Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8866

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/32720
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regulier / door België afgegeven EU-verblijfskaart / vergoeding kosten in bezwaar artikel 7:15, tweede lid, Awb / gemeenschapstrouw / geen vermoeden van misbruik gemeenschapsrecht / gegrond.

Nu gesteld noch gebleken is dat er gronden waren voor verweerder om aan te nemen dat lidstaat België op onjuiste gronden een EU-verblijfskaart aan eiser heeft verstrekt, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van België aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel moeten vasthouden. De Belgische autoriteiten zijn na (onbetwist) deugdelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat het gemeenschapsrecht van toepassing is op eiser. Er was geen grond om aan te nemen dat de EU-verblijfskaart door de Belgische autoriteiten op onjuiste gronden is verstrekt. De rechtbank overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat sprake was van een vermoeden van misbruik van gemeenschapsrecht. Uit het besluit in primo en het verhandelde ter zitting komt, kort gezegd, slechts naar voren dat voor verweerder bepalend was dat uit de bij de aanvraag overgelegde stukken niet bleek waarom eiser en referente zich hadden gevestigd in België en in welke periode ze aldaar hadden verbleven. Voorts wijst de rechtbank er op dat volgens de Mededeling niet kan worden gesteld dat het verblijf in de gaststaat, in dit geval België, niet reëel en daadwerkelijk is alleen omdat een EU-burger nog een aantal banden onderhoudt met de lidstaat van herkomst, in dit geval Nederland.

De rechtbank oordeelt dat de beslissing in primo is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft ten onrechte het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 10/32720

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1980], van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),

gemachtigde: mr. T.P.A. Weterings, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.M.M. Wantenaar, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 15 januari 2010 tot verlening van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 augustus 2010 gegrond verklaard.

Op 19 september 2010 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [referente] (hierna: referente).

Overwegingen

1. Het beroep richt zich tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De onderliggende vraag is of verweerder de aanvraag de aanvraag reeds bij besluit van 16 april 2010 had moeten inwilligen.

Regelgevend kader

2. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3. Op grond van artikel 9, eerste lid, voor zover van belang, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder e, sub 2, en artikel 8, onder e, van de Vw 2000, verschaft verweerder aan een familielid van een gemeenschapsonderdaan die rechtmatig verblijf heeft een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

4. In artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU, voorheen artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap) is het beginsel van gemeenschapstrouw neergelegd:

“Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.

De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. (…)”

5. In de considerans, punt 25, van de Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening IEEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn) is bepaald dat procedurele waarborgen worden vastgelegd ter verzekering van een hoog beschermingsniveau van de rechten van de burger van de Unie en zijn familieleden in geval van weigering van toegang tot of verblijf in een andere lidstaat, enerzijds, en de naleving van het motiveringsbeginsel van het optreden van de autoriteiten anderzijds.

6. In de considerans, punt 28, van de Richtlijn is bepaald dat om misbruik tegen te gaan, met name schijnhuwelijken of elke andere vorm van verwantschap aangegaan met als enig doel het recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, de lidstaten de noodzakelijke maatregelen dienen te kunnen treffen. Op grond van artikel 35 van de Richtlijn kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om een in deze Richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Deze maatregelen zijn evenredig en zijn onderworpen aan procedurele waarborgen.

7. Volgens paragraaf 4.1.2. ‘Misbruik’ van de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de Richtlijn (hierna: de Mededeling) kan misbruik worden omschreven als kunstmatig gedrag dat als enig doel (vetgedrukt: conform oorspronkelijke tekst) heeft het door het Gemeenschapsrecht gewaarborgde recht van vrij verkeer en verblijf te krijgen en dat, hoewel het formeel voldoet aan de voorwaarden van de communautaire voorschriften, in strijd is met het doel van die voorschriften.

Voorts staat in de Mededeling vermeld:

“4.2. Schijnhuwelijken

(..)

Bij de uitlegging van het begrip misbruik in het kader van de Richtlijn moet de nodige aandacht worden besteed aan de status van de EU-burger. Conform het beginsel van voorrang van het Gemeenschapsrecht, moet de vraag of misbruik is gemaakt van het Gemeenschapsrecht worden onderzocht in het kader van het Gemeenschapsrecht zelf, en niet in het kader van nationaal migratierecht.

(..)

4.3. Andere vormen van misbruik

(..)

