwijl de financiële lasten daarvan aanvankelijk op te brengen waren. De laatste jaren is er door tegenvallende bedrijfsresultaten en minder uren werken van verzoekster in loondienst een inkomensterugval ontstaan. Inmiddels zijn zij er met behulp van SVF Den Haag in geslaagd hun financiën op orde te brengen, staan zij bij SVF onder budgetbeheer en worden de vaste lasten betaald.

5. Verzoeker zet tot op heden zijn eenmanszaak voort omdat op deze wijze nog een inkomen wordt gegenereerd. Hij is voornemens zulks te blijven doen omdat hij zijn kansen om in de bouw als werknemer aan de slag te komen gering acht. Voor zijn werk is hij in het bezit van een bedrijfsauto. In de VTLB berekening wordt het inkomen uit bedrijfsactiviteiten opgenomen voor € 2.000, - netto per maand. Recente jaarstukken maken dit bedrag aannemelijk. Daarnaast is een bedrag van € 377,75 per maand opgenomen in de berekening van het vrij te laten bedrag voor woonkosten boven de maximale huurtoeslag. Verzoekers hebben schuldeisers in het minnelijk traject 5,69% aangeboden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 288, lid 2 onder b van de Faillissementswet bepaalt dat de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet afwijzen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet. In artikel 48, eerste lid, van de Wck is bepaald dat het verbod op schuldbemiddeling niet van toepassing is op schuldbemiddeling:

a. om niet;

b. door gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden;

c. door advocaten, curatoren en bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet aangesteld, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten;

d. door natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur.

Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in d. is niet afgegeven. In het arrest van 5 november 2010 (LJN: BN8060) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de wetgever met de verwijzing naar 'een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet' in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, het oog gehad heeft op de personen en instellingen, genoemd in art. 48 lid 1, onder b, c en d, en dus niet op de onder a bedoelde bemiddelaars die hun diensten om niet verrichten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het toelatingsverzoek en de daarbij gevoegde stukken niet worden afgeleid dat SVF Den Haag moet worden aangemerkt als een instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wck, waarnaar art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw verwijst. Bovendien verstaat de rechtbank de opmerkingen van Den Haag OpMaat in de 285-verklaring zo dat SVF Den Haag niet gehandeld heeft onder toezicht van en uit dien hoofde te beschouwen zou zijn als een gecontroleerd verlengstuk van Den Haag OpMaat.

Nu het minnelijk traject niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 288 lid 2 aanhef en onder b dient het verzoek tot toelating schuldsanering te worden afgewezen.

De rechtbank ziet geen aanleiding verzoekers in de gelegenheid te stellen om met behulp van Den Haag OpMaat aan te tonen dat het minnelijk traject wel zou zijn uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 288 lid 2. aanhef en onder b.

De rechtbank is van oordeel dat de kwaliteit van het minnelijk traject niet voldoet aan de eisen welke de wet daaraan stelt. Blijkens de verklaringen van Den Haag OpMaat is het onduidelijk of in het minnelijk traject alle schulden begrepen zijn. Daarnaast is bij het aanbod aan schuldeisers er vanuit gegaan dat niet alle activa van verzoekers te gelde worden gemaakt. Tenslotte is ook de berekening van het VTLB-bedrag niet juist. Tijdens het wettelijk traject is het opnemen van woonkosten boven de maximale huurtoeslag alleen mogelijk als de rechter-commissaris op voet van art. 295 lid 3 Fw. daartoe een schriftelijke beschikking heeft afgegeven. Het opnemen van woonkosten boven de maximale huurtoeslag in het schuldhulptraject en mede op basis daarvan het vrij te laten bedrag bepalen, vereist dat verzoekers zich tot het uiterste hebben ingespannen goedkopere woonruimte te vinden, kunnen aantonen dat dit gedurende de periode van het aangeboden akkoord niet mogelijk dan wel zeer onwaarschijnlijk is en dat om die reden er vanuit gegaan mag worden dat de rechter-commissaris tijdens een eventueel wettelijk traject het verzoek als bedoeld in art. 295 lid 3 Fw zal honoreren. Een en ander is niet gesteld noch is het de rechtbank gebleken. Nu het minnelijk traject niet voldoet aan de eisen welke de wet daaraan stelt dient de verklaring ex 285 lid 1 aanhef en onder f te worden geweigerd.

Ook is verzoeker nog niet klaar voor de wettelijke regeling. Verzoeker is voornemens zijn bedrijf voort te zetten en de schuldhulpverlener heeft hem daartoe in het bezit gelaten van de nodige activa. Het is een uitgangspunt van de wet dat een natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent en in financiële moeilijkheden verkeert, een keuze moet maken. Als hij opteert voor de schuldsaneringsregeling dan zal hij de consequentie moeten accepteren dat hij zijn bedrijf dient te beëindigen opdat ten genoege van de schuldeisers zoveel mogelijk activa te gelde gemaakt kunnen worden. Voortzetting van een zelfstandig beroep of bedrijf kan alleen als de rechter-commissaris op voet van art. 311 Fw.

daartoe een schriftelijke beschikking heeft afgegeven. Bij de behandeling van het wetsontwerp is dit uitgangspunt regelmatig expliciet verwoord. De rechtbank verwijst onder meer naar Kamerstukken 11 1992-1993, 22969, nr. 3, blz. 24. Bij latere gelegenheden is dit uitgangspunt herhaald. De rechtbank verwijst onder meer naar Kamerstukken 11 2005-2006,

29942, nr. 7 blz. 17 en kamerstukken 11 2009-2010, 32291, nr. 3, blz. 9. Verzoeker heeft blijkens zijn verklaring een keuze (nog) niet gemaakt en kan daardoor worden aangemerkt als zijnde nog niet klaar voor de wettelijke regeling.

Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden, zowel afzonderlijk gezien als in onderling verband, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ook zou dienen te worden afgewezen ware het minnelijk traject wel uitgevoerd door een daartoe bevoegde persoon of instelling, zodat verzoekers er geen belang bij hebben de gelegenheid te krijgen om aan te tonen dat het minnelijk traject is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 288 lid 2. aanhef en onder b.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient dus te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats], NEDERLAND,

en

[verzoekster]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats], NEDERLAND

beiden wonende te

[adres]

[postcode en woonplaats].

Gewezen door mr. C.M. Roskam, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2011, in tegenwoordigheid van D. 's-Gravendijk, griffier.

De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.