Om een onderscheid te kunnen maken tussen een gewoon gebruik van het Gemeenschapsrecht en misbruiken moet worden beoordeeld of de uitoefening van communautaire rechten in een lidstaat waarvan de EU-burgers en hun familieleden terugkeren reëel en daadwerkelijk was. Indien dat wel het geval is, worden EU-burgers en hun familieleden beschermd door het Gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen. Dat moet van geval tot geval worden beoordeeld. Indien in een concreet geval van terugkeer het gebruik van de communautaire rechten reëel en daadwerkelijk was, mag de lidstaat van herkomst niet nagaan wat de persoonlijke motieven voor de vroegere verhuizing waren.

Zo nodig kunnen de lidstaten een reeks indicatieve criteria vaststellen om te beoordelen of het verblijf in het gastland reëel en daadwerkelijk was. De nationale autoriteiten kunnen met name rekening houden met de volgende factoren:

• de omstandigheden van de verhuizing van de betrokken EU-burger naar het gastland (..);

• de mate waarin het verblijf in het gastland daadwerkelijk en reëel is (..);

• de omstandigheden waarin de EU-burger naar huis is teruggekeerd (..).

(..)

Er kan niet worden gesteld dat het verblijf in de gaststaat niet reëel en daadwerkelijk is alleen omdat een EU-burger nog een aantal banden onderhoudt met de lidstaat van herkomst;

(..)”.

Standpunten van partijen

8.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat niet is onderbouwd dat eerst in de bezwaarfase zou zijn aangetoond dat eiser aan de voorwaarden voldeed. Daarom is ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

8.2 Eiser stelt dat al bij de aanvraag alle voor de beoordeling van de aanvraag relevante bescheiden zijn gevoegd. Dit betrof met name de twee door België verstrekte documenten waaruit blijkt dat eiser en zijn echtgenote in België verblijf hebben op grond van de Richtlijn. Voorts hebben eiser en referente geldige paspoorten getoond en daarvan kopieën overgelegd evenals (onder meer) een verklaring van inschrijving van referente van

19 september 2008 op het verblijfadres in België, een afschrift van de aanvraag om een verblijfskaart van eiser van 26 augustus 2008, bewijsstukken dat eiser en referente in België een geldige ziektekostenverzekering hadden, een afschrift van de huurovereenkomst, met ingangsdatum 1 september 2008, van de woning in België waar zij hebben gewoond, post op naam van eiser op het adres van inschrijving, de huwelijksakte met vertaling in het Frans en het bewijs dat referente tijdens het verblijf in België economisch actief was.

8.3 Verder stelt eiser dat de rechten uit de Richtlijn slechts kunnen worden beperkt indien sprake is van misbruik in de zin van artikel 35 van de Richtlijn, hetgeen moet blijken na deugdelijk onderzoek. Door verweerder is misbruik gesteld noch vastgesteld. De meeste van de vragen die tijdens de hoorzitting zijn gesteld, waren al eerder door verweerder naar aanleiding van de aanvraag gesteld bij brieven van 5 februari 2010 en 5 maart 2010. Bovendien waren deze vragen volgens eiser in strijd met de Richtlijn, nu er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de Belgische autoriteiten met betrekking tot zijn verblijfsrecht. De vragen zijn desondanks op 15 februari 2010 en

15 maart 2010 beantwoord. Voorts voert eiser aan dat de Europese Commissie expliciet heeft aangegeven dat de motieven van een migrerend Unieburger en zijn of haar familieleden niet relevant zijn voor de vraag of zij rechten aan het gemeenschapsrecht kunnen ontlenen. De Belgische autoriteiten hebben het verblijfsrecht vastgesteld na herhaald, uitgebreid onderzoek. Daaraan mag niet worden getwijfeld.

9.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geen aanleiding is om de kosten te vergoeden, nu het besluit in primo niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, maar vanwege een herwaardering van feiten die bekend zijn geworden ten gevolge van de hoorzitting gedurende de bezwaarfase.

9.2 Tijdens deze hoorzitting zijn diverse onderwerpen besproken waarover ten tijde van het besluit in primo onduidelijkheden bestonden, zoals het postadres van referente in Amsterdam en de dagelijkse reistijd van referente naar haar werk. Deze twijfels zijn pas tijdens de hoorzitting weggenomen, dan wel is eiser naar aanleiding van de toelichting tijdens de hoorzitting uiteindelijk het voordeel van de twijfel gegeven. Dit maakt niet dat de twijfels ten tijde van het besluit in primo niet geuit hadden mogen worden. Het is aan eiser om aan te tonen dat hij samen met referente in België heeft gewoond. Er zijn weliswaar door België afgegeven EU-documenten overgelegd, maar er waren ook aanwijzingen dat geen sprake is van gemeenschapsrecht nu niet was gebleken waarom eiser en referente zich in België hebben gevestigd en welke periode ze daar hadden verbleven.

Oordeel van de rechtbank

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beslissing op bezwaar negatief heeft beslist op het verzoek van eiser als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en oordeelt allereerst, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 januari 2008 (LJN: BC6166) dat eiser belang heeft bij zijn beroep tegen de afwijzing van de vergoeding van proceskosten.

11. Niet in geding is dat door de Belgische autoriteiten aan eiser een document is verstrekt waaruit het van rechtswege rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt (‘Carte de séjour de membre de la famille d’un citoyen de l’Union’; EU-verblijfskaart). Onbetwist is dat eiser een kopie van dit document bij de aanvraag heeft overgelegd.

12. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder het resultaat van de toetsing aan het gemeenschapsrecht door de Belgische autoriteiten rechtmatig in twijfel heeft mogen trekken en aanleiding heeft kunnen zien tot een onderzoek over te gaan in verband met mogelijk misbruik.

13.1 De rechtbank stelt vast dat blijkens het bestreden besluit het besluit in primo is herroepen vanwege een herwaardering van de feiten en omdat enkele onduidelijkheden tijdens de hoorzitting zijn weggenomen dan wel eiser naar aanleiding van de toelichting tijdens de hoorzitting uiteindelijk het voordeel van de twijfel is gegeven. Hieruit leidt de rechtbank af dat het bestreden besluit op hetzelfde feitenmateriaal is gebaseerd als door eiser bij diens aanvraag is overgelegd en door verweerder bij het besluit in primo is betrokken.

13.2 De rechtbank overweegt als volgt. In het besluit in primo is verweerder tot een eigen beoordeling overgegaan van de vraag of eiser een verblijfsrecht kan ontlenen aan het gemeenschapsrecht. Verweerder heeft daarbij niet gesteld dat de Belgische autoriteiten eiser op onjuiste gronden de EU-verblijfskaart hebben verstrekt. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kunnen en moeten de lidstaten van de Europese Unie er van uitgaan dat andere lidstaten in het kader van de gemeenschapstrouw zorgvuldig onderzoeken of een vreemdeling onder de toepassing van het gemeenschapsrecht valt, tenzij er gronden zijn om aan te nemen dat een lidstaat op onjuiste gronden een EU-verblijfskaart heeft verstrekt.

13.3 Nu gesteld noch gebleken is dat er gronden waren voor verweerder om aan te nemen dat lidstaat België op onjuiste gronden een EU-verblijfskaart aan eiser heeft verstrekt, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van België aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel moeten vasthouden. De Belgische autoriteiten zijn na (onbetwist) deugdelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat het gemeenschapsrecht van toepassing is op eiser. Er was geen grond om aan te nemen dat de EU-verblijfskaart door de Belgische autoriteiten op onjuiste gronden is verstrekt. Bovendien maakt de rechtbank uit paragraaf B10/5.3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 op dat rechten krachtens het gemeenschapsrecht, waaraan reeds uitvoering is gegeven, behouden blijven. De rechtbank overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat sprake was van een vermoeden van misbruik van gemeenschapsrecht. Uit het besluit in primo en het verhandelde ter zitting komt, kort gezegd, slechts naar voren dat voor verweerder bepalend was dat uit de bij de aanvraag overgelegde stukken niet bleek waarom eiser en referente zich hadden gevestigd in België en in welke periode ze aldaar hadden verbleven. Voorts wijst de rechtbank er op dat volgens de Mededeling niet kan worden gesteld dat het verblijf in de gaststaat, in dit geval België, niet reëel en daadwerkelijk is alleen omdat een EU-burger nog een aantal banden onderhoudt met de lidstaat van herkomst, in dit geval Nederland.

14. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslissing in primo is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft dan ook ten onrechte het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

15. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:15 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover in verband met de proceskosten van het bezwaar.

16. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid en onder c, van de Awb, in zoverre zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder alsnog aan eiser de kosten vergoedt die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 437,-als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt € 437,- en een wegingsfactor 1).

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de recht¬bank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover in verband met de proceskosten van het bezwaar;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd in verband met de proceskosten van het bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van de in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 437,- (zegge: vierhonderdzevenendertig euro);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 150,- (zegge: honderdvijftig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S.F. Voskens, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.E. van Diepen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 oktober 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LvD

Coll.: MK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.